• De zomerboeken van Huub Bartman

    De zomerboeken van Huub Bartman

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Huub Bartman gaat op vakantie en neemt mee:
    Benny Lindelauf, Hoe Tortot zijn vissenhart verloor
    Jozef Wittlin, Het zout der aarde
    Caroline de Gruyter, Beter wordt het niet
     Antal Szerb, Reis bij maanlicht
    Slobodan Šnajder, De reparatie van de wereld.

     

    ‘Slobodan Snajder ga ik lezen omdat het boek mij een historisch, psychologisch raamwerk lijkt te kunnen bieden waarbinnen de individuele keuzes van mensen in oorlogssituaties zoals beschreven door Aharon Appelfeld begrijpelijker worden en dus aan dramatische kracht winnen. Ik ben heel benieuwd. Jozef Wittlin is een vriend van Joseph Roth. Daarmee is eigenlijk al genoeg gezegd, ware het niet dat ik Het zout der aarde al eerder in een vertaling uit de jaren dertig heb gelezen. Toen vond ik het een fantastisch boek. Ik  ben benieuwd wat Dirk Zijlstra ervan gemaakt heeft. In Beter wordt het niet zoekt Caroline de Gruyter naar parallellen tussen de geschiedenis van de Donaumonarchie en de toekomstperspectieven van de Europese Unie. Nou ja, actueler kan het niet. Het nieuwste boek van Benny Lindelauf, Hele verhalen voor een halve soldaat, heb ik verslonden. Wat mooi! Ik moet nu gewoon zijn eerder verschenen boek, Hoe Tortot zijn vissenhart verloor, ook lezen, omdat men zegt dat dit boek er eigenlijk aan voorafgaat. Antal Szerb heb ik al jaren in de kast staan. Na het lezen van recent verschenen boeken, kies ik altijd een ouder boek. Dat voelt als een adempauze in een voortjakkerend bestaan.’

     

    Lees hier meer over Huub Bartman

  • De hond heeft het beste beeld op de wereld

    De hond heeft het beste beeld op de wereld

    Guido van Hengel is gespecialiseerd in de geschiedenis van het voormalige Joegoslavië. Zijn boek De dagen van Gavrilo Princip uit 2014 is met veel lof onthaald. In zijn nieuwe boek Roedel kijkt hij opnieuw naar de geschiedenis van het voormalige Joegoslavië, maar nu vanuit het perspectief van een hond, dus vanaf knie- of heuphoogte. Honden leven weliswaar niet, zoals mensen, volgens een plan of met een doel, maar, net als de hond, is de mens ook een dier, dat snuffelt en ruikt of er gevaar dreigt en luistert naar geluiden in zijn omgeving, dat gedreven wordt door territorium- en roedeldrift. Van Hengel laat zich daarbij inspireren door het werk van Elias Canetti, Orhan Pamuk en de Japanse fotograaf Daïdo Moriyama.

    Tijdens zijn verblijf in Sarajevo in 2013 woedde er in de media een verhitte discussie over de vraag: moeten de straathonden in de stad wel of niet massaal worden afgemaakt? Wat zal de Europese Unie daar wel niet van denken en laat de Bosnische wet dat eigenlijk wel toe? Het wemelde in de stad van de straathonden. Er ging veel dreiging van uit. Vooral ’s nachts struinden enorme roedels door de straten. Zij zijn symbolisch voor de ontwrichting van de samenleving. Deze discussie inspireerde Guido van Hengel tot het schrijven van zijn boek. Toetreden tot de Europese Unie betekent aanhaken bij de beschaving en opruimen van de troep uit het verleden. Daar had men in die tijd, na de verwoestende oorlog, dringend behoefte aan.

    De geschiedenis wijst echter uit, aldus Van Hengel, dat na het massaal opruimen van dieren, het massaal opruimen van mensen nooit lang achterblijft. Hierbij wijst hij op het ‘opruimen’ van 60.000 straathonden in 1910 in Istanbul door de Jong-Turken, die, gedreven door het beschavingsideaal van de Verlichting, de macht in het land hadden overgenomen van de feodale sultans. Kort daarna volgde het ‘opruimen’ van de Armeniërs. Alle dieren, dus ook mensen, voorvoelen het gevaar en reageren daarop. Juist omdat honden geen plan of doel hebben, voorvoelen zij het gevaar eerder, zijn zij extra sensitief. Deze geschiedenis tracht Van Hengel in zijn boek te vangen.

    Dan huilen de wolven

    De wolf geldt als stamvader van de hond. In zijn schets van de geschiedenis van Joegoslavië tot de val van Srebrenica verwijst Van Hengel naar het gehuil van de Drina Wolven van de Servische kapitein Legenda, een vertrouweling van Ratko Mladic, die in 1995 zijn manschappen het bevel gaf luidkeels te huilen alvorens een Bosnisch dorp te overmeesteren: geheel volgens Canetti een metamorfose van mensen naar dieren, van soldaten naar wolven. Het refereert aan nationalistische Servische mythen waarin wolven een vooraanstaande rol spelen.

    Van Hengel behandelt uitvoerig de lotgevallen van Milovan Djilas, partizanenkameraad van Tito die uiteindelijk bij hem in ongenade viel. Hij beschrijft de verwording van het regime van Tito aan de hand van zijn honden; eerst Duitse herders in en na de oorlog tot de jaren 50 en 60, daarna jachthonden tijdens de zuiveringen (o.a. van Djilas) in eigen gelederen en tenslotte dwergpoedels ten tijde van de zelfverheerlijking. Mensen vereenzelvigen zich met honden en fokken ze naar hun beeld en gelijkenis. Fokprogramma’s komen op in dezelfde tijd als het sociaal-darwinisme en de eugenetica. Zo ook in Servië, waar men trachtte het ‘uitgestorven’ edele ras van de ‘Servische mastiff’ te reconstrueren. Dit hield gelijke tred met het oplaaiende nationalisme in het voormalige Joegoslavië.

    Dan blaffen de honden

    In zijn zoektocht volgt Van Hengel het spoor van de zwerfhonden. Hij gebruikt daarbij de uitspraak van Nietzsche als leidraad: ‘Ik heb mijn pijn een naam gegeven en noem hem “Hond”…’Dit brengt hem in contact met maatschappelijk onthechte mensen als Dalida en Jelena, slachtoffers van een maatschappelijke orde waarin de overheid afwezig is en de dienst wordt uitgemaakt door bullebakken die gewend zijn met grof geweld hun wil op te leggen. Dalida en Jelena vereenzelvigen zich met het lot van de vele zwerfhonden en nemen het voor hen op. Dit levert prachtige portretjes op van ontwortelde, maar strijdbare mensen. Van Hengel vergelijkt de aanpak van de hondenoverlast door massale vergiftiging met de aanpak van de burgers en vluchtelingen in Srebrenica: moordpartijen buiten het zicht van de camera’s op afgelegen plekken met een onmachtige internationale gemeenschap.

    Dan dwalen de mensen

    Van Hengel gaat op bezoek in het mijnwerkersstadje Bor, waar de Chinezen inmiddels de boel hebben overgenomen. Het voormalige Joegoslavië is, sedert de val van het communisme in 1989, een samenleving in transitie. Wat is dat eigenlijk? Het woord transitie suggereert een overgang, een ontwikkeling ergens naartoe. Maar daarvan is, volgens Van Hengel, helemaal geen sprake. Dat ondervinden de mensen in Bor aan den lijve. De politieke en economische machthebbers hebben geen enkel belang bij verandering. Straathonden leven tussen de verliezers van de transitie, niet tussen de overwinnaars. Zij leven niet in Belgrado, maar vooral in steden in de periferie zoals Bor.

    Van Hengel bezoekt een demonstratie in Belgrado, een demonstratie tegen de vergiftiging van honden zoals vanaf de zomer van 2019 regelmatig plaatsvindt. Bij de demonstratie sluiten zich de mannen aan van Levijatan, een ultranationalistische bende van ‘hondenliefhebbers’. De demonstratie krijgt een politiek karakter als iemand zegt: ‘De vergiftiging van de honden op straat is een symptoom van een uiteengevallen gemeenschap, waar mensen niet meer op elkaar letten en om elkaar geven.’

    Een aangrijpend en origineel boek

    Ontroerende ontmoetingen met mooie mensen worden door Guido van Hengel gekaderd in een diepzinnige beschouwing over het menselijk bedrijf in een niet al te vrolijke wereld. In het boek wordt dit, in de trant van de fotograaf Daïdo Moriyama, in beeld gebracht door portretjes van zwerfhonden in plaats van, zoals te doen gebruikelijk, portretjes van mensen.
    Wij, in het Westen, hebben de conflicten op de Balkan lange tijd met een hautaine blik bekeken: een beetje achterlijk, half tribaal met ideeën over bloedwraak, geen democratische traditie geworteld in de Verlichting. Nu weten wij dat nationalisme en racisme verschijnselen zijn die ook bij ons vaak kunnen rekenen op brede steun en dat het populisme welig tiert. Daaronder ligt voor Van Hengel de vraag naar de banaliteit van het kwaad: hoe kunnen gewone mensen ontaarden in wrede monsters? Dit boek stemt tot nadenken over de toekomst.

     


    De titel van deze bijdrage is ontleend aan de uitspraak van de Servische filmregisseur Dusan Makavejev (1932): ‘Al van jongs af aan wist ik dat de hond het beste beeld heeft op de wereld’.

     

  • Een leugenaar?

    Een leugenaar?

    ‘Wie het ooit waagt mijn biografie te schrijven zal een doortrapte leugenaar moeten zijn’ verzucht Eduard Douwes Dekker aan het eind van zijn leven. En daar is hij dan, die biografie, geschreven door Ger Beukenkamp: Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Van leugenachtigheid is echter geen sprake. Beukenkamps Multatuli is zoveel mogelijk gebaseerd op de geschriften van Multatuli zelf en op brieven van en aan hem. Het boek geeft een betrouwbaar beeld van het leven van de historische Douwes Dekker. Alleen daar waar de bronnen hem in de steek laten, moet Beukenkamp improviseren door zich in te leven in Douwes Dekkers karakter. Hierbij baseert hij zich op secundaire literatuur, waarover hij ook verantwoording aflegt. 

    Controversieel, maar geniaal

    Nog steeds controversieel, zo noemt Ger Beukenkamp zijn held, aan wie hij zijn boek heeft gewijd. Oorspronkelijk lag het in de bedoeling een scenario te schrijven voor een hoorspel over Multatuli. Het is echter niet in productie genomen, omdat, volgens Beukenkamp, de opvattingen van Multatuli over tal van onderwerpen nog steeds niet algemeen geaccepteerd zijn. Iedereen kent Multatuli vooral vanwege Max Havelaar of de Koffie-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij en misschien van De geschiedenis van Woutertje Pieterse. Gezien het huidige debat over de koloniale geschiedenis van Nederland, is Max Havelaar nog immer actueel. Het is een ongehoord scherp statement tegen het koloniale beleid in Nederlandsch-Indië van die ‘kleine roofstaat aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde’ (Multatuli).

    Het boek sloeg in als een bom in het gezapige, kleinburgerlijke Nederland van de 19e eeuw, niet alleen vanwege de aanklacht zelf en de morele implicaties daarvan, maar vooral vanwege de literaire kwaliteit die van elke bladzijde spat. Van meet af aan was voor vriend en vijand duidelijk: hier is een groot schrijver aan het woord. Zoals Max Havelaar eigenlijk geen roman is, maar veeleer een meesterlijk geschreven pamflet, zo is een nog steeds tot de verbeelding sprekend boek als De geschiedenis van Woutertje Pieterse al helemaal geen roman. Het boek is samengesteld uit de Ideeën van Multatuli, een verzameling scherp geformuleerde overwegingen van maatschappelijke aard. Hij was zijn tijd ver vooruit. Hij schrijft over de positie van de vrouw, over onderwijs, over opvoeding, over seksualiteit en de vrije liefde, over politiek en natuurlijk over de godsdienst, en altijd in humanistische, vooruitstrevende zin. Het is heerlijk je in het gedwongen isolement van deze coronatijd te verdiepen in zijn Ideeën of ongebreideld te schaterlachen om de fratsen van Woutertje Pieterse en de geborneerdheid van de zogenaamde ‘grote mensen’.

    Wie Multatuli wil leren kennen, kan zich het beste verdiepen in zijn Ideeën. Wie is die man nu eigenlijk? Die vraag dreef Ger Beukenkamp tot het schrijven van dit boek. Hij laat ons kennis maken met de persoon van Multatuli (Eduard Douwes Dekker) en spiegelt zijn levenswandel aan zijn Ideeën, niet om zoveel jaar na dato alsnog de criticus en zedenmeester uit te hangen, maar uit liefde en bewondering voor het genie van de schrijver.

    Multatuli heeft een tumultueus leven geleid, dat niet altijd strookte met de verhevenheid van zijn ideeën. Beukenkamp heeft zijn held tot leven gewekt in twintig dialogen, gebaseerd op evenzovele literaire werken van Multatuli. In elke dialoog gaat Multatuli in gesprek met een tegenkracht, iemand die het oneens is met hem of onder zijn gedrag te lijden heeft. Hilarisch is zijn conversatie met de toneelvedette en feministe Mina Kruseman tijdens de repetities van zijn toneelstuk Vorstenschool. Deze opzet geeft het boek een levendig karakter. Beukenkamp zet meteen al de juiste toon door zijn ideeën over dit boek uiteen te zetten in een gefingeerd tweegesprek tussen Multatuli en de auteur zelf. Zo wordt de lezer al direct meegezogen in deze dialoogvorm. 

    Onmogelijke man

    Het is een heerlijk boek geworden, dat leest als een trein. Multatuli blijkt een zeer gecompliceerde man geweest te zijn, overtuigd van zijn eigen genialiteit en voorbestemdheid tot grote dingen. De passie waarmee hij zich stort op de bestrijding van de uitbuiting van de mensen in de koloniën, zie je ook terug in zijn passie voor het kansspel. Hij terroriseert zijn hele gezin met het zoeken naar een systeem voor het roulettespel in het casino. Nachtenlang dwingt hij zijn huisgenoten mee te doen aan zijn zoektocht tot dit uiteindelijk zelfs leidt tot een handgemeen met zijn zoon, die hem haat. Zijn overburen, Bosboom-Toussaint en Potgieter leggen hiervan getuigenis af. Hij is voortdurend ontrouw aan zijn vrouw Tine, die niet zonder hem kan en hem adoreert. Zij accepteert zelfs een driehoeksverhouding in haar eigen huis met Mimi, een vriendin van Multatuli.

    Uiteindelijk sterft Multatuli op 66-jarige leeftijd in de omgeving van Wiesbaden in het bijzijn van zijn aangenomen zoontje Wouter en zijn – dan inmiddels- echtgenote Mimi, opgejaagd door schuldeisers. Multatuli was ook een romantische figuur, veel te goed van vertrouwen in Jacob van Lennep, de uitgever van zijn Max Havelaar, die hem bedonderde door het aanbrengen van wijzigingen in zijn boek. Hij was heftig, spontaan, altijd op de bres tegen onrecht, hartstochtelijk in zijn liefdesleven, kortom een moeilijke man om mee te leven. 

    Een prachtig portret

    Ger Beukenkamp is erin geslaagd een levendig portret neer te zetten van een geniale, maar ook onmogelijke man, die je tegenwoordig misschien narcistisch zou kunnen noemen.  Het boek leent zich zonder meer voor verfilming, juist omdat Beukenkamp grotendeels voorbijgaat aan de historische betekenis van Max Havelaar, het belangrijkste boek van Multatuli, en vooral oog heeft voor de man zelf en zijn ideeën. Het gaat dan ook minder over Multaluli dan over Eduard Douwes Dekker. Eigenlijk toetst Ger Beukenkamp in zijn boek het leven van Douwes Dekker aan zijn ideeën. Dit doet hij niet als moralist, maar gewoon feitelijk. Wat resteert, is een prachtig portret. 

     

     

  • Fotosynthese 19 – De generaal

    Fotosynthese 19 – De generaal

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Ter voorbereiding op een bezoek aan het Kröller-Müller Museum zocht ik naar informatie op de website van het museum. Daar vond ik een foto van een standbeeld van Christiaan de Wet, een generaal uit de Boerenoorlog eind 19e eeuw. Het beeld staat midden op het stuiflandschap van de Hoge Veluwe, vanaf het fietspad goed te zien. De streng kijkende generaal ziet als het ware uit over de eindeloze vlaktes van zijn land, Zuid-Afrika, de linkerhand op zijn hart en de rechterhand als strijdbare vuist gebald. De argeloze fietser stopt en loopt er naartoe om zich te laten vereeuwigen naast het standbeeld van de generaal. Hij zal zich verbazen over de afmetingen van het beeld. Qua lengte komt de bezoeker niet boven de sokkel uit. Ook de plaatsing in dit verstilde landschap lijkt bizar. Na de informatie op de plaquette te hebben gelezen, zet hij zijn fietstocht door het park voort, in zichzelf gekeerd, enigszins ontregeld en lichtelijk verbijsterd. Dit standbeeld roept vele vragen op. Niet alleen over de afmeting en plaatsing, maar vooral ook over het waarom van dit beeld. Zonder kennis van zaken roept het een gevoel van vervreemding op. Het heeft ook iets potsierlijks en werkt op mijn lachspieren zoals alle standbeelden van historische figuren en zeker van generaals. 

    In mijn studententijd liet ik mij in Londen of Parijs wel eens fotograferen bij zo’n standbeeld, liefst in heldhaftige pose. Vrijwel niemand stoorde zich daaraan. Hoewel ook Berlijn en Praag in die tijd beschikten over een keur aan groteske standbeelden van vooral communistische kameraden, durfde ik daar zo’n fotosessie niet aan. Ik vermoedde  dat de mensen daar minder gevoel voor humor hadden en de autoriteiten bepaald geen scherts verstonden. Standbeelden passen goed in autoritair geregeerde landen. Ze zijn doorgaans absurd groot, hoog verheven boven de mensen. Vandaar dat er in Nederland, zeker in Amsterdam, zo weinig standbeelden van meer dan levensgroot formaat zijn. Het enige ruiterstandbeeld in de stad is dat van koningin Wilhelmina op het Rokin. Nou ja, dat zegt genoeg.

    Het beeld van Christiaan de Wet is gemaakt in monumentale stijl door beeldhouwer Joseph Mendes da Costa in opdracht van Hélène Kröller-Müller. In 1921 werd het geplaatst op de heide. Je vraagt je af waarom. Vóór de Eerste Wereldoorlog bestond er in Nederland veel sympathie voor de Boeren in Zuid-Afrika en een grote antipathie tegen de Engelsen. De Boeren werden gezien als volksgenoten en afstammelingen van Jan van Riebeeck. Op school leerden kinderen liedjes als: ‘Bobbejaan klimt die berg……’, ‘Moriaantje zo zwart als roet…..’ en ‘Sarie Marijs’. Hun strijd tegen het verdorven Engeland werd breed uitgemeten in de kranten en de legendarische Boerenleider Paul Kruger kreeg in 1900 in Nederland een groots onthaal. Later werden hele stadswijken vernoemd naar Afrikaanse Boerenleiders. Ook de familie Kröller-Müller was in die tijd zeer begaan met het lot van de Boeren. Toen Christiaan de Wet naar Nederland kwam om fondsen voor de oorlog te werven, was Hélène Kröller-Müller zodanig onder de indruk van de man dat zij een standbeeld van hem liet maken als eerbetoon aan de strijd van de Boeren.

    En daar staat hij dan, Christiaan de Wet, generaal in de Tweede Boerenoorlog, hoog op een zuil, zijn voeten geplant op een meer dan manshoge sokkel in de vorm van een geschutskoepel. Maar, ‘Hij lijkt helemaal niet!’, aldus de Afrikaners die hem gekend hebben. Dat was ook niet de bedoeling, Mendes da Costa wilde hem ‘in zijn diepste wezen weergeven’, als een personificatie van de onverzettelijke strijdlust van de Boeren, monumentaal dus. Een generaal wordt ‘De Generaal’. Het is een pastiche van het beroemde beeld van de held van de Britse erfvijand, admiraal Nelson op Trafalgar Square. In de nissen van de sokkel van de generaal staan, als in een geschutskoepel,  de verschillende leiders uit de Boerenoorlogen afgebeeld, waaronder Paul Kruger.

    Nu zouden we het een ‘fout’ beeld noemen. Het is militaristisch en bovendien van iemand die een voorvechter is geweest van een op racisme gebaseerde staat. Een standbeeld met een groot vraagteken, fascinerend. Het leert je veel over de geschiedenis van Nederland en bovendien, het staat daar prachtig in dat landschap. Het absurdistische beeld werkt ontregelend en contrasteert met het troosteloze landschap. Daardoor krijgt het  een haast Bijbelse uitstraling van roepende in de woestijn. Zoals Nelson op Trafalgar Square wordt omgeven door eindeloze mensenmassa’s en een niet aflatende verkeersstroom, wordt Christiaan de Wet omringd door een stil zandlandschap. De overeenkomst is dat ze niet gezien worden door de gewone mensen. Daarvoor staan zij te hoog verheven. Misschien doet al die informatie over de achtergrond van dat beeld er niet toe. De eenzaam voorbij fietsende passant beleeft waarschijnlijk een moment van grootse schoonheid. De vraagtekens die het oproept behoeven niet altijd beantwoord te worden. De fietser gaat verder, en geniet van de natuur, met dat vraagteken dat verder sluimert in het onderbewustzijn.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan

     

     

  • Eerst Dublin zien en dan sterven

    Eerst Dublin zien en dan sterven

    Christine Dwyer Hickey is een Ierse schrijver, die al heel wat boeken op haar naam heeft staan. In Nederland is tot nu toe alleen haar boek De laatste trein uit Ligurië in vertaling verschenen, dat zich afspeelt in het fascistische Italië van de jaren dertig. Zij wordt geprezen om haar diepgravende psychologische, wat sombere portrettering van haar personages, veelal worstelend met zichzelf en hun omgeving. In deze roman, Het kille oog van de hemel, is dat niet anders. Daarin beschrijft zij het levensverhaal van Farley, een bejaarde Dubliner, met wie wij voor het eerst op 15 januari 2010 kennis maken na een afschuwelijke nachtelijke valpartij in de badkamer van zijn huis. Bekneld tussen de radiator en de closetpot ligt hij bewegingloos in een onnatuurlijke stand. Geen pijn, geen enkel gevoel. ‘Alsof hij hier geboren is, met zijn snufferd tegen de wc-pot’. Misschien had hij het licht aan moeten doen, toen hij naar de wc ging. ‘Nu vooral rustig blijven’, is zijn devies, ‘net als toen hij bijna in de Shannon verdronken was’. In afwachting van mogelijke hulp in de vroege morgen overziet Farley in retrospectief zijn leven ‘bij het schijnsel van de lantaarnpaal buiten, die bij hem naar binnen kijkt als het kille oog van de hemel’.

    Spanning in Dublin

    In zijn laatste uurtjes overziet Farley zijn leven in omgekeerde tijdsvolgorde, van 2010 tot 1940. Elk hoofdstuk springt tien jaar terug in de tijd. Je wordt eerst geconfronteerd met de gevolgen, pas later met de oorzaken. Hoewel dit bij eerste lezing enigszins verwarrend is, verhoogt het de spanning aanzienlijk. Het levert een soort echo-effect op. Een raadselachtige opmerking krijgt pas later betekenis. Het dwingt je tot terugbladeren en herlezen. De structuur van het steeds verder terugkijken in de tijd en het leven van Farley zorgt voor een niet aflatende aanwezigheid van het sterven en de dood in het boek, zeker omdat alles gefilterd wordt door de ogen van een rond de closetpot gekruld liggende Farley. Toch is het boek geen morbide verhaal. Het stemt mooi droevig, melancholisch bijna, en doet ouderwets en herfstachtig aan. Het speelt zich af in het mistige Dublin met de natte sneeuw op de trottoirs. Het heeft absoluut een meerwaarde een plattegrond van Dublin te bekijken en daarop de plekken op te zoeken die Farley bezocht heeft. Nog beter zou het zijn zelf naar Dublin te gaan, een pub te bezoeken, een pint te bestellen en je onder te dompelen in de Ierse muziek.

    Ontheemd

    Eigenlijk is Farley een heel aardige man, misschien wat ontheemd, maar toch een gewone man met al zijn zwakheden waarover hij voortdurend loopt te tobben. Zo heeft hij er spijt van dat hij de avond voor het overlijden van zijn vrouw is doorgezakt met zijn vrienden in de pub, waardoor hij zich versliep en verzaakte zijn vrouw bij te staan in haar stervensuur. Hij schaamt zich voor zijn opkomende lustgevoelens bij het zien van het meisje van de stomerij. Als deurwaarder komt hij beroepsmatig in contact met mensen aan de randen van de samenleving; met de oplichter, maar ook met de armoedzaaier, die het hoofd nauwelijks boven water kan houden.

    De teruggang in de tijd geeft ook zicht op de veranderingen in de samenleving; het afsterven van oude normen en waarden. Kenmerkend voor Dwyer Hickey is de destructiviteit van menselijke relaties. Zo heeft Farley zich ooit middels een herenakkoord ingekocht als partner in het noodlijdende bedrijf van zijn baas. Daarover is niets vastgelegd bij de notaris. Als later de zoon van zijn baas een rol gaat spelen in het bedrijf, weet deze daar natuurlijk niets meer van. De gedetailleerde beschrijving van zijn laatste werkdag op het kantoor waar hij zijn leven lang gewerkt heeft, dat hem zo vertrouwd is en waarvan hij alle geheimen kent, geeft inzicht in Farley’s gemoedstoestand, omdat het nu is verworden tot een plaats van verraad. Hij voelt zich ontheemd. De beschrijving van de uren die de morsig geklede en verwarde Farley door het druilerige Dublin zwerft, langs de vertrouwde plekken, waarvan er steeds minder resteren, op zoek naar de stomerij waar hij zijn begrafenispak heeft weggebracht, versterkt dat gevoel van ontheemding. Hij torst het leven met zich mee, voortdurend twijfelend aan zichzelf, boos op zijn omgeving vanwege een gebrek aan erkenning, smachtend naar intimiteit, zichzelf ziend door de ogen van de ander. Hij gaat gebukt onder de zorg voor zijn weinig liefdevolle, maar nu dementerende moeder. En altijd is daar het sluimerende gemis aan genegenheid van zijn chagrijnige vader, die hem nooit heeft meegenomen, zelfs niet met vliegvissen, ‘zijn enige echte liefde’, zoals zijn moeder meesmuilend placht te zeggen.

    De maakbaarheid van het leven

    De wijze waarop Dwyer Hickey zich weet in te leven in de geestesgesteldheid van haar hoofdpersoon, Farley, dwingt bewondering af. De retrospectieve structuur van het boek versterkt het beeld dat zijn leven, gezien zijn karakter, zich niet veel anders had kunnen ontwikkelen. De gedachte aan de maakbaarheid van het leven is hier ver te zoeken. In die zin lijkt het misschien een somber boek, maar door de psychologische diepgang krijgt het verhaal van het leven van Farley, tegen de achtergrond van de herfstachtige schoonheid van Dublin, ook een meer universele schoonheid.

    Een weergaloze compositie

    De compositie van dit boek is werkelijk prachtig. Alles is eigenlijk al, zonder dat je het meteen in de gaten hebt, in aanleg in het eerste hoofdstuk aanwezig. Zelfs zijn onvermogen om, als het daglicht eindelijk om de hoek komt kijken om het valse licht van het ‘kille oog van de hemel’ te verdrijven, de hulp in te roepen van het Poolse meisje op de binnenplaats om hem te bevrijden uit zijn benarde positie in de badkamer, duidt op twee fatale karaktereigenschappen: schaamte en wijfelmoedigheid.  Dan rest hem slechts te sterven. Deze loodzware conclusie dringt zich gaandeweg het lezen als onvermijdelijk aan de lezer op.
    Met Het kille oog van de hemel sluit Dwyer Hickey aan bij de literaire traditie van grote schrijvers over Dublin als James Joyce en Oscar Wilde. Zij voegt er een prachtig kleinood aan toe.

  • Estlands trauma door de ogen van een kind

    Estlands trauma door de ogen van een kind

    De Baltische staten werden in augustus 1939 middels een beruchte, geheime clausule in het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin, geannexeerd door Stalin. Dit leidde tot verzet onder de bevolking van die landen. Stalin’s plan om de hele bevolking van Estland op transport te zetten naar Siberië werd door de snelle opeenvolging van de gebeurtenissen in de internationale politiek in die tijd niet tot uitvoering gebracht. Als na de oorlog het IJzeren Gordijn definitief een feit wordt, voert Stalin alsnog een actieve herhuisvestingspolitiek. Estlanders die verdacht worden van nationalistische sympathieën worden afgevoerd naar kampen in Siberië en hun huizen worden ingenomen door families van nationale minderheden elders in de Sovjet-Unie. Tegen deze achtergrond speelt zich het verhaal af dat Ilmar Taska beschrijft in zijn boek Pobeda 1946. 

    De buschauffeur 

    De hoofdpersoon is een zesjarige jongen. Hij verlangt naar liefde en aanhankelijkheid, dingen die zijn ouders hem nauwelijks kunnen geven. Zij leven in het verborgene, achter gesloten gordijnen. De vader heeft een rol gespeeld in het verzet en gevochten voor onafhankelijkheid van Estland. Officieel is hij dood-verklaard. De moeder heeft haar handen vol aan het draaiende houden van het huishouden en de jongen is een onbeschreven blad. Hij speelt op straat en droomt ervan buschauffeur te worden. Als hij op een gegeven moment een prachtige, nieuwe auto in het vizier krijgt, kijkt hij zijn ogen uit. Een Pobeda! Een Russische auto afgeleid van de modellen van Ford en General Motors. De chauffeur, werkzaam voor de Russische geheime dienst, ziet de reactie van de jongen en grijpt zijn kans om hem voor zich in te nemen. Door hem achter het stuur te zetten, laat hij diens droom in vervulling gaan en door geheime afspraakjes met hem te maken komt hij tegemoet aan zijn verlangen naar avontuur. De daarop volgende regelmatige autoritjes brengen de chauffeur op vertrouwelijke voet met de jongen. Hij geeft hem de warmte en vriendschap die hij thuis ontbeert.

    Geheime dienst

    De jongen wordt als was in zijn handen en een bruikbaar instrument voor de uitvoering van zijn plannen. Ongewild zet de jongen de man op het spoor van zijn vader. Als deze door een Zwarte Raaf – de bijnaam voor een arrestatiewagen van de geheime dienst – is opgehaald en zijn moeder overspoeld wordt door verdriet, komt de man haar troost bieden. Via haar komt hij op het spoor van haar oudere zus Johanna. Als zij uiteindelijk op de vlucht slaat voor de man in de Pobeda vertrouwt zij haar zoontje toe aan de zorgen van Johanna. Zij is operazangeres en leeft in het verleden, in de sprookjeswereld van glitter en glamour van voor de oorlog, toen zij nog haar aria’s kon zingen in de opera van Tallinn. Als blijkt dat zij contact onderhoudt met een nieuwslezer van de BBC, met wie zij voor de oorlog duetten heeft gezongen en op wie zij verliefd is, krijgt de onderneming een steeds zwaardere politieke lading met alle gevolgen van dien. Langzamerhand vallen bij ieder afzonderlijk de schellen van de ogen bij het zien van de werkelijkheid. De moeder voelt zich misbruikt en leeft in angst om haar man. Wat is er van hem geworden? Om haar zoontje. Wat gaan ze met hem doen?
    Voor tante Johanna gelden vergelijkbare angsten. Kan zij nog wegkomen uit de klauwen van de geheime dienst en van het vreugdeloze communistische systeem? Angst voor de jongen. Kan zij de verantwoordelijkheid dragen voor het kind, als de moeder spoorloos verdwenen lijkt? De jongen zelf tenslotte worstelt ook met tal van vragen. Wie kan hij vertrouwen? Zijn ‘vriend’ in de Pobeda? Zijn tante Johanna? Zijn vader en moeder? Waar zijn zij?

    What’s in a name?

    Ilmar Taska heeft een boek geschreven dat je ademloos leest. De spanning wordt prachtig opgebouwd met een filmische directheid. Hier verraadt Taska zijn eigenlijke stiel van scenarioschrijver en filmmaker. Die is af te lezen aan de opbouw en vormgeving van het verhaal. De verwikkelingen waarmee de hoofdrolspelers geconfronteerd worden volgen elkaar in korte scènes en in hoog tempo op zonder dat dit ten koste gaat van de psychologische en filosofische diepgang. De hoofdrolspelers zijn anoniem, hebben geen naam. Als zelfs de man in de Pobeda geslachtofferd wordt door zijn superieuren, blijkt wel dat iedereen slachtoffer is van een systeem dat gebaseerd is op vernietiging van het individu, op vernietiging van het kritisch en onafhankelijk kijken en denken. De een bezwijkt in een concentratiekamp in Siberië, de ander in een martelkamer van de geheime dienst en de laatste verliest zichzelf door zich aan te passen aan het systeem.

    Als de jongen ziet dat er een Zwarte Raaf bij hem thuis voor de deur staat en dat zijn vader daarin wegrijdt, zegt ‘zijn vriend’ in de Pobeda: Buschauffeur, let op de weg, recht voor je uit kijken!‘ Met andere woorden: alleen daarnaar kijken waar het systeem wil dat je naar kijkt, nooit opzij of achterom. Alleen tante Johanna weet zich aan het systeem te ontworstelen. Zij durft wel haar eigen weg te gaan en naar die dingen te kijken die zij zelf wil. Haar geloof in de schoonheid en de scheppingskracht van het individu geven haar een naam. Zij kan dan ook niet blijven. Hierin schuilt de tragiek van het kind. Hij kan niet weg en moet blijven. Hij zal zijn weg moeten vinden binnen het systeem en dat kan alleen maar door ‘op de weg te letten en recht voor zich uit te kijken‘. Precies zoals hij geleerd heeft van ‘zijn vriend’ in de Pobeda.

     

     

  • No guts, no glory

    No guts, no glory

    Met Gekkenwerk schrijft Minca Nijhuis een persoonlijke getuigenis van haar werk als oorlogscorrespondent. Om niet te vervallen in een droog, gefragmenteerd verslag van haar belevenissen van de afgelopen 25 jaar heeft zij ervoor gekozen deze te gieten in de vorm van een roman. De hoofdpersoon is Lotte. Zij wordt geflankeerd door haar vriendin Anne, net als Lotte stewardess. Beide zijn jong, vooruitstrevend en avontuurlijk ingesteld. Anne hoopt een roman te schrijven, Lotte droomt ervan een journalistieke carrière op te bouwen. Zij is geïnspireerd door een boek van de befaamde journalist Oriana Fallaci, gekregen van haar neef Alexander. Met Alexander onderhoudt Lotte een intensieve briefwisseling, waarin zij verslag doet van haar avonturen. Deze correspondentie geeft structuur aan het boek.

    Onverschrokken 

    Met een niet aflatend enthousiasme en groot doorzettingsvermogen zoekt Lotte zich een weg naar haar gestelde doel. Haar stamkroeg in Bangkok, The Monkey Man, is een ontmoetingsplaats van een internationaal gezelschap van stewardessen, medewerkers van NGO’s, journalisten en backpackers. Daar hoort zij van een Britse arts, werkzaam in een Birmees vluchtelingenkamp in Thailand, over Manerplaw, hoofdkwartier van de Karenrebellen, die in oorlog zijn met de Birmese junta. Zij krijgt een telefoonnummer van een contact ter plaatse en Lotte besluit daar heen te gaan. Onder het motto ‘No guts, no glory’ steekt zij illegaal de grens over en belandt midden in oorlogsgebied in de binnenlanden van Birma, waar zij al snel onder vuur komt te liggen en, later, als een van de eersten zicht krijgt op beelden van slavenarbeid in steengroeven, een Birmese goelag. Met veel moeite slaagt zij erin haar reportage over het conflict gepubliceerd te krijgen in een gerenommeerde krant. Als zij wordt uitgenodigd om lid te worden van een nieuw opgerichte club van Nederlandse oorlogscorrespondenten komt de verwezenlijking van haar droom als journalist steeds dichterbij.

    Een avonturenroman?

    Gekkenwerk is in zeker opzicht een echte avonturenroman in de ouderwetse zin van het woord, alleen, als daarin meestal de hoofdrol is weggelegd voor mannen, wordt deze nu vervuld door Lotte, een stoere meid voor niets en niemand bang. Hoewel oorlogsverslaggeving nog steeds vooral het domein is van mannen, zien we dat ook vrouwen steeds meer hun plaats opeisen. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan de oorlogsverslaggeving van de Noorse journalist Åsne Seierstad van de bombardementen op Bagdad en de hel van Grozny. Lotte gaat in dubbel opzicht op avontuur, in de oorlog en in de mannenwereld. Toch is Gekkenwerk meer dan dat. Als het avontuurlijke karakter van deze roman vooral appelleert aan gevoelens van romantiek, dan is Nijhuis’ schets van die wereld allesbehalve romantisch.

    Contrasten 

    De verhalen over de inname van de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh door de Rode Khmer, waarbij hele families wanhopig op zoek zijn naar bescherming binnen de hekken van de Franse ambassade, roepen beelden op van soortgelijke taferelen bij de Amerikaanse ambassade in Saigon aan het einde van de oorlog in Vietnam. De horror van de Killing Fields, verzucht een Franse arts, hebben van dit land één grote open psychiatrische inrichting gemaakt. Het is de schets van een gekkenhuis, waarin mensen bij het minste of geringste volkomen op tilt kunnen slaan, bijvoorbeeld bij het zien van een schone wc in een bar: ‘De Rode Khmer is hier! Dat is de enige in heel Cambodja met genoeg discipline om sanitair zo schoon te houden.

    Tijdens het eten van een gebakje op een familiereünie kwalificeert Lottes neef Wim haar werk dan ook als gekkenwerk. Nijhuis is voortdurend op zoek naar contrasten. Soms werken zij op de lachspieren zoals de scène met neef Wim. Soms maken zij je kwaad en opstandig zoals het verhaal over de Amerikaanse bereidheid gemiddeld $300,- te betalen voor een bodybag van een gesneuvelde soldaat, gevonden in de jungle of een rijstveld. Voor een dode Vietnamees wordt niets betaald. De kloof tussen arm en rijk strekt zich uit tot in de hemel. En soms bezorgen zij je een brok in de keel zoals de vrouwen op Oost-Timor, die ’s -morgens, nadat zij gevlucht zijn voor de terreur van Indonesische milities, bij dag en dauw beginnen met het lappen van de ramen van hun nieuwe bouwvallige onderkomen.

    Een rijk boek

    Gekkenwerk is een rijk en prachtig boek. Er zit vaart in en is vlot geschreven. De dagboekcompositie pakt goed uit en zorgt voor levendigheid. De verschillende avonturen komen daarin bij elkaar. Het is ook een geëngageerd boek, waarin Nijhuis de perversiteit van de oorlog in al zijn facetten etaleert zonder de lezer te zeer een neerdrukkend gevoel te geven. Die voelt vooral empathie met inheemse strijders en journalisten uit andere landen, maar ook met de Amerikaanse militair in Irak, die zich afvraagt waar hij eigenlijk is en zich zorgen maakt over zijn vrouw en zoontje thuis in de Midwest. Hij voelt verontwaardiging bij Nijhuis’ beschrijving van de gevolgen van -meestal militaire- macht op gewone mensen. Het is een strijdbaar boek dat bovenal aangeeft hoe belangrijk het werk is van goede journalisten in een wereld waarin machthebbers steeds geraffineerder gebruik maken van het opzettelijk verspreiden van nepnieuws.

     

  • Een gast op deze aarde

    Een gast op deze aarde

    Na de machtsovername door de nazi’s in 1933 in Duitsland vlucht Joseph Roth naar Parijs. Daar schrijft hij in 1934 zijn roman Tarabas. Het verhaal speelt zich af tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog in het oude kozakkenland ten noorden van de Zwarte Zee. In die tijd behoorde dat gebied tot tsaristisch Rusland, dat tijdens en na de oorlog verwikkeld raakte in revolutionaire woelingen. De hoofdpersoon is Tarabas, zoon van een Russische grootgrondbezitter. Nadat hij, in zijn jeugdige overmoed, deelgenomen heeft aan een aanslag op de gouverneur van Cherson, zorgt zijn vader ervoor dat hij wordt vrijgesproken. Zijn vader eist daarop dat hij vertrekt naar Amerika.

    In New York laat hij zich op een kermis de hand lezen door een zigeunerin. Zij vertelt hem dat hij een moordenaar en een heilige zal zijn. Geschrokken van deze voorspelling zwerft de bijgelovige Tarabas, ontheemd en gedesillusioneerd door de metropool New York. Tijdens een liefdesaffaire raakt hij verwikkeld in een vechtpartij met een bareigenaar, die door hem flink wordt toegetakeld. Tarabas vlucht weg, bang voor de politie en de juridische gevolgen van zijn daad. Als hij in de krant leest dat er oorlog is uitgebroken tussen Rusland en Oostenrijk, is zijn besluit snel genomen. Hij gaat terug om dienst te nemen in het Russische leger. Zijn thuiskomst wordt een desillusie en eindigt, na de ontdekking van zijn stiekeme vrijage met zijn nichtje, in een handgemeen met zijn vader. Tarabas verbrandt alle schepen achter zich en beschouwt voortaan de oorlog als zijn vaderland.

    Taras Boelba

    Dan ontvouwt zich een klassiek avonturenverhaal met veel moord- en doodslag. Tarabas laat zich kennen als een ouderwetse kozakkenleider, voor wie onverschrokkenheid, kameraadschap en dronkenschap de voornaamste waarden zijn in het leven. Het relaas doet sterk denken aan Taras Boelba, de beroemde, korte roman van Gogol uit 1835, waarin deze het kozakkenleven verheerlijkt. Deze vergelijking is in twee opzichten interessant. Beide verhalen spelen zich af in dezelfde streek en geven een scherp inzicht in het wijdverbreide antisemitisme in dat gebied door de tijd heen. Hoewel hij geen enkele sympathie koestert voor de revolutie, wordt Tarabas, na de ineenstorting van het tsarenrijk, kolonel in het revolutionaire leger met als opdracht een garnizoen te vormen in Koropta. Als daar in een schuurtje van een joodse logementhouder door toedoen van een militaire branieschopper onder een stuclaag een portret van de maagd Maria tevoorschijn komt, ontstaat er onder de bijgelovige soldaten een antisemitische furie, daartoe opgezweept door enkele muiters, die uitloopt op een orgie van geweld tegen de joodse bevolking van Koropta.

    De beschrijving van deze pogrom is huiveringwekkend en stellig exemplarisch voor de vele pogroms, die zich in Oost-Europa vóór en na die tijd hebben afgespeeld. Ook hier treedt Joseph Roth in de voetsporen van Gogol en zien wij het sterk beeldende karakter van zijn schrijfstijl, waarmee hij dit alles trefzeker, je zou bijna zeggen ‘in geuren en kleuren’ beschrijft.

    Van kolonel tot heremiet

    Als Tarabas merkt dat zijn trouwe rechterhand, sergeant-majoor Kontsev, die trachtte tijdens de pogrom de orde te herstellen, vermoord is door een van de muitende soldaten, is hij diepbedroefd. Er breekt iets in hem en zijn stoere onverschrokkenheid gaat steeds meer plaats maken voor kwetsbaarheid. Tarabas wordt langzaamaan vermalen door de tijd. Zijn verlangen om moordend en brandschattend rond te trekken als een echte kozak wordt ingeperkt en gefrustreerd door de oukazes van revolutionaire legerbonzen in Moskou, die zweren bij strak geordende militaire operaties passend in een heuse strategie. Eigenlijk is Tarabas een romantisch residu uit voorbije tijden. Hij houdt niet van New York, houdt niet van militaire strategie, houdt niet van bureaucratische pennenlikkers en houdt niet van academische scholing. Hij is stoer mannelijk, impulsief, soms gewelddadig en dan weer sentimenteel gevoelig, hij is bijgelovig.

    Tarabas past niet in de moderne tijd. Misschien vinden we in Tarabas wel iets van Joseph Roth zelf, eigenlijk ook een romanticus teleurgesteld in de idealen van de revolutie. Tenslotte geeft Tarabas gehoor aan de voorspelling van de zigeunerin. Hij verlaat het leger en leeft verder als een zwerver, als een heremiet, onthecht van al het aardse. Het eertijds door hem afgezworen verleden komt weer terug. Hij zoekt de plaatsen en mensen uit het verleden op om te bezien wat hij nog aan boete kan doen. Als een verloren zoon klopt hij aan bij het huis van zijn ouders, waar hij niet wordt herkend en weggejaagd wordt. Na vergiffenis te hebben gekregen van een joodse man, die hij veel narigheid heeft berokkend, sterft hij eenzaam in een kloostercel. Op zijn graf prijkt het opschrift: ‘Kolonel Nikolaus Tarabas, een gast op deze aarde’.

    Hoewel het niet het sterkste boek is van Joseph Roth en niet in de schaduw kan staan van bijvoorbeeld zijn roman Radetzkymars, is het wel een echte Joseph Roth. Het boek kenmerkt zich door een zekere heimwee naar het prerevolutionaire tijdperk. Het bevat prachtige beschrijvingen van de natuur en van een verloren gegane wereld en geeft ook een uniek beeld van Oost-Europa aan de vooravond van de holocaust. In die zin is Joseph Roth een echte romanticus.

    In zijn beschrijving van de karakters is het boek niet zo sterk. Tarabas is een primair reagerend mens, heen en weer geslingerd door heftige gevoelens van liefde en haat. Daarnaast is hij zeer bijgelovig en bevooroordeeld. Dit leidt in eerste instantie tot gewelddadig en wreed machogedrag met veel uiterlijk vertoon en tenslotte tot zelfverloochening en boetvaardigheid. Deze ontwikkeling in zijn persoonlijkheid wordt niet uitgediept, maar blijft vooral verbonden aan de dood van zijn strijdmakker, Kontsev. Tarabas krijgt hierdoor een wat schematisch karakter waarmee de lezer zich moeilijk kan identificeren. De andere personen in het boek worden nauwelijks uitgediept en figureren slechts als klankbord voor, of decorstuk in het drama van Tarabas.

     

     

  • Nieuw besef

    Nieuw besef

    Het thuisblijven tijdens de corona pandemie maakte veel nostalgische gevoelens los naar tv-programma’s van vroeger. De keuze van presentator Charles Groenhuijsen van Op1 viel op een scène uit Pipo de Clown, waarin zigeuner Felicio figureert en de indiaan Klukkluk. Glimlachend constateert hij dat er hier sprake is van nogal wat vooroordelen, van stereotypen. Nu is bekend dat wij niet zonder stereotypen kunnen. Stereotypering is een van de selectiecriteria waarmee wij ons staande houden in het leven. Wij zijn niet in staat alle informatie die elk moment tot ons komt telkens weer op hun merites te beoordelen. Denk alleen maar aan Candide of het optimisme, dat prachtige satirische kleinood van Voltaire op het positivisme in zijn tijd. De onbevangenheid waarmee hoofdpersoon Candide het slechtste van de mens tegemoet treedt: oorlog, slavernij, extremisme, hypocrisie en wat niet al, komt hij langzamerhand tot een nieuw besef. 

    Wij selecteren gevoelsmatig, maar volgens aangeleerde criteria. Het ontwikkelen van deze selectiecriteria is de voornaamste taak van de opvoeding, maar zoals elke opvoeder weet, gaat dit niet zonder slag of stoot. Bovendien ondergaat een kind veel meer invloeden dan alleen die van zijn opvoeders. Stereotypen zetten zich vast en zijn moeilijk te bestrijden. Toch is het goed je daarvan bewust te zijn. Want stereotypen kunnen leiden tot racisme.
    De moord op George Floyd heeft wereldwijd veel emoties bij zwarte mensen losgemaakt. Een golf van een onderhuids voortwoekerend gevoel van diepe gekrenktheid als gevolg van systematische discriminatie zoekt een uitweg en overspoelt de westerse wereld. Het succes van de boeken van Colson Whitehead  over
    De ondergrondse spoorweg en De jongens van Nickel is hier waarschijnlijk gedeeltelijk op terug te voeren.

    Hoewel het gesprek hierover goed is, lijkt de debatformule zoals onlangs gehanteerd door Jort Kelder niet het geëigende middel. Te veel belangrijke vragen werden hooguit aangestipt en bleven onuitgewerkt, bijvoorbeeld de vraag: ‘Mag een mens er racistische opvattingen op nahouden?’ Jammer! Veel waardevoller was de getuigenis van Typfoon in Zomergasten. Hij maakte duidelijk dat discriminatie als gevolg van stereotyperingen diepe wonden slaat in de persoonlijke ontwikkeling van mensen. Hij benadrukte dat vooroordelen en discriminatie eigenlijk een gevoel van vrijheid in de weg staan, niet alleen bij de gediscrimineerde, maar ook bij de discriminator, iets wat Voltaire in Candide al laat zien. Typhoon illustreerde zijn verhaal met prachtige fragmenten zoals uit de film ‘As it is in Heaven‘. Het is dan ook een teken van geestelijke bekrompenheid, gebrek aan geestelijke vrijheid, dit betoog van Typhoon door Wilders te horen wegzetten als: ‘Ziekelijk gezeur.’ 

     

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.

  • ‘Ik ben een schrijver’

    ‘Ik ben een schrijver’

    Alles stond al klaar. ‘Een wijde zwartlinnen broek die vanbinnen met een lint werd aangehaald zodat er geen riem nodig was, zwarte enkelsokken, zachte, comfortabele sportschoenen, een T-shirt van fijn katoen en een donker overhemd.’, schrijft Ahmet Altan op de eerste pagina van zijn boek Ik zal de wereld nooit meer zien.

    Ahmet Altan wist wat er te gebeuren stond toen er op een ochtend in september 2016 bij hem werd aangebeld. Net als eertijds zijn vader wordt hij door de politie opgehaald en achter slot en grendel gezet. De tijd is teruggekeerd naar dezelfde ochtend. Alleen hij is ouder geworden. Beschuldiging: het geven van een ‘subliminale boodschap’ tijdens een tv-uitzending. Na twaalf dagen wordt hij plotseling vrijgelaten om een paar dagen later opnieuw gearresteerd te worden op grond van een nieuwe beschuldiging: deelname aan een religieuze couppoging. Oordeel: levenslang zonder voorwaardelijke vrijlating. Tien dagen later werd hij op basis van hetzelfde wetsartikel veroordeeld als ‘marxistische terrorist’. Oordeel: zes jaar gevangenisstraf. Op de vraag wat er gebeurd is met de tenlastelegging van de subliminale boodschap, antwoordt de rechter doodleuk: Onze officieren van justitie gebruiken graag termen waarvan ze de betekenis niet kennen.’

    De mislukte couppoging in Turkije in juli 2016 werd door de regering Erdogan aangegrepen om schoon schip te maken met alle denkbare oppositie, zowel binnen als buiten het leger. De zorgvuldig georkestreerde heksenjacht treft daarbij vooral intellectuelen als rechters, journalisten, leraren, schrijvers. Onder hen zijn de schrijver/journalist Ahmet Altan en zijn broer Mehmet. Altans boek is in de eerste plaats een aanklacht tegen het onder Erdogan functionerende rechtssysteem in Turkije dat gebaseerd is op politieke willekeur. Zo blijkt de rechter tijdens zijn proces meer interesse te hebben om op tijd thuis te zijn dan in een zorgvuldige bewaking van de rechtsgang. In de tweede plaats is het boek een krachtig pleidooi voor democratie, tolerantie en een getuigenis van de veerkracht van een verdrukt en geknecht mens. In die zin overstijgt het boek de aanklacht.

    De paradox van de schrijver

    Altans wereld wordt voortaan gevormd door de vier muren van zijn cel. Perspectief op verbetering van zijn lot lijkt er niet te zijn en hij gaat er vanuit dat hij de wereld nooit meer zal zien. Om te overleven moet hij de werkelijkheid zien te veroveren, het leven veroveren op de dood. Dit doet hij, zoals hij zelf zegt, met een goddelijke arrogantie. Hij heeft verbeeldingskracht. Hij is schrijver en gaat iedere dag op reis, praat met mensen, luistert naar ze, lacht en zingt met ze. Hij baart god. Hij schrijft alles op ‘in de hoekjes van zijn geest met de donkere inkt van zijn geheugen’. Hij noemt dit de paradox van de schrijver: ‘Ik schrijf in een gevangeniscel. Maar ik ben niet in de gevangenis. Ik ben een schrijver.’ In diepzinnige filosofische bespiegelingen gaat hij in op vragen die met zingeving te maken hebben. Hij spiegelt zich daarbij aan literaire grootheden als Dostojevski, Tolstoj en Borges. Net als Xavier de Maistre met zijn Reis door mijn kamer maakt hij een Reis door mijn cel . Hij geeft daarin een prachtig inkijkje in zijn wereld van de schrijver.

    Terwijl zijn celgenoten televisie kijken, bemerkt hij dat hij volkomen op kan gaan in het schrijven:Je kunt je erin verschuilen terwijl je jezelf met je woorden ontvouwt voor de wereld. Altan toont zich een meester in het beknopt neerzetten van een krankzinnige werkelijkheid. In zijn bezinning op het schrijverschap geeft hij een ontroerend beeld van zijn medegevangenen. Zo heeft hij een emotioneel gesprek met twee celgenoten over godsdienst, beide zeer gelovige moslims. Altan zelf is ongelovig. Voor hem is godsdienst een uiting van menselijk onvermogen om het kwaad in de wereld in te dammen. Een van hen heeft een jonge dochter die zij Meryem noemen. Als ook zij gearresteerd wordt, zijn zij er alledrie kapot van. Altan zegt de vader dat ze Meryem snel zullen vrijlaten en belooft hem dat hij, als het zover is, samen met hem zal bidden en god danken. Als de vrijlating enige tijd later inderdaad een feit is, voegen zij gedrieeën de daad bij het woord. Dat is verbroedering.

    Document humaine

    Het boek van Altan is echt een document humaine, niet alleen hartverscheurend en een krachtig credo tegen een fascistoïde dictatuur die erop gericht is iedereen monddood te maken, maar ook een poëtisch en filosofische kleinood dat wereldwijd standaard in elke gevangenisbibliotheek te krijgen zou moeten zijn. Hoewel in omvang heel beknopt, is het qua diepgang alomvattend, geschreven in een literair staccato.

    De gevangenissen in Turkije zijn broedplaatsen voor het coronavirus. De Turkse overheid is dan ook gedwongen vele gevangenen vrij te laten; winkeldiefjes, maar ook seriemoordenaars en verkrachters. Politieke gevangenen echter worden niet vrijgelaten. Achmed Altans situatie blijft uitzichtloos ondanks de inspanningen van bijvoorbeeld Amnesty International.

     

     

  • Standbeelden

    Standbeelden

    Geen standbeeld staat op dit moment nog veilig op zijn sokkel. Burgemeesters geven opdracht aan hun ambtenaren alle standbeeelden in hun gemeente te inventariseren en te onderzoeken in hoeverre de afgebeelde persoon naar huidige maatstaven nog deugt. Colston is in zee gedumpt, Columbus neergehaald, voor Peter Stuyvesant wordt gevreest, JP Coen’s dagen zijn geteld en Winston Churchill is voorlopig ingepakt. Hoewel we ons ervoor moeten hoeden hen allemaal over één kam te scheren, hebben de beeldenstormers goede redenen voor hun acties. De met een standbeeld geëerde mannen hebben zich in het verleden bezig gehouden met slavenhandel, discriminatie of racisme, zaken die wij tegenwoordig verwerpen. Of deze beeldenstorm een goed antwoord hierop is, is de vraag. In de tijd dat deze mensen leefden, werd er anders gedacht. Bovendien zijn veel van die beelden pas veel later neergezet. 

    Moet je de geschiedenis herschrijven? Misschien moet je deze beelden juist laten staan. Zo roepen zij tenslotte precies die vragen op, die voortdurend gesteld moeten worden als je wilt afrekenen met de niet meer in deze tijd passende denkbeelden. De meeste beelden stammen uit de 19e eeuw, het tijdperk van de romantiek waar ook de wortels gezocht moeten worden van veel antidemocratische opvattingen. Die gaven in de 20e eeuw wel vaker aanleiding tot narigheid en maken ook tegenwoordig weer opgang. Wil je het gedachtengoed van iemand als Baudet bestrijden, laat dan die beelden staan en voer de discussie over de vraag waarom Baudet juist nu een bloemetje meent te moeten leggen bij het standbeeld van JP Coen, een erkend massamoordenaar uit de 17e eeuw over wiens optreden ook in zijn eigen tijd al verontrustende vragen werden gesteld. 

    Met het opruimen van getuigenissen uit het verleden, zoals standbeelden, straatnamen, boeken en films, verdwijnt ook een deel  van ieders eigen geschiedenis. Soms kan het verstandig zijn een beeld weg te halen of een straatnaam te veranderen. Geschiedenis is immers een discussie zonder einde. De Vrijheidslaan in Amsterdam heette na de oorlog de Stalinlaan. Stalin had, samen met Churchill en Roosevelt, Hitler verslagen en was vlak na de oorlog populair, net als zijn partijgenoten van de CPN. Pas in 1956, als de Koude Oorlog in volle gang is en de misdaden van Stalin aan het daglicht treden, wordt de naam veranderd in Vrijheidslaan. Weinig mensen twijfelen aan de juistheid van zo’n beslissing. 

     

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.

  • Verstilling

    Met een cadeautje op weg naar zijn vrouw fietst Oek de Jong over de Dam. Hij stopt even om het straatbeeld in zich op te nemen. Niemand te zien. Leeg. Hij moet denken aan zijn oom Ad Windig, die Amsterdam tijdens de hongerwinter in foto’s heeft vastgelegd. Oorlog, vervreemding en verstilling zijn begrippen die voor altijd verbonden zullen blijven aan deze coronacrisis. 

    We zijn in oorlog met het virus en gaan deze crisis eensgezind bestrijden. We sluiten de grenzen. ‘Koopt eigen waar, dan helpen wij elkaar’, klinkt de leus der solidairen. In Bergamo zoeken ze het maar uit. Wel vreselijk natuurlijk, maar helaas. Hadden zij hun zaakjes maar beter op orde moeten hebben, net als wij. Onze overheid heeft diepe zakken. Er wordt driftiger gevlagd dan ooit, al is het niet met de Europese. De mensen in de verpleging op de ic’s zijn onze frontsoldaten, onze helden. Van hun belevenissen wordt dagelijks in frontberichten verslag gedaan op tv. Ze worden toegezongen vanaf balkons, op straten en op pleinen. Helaas wijst de geschiedenis uit dat het zelden goed afloopt met soldaten. Na afloop rest er nooit veel meer dan een mooie medaille wegens betoonde heldenmoed. 

    Vervreemding. ‘Zo’n klein kutschermpje!’ flapt Oek de Jong eruit als hij het heeft over een stukje in The Guardian, over het afscheid van een zoon van zijn moeder die in een verpleeghuis op sterven ligt. De verpleegkundige was zo vriendelijk de zoon proces via Skype te laten meebeleven. Zelf kreeg ik een persiflage daarop toegestuurd, geënt op de smartlap van Willy Derby uit 1930, ‘Hallo Bandung!’ Daarin bezwijkt een moeder van verdriet en eenzaamheid tijdens een telefoongesprek met haar zoon in Indië. Ja, de zegeningen van de techniek zijn legio, tijd voor smartlappen. 

    Beeldbellen is razend populair bij opa’s en oma’s, die hun kleinkinderen niet meer mogen knuffelen. Drones waarschuwen de mensen op de stranden om de grenzen van het nieuwe normaal in acht te nemen, in Singapore worden zij daarop attent gemaakt door robots. Apps gaan zorgen voor onze veiligheid. Dat vinden de meeste mensen fijn. En de huisarts stelt een diagnose op basis van een door de patient gemaakte en in het patiëntenportal geüploade foto. Efficiënter, minder  geneuzel en minder besmetting. Maar er is ook verstilling. ‘Sodeknetter’, verzucht Oek de Jong zwervend door de verlaten straten van de stad, ‘dat ik hier mag wonen!’ Je kijkt anders, niet afgeleid door het gekrioel van de mensen, van het verkeer en de herrie om je heen. Dat is de blik van de kunsthistoricus Oek de Jong, maar hoe kijkt de doorsnee burger daar tegenaan. Is het de stilte voor de storm? 

     

    Oek de Jong werd op 6 mei geïnterviewd door Yoeri Albrecht in de Balie.


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.