• Seis oere thús

    Op een avond reed ik met een bus Leeuwarden binnen. Na mijn studie heb ik daar jaren gewoond. Toen ik uitstapte, luidden de klokken zes maal zes slagen; het is zes uur. Dat wil zeggen: kom naar huis, je moet eten. Opvallend is dat ik me dit meer dan dertig jaar later nog kan herinneren als de dag van gisteren: de verstilde sfeer, de invallende avond, de klank van die klokken en het Friese landschap waar ik doorheen was gereden, vanaf Snits (Sneek) richting Ljouwert (Leeuwarden).
    Seis oere thús heet de herkenningsmelodie, de tune voor de Culturele hoofdstad van Europa in 2018: Leeuwarden – Fryslân. Het uitgangspunt is inderdaad het gelui van de kerkklokken, maar niet zozeer als roep om thuis te komen voor het eten, maar als wake up call voor de problemen van deze tijd die ook Friesland kent: de energiecrisis, biodiversiteit, het zoeken naar identiteit, het eigene van de taal en de kunst.

    De tekst is van Nynke Laverman, de muziek van haar partner Sytze Pruiksma. De première ervan gaven ze in een uitzending van het televisieprogramma Podium Witteman. Pruiksma – ik kan me uit mijn Friese tijd alleen zijn broer, dirigent Hoite herinneren – bespeelde tijdens het gesprek aan tafel niet alleen de dulcimer, een snaarinstrument, maar ook een vogelfluitje dat staat voor de weidevogel in het algemeen en de bedreigde grutto in het bijzonder.
    De melodie die Pruiksma op de tekst had geschreven, riep volgens Laverman door de lange lijnen ervan de sfeer op van het wijde Friese landschap.

    Spelen in lange lijnen was volgens mijn oud-hoboleraar in Leeuwarden, Erik Keuning, niet mijn sterkste kant. Daarvoor was ik misschien teveel gepokt en gemazeld in de barokmuziek, met aandacht voor retorische détails. Van  mijn blokfluitleraar Hans Nieuwland in hetzelfde Ljouwert kan ik me herinneren dat hij een soortgelijk ideaalbeeld schetste van een grote weidevogel die door de lucht scheert en slechts een enkele keer de vleugels beweegt. Zó moest het volgens hem klinken. Of, zoals Hylke Speerstra  samenvattend dichtte met een herinnering aan de verdwijnende zang van de leeuwerik:

    Sa springt myn hert, út leed en ûnk,
    Ut lege mieden fen fortriet
    En sjit omhech, in ljochte fûnk,
    Det sjonged altyd heger klimt
    En nea gjin ein mear nimt.

    Zo springt mijn hart op uit leed en ongeluk,
    uit lege velden van verdriet
    en schiet omhoog, een lichte vonk,
    een zelfvergeten lied
    dat zingend altijd hoger klimt
    en nooit een einde neemt.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Er met niemand over praten

    Er met niemand over praten

    De onlangs overleden psycholoog Nico Frijda (1927-2015), die onder andere emoties op de kaart zette, zei dat onder extreme omstandigheden zoals oorlog, er weinig anders op zit dan je emoties te onderdrukken. Zelf legde hij een ‘betonnen deksel’ op zijn oorlogsverleden (zijn vader stierf in Auschwitz en zelf zat hij ondergedoken in Friesland) omdat, ‘je bang bent dat anderen het niet aan kunnen als je erover praat en omdat je bang bent zelf gek te worden als je het doet.’  Iets gelijksoortigs deden de jonge mannen die in 1949 uit Indië terugkeerden.

    Voormalig hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant en schrijver Hylke Speerstra (1936) wordt wel het historische geweten van Friesland genoemd. Eind jaren negentig schreef hij Het wrede paradijs, een bundeling levensverhalen van Friese landverhuizers, die in de jaren vijftig emigreerden naar onder meer Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Tijdens één van deze reizen hoorde hij het verhaal van een oud-Indiëganger die hem op het spoor zette van de geschiedenis van Friese jongens die in Nederlands-Indië (1945 – 1949) hebben gevochten. Hij kwam met tientallen oud-veteranen in contact (allen ver in de tachtig) die hun hele leven gezwegen hebben over hun ervaringen in Indië.  Achttien van deze, zeer openhartige, gesprekken zijn in Op klompen door de Dessa opgenomen.

    Ze werden uitgezonden om ‘rust, orde en veiligheid’ te brengen. Maar het kwam er op neer dat ze werden aangezet tot het uitbranden van kampongs en het uitvoeren van standrechtelijke executies. Wie weigerde te gaan, kwam in de gevangenis en was de familie tot schande. Het was een vaderlandsplicht, zoals een geïnterviewde zei. En meer dan dat: Ze werden door de kerk min of meer naar Indië toe gepreekt.

    De jongens waren nergens op voorbereid en zaten tot kort voor hun vertrek nog onder de plak van ouders en kerk. Christelijk opgevoed, zonder enige ervaring, werden ze in Indië al snel aan seksuele verleidingen blootgesteld. Waren ze eenmaal gezwicht dan bleven ze achter met venerische aandoeningen. Een arts trachtte hen daarvoor te behoeden met het advies: ‘Dreigen de hormonen jullie de baas te worden, masturbeer dan.’ Waarvan veel jongens niet begrepen wat hij daar mee bedoelde. Velen dachten het avontuur tegemoet te gaan maar kwamen terecht in een guerrilla-oorlog die niet te winnen was.
    Toen ze gedesillusioneerd terugkwamen in Nederland, werden ze ontvangen alsof er niets was gebeurd. En zelf zwegen ze. De blijdschap dat ze het overleefd hadden, was groot. Hoe ze het overleefd hadden en wat ze gedaan hadden, daar werd niet naar gevraagd. En voor wie zijn verhaal toch kwijt moest was er op het schip terug de aalmoezenier geweest. Maar die had hen wel op het hart gedrukt dat ze de gruwelijk dingen die ze hem verteld hadden, thuis niet mochten vertellen.

    Ook een dienstweigeraar en een sergeant (oud lid van de Tweede Kamer voor landbouw en ontwikkelingssamenwerking) Rinse Zijlstra, laat Speerstra aan het woord. Zijlstra werd niet uitgezonden maar kreeg de opdracht ondergedoken Indiëweigeraars op te sporen. Hij vertelt hoe hij als twintigjarige met een legergroene drietonner, een bijrijder en een lijst met namen op pad ging.

    In de oorlog moesten wij onderduiken om uit handen van de Duitsers te blijven, in Schoonhoven hebben wij ons laten overhalen jacht te maken op jongens die niet mee wilden doen in Indië. Jongens van ons eigen volk nog wel.

    Je vraagt je af waarom deze mannen er pas zoveel jaren nadien over spraken, en zo ‘gretig’ naar het schijnt. Het antwoord is even simpel als schrijnend: er werd nooit eerder naar gevraagd. Het is mooi te lezen hoe Speerstra bij deze mannen thuis op bezoek, hen met de juiste vragen en integere stiltes, hun verhaal laat vertellen. Waarbij de oprechtheid van deze mannen, ondanks de afschuwelijke details van hun verhalen, verbijsterend is. Daaruit blijkt eens temeer de urgentie van hun verhalen.

    Veel Nederlandse families kennen wel een oom of achteroom die als vrijheidsstrijder in Nederlands-Indië heeft gediend. Wat ze daar hebben meegemaakt was geen gespreksonderwerp. En, zoals gezegd, er zat niemand op hun verhalen te wachten.

    Oorlog ontwricht levens. Met sommige Indiëgangers kwam het nooit meer goed. En veel van de terug gekeerde mannen verlieten voorgoed het dorp en emigreerden. En dan het verhaal over een jongen waarvoor geen zee te hoog ging maar die zijn geliefde vanuit Indië schreef dat hij er tegenop zag om thuis te komen. Tijdens een achtervolging op Java stoof hij in zijn legervoertuig door een kampong vol spelende kinderen, waarvan de afloop zich raden laat. Met dit verhaal durfde hij niet thuis te komen en vertrok van Soerabaja rechtstreeks naar Australië.

    Op klompen door de Dessa is zeer invoelbaar geschreven en geeft inzicht in een periode uit de Nederlandse geschiedenis die lang duister is gebleven.
    De verhalen geven te denken over de impact van ‘bevel is bevel’ en moreel besef. Haal de mens uit zijn context, zet hem in een oorlogsgebied en hij is tot dingen in staat waarvan niemand had gedacht dat hij daar ooit toe in staat zou zijn. En ook dit is een gegeven: Zolang er, waar ook ter wereld oorlog is, zullen mensen traumatische ervaringen opdoen die zij een leven lang met zich meedragen.