• Gouden tijd 

    Gouden tijd 

    ‘Het coronavirus slaat hard toe’; ‘Intensivisten in de frontlinie van de strijd tegen het coronavirus’; ‘Sluipmoordenaar steekt opnieuw de kop op’. De koppen in de media zijn als even zovele uitdrukkingen van angst. Maar ook zit er spanning, avontuur in. Elke dag opent het journaal met de feiten: hoeveel  doden vandaag, hoeveel doden totaal, hoeveel nieuwe IC-opnames. De getallen worden gevisualiseerd in grafieken en staafdiagrammen. Schijnbaar onweerlegbare bewijzen van ons vermogen de natuur onze wil op te leggen. Maar de cijfers kloppen niet. En dat niet alleen, we weten dat ze systematisch veel te laag zijn, dus nepnieuws.

    En toch blijven ze dit nieuws presenteren, want meten is weten. Ons geloof in statistieken is absoluut. Journalisten vragen elke dag opnieuw om harde uitspraken, wanneer is het omslagpunt, wanneer is het vaccin klaar, wanneer mogen we uit quarantaine en kan het gewone leven weer beginnen. Niemand die het weet. Het wordt allengs duidelijker dat het leven waaraan wij gewend waren niet meer terugkomt. De ‘anderhalvemetermaatschappij’ is een krankzinnige gedachte. Virussen muteren voortdurend en volgens virologen liggen er nog hele families van veel gevaarlijker virussen op de loer. De risico’s op uitbraken met mondiale gevolgen nemen door de globalisering en wereldwijde bevolkingsgroei alleen maar toe. Hoe gaat ons leven er uitzien als we niet langer van economische groei kunnen uitgaan. Moeten we naar oplossingen zoeken op internationaal niveau of juist meer nationaal. Of zijn dat begrippen uit de oude doos en moeten we zoeken naar locale, regionale en nationale oplossingen binnen internationale kaders. 

    Hoe valt dit alles te rijmen met waarden als democratie, volkssoevereiniteit, privacy. Lieve help, wat een vragen. Mogen we deze vragen eigenlijk wel stellen. En als ze gesteld worden, mogen we dan zeggen, ‘Nee, dank u, niet aan mij graag. Ik ben niet geïnteresseerd.’

    Het is een gouden tijd voor schrijvers en cineasten. De schrijver hoeft alleen nog maar achter zijn bureau plaats te nemen om in alle rust van de quarantaine zijn boek te schrijven; een beschouwend werk met diepgang, een spannend jeugdboek, een thriller, een persoonlijk drama of wellicht een sprookje met kleurrijke, huiveringwekkende prenten. Angst is een voedingsbodem voor prachtige boeken, bijvoorbeeld over die dekselse jongens van de TU Delft, die er in geslaagd zijn in drie weken tijd een beademingsmachine te bouwen. Jongens van Jan de Witt, iconen van Hollandse vindingrijkheid. Lieve mensen, kunnen wij eigenlijk wel ontsnappen aan dit soort framing?

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.

  • Maskerade

    Maskerade

    Carnaval heeft mij nooit kunnen bekoren. Tijdens zo’n feest komen er allerlei onderbuikgevoelens boven die soms beter verborgen kunnen blijven. Zo werd tijdens het carnaval in Aalst antisemitisme verpakt als immaterieel nationaal cultureel erfgoed. Toch kan ik Herman Pleij’s pleidooi voor het carnaval, juist vanwege die functie van uitlaatklep, ondersteunen. Het kan bestuurders een spiegel voorhouden waarbij ze gevoelens van ongenoegen kunnen waarnemen om daaruit voortkomende ongeremde uitbarstingen te voorkomen. Essentieel voor carnavalsfeesten is het gebruik van maskers dat het gezicht verbergt om de drager anoniem te maken. Als de Duitse schilder Felix Nussbaum, op de vlucht voor de nazi’s in eigen land, in 1935 aankomt in Oostende, de stad van zijn grote voorbeeld James Ensor, stort hij zich in het carnaval.

    Ensor en Nussbaum gebruikten beiden sterk geladen beelden met maskers, skeletten; carnaval en de dood om de wereld, waar zij op dat moment beiden slachtoffer van waren, voor schut te zetten, te ontmaskeren. Voor Felix Nussbaum geldt dit in de meest letterlijke zin van het woord. Zijn hele oeuvre is sterk autobiografisch en brengt zijn strijd in beeld. Het toont de weg naar de ondergang. Als Joodse jongen groeit hij op in Osnabrück, waar het antisemitisme een steeds virulenter karakter krijgt. Hij begint als schilder naam te maken en wint in 1932 de Prix de Rome. Als beloning mag hij zich daar verder bekwamen en vindt hij onderdak in Villa Massimo, de Duitse kunstinstelling in Rome, waar ook Arno Breker verblijft, de latere lievelingsbeeldhouwer van de nazi’s.

    Na vele omzwervingen in Europa wordt Nussbaum uiteindelijk in Brussel om zijn jood zijn opgepakt  en vindt in 1944 een kille dood in Auschwitz. Ondanks zijn smeekbede: ‘Als ik ten onder ga, laat mijn schilderijen dan niet doodgaan. Toon ze aan de mensen!’, raakt verreweg het grootste gedeelte van zijn werk verloren en dreigt hij in de vergetelheid te raken. De speurtocht naar de herontdekking van zijn werk en dus van zijn leven wordt consciëntieus beschreven in het prachtige boek Orgelman van Mark Schaevers. Het siert Osnabrück dan ook dat zij haar grote zoon geëerd heeft met een bijzonder museum van Daniël Libeskind, waarin niet alleen een representatief beeld wordt gegeven van het werk van Nussbaum, maar ook de architectuur van het gebouw nauw aansluit bij het leven van deze grote schilder. Misschien een bezoek waard voor de carnavalvierders uit Aalst.

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis, schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Een domweg noodzakelijk verhaal

    Een domweg noodzakelijk verhaal

    Een verhaal dat verteld moest worden: ‘Het levensverhaal van Cudjo Lewis, door hemzelf verteld’. De Amerikaanse antropologe Zora Hurston heeft deze taak op zich genomen in Barracoon. Vanaf 1927 tot 1931 boekstaaft zij het verhaal van Cudjo Lewis, de laatst bekende tot slaaf gemaakte overlevende van de trans-Atlantische slavenhandel. Zij doet dit in een serie gesprekken met Cudjo, gespreid gevoerd over drie maanden. Om een vertrouwensband met hem op te bouwen zoekt zij hem regelmatig op in zijn bescheiden houten huisje. Soms is zij welkom, soms ook niet. Gezeten in de deuropening van zijn huisje, een perzik of een stuk watermeloen in hun hand, praten zij over koetjes en kalfjes, maar dan ineens begint Cudjo te vertellen over vroeger. Hij blijkt een meesterlijk verteller met een fabelachtig geheugen.
    Hurston hecht eraan zijn verhaal weer te geven in zijn eigen dialect. Dat maakt het authentiek. Als uitgeverij Viking in 1931 bereid is het verhaal in bewerkte vorm uit te geven en niet in dialect, weigert Hurston dit. Pas in 2017 verschijnt het boek alsnog in dialect, en wordt het herkend als uniek historisch document. Het is een van de zeldzame ooggetuigenverslagen van tot slaaf gemaakte mensen over zowel het dorpsleven in Afrika, de slavenjachten door inheemse heersers, de trans-Atlantische overtocht en de cultuurshock op de plantages in Amerika.

    Oluale Kossola heet voortaan Cudjo Lewis

    Oluale Kossola, zoals zijn Afrikaanse naam luidt, wordt in 1859 tijdens een oorlog door soldaten van Dahomey gevangen genomen en tot slaaf gemaakt. Daarmee komt er een bruut einde aan zijn leven in het dorp van zijn voorvaderen. De gewelddadigheden die daarmee gepaard gaan worden in geuren en kleuren verteld.

    Slavernij was een vanouds bekend onderdeel van de inheemse Afrikaanse samenleving en het koninkrijk Dahomey was daarop gebouwd. Na een lange voetreis komen de gevangenen aan bij de kust waar Kossola drie weken wordt opgesloten in een Barracoon, een slavenbarak aan de West-Afrikaanse kust. Kossola beschrijft de verwondering over wat hij nog nooit eerder heeft gezien en hem dus ook angst inboezemt: witte mannen…, de oorverdovend dreunende oceaan!!! Daar komen de witte kooplieden, na keuring, een keus maken uit de aangeboden waar. Na drie weken wordt er een lading van 65 mannen en 65 vrouwen verkocht aan witman Bill Foster en aan boord gebracht van het schip de Clotilda. Hierbij ook Kossola. De Clothilda brengt hem na een zeereis van zeventig dagen met wisselende weersomstandigheden naar Amerika. Na een moeizame tocht over de rivier de Alabama arriveren zij op een plantage van waaruit zij worden doorverkocht.

    Aangezien de transatlantische slavenhandel al sedert 1807 bij wet verboden was, moest dit hele, illegale transport zich in het diepste geheim afspelen. Om eventuele sporen uit te wissen, wordt de Clotilda uiteindelijk in brand gestoken en tot zinken gebracht. Kossola heet vanaf dat moment Cudjo omdat zijn nieuwe meester zijn naam niet kan uitspreken. Hij komt in het bezit van Jim Meaher, een plantagehouder waarover Kossola in positieve zin oordeelt. Kort daarna breekt de Amerikaanse burgeroorlog uit. Deze eindigt met de overwinning van de noordelijke staten en de nederlaag van de zuidelijke staten, en leidt tot de afschaffing van de slavernij. Kossola en zijn lotgenoten worden weer vrije mensen. Hoewel zij graag terug zouden keren naar hun land van herkomst, blijkt dit financieel onmogelijk. Kossola en zijn vrienden kopen van hun spaargeld een stuk land en bouwen daarop een eigen dorpsgemeenschap naar Afrikaans model met het christendom als bindende godsdienst. Zij noemen het Africatown. Kossola treedt hier in het huwelijk met Seely, een Afrikaanse vrouw. Zij krijgen vijf kinderen die allemaal op jeugdige leeftijd komen te overlijden
    Op het moment dat Zora Hurston hem interviewde was zijn vrouw al twintig jaar dood en was Cudjo een eenzame oude man geworden.

    Aangrijpend en betekenisvol verhaal verwarrend neergezet

    In Barracoon worden de gesprekken met Kossola op de linker pagina’s letterlijk weergegeven, terwijl rechts de vertaling in dialect staat. Hoewel het op zichzelf een zeer aangrijpend verhaal is, en uniek in zijn soort, beslaat het eigenlijk niet meer dan de ongeveer de helft van het boek. De rest wordt gevuld met diverse voorwoorden en inleidingen, bijlagen, een nawoord en aanvullend materiaal van de samensteller. Hierin zit veel herhaling. Verder bevat het een discussie tussen historici over de vraag in hoeverre Hurston stiekem leentjebuur heeft gespeeld bij anderen. Hurston lijkt wat slordig te zijn omgegaan met haar bronvermelding inzake achtergrondinformatie bij het verhaal van Kossola.
    Tenslotte gaat de samensteller van het boek, Deborah G. Plant, in op de vraag waarom het boek niet eerder is uitgegeven. Belangrijke vragen, maar het komt de leesbaarheid niet ten goede. Interessant is wel dat het verhaal van Kossola een zeker tegenwicht biedt aan het oude beeld van de zwarte Amerikaan louter als slachtoffer van perverse witte slavenhandelaren en zuidelijke plantagehouders. Kossola vertelt immers uitvoerig over de wreedheden begaan door de zwarte soldaten van Dahomey tijdens de slavenjachten zelf. Afrika als idyllisch vaderland wordt hierdoor wel wat genuanceerd.

     

  • Schoonheid

    Schoonheid

    De onlangs verschenen film For Sama, over de verschrikkingen tijdens de bombardementen op de Syrische stad Aleppo. Hamza werkt als noodarts terwijl zijn zwangere vrouw Waad al-Kateab, door dit inferno ronddwaalt en honderden uren film schiet. Op basis daarvan maakte ze een documentaire, een videobrief voor haar dan nog ongeboren dochtertje Sama, voor als zij groot is. Het doet denken aan een andere documentaire die ik onlangs zag, The Cave, over een ziekenhuis tijdens de bombardementen op Aleppo. Indrukwekkend, en wat een heldenmoed wordt er getoond. Na afloop was het nog lang muisstil in de bioscoop. Bij de uitgang zag je mensen met roodomrande ogen. Ook bij mij drongen tranen om een uitweg. 

    Wat voert mij toch naar dit soort films? Wat dwingt mij? Het maakt emoties los; woede, ontroering, gevoelens van machteloosheid, van beklemdheid, maar ook een beleving van schoonheid. Schoonheid, hoezo schoonheid? Schoonheid is voor mij nauw verbonden met waarheid. Het zoeken naar schoonheid is een menselijke eigenschap en is bepalend voor hoe je in het leven staat. Ik ben altijd op zoek naar schoonheid. Waarom is de film Son of Saul over Auschwitz van László Nemes uit 2015 zo’n schoonheid. Juist omdat hij in zwart-wit is, omdat er heel weinig in gesproken wordt, omdat hij bijna niets van de omgeving laat zien. Daardoor komt de waarheid zo goed tot zijn recht. Om de nauwe band tussen schoonheid en waarheid te smeden is vakmanschap een eerste vereiste. Ik ken binnen de filmwereld maar weinig mensen die hier zo van zijn doordrongen als Tarkovski. Wat een genot om zijn films nog eens te zien tijdens het aan hem gewijde retrospectief door filmmuseum Het Eye. De film Stalker, gaat over diepmenselijke angsten en overstijgt het verhaal.

    Documentaires zijn geen speelfilms, maar ook in documentaires geldt de kunst van het weglaten; niet het tonen van de bommenregens zelf, maar de gevolgen voor de mens waarmee de kijker zich kan vereenzelvigen, kan meeleven. Dat is wat er gebeurt in For Sama en The Cave, op een aangrijpende en prachtige manier. In hun schoonheid tonen ze een verschrikkelijke waarheid. Aleppo is al heel lang een puinhoop, waaraan het zijn faam ontleent. Beelden van een groots verleden en een verschrikkelijk heden. 

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis, schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

     

  • Een standbeeld

    Een standbeeld

    In zijn pas verschenen boek Over normaliteit en andere afwijkingen, gaat de Gentse hoogleraar psychodiagnostiek Paul Verhaeghe in op mensen die afwijken van het gevestigde beeld van normaliteit. Iedere samenleving creëert zijn eigen beeld van de ideale mens. In onze tijd is dat een succesvol, ondernemend initiatiefrijk individu. Als je daarvan afwijkt ben je abnormaal. Er zijn twee soorten mensen die daarvan afwijken, aan de ene kant de losers en aan de andere kant degenen die veel te sterk aan dat beeld voldoen. Verhaeghe noemt als voorbeeld van deze laatste categorie president Trump. Als Hillary Clinton hem, tijdens de verkiezingen van 2016 toevoegt dat niemand ooit een belastingaangifte van hem heeft gezien behalve toen hij een casinovergunning wilde aanvragen, laat hij iedereen verbijsterd achter door te zeggen dat dat laat zien hoe slim hij is. Schaamteloos en immoreel, zeker, maar dat zo iemand gekozen wordt tot president, zegt veel over onze maatschappij: ik, in plaats van solidariteit. Presidenten worden uiteindelijk vereeuwigd in standbeelden en staatsieportretten. Hoe zal Trump vereeuwigd worden?

    Nu zijn helden per definitie lieden die qua gedrag afwijken van de norm. Marco Kroon is zo’n held, een gedecoreerde held zelfs, onderscheiden met de militaire Willemsorde. Deze hoge onderscheiding wordt hoogst zelden toegekend. Wijlen Prins Bernhard had er ook een. Kroon bevindt zich in goed gezelschap. Marco Kroon houdt lezingen over leiderschap, kameraadschap en loyaliteit. Het NOS-journaal berichtte onlangs dat hij door de militaire rechtbank in Arnhem is veroordeeld tot een werkstraf van honderd uur voor schennis van de openbare eerbaarheid en mishandeling van politieagenten. Pardon, dat kan niet waar zijn. Zo’n man loopt toch niet te swaffelen naar vrouwelijke agenten, en deelt geen kopstoot uit. De veronderstelling alleen al. Hoe komt de rechtbank daarbij?

    Vanzelfsprekend gaat hij in hoger beroep. Zijn goede naam zuiveren. Wij zullen nog van hem horen. Is het ontbreken van schaamtegevoel misschien een vereiste voor heldendom of, meer algemeen, voor leiderschap in extreem moeilijke omstandigheden? Schaamteloosheid was, volgens Annejet van der Zijl, ook Prins Bernhard niet bepaald vreemd. Mensen als Trump en Boris Johnson hebben er ook geen moeite mee de ene leugen aan de andere te rijgen. Gezien hun populariteit, denk ik dat dit een kwaliteit is. Ik zou dan ook willen pleiten voor een standbeeld voor majoor Marco Kroon: een acht meter hoge Manneke Pis.

     


    Huub Bartman is historicus, hij interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Krijg de tering met je privatisering *

    Krijg de tering met je privatisering *

    ‘Het spookt in Europa’. Met deze onheilspellende woorden opent de Vlaamse schrijver Geert van Istendael zijn, wat hij noemt, ‘manifest tegen de grote verkilling’. Geïnspireerd door de woorden uit het Communistisch Manifest van Karl Marx: ‘Er waart een spook door Europa’, roept hij op tot een fundamentele bezinning op de kernwaarden van onze West-Europese maatschappij. Voor hem is dat de sociale zekerheid, verankerd in de verzorgingsstaat. Naast de Franse kathedralen, de symfonieën van Beethoven en de schilderijen van Vermeer, is dit een kroonjuweel van de Europese beschaving.

    Verkwanseling van de sociale zekerheid en kaping van gedachtegoed

    Gewapend met het vlammende zwaard van de retorica trekt Van Istendael als een oudtestamentische Mozes ten strijde tegen de valse profeten van het neoliberalisme, verwoord door de Amerikaanse econoom Milton Friedman en in de jaren tachtig in Europa vooral politiek vertaald door de conservatieve Britse premier Margaret Thatcher. Deze zag het als haar grootste opdracht af te rekenen met het begrip ‘solidariteit’ door de macht te breken van de Britse vakbeweging. Van Istendael laat zien hoe daarna Labour onder leiding van Tony Blair de zogenaamde Derde Weg, New Labour, inslaat, een poging tot consensus tussen neoliberalisme en sociaaldemocratie. In Nederland wordt dit overgenomen door de PvdA en door Wim Kok gekwalificeerd als, ‘het afschudden van de ideologische veren’. Feitelijk bekeerden de sociaaldemocraten zich tot het neoliberale marktdenken. Margaret Thatcher zei het zo, toen iemand haar vroeg wat zij zag als haar grootste verwezenlijking: ‘Tony Blair and New Labour. We forced our opponents to change their minds’. Dodelijker antwoord is, aldus Van Istendael, niet mogelijk. Hij laat zien dat deze ontwikkeling zich in alle belangrijke West-Europese landen vanaf de jaren tachtig en negentig heeft voorgedaan, binnen de eigen nationale context natuurlijk. Van Istendael concentreert zich vooral op de sociaaldemocraten, omdat zij, volgens hem, naast de christendemocraten, in de eerste plaats de dragers en de hoeders zijn van de sociale zekerheid. Deze partijen zijn verantwoordelijk voor de verkwanseling van de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat aan een onverantwoordelijk marktdenken. Op deze wijze hebben zij zich vervreemd van hun natuurlijke achterban, wat momenteel overal in Europa duidelijk zichtbaar wordt bij verkiezingen. Mensen voelen zich in de steek gelaten en zoeken hun heil bij doorgaans extreemrechtse populistische groeperingen die goed aanvoelen door welke ongenoegens zij bewogen worden. Het is dan ook niet zo vreemd dat de sociale paragraaf van het Front National van Marine LePen verdacht veel lijkt op die van de vroegere Franse communistische partij. Iets dergelijks zien we natuurlijk ook in Nederland bij de partij van Geert Wilders.

    Dieventaal en verloedering

    In Nederland werd deze verkwanseling gemunt met de term ‘participatiesamenleving’, een huichelachtige term om, zoals Jeroen Dijsselbloem onomwonden verklaarde, ‘de economie weer in evenwicht te brengen’. De valse suggestie die van de term uitgaat, namelijk de burgers meer deelgenoot te laten uitmaken van het democratische proces door hen te laten meedenken over- en meedoen met het lenigen van de behoeften in de samenleving, zet Van Istendael weg als ‘koorknapengeleuter’. Het gaat om neoliberale marktwerking, keiharde bezuinigingen dus. Hij veegt de vloer aan met figuren als Mario Draghi van de Europese Centrale Bank en diens kompaan Jeroen Dijsselbloem, paladijnen van een ongeremd kapitalisme en ‘herauten van de grote verkilling’. Jeroen Dijsselbloem, door Van Istendael weggezet als ‘nulpunt van luciditeit en verdwijnpunt van zelfinzicht’, wordt als neoliberale heelmeester van de Europese Unie verantwoordelijk gesteld voor de uitzichtloze situatie waarin het grootste deel van de Griekse bevolking zich thans bevindt. Hij heeft de ‘kersverse Griekse regeerders van Syriza geframed als ‘de nieuwe ideologen in Athene’ en gebruikt woorden als ‘gestaald kader, veelal marxisten’, terwijl het programma dat zij voorstaan bij monde van hun minister van financiën, Iannis Varoufakis (een ‘ideologische scherpslijper’, aldus Dijsselbloem) toch alleszins acceptabel wordt geacht door gezaghebbende wetenschappers en bankiers.’

    Sorry, we missed you

    Terwijl dienstverlening aan die burgers juist de kerntaak van de overheid moet zijn, wordt marktwerking heiligverklaard, altijd ten koste van de burgers. De zogenaamde efficiency van het particuliere bedrijfsleven is, volgens Van Istendael, doorgaans een mythe en maar al te vaak het product van ‘naakte uitbuiting’. Hij laat dit zien aan de hand van Bpost (spreek uit: ‘biepoowst’), zoals de Belgische posterijen sedert enkele jaren heten. Bpost doet aan georoute waarbij iedere beweging van de postbode wordt gechronometreerd: 5,760 seconden per brief. ‘Bpost vindt de metingen objectief. De vakbondsman zegt: Bpost vermaalt menselijk potentieel tot appelmoes. (Zie in dit verband de onlangs uitgebrachte, prachtige film van Ken Loach, ‘Sorry, we missed you’, waarin een soortgelijke problematiek behandeld wordt bij de Britse pakketbezorging.)

    De financiële markten zijn, aldus Van Istendael, ten diepste onethisch, immoreel. Dit in tegenstelling tot het ethische begrip ‘sociale zekerheid’. ‘Wie werkt aan de sociale zekerheid geeft blijk van een grote morele en maatschappelijke verantwoordelijkheidszin.’

    Noodzakelijk, maar vermoeiend

    Geert van Istendael analyseert in zijn boek het feilen van de sociaaldemocratie in West-Europa en de ogenschijnlijk onweerstaanbare opmars van het neoliberale marktdenken. Maar hij is ook een gelovige die voortdurend getuigenis lijkt af te leggen. Hij roept op het tij te keren en de sociale zekerheid, ‘dit kroonjuweel van de Europese beschaving’, te redden en wereldwijd uit te rollen. Van Istendael doet dit met veel verbaal geweld in een hartstochtelijk betoog dat zeer goed onderbouwd is. Hij legt doorlopend kruisverbanden tussen financieel-economische ontwikkelingen, milieukwesties, klimaatcrisis, vluchtelingenproblemen, opkomend nationalisme versus Europese eenwording, racisme en multiculturele samenleving. Kortom, het is een hoogst actueel en goed boek waaraan één nadeel kleeft: zijn in verbaal geweld verpakte woede is ook vermoeiend en gaat soms ten koste van de leesbaarheid.

  • De laatste kinderen

    De laatste kinderen

    Tijdens een rondreis door herfstachtig Schotland stuit ik in een boekwinkel op een bijzonder kinderboek, Child of St Kilda. Het door Beth Waters sfeervol getekende boek bevat het verhaal van Norman John Gillies, een van de laatste kinderen van St.Kilda, een kleine groep ruige, Schotse eilandjes ten westen van de Buiten-Hebriden. De eilandengroep is al zeker 4000 jaar bewoond. Om te overleven hebben de mensen altijd strijd moeten leveren met de natuur. Dit is wonderwel gelukt en leverde een bijzonder soort samenleving op, waarin onderlinge saamhorigheid cruciaal was om te overleven. Geld bestond niet. Ook de natuur heeft zich op een bijzondere wijze ontwikkeld.

    Door de transportrevolutie in de 19e eeuw wordt het voor buitenstaanders eenvoudiger om St.Kilda te bereiken. De mare over deze bijzondere eilandengroep verspreidt zich snel en prikkelt de nieuwsgierigheid. De bezoekersaantallen nemen toe. Dit heeft desastreuze gevolgen. De introductie van nieuwe levenswijzen en tot dan toe onbekende ziektes tasten de saamhorigheid aan en decimeren de bevolking. Voor de achterblijvers wordt het voortbestaan op St.Kilda onhoudbaar. Op hun verzoek besluit de Britse regering in 1930 de laatste bewoners te verhuizen naar het vasteland. Onder hen Norman Gillies, vijf jaar oud. Hij herinnert zich het ijskoude klaslokaal waarin hij, blootsvoets, met alle kinderen op het eiland les krijgt. Aan de muur hangt een kaart van Groot Brittannië waarop Schotland grotendeels ontbreekt en St.Kilda al helemaal.

    De vermelding daarvan in dit kinderboek is veelzeggend. De Schotten voelen zich al heel lang achtergesteld en iedere Schot kent het verhaal van St.Kilda. In de Schotse kranten wordt Johnson neergezet als een soort bullebak, die de Schotse parlementariërs afbekt en zich niets gelegen laat liggen aan hun gerechtvaardigde grieven. In gesprekken over de Brexit worden mensen emotioneel. Algemeen wordt de Brexit  gezien als een ramp voor de Schotse economie, die grotendeels afhankelijk is van de Europese markt. De afkeer van die ‘Etonboys’ is groot en het verlangen naar onafhankelijkheid groeiende, maar dan wel binnen de veilige omarming van de Europese Unie. Zonder die band is een onafhankelijk Schotland nauwelijks levensvatbaar. Het platteland ontvolkt, de saamhorigheid verdwijnt en, net als voor de bewoners van St.Kilda, worden de achterblijvers in hun voortbestaan bedreigd. Daarin ligt voor de Schotten ook het grote pijnpunt. De frustraties nemen toe. Niet voor niets worden de ontwikkelingen in Catalonië in Schotland met meer dan normale aandacht gevolgd.

     


    Huub Bartman is historicus, hij interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Pacificatie

    Pacificatie

    De autobiografische roman van Alfred Birney, De tolk van Java, getuigt van de verpletterende last van de geschiedenis. Over de wreedheden begaan door ‘onze jongens’ in Nederlands-Indië tijdens de zogenaamde politionele acties wil niet iedereen graag horen. Over de doorwerking daarvan op het leven van latere generaties is vrijwel niets bekend. Het besluit van de Nederlandse regering in 2017 om de gang van zaken tijdens de dekolonisatie te laten uitzoeken komt dan ook niets te vroeg. Het uitgestelde eindrapport van de onderzoekscommissie wordt tenslotte eind 2021 verwacht en belooft nu al veel explosief materiaal te bevatten. Voor mij was het aanleiding om onlangs de collegedag over de koloniale geschiedenis bij te wonen in Museum Bronbeek, georganiseerd door Het Historisch Nieuwsblad.

    Bij de opening werd door een medewerker vol trots en als nieuwe aanwinst een kolossaal schilderstuk gepresenteerd van koning Willem III in vol ornaat en ten voeten uit door Nicolaas Pieneman. Over deze Oranjetelg, oprichter van Bronbeek als tehuis voor oud-KNIL-militairen en schenker van het landgoed, weet de website Historiek het volgende te melden: ‘Omdat Willem III bekend staat als een bruut, die volgens sommigen enkel geeft om jacht, drank en vrouwen, krijgt hij internationaal de naam ‘koning Gorilla’. Volgens de socialisten bestempelt Willem III zijn volk als ‘domme ossen, gepeupel en uitschot’. Je vraagt je af waarom je blij moet zijn met zo’n protserig schilderij van deze ‘Gorilla’.

    In Bronbeek staat de geschiedenis van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en zijn tegenstanders centraal. Het museum wil de kennis en het bewustzijn van het Nederlandse koloniale verleden vergroten en hiervoor belangstelling wekken. Maar de collectie bestaat grotendeels uit rommel zoals militaire parafernalia met kanonnen en ander wapentuig, medailles, linten, uniformen en borstbeelden van, eh,… van Van Heutz!? Verder kiekjes van soldaten en van wreedheden begaan door de Japanners. Het verhaal van Alfred Birney kan ik hier niet goed plaatsen. Nog vóór de verschijning van het rapport van de onderzoekscommissie wordt de presentatie van het museum op de schop genomen. Tsja, je zou zeggen: ‘Wacht even’. Op een vraag uit de zaal of er ook aandacht komt voor het pacifisme, klonk een onderdrukt gelach, zeker toen de medewerker eventjes van slag leek en vervolgens met militaire duidelijkheid antwoordde: ‘Nee, ik begrijp niet wat u bedoelt’. Met een gevoel van bitterheid, grinnikte ik bij de gedachte: ‘Geen pacifisme, wel pacificatie natuurlijk.’

     


    Huub Bartman is historicus, hij interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • ‘Weg met de boeven en dieven aan de macht’

    ‘Weg met de boeven en dieven aan de macht’

    Marc Jansen laat in De toekomst die nooit kwam zien wat de kracht is van schrijven vanuit een duidelijke visie op – en probleemstelling bij een beoogd onderwerp, in dit geval de geschiedenis van de Sovjet-Unie en zijn opvolger het huidige Rusland. Hij ontsnapt zo aan een wijdlopig chronologisch overzicht. In een sobere schrijfstijl zet hij beknopt uiteen voor welke problemen het land op dit moment staat als gevolg van de gebeurtenissen en ontwikkelingen die het in de twintigste eeuw heeft doorgemaakt. Dit kan alleen als de schrijver gepokt en gemazeld is in de materie die hem voor ogen staat. Welnu, dat is inderdaad het geval.

    Tuinieren

    Zoals de titel aangeeft, sluit Jansen aan bij de belofte van een beter leven, een betere wereld die de Russische Revolutie volgens haar aanhangers zou moeten brengen. Trotski zei in de lente van 1918: ‘Wij gaan hier, in deze wereld, het paradijs bouwen, voor iedereen, voor onze kinderen en kleinkinderen voor altijd’. Dit grenzeloze idealisme is kenmerkend voor die tijd en lijkt wel een laatste stuiptrekking van het 19e-eeuwse positivisme. Sjeng Scheijen gaat hier omstandig op in in zijn nieuwste boek De avantgardisten. Dit optimisme is overigens niet alleen kenmerkend voor Russische revolutionairen. Ook in andere landen vond de Revolutie onder intellectuelen en arbeiders veel weerklank. Stalin echter bleek al snel wat praktischer: ‘Bij het bouwen van dit schitterende paleis van de toekomst moest wel goed worden opgelet. Tussen zijn stenen kon onkruid de kop opsteken, dat diende te worden gewied.’ Hoe dat ‘wieden’ in zijn werk is gegaan, maakt het vervolg van het boek duidelijk. Dat ‘wieden’ blijkt overigens niet alleen het voorrecht te zijn geweest van Stalin, maar is onlosmakelijk verbonden met de Revolutie en al haar protagonisten. Stalin was wel de beste tuinier en Lenin zijn uiterst bekwame leermeester.

    Een schrijnend voorbeeld van die terreur, bij het lezen waarvan je bijkans de tranen in de ogen springen, geeft Jansen aan de hand van zijn beschrijving van de laatste jaren van Varlam Sjalamov, schrijver van zo’n 150 indrukwekkende verhalen over zijn meer dan twintigjarige verblijf in de kampen van Kolyma:

    ‘De drie slotjaren van zijn leven bracht hij door in een armetierig bejaardenhuis in een buitenwijk van Moskou. Op zijn kamer had hij de kampwereld nagebootst en pakte hij ook de bijbehorende gewoonten weer op. Het eten dat zijn bezoekers meebrachten at hij schielijk op, wat overbleef verstopte hij onder zijn hoofdkussen. Hij vroeg hen zelfs inkopen te doen in de kampwinkel.’

    Solzjenitsyn of Memorial

    Na het ineenstorten van de Sovjet-Unie komt de vraag naar boven of de Revolutie onontkoombaar was en hoe het mogelijk is geweest dat het land daardoor in het ongerede is geraakt. Over de onontkoombaarheid daarvan blijkt verschillend geoordeeld te worden. Dat Rusland aan het begin van de twintigste eeuw aan de vooravond stond van grote veranderingen, daarover is iedereen het eens. Maar of dit noodzakelijkerwijs tot de Revolutie heeft geleid, wordt betwist. Populair blijkt de zienswijze van Solzjenitsyn dat Rusland het slachtoffer is van een ‘progressieve ideologie die aan het eind van de negentiende eeuw vanuit het Westen op Rusland afvloog’: Moedertje Rusland kapotgemaakt door Westerse intellectuele denkbeelden.

    Jansen wijst erop dat dit soort denken een kritische kijk op het eigen verleden in de weg staat, een kritische zelfreflectie die onontbeerlijk is om in het reine te komen met het verleden en vooruit te kunnen kijken. Ten tijde van de glasnost kwam het tot enkele pogingen om werk te maken van die kritische zelfreflectie. Vooral Memorial, een instelling die zich bezighoudt met onderzoek naar het Sovjetverleden, speelt hierin een hoofdrol: ‘Maar het verleden leeft voort in het heden, daarom is Memorial een politieke beweging, want de dag van vandaag heeft niet afgerekend met de dag van gisteren’. Juist deze politieke lading leidt ertoe dat Memorial, en in haar kielzog alle onafhankelijke media, onder Poetin steeds meer aan banden gelegd worden.

    Patriottische canon

    Kenmerkend voor het beleid van Poetin is, wat Jansen noemt, ‘de patriottische canon van het Grote Rusland: een glorieuze geschiedenis, niet onderbroken door een storende revolutie’, waarvan de wortels liggen in het Westen. Vandaar het ogenschijnlijk tegenstrijdige fenomeen dat zowel tsaar Nicolaas II, inmiddels heiligverklaard door de Russisch orthodoxe kerk, als Stalin kunnen rekenen op de nodige populariteit. Ondanks zijn fouten geldt Stalin toch als de man die Rusland het industriële tijdperk heeft binnen geloodst en het fascistische Duitsland heeft verslagen in wat is gaan heten ‘De Grote Vaderlandse Oorlog’. Zijn pact met Hitler, zijn falen in de voorbereiding op de oorlog en zijn oorlogsmisdaden – bijvoorbeeld de moord op de Poolse officieren in april/mei 1940 – worden daarbij gemakshalve vergeten. Een peiling uit het najaar van 2018 wijst uit dat vierenzeventig procent van de Russische jongeren van achttien tot vierentwintig jaar nog nooit heeft gehoord van de repressies onder Stalin.

    Veel hooggeplaatste Russen zijn het moe altijd maar weer die narigheid over de Sovjettijd te moeten aanhoren. ‘We moeten begrijpen’, aldus zo’n hooggeplaatste, dat we een grote natie zijn, een groot volk. Miljoenen mensen hebben hun leven gegeven voor de Sovjet-Unie, hele generaties hebben deze staat opgebouwd, en we kunnen dat niet doorstrepen, zwartmaken en er tegenaan trappen’. Dit botst met de verlangens naar gerechtigheid van vele slachtoffers van de terreur en hun nazaten, met de nog altijd voortdurende terreur tegen hele volksstammen, waarvoor het bewind van Poetins zetbaas in Tsjetsjenië, Ramzan Kadyrov, als exemplarisch kan gelden.

    Poetin bedankt

    Jansen maakt in zijn boek duidelijk dat de spanningen in het Rusland van Poetin steeds groter worden en dat de huidige machthebbers geen enkel idee hebben over de toekomst. Het land lijkt af te stevenen op een nieuwe omwenteling. De oppositie rond figuren als Alexej Navalny lijkt sterker te worden, maar aan de andere kant kan Poetin rekenen op steun van veel gedesillusioneerde mensen die niet zozeer hopen op een betere toekomst als wel op een niet slechtere: ‘Dat mensen niet worden vermoord of zonder reden gevangengezet, dat salarissen worden uitbetaald, dat de winkelschappen vol liggen: dat is pas geweldig. Poetin, bedankt daarvoor.’ De toekomst die nooit kwam, een mooie titel voor een goed boek. 

     

    De titel boven deze recensie is een citaat van Alexej Navalny

     

  • Zomerlezen – Fijne boeken

    De avant-gardisten

    Voor kunstliefhebbers en geïnteresseerden in de geschiedenis van de Sovjet-Unie is een nieuw boek van Sjeng Scheijen een absoluut feest, zeker na het succes van zijn biografie uit 2009 over Sergej Diaghilev, de oprichter van het vermaarde Ballets Russes. Kunstenaars als Diaghilev, zijn compaan Alexander Benois en de schilder Kandinsky waren verfijnde lieden, zelfbewust en goed opgeleid en, in de tsarentijd, bekend met hofkringen, terwijl Malevitsj en Tatlin, de twee iconen van de Russische avant-garde waaromheen het nieuwe boek van Sjeng Scheijen, De avant-gardisten 1917-1935, is opgebouwd, van veel eenvoudiger komaf zijn.

    Malevitsj was een autodidact, een begenadigd vertolker van zijn eigen ideeën, hoewel niet altijd door iedereen goed begrepen. Malevitsj is een charismatische man die echt school maakt. Vrijwel alle avant-gardekunstenaars van zijn tijd zijn beïnvloed door Malevitsj. Tatlin is de meer ingetogen eenling, die zich tracht te onttrekken aan de al te aanwezige Malevitsj. Tatlin houdt er ook andere artistieke opvattingen op na. Hij houdt zich vooral bezig met conceptuele kunst, met het maken van mechanische constructies, maar ook gebruikskunst als ontwerpen van bedrijfskleding en stoelen.

    Sjeng Scheijen slaagt erin de artistieke wereld van de avant-garde op weergaloze wijze tot leven te brengen dankzij gedegen onderzoek op basis van uniek bronmateriaal.

     

     

    De avant-gardisten
    Auteur: Sjeng Scheijen
    Uitgeverij: Prometheus

    De toekomst die nooit kwam

    Hoe een communistische droom van een nieuwe wereld en de nieuwe mens in duigen valt en ontaardt in terreur wordt beschreven door Marc Jansen in De toekomst die nooit kwam, Een geschiedenis van Oekraïne. De vraag die hem bezighoudt is: ‘Welke toekomst heeft Rusland onder Poetin?’ Tot nog toe zijn de Russen niet in staat gebleken hun eigen revolutionaire verleden onder ogen te zien en rekenschap te vragen aan de verantwoordelijke mensen. Hoewel het duidelijk is onder wat voor schrikbewind de Russen ten tijde van Lenin en Stalin geleefd hebben staan Lenin en Stalin nog steeds in hoog aanzien. Er is zelfs sprake van een zekere Stalin-revival. Poetin laveert tussen de neo-stalinisten in zijn land en de aanhangers van de Russisch orthodoxe kerk, terwijl hij zelf steeds meer verwikkeld raakt in de netten van corrupte oligarchen. Kinderen krijgen op school les over de heldenrol van de Russische soldaten in de Grote Vaderlandse Oorlog tegen Nazi-Duitsland en de grote oorlogsleider Stalin, maar horen niets over het pact dat Stalin sloot met Hitler om Polen te verdelen en de Baltische staten in te lijfen, niets over de terreur van Stalin en de blunders in de voorbereiding op de oorlog, laat staan over de holodomor in de Oekraïne, de bewust door de communisten gecreëerde hongersnood in de jaren dertig waarover Marc Jansen eerder in zijn boek Grensland, een geschiedenis van Oekraïne heeft bericht. Er wordt een mythe in stand gehouden op basis van nepnieuws en geschiedvervalsing, maar voor hoe lang nog?

    In dit verband is het aardig om het boek Kuifje in de Sovjet-Unie te herlezen. Het boek blijkt een groter waarheidsgehalte te bevatten dan menigeen in de tijd van verschijnen voor mogelijk hield.

     

    De toekomst die nooit kwam
    Auteur: Marc Jansen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Een bijna volmaakte vriendschap

    Dit prachtige kleinood verdient het om nogmaals onder de aandacht gebracht te worden.  Zelden heb ik zo’n beklemmend boek gelezen, dat bepaald niet zonder humor is. Juist daarom wordt je er in meegezogen. De setting is vervreemdend, bijna een toneelstuk van Pinter. Jongeman zit op een bankje in een park tegenover kantoorklerk van middelbare leeftijd. Op vaste dagen zitten zij daar. Ze merken elkaar op. Ze maken contact. Er komt een gesprek. Ze gaan op dezelfde bank zitten. Het gesprek wordt intiemer. Er ontstaat een band. Wat is dat? Is dat vriendschap, liefde? Is dat wat je aan het leven bindt? Elke zin in dit boek is raak en betekenisvol. Het boek stijgt boven het verhaal uit. Het boek gaat uiteindelijk over jou, de lezer. Voor een recensie van dit boek verwijs ik graag naar Anky Mulders op Literair Nederland.

    Een bijna volmaakte vriendschap
    Auteur: Milena Michiko Flasar
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
  • ‘Bij elke oorlog gaat het zo: de mensen copuleren zich er gewoon doorheen’

    ‘Bij elke oorlog gaat het zo: de mensen copuleren zich er gewoon doorheen’

    De oorlog laat ons kennelijk niet los. We krijgen geen genoeg van het inleven en het herdenken, gezien de aandacht van de media voor het 75-jarige jubileum van D-Day. Heroïsche anekdotes van de laatste overlevenden schreeuwen om gehoord te worden. Ook De Aardappelcentrale draait om de herinneringen van een overlevende. De schrijver, Atte Jongstra, krijgt bij toeval een pak papier in handen met losse aantekeningen van de beeldhouwer Chris Holtser, waarin deze schrijft over zijn belevenissen tijdens de oorlog. Hij benadert Jongstra met het verzoek daarvan een biografie te brouwen. Jongstra neemt de uitdaging aan.

    Cynische overlever
    Door de terugkerende ontmoetingen met Holtser krijgt het boek het karakter van een raamvertelling.
    Dit stijlmiddel zorgt voor een brug in de tijd waarmee het relativerende karakter van het boek versterkt wordt. De oude Holtser is een bedlegerige, cynische kankerpit, wiens leven, naar eigen zeggen, eigenlijk na de oorlog was afgelopen.

    (Jongstra) ‘”Het is geen oorlog meer, meneer. Gelukkig maar.”
    (Holtser) “Noem dat maar gelukkig,” zei hij. “Toen gebeurde er tenminste nog wat. Sindsdien is het allemaal niks. De oorlog… Geen meid was veilig, en dat vonden ze helemaal niet erg. Zelf wilden ze ook graag. Mooie avonturen hoor!”’

    Voor de onbekende overlever
    Chris Holtser is het klassieke type van de antiheld. Als, tijdens de bezetting, in 1942 de Arbeidsdienst wordt opgericht, moeten alle Nederlandse jongens tussen de 18 en 23 jaar zich melden om te gaan werken in Duitsland: spitten op de hei, exerceren, paraderen en zich afbeulen, kortom, naar analogie van de propaganda, ‘Koenraad van de Arbeidsdienst’ spelen. Dit lijkt Holtser maar niks. Als er dan ook een baantje als medewerker vrij komt op het Amsterdams Gemeentearchief aan de Amsteldijk waarvoor vrijstelling van de arbeidsdienst geldt, is Holtser er als de kippen bij. Hij wordt, vanwege zijn achtergrond als beeldhouwer, medewerker Gedenktekens en is belast met het inventariseren en documenteren van alles betreffende standbeelden en gedenktekens. Bovendien krijgt hij de beschikking over een dienstfiets, iets wat in die jaren gold als een grote bijzonderheid.

    Hoewel hij officieel nog thuis woont, bivakkeert hij doorgaans op het atelier van zijn vriend Bonaventura, vlakbij het Gemeentearchief. Dit atelier heeft Bonaventura ‘geregeld’ via een vriendje van de NSB en doet dienst als ontmoetingscentrum van kunstenaars die gelieerd zijn aan de Kultuurkamer. Het is een gemengd gezelschap van nihilistische lieden die in meer of mindere mate sympathiseren met de Duitsers en zich, naarmate de oorlog voor de Duitsers slechter lijkt te verlopen, vooral zorgen maken over hun eigen hachje na de oorlog. Via connecties bij de NSB weten ze aan eten en drank te komen, zodat er altijd wat te vieren valt. Zij laten het zich goed smaken en omringen zich voortdurend met mooie en willige meiden.

    Aardappelcentrale
    Als Chris Holtser besluit een standbeeld te maken voor de Onbekende Overlever, een standbeeld in de vorm van een aardappel, genaamd ‘Niemand’, wordt deze gedachte door iedereen enthousiast omarmd en feestelijk ingewijd. Voortaan gaat het gezelschap door het leven als de Aardappelcentrale. Het beeld wordt opgedragen aan de anonieme burger, die gewoon aardappelen op zijn bordje wil en verder niets, die zijn leven niet wil opofferen voor welke ambitie dan ook, maar gewoon wil overleven. Ze plaatsen het beeld op het pleintje voor bioscooptheater Thalia in de Tolstraat op 2 of 3 september 1944, vlak voor Dolle Dinsdag, de dag waarop talloze NSB’ers en Nazi-sympathisanten overhaast de wijk nemen naar het oosten in verband met de valse geruchten over de op handen zijnde bevrijding van Nederland. Op woensdag, als de Duitsers alle gekte van de vorige dag weer onder controle hebben, blijkt iemand een bord tegen de voet van het geïmproviseerde piëdestal geplaatst te hebben met daarop geschreven: ‘Weg met de pieper Adolf. Wij willen echte aardappelen!’ Zo is Niemand plotseling omgetoverd tot een verzetsmonument.

    Als het oog van de Duitse inlichtingendienst steeds meer begint te vallen op het illustere gezelschap van de Aardappelcentrale, zoeken velen een goed heenkomen. Zo ook Chris Holtser. Hij weet te ontkomen naar het bevrijde Nederland ten zuiden van de grote rivieren en België, samen met Willem Waterman, de schrijver van de na de oorlog ongekend populaire jeugdboekenserie over Bob Evers. Daar maakt hij nog vele avonturen mee, kenmerkend voor het vrijgevochten (over)leven in een ineenstortende wereld aan het eind van een oorlog.

    Aangenaam tegenwicht
    Hoewel De Aardappelcentrale een vlot geschreven boek is, niet gespeend van humor, beklijft het nergens. De karakters zijn nauwelijks uitgediept en soms zelfs karikaturaal zoals Holtser’s baas, de NSB’er Dieters, en diens hitsige vrouw en ordinaire dochter. Hoewel de setting van het eerste gedeelte van het boek, de bijeenkomsten van de leden van de Aardappelcentrale op het atelier van Bonaventura, volop gelegenheid biedt voor spannende gesprekken, conflicten of ontboezemingen, ontbreken deze grotendeels. Ze blijven doorgaans beperkt tot dialogen gericht op het zo snel mogelijk met een vrouw de koffer in duiken. De oorlog is eigenlijk nergens beklemmend aanwezig, hooguit in ‘overlevende’ zin van: ‘De Niemand spelen, dan krijg je de minste last’.

    Het tweede gedeelte is avontuurlijk, bizar en vol romantiek en speelt zich af in het zuiden van Nederland en in België. Het heeft het amusante karakter van de schelmenroman. Het boek overstijgt nergens het verhaal. Interessant is wel het feit dat Jongstra in Chris Holtser een volstrekte antiheld portretteert en in die zin een aangenaam tegenwicht biedt aan alle opgeklopte heldenverering waaraan in onze tijd kennelijk zo’n behoefte is.