• Verdomme…!

    Verdomme…!

    De averij opgelopen in 2016 blijkt onherstelbaar. ‘Hij was verdomme een van mijn oudste vrienden!‘, verzucht Edgar in 2021 bij de herinnering aan het achtste lustrum van zijn studentenjaarclub Honey Ball. Een negende lustrum zit er niet meer in.

    Terugblik

    Vijf jaar eerder hadden Marcel en hij het achtste lustrum georganiseerd. Ze waren toen nog met zijn vijven over. Hoewel ze elkaar onregelmatig zagen, vormden Edgar, Marcel, Ferdinand, Philip en Xavier altijd een hecht clubje gezworen kameraden. Zij hadden het allemaal min of meer gemaakt in het leven, de een als advocaat, de anderen als wetenschapper, bestuurder en diplomaat. Alleen Xavier zorgde soms voor gefronste wenkbrauwen bij de vrienden. Als politicus was hij verbonden aan een ultrarechtse partij en ventileerde hij zijn standpunten uitvoerig in de media. Hoewel zijn vrienden zijn opvattingen bepaald niet deelden, schaadde dat hun vriendschap niet, want, zo stelden zij, zo is Xavier nu eenmaal. Hij is altijd al erg bezig geweest met politiek en heeft een licht ontvlambaar karakter.

    Edgar had zich verheugd want zo’n lustrum was altijd ‘beregezellig’, er werden herinneringen opgehaald, er werd gezongen, gespeecht en vooral copieus gegeten en natuurlijk veel gedronken. Ook deze keer zou dat vast weer het geval zijn.
    Maar het liep anders: Kyra van Egmond, een politicoloog en onderzoeksjournalist had besloten een onderzoek in te stellen naar de wortels van het extreemrechtse gedachtegoed van Xavier Wiegman en haar oog was daarbij gevallen op Honey Ball. Zij wilde in het kader van haar onderzoek een gesprek hebben met alle leden van de club. Hiervoor had zij ieder van hen persoonlijk benaderd. Vanzelfsprekend leidde dit bij hen tot de nodige argwaan.

    Spookachtig

    In zijn boek De schaduw van een vriend belicht Maarten Asscher zo veel mogelijk kanten van wat vriendschap betekent. Edgar doet dit vanuit een basaal gevoel van eenzaamheid en van weemoed over een verloren vriendschap. Voor de viering van het achtste lustrum spreken de vrienden af alle vijf tijdens het diner een tafelvoordracht te houden van maximaal tien minuten, gewijd aan het thema vriendschap waarin zij elkaar niet mogen onderbreken. Deze opzet is gebaseerd op een romantische gewoonte uit de late 18e eeuw. In zijn voordracht verwijst Ferdinand naar een essay van Montaigne over de vriendschap en diens op de Oude Grieken gebaseerde uitspraak dat iemand zich al gelukkig mag noemen wanneer hij zelfs maar de schaduw van een vriend zou leren kennen. Als Xavier het in zijn voordracht over vriendschap echter gaat hebben over Honey Ball als een soort studentenweerbaarheidsvereniging en opgeeft over een vaderland ‘van vreemde smetten vrij’, is voor Philippe, maar ook voor de anderen de maat vol en is de pret voorbij. De avond eindigt in een ijzige sfeer. Asscher onderzoekt de betekenis van vriendschap echter niet alleen als intellectueel item, maar hij laat het de lezer ook doorvoelen in zijn sfeervolle beschrijvingen van de natuur en van de ambiance waarin ontmoetingen zich afspelen. Zo vindt het hoogtepunt van de lustrumviering plaats in een Edgar Allan Poe-achtige setting. Het diner wordt genoten in restaurant Crusoë op een eiland in het IJ met zicht op Amsterdam en spookachtig belicht door een ronduit spectaculaire zonsondergang. Het gezelschap wordt echter, zonder het te weten, in de bediening geassisteerd door serveerster Kyra van Egmond.

    Eenzaamheid

    Hoewel Edgar de hoofdpersoon is die terugkijkt op het lustrum van vijf jaar geleden, beschrijft Asscher zijn verhaal vanuit een wisselend perspectief. Hij onderzoekt de onderlinge relaties door beurtelings in de huid van een ander te kruipen. Hij hanteert hierbij zowel de ik- als de hij-vorm. Zo schept hij een zekere afstand tot het thema en versterkt hij de algemene geldigheid en actualiteit ervan. Asschers boek is een weerslag van de existentiële eenzaamheid van de westerse mens, wiens liberale maakbaarheidsdenken steeds meer in conflict komt met de problemen van zijn tijd. Zijn boek is een vlucht in de donkere kant van de late romantiek. Het is in zijn opzet ook niet voor niets geschreven als een terugblik van een verbitterde Edgar op een vroegere, niet meer bestaande vriendschap.

    Terwijl Asscher zijn hoofdrolspelers met liefdevolle weemoed portretteert, komen de bijrollen minder goed uit de verf. Zij blijven te veel steken in stereotypen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Kyra van Egmond, die door Asscher wordt neergezet als een jonge vrouw, activistisch en verblind door het eigen gelijk om een old boys-netwerk bloot te leggen waarin een fascistisch gedachtegoed zou kunnen ontkiemen. Deze stereotypering wordt versterkt door de gezochte verhaallijn rond het gehannes met een mobiele telefoon waarin Kyra de hoofdrol speelt. Hoewel het boek daardoor een wat onevenwichtig karakter krijgt, versterkt het ook het door Asscher gewenste zicht op het grote gemis van een vriendschap van mannen onderling in clubverband. Oppervlakkig gezien ligt de schuld van de opgelopen averij bij Kyra, maar in werkelijkheid ligt deze natuurlijk in zowel de veranderde tijdgeest, waarvan Kyra slechts de representant is, als in een verstarde opvatting van wat vriendschap eigenlijk inhoudt als het verworden is tot een vorm van nostalgische kameraderie.

    Vriendschap in tijden van openheid

    Asscher heeft een heerlijk boek geschreven, waarin zijn eigen gemis aan oude vriendschapsbanden lijkt door te klinken. In overstijgende zin behandelt hij ook een belangrijk thema waarin de vraag centraal staat: ‘Hoe verhoudt de individuele mens zich tot zijn vrienden en de samenleving, waarin naast begrippen als solidariteit en trouw, ook maatschappelijke betrokkenheid een belangrijke rol spelen?’ Hij raakt daarbij aan verschillende actuele zaken in de maatschappij zoals openheid versus geslotenheid.

     

  • Ongefrankeerde brieven

    Ongefrankeerde brieven

    Als Max Niematz op 20 februari 2020 Anton Dautzenberg per mail benadert met het voorstel een correspondentie te starten in de vorm van Ongefrankeerde brieven met als oogmerk deze ‘in een volgend leven nog eens onder die noemer te publiceren’, reageert Dautzenberg enthousiast. Deze correspondentie krijgt uiteindelijk zijn weerslag in Zonder schrammen vaart niemand wel. Deze gepubliceerde briefwisseling zou wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een van de laatste in zijn soort in de Nederlandse literatuur. Wie schrijft er immers nog brieven?

    Max Niematz is een wat oudere schrijver van gedichten, verhalen en romans. Geboren in Tilburg is hij woonachtig in Oost-Groningen. Financieel redelijk onafhankelijk leeft hij voornamelijk voor het schrijven en is hij wars van veel publiciteit. Anton Dautzenberg is 25 jaar jonger. Hij publiceert regelmatig korte verhalen, romans, toneelstukken en publicaties over hard-rockmuziek alsmede geëngageerde pamfletten. Hij geniet een zekere bekendheid als voorvechter van het vrije woord, wat hem niet altijd door iedereen in dank wordt afgenomen. Beiden zijn geen ‘sellers’ zoals Dautzenberg opmerkt. Zij schrijven voor een klein publiek. Terwijl Niematz geen veelschrijver is en jaren over een boek kan doen, schrijft Dautzenberg veel sneller. Het werk van Niematz draagt een sterk dramatisch-psychologisch karakter en balanceert op het snijvlak van verbeelding en werkelijkheid. Dautzenberg experimenteert veel met vorm en inhoud. Gemeenschappelijk hebben ze hun relatie met Tilburg. Niematz is daar geboren en getogen. Hij heeft een nogal ambivalente haat/liefdeverhouding tot die stad. Dautzenberg woont daar al jaren en is zelfs ooit gekroond tot stadsdichter van Tilburg.

    Wie ben ik eigenlijk?

    In hun boek Zonder schrammen vaart niemand wel bewijzen Niematz en Dautzenberg hoe betreurenswaardig het verdwijnen van de briefwisseling is als medium om met elkaar van gedachten te wisselen. Grote thema’s waarvoor schrijvers zich gesteld zien passeren de revue.  Zij bestrijden de gedachte van Gerbrand Bakker dat de schrijver in zijn dagboek eerlijker is dan in zijn romans. Taal vervormt de gedachten sowieso en beiden zijn het erover eens dat het onderbewustzijn ‘eerlijker’ is dan het bewustzijn en dat daarom aan de verbeelding ontsproten verhalen te prefereren zijn boven realisme. Alleen gaat het Niematz niet zozeer om eerlijkheid tegenover de buitenwereld, maar om het  spel van avontuur en verleiding, de lezer in verwarring te brengen door meer vragen op te roepen dan te beantwoorden. Het gaat hem om eerlijkheid tegenover zichzelf. De focus van Niematz ligt veel meer op zichzelf dan die van Dautzenberg. In het klein wordt deze kwestie zichtbaar in de soms hoogoplopende discussie waarin Dautzenberg zich afvraagt waarom Niematz zichzelf ‘verbergt’ in een pseudoniem. Zijn ‘werkelijke naam’, aldus Dautzenberg, is toch Jan Hombergen? Niematz daarentegen wenst zijn eigen werkelijkheid te creëren en niet overgeleverd te zijn aan een toevallige naam die hij bij zijn geboorte heeft gekregen. Zo wordt een groot thema persoonlijk gemaakt en daardoor invoelbaar en leesbaar.

    Een evenwichtig duet

    De briefwisseling geeft ruimte aan het uiten van persoonlijke gevoelens over eenzaamheid, gezondheid, gram ten aanzien van uitgevers en recensenten, geldgebrek, maar ook aan bespiegelingen over gelukkige momenten van liefde, empathie ten aanzien van relaties, mooie boeken en wandelingen in de natuur. Het bijzondere van deze briefwisseling is dat je Niematz en Dautzenberg niet alleen leert kennen door hun eigen bril, maar ook door die van de ander. Dat geeft een absolute meerwaarde aan het genre. Zo lijkt Dautzenberg meer in de actualiteit van het moderne leven te staan, is zijn schrijfstijl korter, directer en soms vlijmscherp. Hij heeft de behoefte zijn vinger aan de polsslag van de tijd te houden. Dit maakt hem controversiëler. Dit zie je ook terug in deze briefwisseling. Zo verwijt Niematz hem te willen shockeren door te koketteren met het feit dat hij nog wekelijks de Donald Duck leest als een ‘opgestoken middelvinger naar het intellectualisme van de Oek de Jongen en Robert Ankers onder ons’. Dit leidt tot een felle woordenwisseling en een discussie over hoogcultuur en laagcultuur. Als in een evenwichtig duet dagen Niematz en Dautzenberg elkaar voortdurend uit door te provoceren en te reageren. Soms is het Dautzenberg die het voortouw neemt en dan weer Niematz. Niematz leeft veel meer teruggetrokken, schrijft breedvoeriger, maar zijn stilistische bekwaamheid geeft zijn argumentatie soms de kracht van schijnbare onontkoombaarheid. Het gevolg is een liefdevol gevecht in woorden. De briefwisseling heeft een prachtige spanningsboog, waarbij het wederzijds respect altijd zorgt voor een fijne inbedding. Natuurlijk is dit niet zomaar een mooie briefwisseling tussen twee mensen. Beiden zijn schrijver. Voortdurend zijn zij bezig elkaar en dus zichzelf te bevragen over hun verhouding tot hun schrijverschap. Waarom schrijven wij? Waarom schrijven wij zoals we schrijven? Voor Niematz gaat het om de relatie kunst-leven. Misschien is het leven alleen dragelijk door bezig te kunnen zijn met kunst. Hij ontleent zijn identiteit aan de kunst van het schrijverschap. Voor Dautzenberg is dit te benauwend, hij zou zich te veel een gevangene voelen van een constructie, verdwaald in een zelfontworpen literair labyrint. Dautzenberg ziet zijn schrijverschap veel meer in relatie tot de wereld.

    ‘Ik ben een gevoelsmens, Anton, het beetje verstand dat me is gegeven, zet ik in om niet te verzuipen in sentimenten.

    Zonder schrammen vaart niemand wel is een prachtig boek. De titel geeft al aan dat het gaat om een gesprek tussen twee mensen, die zich gesterkt voelen door wat ze hebben gezien in- en ervaren hebben aan het leven. Hoewel het een boek is, waarin de schrijvers niet schromen zich bloot te geven in persoonlijke ontboezemingen, overstijgt het ontegenzeglijk dit niveau. Het gaat over universele waarden waarmee iedereen op zijn eigen manier te maken krijgt, ook al ben je geen schrijver. Door zich kwetsbaar op te stellen krijgt het boek een innemend en soms zelfs ontroerend karakter. Het is een boek om zorgvuldig te lezen, lekker langzaam, en dan nog een keer te herlezen.

     

  • Fotosynthese 26 – Een bloemetje voor Sergei

    Fotosynthese 26 – Een bloemetje voor Sergei

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel


    Beste Sergei,

    Wij kennen elkaar niet. Toch heb ik een paar jaar geleden, op 21 oktober 2015 om 11.15 uur, aan je graf gestaan. Het was bedolven onder de bloemen, kleurige linten, versierde hartjes en dat alles in de kleuren van de Oekraïense vlag. Het stond in fel contrast met het mistroostige weer. Een loodzwaar wolkendek dreigde elk ogenblik tot ontlading te komen en over te gaan in een dichte motregen. Ik weet trouwens helemaal niet hoe je heet. Ik noem je voor het gemak maar Sergei. In het Nederlands zou ik je Jan kunnen noemen, Jan Soldaat. Ik heb besloten je een brief te schrijven.

    In 2015 was ik met twee vrienden een weekje in Lviv. Ons was verteld dat het een mooie stad moest zijn. Wij zijn Nederlandse historici en hebben belangstelling voor de geschiedenis van Oekraïne, een grensland tussen oost en west. Lviv wordt wel ‘de ultieme stad voor historici’ genoemd. Dat is af te lezen aan de nog steeds gangbare Duitse, Poolse en Oekraïense namen voor de stad: Lemberg – Lwów – Lviv. Van 1918 tot 1939 behoorde de stad tot de republiek Polen (Lwów), van 1939-1941 tot de Sovjet-Unie (Lviv) en van 1941-1944 tot nazi-Duitsland (Lemberg). Van 1944 tot 1991 behoorde ze weer tot de Sovjet-Unie (Lviv) en vanaf 1991, na het uiteenvallen van de USSR, tot het onafhankelijke Oekraïne, een betrekkelijk jong land. De stad heeft nooit lang tot één land behoord. Vaak zijn begraafplaatsen een fascinerende spiegel van dat verleden. En dat is zeker het geval op de begraafplaats Lychakiv, waar jij je laatste rustplaats hebt gevonden. Veel Poolse graven herinneren aan de Poolse hegemonie in het verleden. Het feit dat er tegelijkertijd een veredelde beeldenstorm heeft plaatsgevonden op de ogen van de afgebeelde Poolse overledenen, impliceert dat naderhand niet iedereen meer gediend was van die Poolse invloed.

    Als inwoner van Lviv en Oekraïne moet je heel anders in het leven staan dan wij, inwoners van Amsterdam, Alkmaar en Leiden. Deze steden liggen al sinds mensenheugenis in Nederland, een onbetwist soeverein land. Wij voelen ons dan ook allemaal Nederlander en een beetje Amsterdammer, Alkmaarder of Leidenaar. Wij voelen ons totaal niet bedreigd. Wie wil nu Nederland aanvallen, laat staan Amsterdam, Alkmaar of Leiden? Een krankzinnige gedachte! Veel mensen in Nederland hebben niet veel op met militairen. Ik ook niet. Een generaal die in uniform met pet op in een talkshow verschijnt, opgedirkt met kruisen van verdienste, wekt bij velen de lachlust op. Een potsierlijk gezicht. Je zou eens moeten weten hoeveel moeite het ons heeft gekost om een jaarlijkse veteranendag in te voeren. Veel mensen vonden dat een belachelijk idee. Ik kan mij zo voorstellen dat dat bij jullie heel anders ligt. Misschien voelde jij je aanvankelijk vooral Lvivenaar en daarna pas Oekraïner en is het gevoel van Oekraïner te zijn pas later versterkt door de inval van de Russen in de Donbas. Jullie vrijheid moet voortdurend verdedigd en bevochten worden. Jullie kijken natuurlijk met veel meer respect naar militairen dan wij. Jij hebt je als vrijwilliger gemeld om voor je land te vechten in de Donbas. Staande aan je groeve word ik bestormd door al deze overpeinzingen. Uit de bloemenzee op je graf blijkt dat jij voor de mensen in Lviv een held bent. Ik begrijp dat wel en respecteer dat ook. Door jouw ogen ziet de wereld er totaal anders uit dan door mijn ogen. In jouw ogen is de wereld veel bedreigender en vol gevaren waartegen je je teweer moet stellen.

    De herinnering aan de onderdrukking van de Sovjettijd is nog springlevend. Je hoeft maar in de ogen van je grootmoeder te kijken en je leest de angst voor de herinneringen aan de ‘holodomor’ uit de jaren dertig en de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, toen jullie eerst de Russen, daarna de Duitsers en ten slotte wederom de Russen over de vloer kregen. Trouwens, in Nederland weet bijna niemand wat er bedoeld wordt met de ‘holodomor’, namelijk dat er toen naar schatting 4 miljoen mensen opzettelijk de hongerdood zijn gestorven in Oekraïne op bevel van Stalin. Ik heb wel eens geprobeerd daarover te praten met een oudere Oekraïense vrouw. Dat was lastig. Jullie praten daar niet graag over, omdat het nog zo vers en dichtbij is. Bovendien weten jullie nooit zeker of die tijd nooit meer terug komt, tenslotte blijkt Rusland dichtbij. Ik lees er veel over en praat er wel graag over, omdat het mij interesseert maar nooit persoonlijk geraakt heeft. Het is ver van mijn bed. Vrijheid is voor jou iets kostbaars en bijzonders. Voor mij is het vanzelfsprekend en doodgewoon. Jij herinnert mij daar weer eens aan en daar wil ik je voor bedanken.

    Rust zacht, Sergei. Ik leg ook een bloemetje op je graf.

     

     

    Fotograaf: naam onbekend


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Niets heeft zo’n grote actualiteitswaarde als het verleden

    Niets heeft zo’n grote actualiteitswaarde als het verleden

    In zijn boek Overleven in het riool van Lemberg doet de Britse schrijver Robert Marshall verslag van het ongelooflijke relaas van een paar joodse overlevenden van de holocaust. Marshall baseert zich in zijn boek op het manuscript van Ignacy Chiger, een van de overlevenden. Op verzoek van Chigers vrouw Paulina en zijn dochter Kristina heeft Marshall dit manuscript, in samenhang met de herinneringen van de andere vijf nog levende getuigen, omgewerkt tot het boek Overleven in het riool van Lemberg.

    Ignacy Chiger

    Als de Nederlandse schrijver Milo Anstadt in 1970 zijn geboortestad Lviv bezoekt, na daar in 1930 als tienjarige jongen te zijn vertrokken, heeft hij het gevoel te wandelen in het decor van een oude film. Totaal ontheemd. Hij herkende alles nog: de straten, de gebouwen, de parken en zelfs zijn oude school. Alleen de mensen waren veranderd. De Joden waren uitgemoord en de Polen verdreven naar het westen. De stad wordt nu bevolkt door Oekraïners, die tot voor kort op het platteland woonden. Tegenwoordig wordt het prachtige, barokke treinstation van Lviv (vroeger Lemberg) overstroomd door hordes vluchtelingen uit Kyiv en Marioepol die, op de vlucht voor de barbaren van Poetin, een goed heenkomen zoeken in Polen. Tijdens de Duitse bezetting reden er dagelijks treinen met soldaten naar het oostfront en regelmatig veewagons met Joden op weg naar het vernietigingskamp Belzec, zo’n 75 km van Lemberg. Lviv is altijd verbindingsschakel geweest tussen oost en west. Hoewel de stad in het verleden veel gezien heeft en ook tegenwoordig weer veel ziet, is één ding lange tijd ongezien gebleven: hoe hebben mensen kunnen overleven in het riool van Lemberg?

    Voor de oorlog woonden er in Lemberg zo’n 100.00 Joden. Dat aantal was in juni 1941 gegroeid tot 160.000, waarvan er in maart 1943 nog 9000 over waren. Vanaf januari 1943 wordt het Janowska-ghetto feitelijk een concentratiekamp. Dit staat onder bevel van Grzymek, een hardvochtig man bezeten van ordening en een punctueel gehandhaafde hygiëne. Lange tijd lukt het veel bewoners van het ghetto zich in leven te houden door zich nuttig te maken voor de Duitsers door het naaien van uniformkleding voor de soldaten aan het oostfront. Zo ook Paulina. Haar man Ignacy Chiger runt een onderhoudsbedrijf voor klussen in het ghetto. Een van zijn medewerkers is Jacob Berestycki, een zeer gelovige chassidische slotenmaker uit Lodz. Berestycki merkt dat Chiger onder het mom van reparatiewerkzaamheden overal in het ghetto schuilplaatsen bouwt bijvoorbeeld door het plaatsen van dubbele wanden. Na de zogenaamde Maart Actie, een razzia waarbij duizenden mensen worden opgepakt en vermoord, wordt de stemming in het kamp steeds grimmiger. Gif wordt het meest gevraagde handelsartikel. De onderlinge solidariteit tussen de bewoners erodeert en maakt steeds meer plaats voor een-ieder-voor-zich-mentaliteit.

    Leven in geleende tijd

    Chiger en Berestycki weten beiden dat iedereen in het julag ten dode is opgeschreven en dat ze leven in geleende tijd. Dit smeedt een band. Als Berestycki dan ook met het plan komt om hun toevlucht te zoeken tot het riool en te trachten daar te overleven, vindt hij na enige aarzeling bij Chiger een willig oor en smeden zij een plan. Zij slagen erin een gat te maken in de betonnen rioolbuis door avond aan avond met vereende krachten met lepels en vorken het beton weg te schrapen. In het riool stuiten ze op een paar Poolse onderhoudswerkers die hen tegen betaling willen helpen een geschikte verblijfplaats te vinden en de groep dagelijks van eten te voorzien. Met een van hen, Socha, ontstaat een speciale band. Hij blijft hen helpen, ook als het geld op is. Boven hun hoofd is de SS inmiddels bezig het kamp op te ruimen en in brand te steken. Iedereen wordt neergeschoten of afgevoerd naar Belzec. In het riool horen ze de schoten en het schreeuwen van de mensen. Er zitten inmiddels enige honderden mensen in het riool. De Duitsers gooien handgranaten door de putdeksels. Socha en zijn maten kunnen niet voor iedereen zorgen. Zij hielpen alleen de groep van Chiger, zo’n 13 mensen. Veertien maanden weten zij te overleven in het riool tot de bevrijding door de Russen.

    Een ode aan Socha

    Marshall beschrijft nauwkeurig het wel en wee van de kleine groep overlevenden. De niet aflatende angst voor ontdekking. Het groeiende wantrouwen door botsende karakters en door de vrees dat sommigen, gek van angst en uitputting, het niet meer uithouden in het riool en naar boven willen, waardoor het risico op ontdekking groter wordt. De vrees dat geluiden die zij maken doordringen tot de bovenwereld en tot ontdekking zullen leiden. Het gevaar van ziektes door gebrekkige hygiëne, slecht voedsel en gebrek aan frisse lucht. Het gevaar door langdurige regenval en smeltend sneeuwwater te verdrinken. De angst dat Socha hen in de steek laat of betrapt wordt. Maar naast alle ellende tijdens hun verblijf in het riool, waren er ook momenten van vreugde. Het samen vieren van een Joodse feestdag, de solidariteit en kameraadschap tussen verschillende leden van de groep. Plotselinge blijken van opofferingsgezindheid. De uiteindelijk belangeloze trouw van Socha en zijn maten. Alle mooie en minder mooie karaktertrekken van mensen spelen in deze minisamenleving onder hoogspanning periodiek op. Daarin ligt ook de schoonheid van dit verhaal. De lezer wordt indringend geconfronteerd met existentiële vragen die al te gemakkelijk voorzien worden van labels als dapperheid en lafheid.

     

  • Een film van woorden en foto’s

    Een film van woorden en foto’s

    Toen op zondagmorgen 8 april 1945 de geallieerde luchtaanval op Halberstadt begon, zat Alexander Kluge met zijn zusje in de keuken. Het luchtalarm dwong de familie de kelder in te vluchten. Terwijl zijn vader na de aanval probeerde waardevolle spullen te redden uit het brandende huis, zag Alexander de laatste bommenwerperformatie wegvliegen naar het zuiden. Dit dubbele beeld heeft zich verankerd in zijn geest en vormt de basis van zijn in 1977 verschenen boek De luchtaanval op Halberstadt op 8 april 1945. Dit boek geldt als een van de eerste pogingen tot literaire verwerking van de luchtoorlog in Duitsland en is nu opnieuw uitgegeven als eerste deel van het boek Lente met witte vlaggen. In het tweede deel schetst Kluge in acht teksten een beeld van de laatste oorlogsweken in de rest van Duitsland.

    Waarneming

    Hoewel Kluge vooral bekendheid geniet als filmregisseur en scenarioschrijver van de Nieuwe Duitse Film, ziet hij zichzelf toch vooral als schrijver van de zogeheten documentaire literatuur. Zelf zegt hij daarover: ‘Ik verzin bijna niets, maar niet alles wat bij mij tussen aanhalingstekens staat, is echt een citaat’. Het gaat er niet zozeer om of de feiten wel of niet kloppen. Fictie brengt de de werkelijkheid veel scherper in beeld dan de droge feiten. Een voorbeeld hiervan geeft hij in het verhaal ‘Samenhang tussen de gebeurtenissen en de pianoles’. Daarin voert Kluge een jongen op wiens geplande pianoles geen doorgang kan vinden vanwege het bombardement en de verwoesting van zijn piano. Maar de jongen is vast van plan zijn ingestudeerde stuk te oefenen en vindt elders in de stad in een niet gebombardeerde villa een vleugel waarop hij twee uur lang kan spelen. Dit verhaal is autobiografisch, maar van de setting klopt niets. Het draait bij Kluge om het begrip ‘waarneming’, waarneming van onderaf en waarneming van bovenaf.

    De waarneming van de piloot tijdens het bombardement op Halberstadt zijn volstrekt anders dan die van zijn vader. De piloot neemt niets anders waar dan wat radarbeelden. Op zondagmorgen 8 april was het prachtig weer, maar dat doet niet ter zake. De piloot navigeert in formatie, volgens een in een hoofdkwartier opgezet plan, op de radar. Persoonlijke waarneming van de piloot kan hem in verwarring brengen, ethische vragen oproepen en leiden tot gewetensproblemen. Dit kan niet de bedoeling zijn. Om te overleven te midden van de bommenregens ontwikkelen mensen op de grond ook een strategie. Zijn vader tracht te redden uit het brandende huis wat er te redden valt. Zijn strategie is er op gericht eerst de mensen in veiligheid te brengen en dan de persoonlijke bezittingen. Heel navrant verduidelijkt Kluge deze strategie in het verhaal over de moeder die te midden van de bommenregen als een bezetene zich afvraagt hoe zij haar drie kleine kinderen kan redden, die tegen haar aangedrukt op de grond liggen. Alle drie tegelijk zou zij niet kunnen meenemen. Wie van de drie moest ze, als het zover was, het eerste redden? Van oudsher vastgeroeste opvattingen komen dan bovendrijven: ‘Haar jongste misschien, haar zoontje verkiezen boven de minder waardevolle meisjes…..?’

    Pattern art

    Feitelijk is Halberstadt al van de aardbodem weggevaagd op het planningskantoor. Kluge illustreert dit met tekeningen van de bommenwerperformaties van bovenaf, van onderaf en van opzij. De kunstschilder Anselm Kiefer noemt dit een ‘van doodsangst losgezongen patroon, een soort pattern art‘. De door Kiefer genoemde doodsangst wordt door Kluge verbeeld met aangrijpende foto’s van de verwoestende gevolgen van het bombardement op de grond en de in panische angst weg vluchtende mensen. De tekeningen en foto’s vormen zo een onlosmakelijk geheel met de tekst van het boek.

    Halberstadt en Marioepol

    Het is een vreemde ervaring dit boek te lezen en te recenseren in een tijd dat er opnieuw een vreselijke oorlog woedt in Europa en ‘moral bombing’ aan de orde van de dag is.

    Volgens de Britse luchtmachtgeneraal Harris hadden de Duitsers met het bombarderen van onbeschermde steden als Rotterdam en Londen tijdens de tweede wereldoorlog het recht verspeeld om zich te beklagen over de geallieerde bombardementen op Duitse steden aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. ‘Wie wind zaait zal storm oogsten’, was zijn adagium. Het was een geoorloofd strijdmiddel om het moreel van de vijand te breken. Hij deed dit door het leggen van een bommentapijt, waarbij opzettelijk eerst alle mogelijke vluchtroutes werden bestookt. Naast Dresden is Halberstadt hiervan een voorbeeld uit de recente geschiedenis, Marioepol uit het heden. Tegenwoordig wordt het algemeen gezien als een oorlogsmisdrijf. Kon de vraag naar de persoonlijke verantwoordelijkheid van een piloot bij het bombardement op Halberstadt nog gesteld worden, bij Marioepol ligt dit al heel anders. Deze stad wordt gebombardeerd door hypersonische langeafstandsraketten en drones, die worden afgevuurd vanaf een afstand van honderden km weg door een druk op een knop. De werkelijkheid op de grond blijft hetzelfde.

    Verbijsterend

    Hoewel Lente met witte vlaggen geen vrolijk stemmend boek is, is het wel een noodzakelijk boek en bovendien een prachtig boek. De Duitse schrijver Hans Magnus Enzenberger noemt Kluges boek in zijn recensie in Der Spiegel uit 1978 ‘een film van woorden en foto’s’. Kluge heeft daarmee het filosofische vraagstuk van de ‘discrepantie tussen zijn en bewustzijn de literatuur binnen gehaald’. Zo neemt mevrouw Schrader haar verantwoordelijkheid na het bombardement op haar bioscoop door de boel zoveel mogelijk weer aan kant te maken om op tijd te zijn voor de volgende voorstelling. Dat dit niet meer hoeft is nog niet tot haar bewustzijn doorgedrongen. Dat dit hoogst actueel is, zien wij elke dag op de televisie in de ontreddering van de mensen in Marioepol.

    Anselm Kiefer wijst op de schoonheid van het boek, wat voor hem een grote inspiratiebron vormt voor zijn pattern art. Tegenstrijdige werelden die zich tegelijkertijd voordoen aan de mens. De geprogrammeerd vliegende formaties bommenwerpers en de wanhopig met een witte vlag zwaaiende mens op de kerktoren. Lente met witte vlaggen is geen gemakkelijk leesbaar boek. Ogenschijnlijk een onsamenhangend geheel van gebeurtenissen en anekdotes die zich afspelen in een duidelijk afgebakende tijdspanne en ruimte, blijkt, bij herhaaldelijke lezing, een dwingende inhoudelijke samenhang te vertonen, die de lezer uiteindelijk niet alleen met verbijstering slaat in moreel opzicht, maar ook in artistiek opzicht.

  • Lezen over Oekraïne

     

     

     

    Grensland. Een geschiedenis van Oekraïne

    De oorlog in Oekraïne vraagt om meer kennis en inzicht om de huidige situatie te kunnen duiden.

    In het voorjaar van 2018 verscheen op deze website een verslag in drie delen van een bezoek aan Kiev dat recensent Huub Bartman een jaar daarvoor bracht aan deze nu zo onfortuinlijke stad. Bartman gaat daarin onder meer in op de geschiedenis van Oekraïne en geeft daarbij een aantal leessuggesties.

    Hieronder hebben wij er daarvan een paar voor u op een rijtje gezet. Maar lees vooral ook alle drie de artikelen, dat biedt meer samenhang. De link naar het eerste deel vind u hier. Vandaar uit kunt u door naar de delen twee en drie.
    Niet alle boeken zijn op dit moment nog verkrijgbaar, maar tweedehands of als e-boek kunt u ze waarschijnlijk nog wel vinden.

    Bij uitgeverij Van Oorschot is indertijd Grensland verschenen door hoogleraar Marc Jansen, met als ondertitel ‘Een geschiedenis van Oekraïne’, hier op Literair Nederland besproken door Adri Altink

    Lees hier de recensie van Adri Altink over Grensland.

    Een van de alinea’s luidt: ‘Oekraïne komt uit de Tweede Wereldoorlog te voorschijn als een Sovjetrepubliek, die door ‘de uitroeiing van de Joden, de deportatie van de Polen en de uittocht van de Duitsers’, zoals Jansen schrijft, ‘etnisch homogener (was) dan ooit. Maar dit ging wel gepaard met een aanzienlijke toestroom van Russen en druk op Oekraïners om zich meer aan de Russische omgeving aan te passen’. Als teken van de vriendschap met Rusland kreeg Oekraïne in 1954 de Krim ten geschenke – de donatie die in het conflict dat we in 2014 dagelijks krijgen voorgeschoteld, door Rusland als een historische vergissing wordt beschouwd. Wat in die naoorlogse jaren volgt is een nieuwe russificatie, waarin de terminologie verandert: Rusland heeft het niet meer over ‘inlijving’, maar over ‘hereniging’. Alsof slechts de geschiedenis recht wordt gedaan. Het lijkt in het vocabulaire van Poetin eveneens vetgedrukt te staan.’

    […]
    ‘Hij heeft een helder verhaal geschreven dat het inzicht vergroot in de achtergronden van het huidige conflict en het DNA van een nog zo kort als zelfstandige natie bestaande entiteit. Dat doet hij op voorbeeldige wijze. Het verdient alleen al bewondering hoe hij de lezer in alle chaotische verwikkelingen met vaak duistere motieven mee weet te nemen door nergens de grote lijn uit het oog te verliezen. Hij schrijft beeldend, laat literaire getuigen als Babel en Paustovski aan het woord, verheldert kernachtig begrippen, vermeldt betekenisvolle details en gebruikt smeuige citaten (‘Gratis kaas vind je alleen in een muizenval’). Bovendien is Jansen niet te beroerd om iets heel beknopt nog eens uit te leggen als het bij de lezer weggezakt mocht zijn’.

     

    Grensland. Een geschiedenis van Oekraïne
    Auteur: Marc Jansen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Oorlog en kermis

    Olaf Koens was jarenlang verslaggever in Rusland en de voormalige Sovjet-Unie voor de Volkskrant en RTL Nieuws. Zijn boek Oorlog en kermis begint met de verdrijving van de Oekraïense president Viktor Janoekovitsj en de daarop volgende annexatie van het schiereiland de Krim door Rusland in de winter van 2014.

    In verslagvorm schrijft hij in het eerste helft van zijn boek over de annexatie van de Krim en de daarop volgende pro-Russische separatistische burgeroorlog in het oosten van Oekraïne.
    De tweede helft van het boek gaat over Rusland. Daarin trekt hij langs de randen van dit onmetelijke land.

    Huub Bartman schrijft: ‘Een goed beeld biedt het prachtige boek Oorlog en kermis van Olaf Koens. Koens besteedt daarin veel aandacht aan het conflict in het oosten van Oekraïne. De titel duidt op de bizarre, krankzinnige realiteit waarin veel mensen in Rusland en Oekraïne leven.’

    Oorlog en kermis
    Auteur: Olaf Koens
    Uitgeverij: Prometheus

    Rode hongersnood

    Rode hongersnood vertelt over de hongersnood die ontstond als gevolg van het beleid dat Stalin initieerde, waarbij hij de Sovjetboeren dwong hun land en bedrijf op te geven voor nieuwe collectieve boerderijen. Daardoor ontstond een enorm gebrek aan voedsel dat tussen 1931 en 1933 de oorzaak was van vijf miljoen doden, de ‘Holodomor’.
    Uit de flaptekst: ‘Anne Applebaum onthult in dit boek dat drie miljoen van deze doden, in de Oekraïne, niet slechts slachtoffer waren van een ongelukkig beleid, maar eerder van een doelbewust plan om een groot deel van de Oekraïense bevolking te vervangen door Russischsprekende boeren. Oekraïne moest, naast de graanschuur voor de Sovjetsteden, een buffer worden tussen de Sovjet-Unie en Europa. Toen de provincie in opstand kwam, sloot Stalin de grenzen en stopte hij de toevoer van voedsel. Een ongekende en catastrofale hongersnood was het gevolg.’

    Rode hongersnood
    Auteur: Anne Applebaum
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Nestorkroniek

    Nestorkroniek gaat heel ver terug in de geschiedenis. Op de flaptekst staat: ‘De Nestorkroniek is de oudste Oost-Slavische bron voor de geschiedenis van het Kievse Rijk, dat door Russen, Oekraïners en Wit-Russen als hun bakermat wordt beschouwd. De kroniek is in het begin van de twaalfde eeuw geschreven door monniken van het Kievse Holenklooster. Zij schetsen een levendig beeld van de geschiedenis, cultuur en samenleving van het rijk, hier ‘Roes’ geheten, vanaf het midden van de negende eeuw tot het tweede decennium van de twaalfde eeuw.’

    Huub Bartman over Nestorkroniek: ‘In Nestorkroniek, in Nederlandse vertaling van Hans Thuis verschenen bij uitgeverij VanTilt, wordt gesproken over het goudkoepelige Kiev, verwijzend naar de honderden Grieks-orthodoxe kerken in de stad. Daarvan is het huidige Kiev slechts een flauwe afspiegeling, al zijn de vele kerken nog steeds karakteristiek voor de stad. Het gerenoveerde Holenklooster stamt nog uit de tijd van Kiev-Roes.’

    Nestorkroniek
    Uitgeverij: Van Tilt

    Aleksandra

    Niet opgenomen in het verslag van Bartman, want heel recent, is de vorig jaar verschenen roman Aleksandra van Lisa Weeda. Aleksandra is gebaseerd is op de geschiedenis van haar Oekraïense familie.

    Op verzoek van haar grootmoeder (1924) is Lisa Weeda in deze geschiedenis gedoken.
    Haar grootmoeder werd op 18-jarige leeftijd door de Duitsers gedeporteerd vanuit het oosten van de Oekraïne om te gaan werken in de Duitse oorlogsindustrie. Zij kwam na veel omzwervingen in Nederland terecht. Weeda reisde de deportatieroute van haar grootmoeder achterstevoren na en verwerkte haar ervaringen in haar debuut.

    Lisa Weeda werd eind vorig jaar in de Volkskrant uitgeroepen tot literair talent van het jaar 2022.

    Sinds 17 februari 2022 houdt zij een dagboek bij in de NRC. Dat begint als volgt: ‘In de middag bereikt het nieuws mij en mijn familie in Nederland. Mijn oudtante Nina zit samen met nicht Ira en haar dochter Olja in een schuilkelder in Stanitsa Loeganskaja, aan de frontlinie van het oorlogsgebied in Oost-Oekraïne. Er wordt al een paar uur gebombardeerd. Net als acht jaar geleden zitten ze onder de grond, op provisorische bedden, tussen bij elkaar geraapte meubels, met wat eten en drinken dat ze in alle haast hebben meegenomen, te wachten tot het schieten voorbij is.’

     

    Aleksandra
    Auteur: Lisa Weeda
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Zo kun je ook opgroeien

    Zo kun je ook opgroeien

    De geschiedenis van het moderne Griekenland is voor veel mensen in Nederland onbekende kost. Bij Griekenland denken wij al gauw aan zonnige stranden, de klassieke oudheid, Athene, de Acropolis en, oh ja, Jeroen Dijsselbloems framing van de Griekse mentaliteit met zijn uitspraak over drank, vrouwen en wanbetaling. Veel verder komen de meeste mensen niet. In zijn boek  Blauwe en rode ziel geeft de Griekse schrijver Periklis Sfyridis een ander, veel genuanceerder beeld van Griekenland. 

    Autobiografisch portret

    Sfyridis schetst een autobiografisch portret van zijn leven tijdens drie cruciale periodes in de Griekse geschiedenis van de twintigste eeuw. Hij vertelt over zijn jeugdjaren. Zijn eerste levensjaren brengt hij door in een opvangkrot voor vluchtelingen aan de rand van Thessaloniki. In 1941 vlucht hij voor de Duitsers naar de familie van zijn vader op het eiland Skyros, dat later dat jaar wordt bezet door de Italianen die er een schrikbewind uitoefenen. Eind mei 1942 keert de familie, door de honger gedreven, terug naar het door de Duitsers bezette Thessaloniki. Na het vertrek van de Duitsers eind 1944 breekt van 1945 tot eind 1949 de burgeroorlog uit tussen de door Engelsen en Amerikanen gesteunde regeringstroepen en de communisten. Zijn leven lang blijft Sfyridis wonen in Thessaloniki. Daar studeert hij tijdens de wederopbouw af als arts en maakt hij de kolonelsdictatuur van 1967-1974 mee. Sfyridis is een rasverteller en geeft aan de hand van tal van liefdevolle portretjes van familieleden een levendig beeld van de gecompliceerde geschiedenis van het moderne Griekenland. 

    Verzetsheld?

    Het boek begint met de terugkomst van zijn oom Iraklis uit het verzet in oktober 1944. Hij wordt als held ontvangen door de 12-jarige Periklis en zijn vrienden. Als Periklis hem vraagt of hij met zijn revolver mag spelen, geeft hij hem deze met de woorden: ‘Hiermee hebben we ze afgeslacht.’ Of hij daarmee doelde op de Duitsers of de Griekse collaborateurs van de anticommunistische Veiligheidsbataljons blijft onduidelijk. Aan het eind van het eerste deel over de bezettingsjaren komt Sfyridis terug op dit voorval. Hij vertelt dat zijn oom hem even later niet toestaat met de revolver te schieten omdat ‘dat geen zaken voor kinderen zijn’. Periklis moet daar een beetje om lachen en zegt dat hij allang geen kind meer is. Hij vertelt Iraklis over het bombardement van de Engelsen aan het eind van de oorlog, de doden en gewonden die daarbij zijn gevallen, over de afrekeningen van de linkse OPLA (de communistische geheime politie) met collaborateurs van de gehate Veiligheidsbataljons, over de meest gruwelijke moordpartijen die zich tijdens de oorlog in zijn buurt hebben afgespeeld. Iraklis zwijgt eventjes en zegt dan: ‘Weet je, zelf heb ik er nog geen kogel mee afgevuurd.’  Als hij kort daarna zijn uniform met de drie sterren definitief aan de wilgen hangt om zijn positie in de burgermaatschappij op het telegraafkantoor veilig te stellen, valt hij als held, in de ogen van de jongen en zijn vrienden, definitief van zijn sokkel. 

    Liefdevolle portretjes in een gepolariseerde wereld

    Door zijn verhaal over de bezettingsjaren zo in te bedden, geeft Sfyridis een liefdevolle, psychologische verdieping aan zijn familieleden. Liefde verdraagt zich immers slecht met heldendom. Bovendien veegt hij daarmee het simplistische beeld van tafel dat er in een oorlog alleen maar helden en verraders zijn, een kinderlijk beeld dat past bij zijn leeftijd in die jaren, maar waar hij later als volwassene, in deze roman, afstand van doet. 

    Naast de pragmatische, linkse Iraklis en zijn liberale vader heeft Periklis ook een communistische oom, Platon. Tijdens de burgeroorlog komt deze in grote problemen en wordt veroordeeld tot de doodstraf. Vooral dankzij Sfyridis’ moeder, zus van Platon, weet hij daaraan te ontkomen. Zoals verreweg de meeste Griekse vrouwen bemoeit zijn moeder zich niet met politiek, maar zij is trouw aan haar familie. Deze ideologische scheidslijnen, door Sfyridis in de titel van zijn boek aangegeven met de kleuren blauw en rood, verdelen na de oorlog de meeste Griekse families. De Koude Oorlog heeft diepe sporen achtergelaten in de Griekse samenleving na de oorlog. De regering diende natuurlijk, op aandringen van de Engelsen en Amerikanen, anticommunistisch te zijn. Zij steunde voor een aanzienlijk deel op de collaborateurs van de Veiligheidsbataljons, die verantwoordelijk waren voor tal van massamoorden tijdens de oorlog. Dit heeft gezorgd voor een endemisch wantrouwen van veel Grieken tegenover elke regering. (Stel je voor dat er in Nederland na de oorlog een regering onder leiding van de NSB zou zijn geweest, gesteund door de geallieerden!) De jaren van de burgeroorlog vormen zo een prelude op het kolonelsregime. 

    Overrompelend, noodzakelijk en verbijsterend

    Blauwe en rode ziel is in zeker opzicht een overrompelend boek over opgroeien in een gevaarlijke wereld, waarin honger en armoede altijd op de loer liggen, waarin het gevaar nooit ver weg is, waarin emoties hoog oplopen, waarin liefde en trouw voor familie en vrienden de enige bakens zijn waarop je kunt bouwen, waarin blauw en rood niet zomaar kleuren zijn, maar merktekens voor vriend of vijand. Mensen worden grotendeels gevormd door hun geschiedenis. Daarom is Blauwe en rode ziel ook een noodzakelijk boek. Het schetst een wereld waarvan de meeste mensen in Nederland geen weet hebben, maar waarover we wel vaak een oordeel hebben. En dan is het ook nog een verbijsterend boek, omdat het raakt aan gebeurtenissen, die grotendeels buiten de horizon van Periklis Sfyridis liggen, maar waarvan hij zich wel bewust is dat die hebben plaatsgevonden in zijn wereld. De uitroeiing van de Joodse gemeenschap van Thessaloniki, die zich afspeelde in een wijk van de stad waar hij nooit kwam en de Klein-Aziatische Catastrofe van 1922 (de verdrijving van alle Grieken uit Turkije), waardoor opa Diamandis verdreven werd uit zijn herenhuis in Constantinopel en als armoedzaaier in een opvangkrot voor vluchtelingen was beland in de periferie van Thessaloniki. 

    Hoewel het verhaal goed geschreven is, dicht op de huid, beeldend en met een liefdevolle kijk op de mensen, is het beslist zinvol dat vertaler en redacteur Hero Hokwerda in het nawoord de Griekse politiek en geschiedenis toelicht en in de tijd plaatst. Het is zeker aan te raden dit nawoord te lezen alvorens aan het eigenlijke verhaal te beginnen.

     

  • Een prachtig kinderboek, ook voor volwassenen

    Een prachtig kinderboek, ook voor volwassenen

    ‘Dames en heren, graag uw aandacht voor onze fantastische goochelaarrrr…..’ – er klonk een roffeltje – ‘Selath van Etelim.’ Als Laura en Bruno in het Archeon met hun ouders een bezoek brengen aan Circus Kronos, worden zij door Selath ‘als vrijwilligers’ naar voren geroepen om deel te nemen aan zijn bijzondere verdwijntruc. Dit heeft rampzalige gevolgen. Na het uitspreken van een magische spreuk zijn de kinderen verdwenen en Selath is niet in staat hen weer terug te toveren. Zij blijken te zijn weggetoverd, ongeveer 2500 jaar terug in de tijd, naar de Griekse stad Milete aan de huidige Turkse kust. Vanaf dat moment ontvouwt zich een heerlijk avontuur waarin de kinderen proberen terug te keren naar hun ouders in hun eigen tijd, terwijl Selath verwoede pogingen doet de kinderen weer terug te toveren voor de ouders ontdekken dat de kinderen echt weg zijn.

    De actualiteit van de oude Grieken

    Op speelse wijze geeft Erno Eskens in De kinderen van Chronos aan jonge mensen een inkijkje in de wereld van de Griekse filosofie uit de klassieke oudheid. Marthe Kerkwijk heeft het verhaal door haar illustraties in een fantasierijk en magisch jasje gestoken. Door het verhaal zich te laten afspelen op twee niveaus – onze eigen tijd en de wereld van de klassieke oudheid – sluit het goed aan bij de belevingswereld van kinderen en kunnen zij zich identificeren met Laura en Bruno. Eskens wil kinderen met dit boek niet alleen wijzen op het unieke karakter van de Griekse filosofie, maar hen ook doordringen van de actualiteit daarvan. Vragen over mensenrechten, slavernij, democratie en emancipatie staan centraal. De kinderen krijgen hier in hun zoektocht als vanzelf mee te maken. Dat Thales van Milete, gezien het tijdsverschil, Socrates nooit heeft kunnen ontmoeten, is voor Eskens geen probleem. Het gaat hem immers niet om een historische reconstructie.

    Een wonderlijke zaak

    In Milete maken de kinderen kennis met de filosoof Thales. Hij geldt als een van de eersten, die op rationele basis natuurverschijnselen trachtte te verklaren. Met berekeningen had hij de zonsverduistering van 28 mei 585 voor Christus voorspeld. De wereld van de oude Grieken was toen echter nog doordrenkt van het magisch denken. Toen zijn voorspelling uitkwam, geloofde dan ook niemand dat zijn berekeningen werden bevestigd. De mensen waren bang en weten het aan zijn toverkracht. Zij eisten dat hij de zon zou terugtoveren. Thales zwaaide wat met een stokje, zei: ‘Simsalabim’ en ja hoor, de zon kwam weer terug. Thales was de held. Als beloning kreeg hij van de koning van Milete de gouden drievoet van Helena, de mooiste vrouw van Griekenland. Deze drievoet was in de netten terechtgekomen van de vissers van het eiland Kos. Op de drievoet behoorde eigenlijk ook een gouden schaal. Deze hadden de vissers echter niet gevonden. Volgens Thales hadden zij de schaal achterovergedrukt.

    Het orakel van Delphi had bepaald dat de drievoet met schaal gegeven moest worden aan de wijste man van Griekenland. Thales accepteerde de schaal, maar zei dat wijsheid een veranderlijk begrip is: ‘Vandaag ben ik misschien de wijste man van Griekenland, maar ben ik dat morgen nog?’ Hij kreeg toestemming van de koning om op zoek te gaan naar de schaal en te onderzoeken of er nog een wijzer man in Griekenland gevonden kon worden. Aan hem moest hij dan, in overeenstemming met de uitspraak van het orakel, de drievoet samen met de gouden schaal overhandigen. Thales vertelt de kinderen dat de drievoet ooit van Apollo is geweest, de god van de maat der dingen, dus ook van de tijd. Door de schaal aan te raken zou je in de tijd moeten kunnen reizen. Hij ontfermt zich over de kinderen en samen besluiten zij op zoek te gaan naar de schaal.

    Op avontuur met Thales van Milete

    Hun zoektocht naar de vissers leidt hen naar Athene waar zij in contact komen met de grote filosofen uit de Griekse oudheid, Socrates, Plato en Aristoteles, maar ook met markante figuren als de cynicus Diogenes, de spottende komediedichter Aristophanes en de grote wetgever Solon. Tijdens al die ontmoetingen stuiten Laura en Bruno, die door de Grieken als barbarenkinderen worden gezien, op actuele vragen, die te maken hebben met individuele vrijheid en gelijkheid, – waarbij vooral Laura stevig van zich af bijt -, op vragen over het goede bestuur met Solon, maar ook op meer filosofische vragen naar kennis van de werkelijkheid, naar aanleiding van het verhaal over de grot van Plato.

    In het verhaal zitten alle elementen die er een spannend geheel van maken. ‘Hoe komen de kinderen weer terug in hun eigen tijd?’ en ‘slaagt de goochelaar erin ze op tijd terug te toveren voor er paniek uitbreekt bij de ouders?’. Er komen heel verschillende types in voor: boeven (de vissers van Kos), een komische figuur (Diogenes), een trouwhartig type (Thales) en een kletskous met een aardbeienneus (Socrates). Er zit magie in bij de priesteres van het orakel van Delphi. Laura en Bruno botsen voortdurend met de normen en waarden van de oude Grieken. Het boek biedt hierdoor voor volwassenen veel aanknopingspunten om met kinderen tot een goed gesprek te komen.

     

  • Wie trekt de lijnen om de landen heen?

    Wie trekt de lijnen om de landen heen?

    Van jongs af aan gefascineerd door grenzen, trekt Milo van Bokkum eropuit om deze met eigen ogen te kunnen zien: fiets in de trein en op weg naar de grens. Soms bleek er helemaal niets te zien te zijn. Slechts een weiland te midden van andere weilanden, maar wel een Belgisch weiland, een exclave noemt hij dat. Maar er zijn ook zwaar bewaakte grenzen met hekken en zones niemandsland bezaaid met mijnen. Dan dringt de politieke realiteit zich op. Op lichtvoetige wijze behandelt Van Bokkum in Grensstreken de grootste grensgeschillen in heden en verleden. Het stellen van grenzen zorgt voortdurend voor conflictstof, zowel binnen als buiten Europa.

    Als Van Bokkum de grenskwestie tussen China en Taiwan in historisch perspectief plaatst, zitten we midden in de actualiteit. Dagelijks berichten de media over oplopende spanningen. Ditzelfde geldt voor de grensgeschillen tussen Rusland en Oekraïne vanwege de Krim. Van Bokkum gaat er als het ware met een drone overheen om ons te wijzen op het gemeenschappelijke element in al deze conflicten, namelijk dat mensen niet buiten het stellen van grenzen kunnen en dat machthebbers aan dit verlangen vorm trachten te geven, maar hun macht al te vaak gebruiken om tweespalt te zaaien. Binnen Europa tracht de Europese Unie voortdurend grenzen te slechten om zo het vrije verkeer van kapitaal en mensen binnen de Unie te vergemakkelijken, al staat dit streven steeds meer onder druk vanwege de grote  toestroom van vluchtelingen van buiten de Unie en de weerstand hiertegen in de lidstaten. De euforie na het vallen van de Muur en het verdwijnen van het IJzeren Gordijn is inmiddels verdwenen en we zien overal in Europa de roep om grenzen te sluiten weer opkomen. Sommige landen hebben zelfs al weer fysieke grenzen opgericht in de vorm van hekwerken en zelfs muren.

    Internationaal  Gerechtshof

    Toch is Van Bokkum niet pessimistisch. Hij wijst op de noodzaak om toch maar te blijven proberen  conflicten in der minne te schikken, bijvoorbeeld  door ze voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, dat weliswaar over een moreel gezag beschikt, maar het aan macht ontbreekt om dit te effectueren. Maar toch, ook al trekken conflicterende partijen zich vaak niets aan van een voor hen mogelijk negatieve uitkomst van hun zaak, landen blijken telkens weer een oordeel te willen hebben van dit toonaangevende instituut. 

    De tol van het verleden

    Van Bokkum gaat uitvoerig in op de willekeur bij het trekken van grenzen door de koloniale mogendheden in het verleden. De arrogantie van de macht kwam onverbloemd tot uiting op de Afrikaconferentie in Berlijn in 1884 /1885. Daar werd Afrika verdeeld door de grote koloniale machten. Mooie rechte lijnen werden er getrokken dwars door oude stamgebieden heen. We zien dit zowel in Afrika als in het Midden-Oosten. De Masai wonen nu in Kenia en Tanzania. Soms krijgt dit lijnenspel een vreemde afwijking, bijvoorbeeld in Namibië. Dit mooie rechthoekige land was ooit een Duitse kolonie en heeft in het noordoosten een langgerekte uitstulping van 400 kilometer  lengte, de Caprivistrook. Deze is genoemd naar de Duitse onderhandelaar met de Britten. Hij wilde de kolonie verbinden met de rivier de Zambesi om zo in contact te komen met Duits Oost-Afrika. De Duitsers wisten niet dat de Zambezi helemaal niet bevaarbaar is. 

    Selectieve keuzes

    Van Bokkum is selectief in de keuze van zijn voorbeelden. Telkens belicht hij daarin een ander aspect van het trekken van grenzen. Zo werd in het verleden soms een bergrug of een rivier als grens gekozen, maar ja, bergen hebben schier ontoegankelijke dalen, waarbij de vraag kan rijzen van wie dat dal eigenlijk is, zeker als er plotseling zeldzame grondstoffen te vinden zijn, terwijl rivieren niet altijd dezelfde bedding volgen. Ook geeft hij voorbeelden van gebieden die eigenlijk een soort niemandsland vormen. Soms probeert een particuliere burger daar een eigen staatje op te richten zoals The Principality of Sealand op een voormalig olieplatform buiten de Britse territoriale wateren en Liberland op een stukje moerasland in de Donau dat noch door Kroatië, noch door Servië geclaimd wordt. Tenslotte geeft hij ook voorbeelden van gebieden die in gezamenlijkheid bestuurd worden door landen, wat soms heel goed blijkt uit te pakken. Leidend in het boek van Van Bokkum is de gedachte te laten zien dat we misschien op net iets meer manieren kunnen nadenken over soevereiniteit en grenzen, dan wij gewoon zijn te doen. 

    Uitnodiging om mee te fietsen met Milo van Bokkum

    Grensstreken is een heerlijk boek om te lezen en cadeau te geven. Het ziet er mooi verzorgd uit, rijk geïllustreerd met bijzondere kaartjes. Als vanzelf grijp je tijdens het lezen naar een atlas om de diverse gebieden die Van Bokkum beschrijft op te zoeken. Het boek is vlot geschreven met een fijn oog voor het smeuïge verhaal en detail. De meerwaarde van het boek is gelegen in de politieke actualiteit, waarin een wederopleving van nationale gevoelens steeds meer in botsing komt met de werkelijkheid van een globaliserende wereld met wereldomspannende problemen, die om oplossingen vragen. 

     

     

  • Schaterlachen van verdriet

    Schaterlachen van verdriet

    Tijdens een interview over zijn boek Hele verhalen voor een halve soldaat in het programma Kunststof antwoordt Benny Lindelauf op de vraag, ‘Wie is je publiek?’ het volgende: ‘Er schijnt een hele schare volwassenen te zijn die dol is op kinderboeken.’ Dit is zeker in het geval van Benny Lindelauf terecht. Zijn onlangs met de Woutertje Pieterse Prijs bekroonde boek kan nu al samen met zijn eerder verschenen boek Hoe Tortot zijn vissenhart verloor gerekend worden tot de klassiekers van de Nederlandse literatuur. In een wervelende stijl zonder opsmuk van overbodige beeldspraak leidt Lindelauf zijn lezers binnen in een moderne symfonie van bizarre sprookjes verteld tegen de achtergrond van een gruwelijke oorlog.

    Het verhaal van deze oorlog zelf komt vooral ter sprake in zijn vorige boek Hoe Tortot zijn vissenhart verloor. Zijn laatste boek Hele verhalen voor een halve soldaat gaat inhoudelijk hieraan vooraf en behandelt in een raamvertelling de avonturen van zes broers die in volgorde van leeftijd een oproep krijgen zich te melden voor de oorlog. Zij zijn arm en naamloos. Als zij zich komen melden bij Wachtpost 7787 dienen zij een gift voor de financiering van de oorlog achter te laten bij het Vredespaleis. Oorlogvoeren kost immers vreselijk veel geld en het is tenslotte voor het goede doel; de vrede. De broers hebben echter niets en mogen van de wacht betalen met verhalen. Dit besluiten zij te doen op één voorwaarde…

    Betalen met verhalen

    Deze verhalen vormen de kern van het boek. In tegenstelling tot het vorige boek waarin Lindelauf een meer verontwaardigde, misschien soms zelfs bittere toon aanslaat over het krijgsgebeuren, is de toon in dit boek duidelijk liefdevoller. De broers stellen zich heel beschermend op naar Jongstebroer, die ze niet bang willen maken. Als zij aan de keukentafel met elkaar fluisterend praten over de oproep, gebruiken zij een soort Nieuwspraak (Orwell in 1984). Oorlog wordt feest, aanvallen wordt kietelen, een geweer wordt een paraplu en dood is met vakantie. Elke broer beschikt over één specifieke eigenschap. Zo is Oudstebroer nooit bang, Tweede Oudstebroer heel zorgzaam, Derde Oudstebroer altijd goed gehumeurd, kan Vierde Oudstebroer fantastisch twijfelen en Vijfde Oudstebroer geweldig onopvallend zijn. Als uiteindelijk Jongstebroer voor de wacht verschijnt komen alle draadjes bij elkaar in een prachtig slotakkoord. Dan wordt ook de vervlochtenheid met Tortot zichtbaar en dat is razend knap!

    Op de schouders van…

    Lindelauf staat duidelijk op de schouders van grote schrijvers over de oorlog zoals Céline, Remarque en Orwell. Hij ontleent aan hen niet alleen de verontwaardiging over oorlogvoeren, maar hij laat zich ook inspireren door hun oog voor de bizarre werkelijkheid zonder in cynisme te vervallen. Deze werkelijkheid kan alleen inzichtelijk en invoelbaar gemaakt worden door het vertellen van absurde verhalen, grotesk en hilarisch, die je doen schaterlachen van verdriet. Tegenover deze krankzinnige werkelijkheid staat natuurlijk de liefdevolle benadering van de broers voor Jongstebroer, die zij koesteren als het leven zelf. Daarin schuilt de kracht van dit boek.

    … Gogol

    Lindelauf is een rasverteller die een raslezer of luisteraar nodig heeft. Het boek is het medium waarmee schrijver en lezer met elkaar in contact komen. Zelf spreekt hij van een klankkast, die de muziek weergeeft, maar je moet er wel goed naar luisteren. In de verhalen laat Lindelauf zijn fantasie de vrije loop en leidt hij ons binnen in zijn bizarre sprookjeswereld. Zij doen denken aan Grimm, maar meer nog aan oude Russische sprookjes over tsaar Iwan, de schone Wassilissa en Finist de tovervalk. Ook hier weer die mengeling van liefde, gevoel voor absurditeit met op de achtergrond een vaag gevoel van onrust voor het onbekende. Je krijgt vanzelf zin om, met opgetrokken benen gezeten bij de kachel, de sprookjes van Gogol weer eens te herlezen. Alleen al de keuze van de namen van zijn hoofdpersonen leidt tot lichte rillingen: Prins Arthur Zenig de Vijfde; de kinderheilige van Oussidin; Warre en Bor. 

    Verbeeldingskracht

    In kinderboeken is het, in tegenstelling tot ‘grotemensenboeken’, gebruikelijk de verhalen op te luisteren met illustraties, soms kunstwerkjes van grote schoonheid. In Hele verhalen voor een halve soldaat is Ludwig Volbeda de illustrator net als in Tortot. Alleen zou je  Volbeda geen illustrator moeten noemen. Dit woord heeft in kunstenaarskringen een wat armzalige bijklank. Een kunstenaar wil geen illustrator genoemd worden. Volbeda is een kunstenaar, die het boek van Benny Lindelauf mede tot een ongeëvenaard kunstwerk heeft gemaakt. Zijn tekeningen zijn associatief, mede sfeerbepalend bij het verhaal en beslist niet illustratief in de zin van ‘opluisterend’, maar veeleer ‘verdiepend’. Het is prachtig te zien hoe een eenvoudige tekening van een slagboom in een verlaten en mistig landschap het karakter van het boek in al zijn facetten weet te vangen. 

    Het mooiste en meest bijzondere waarin de mens uitblinkt boven alle andere dieren in deze wereld, aldus de cabaretier en filosoof Tim Fransen in zijn programma De mens en ik, is gelegen in zijn verbeeldingskracht. Benny Lindelauf en Ludwig Volbeda geven hiervan een schitterend voorbeeld. 

     

     

  • De schoonheid van het menselijk tekort

    De schoonheid van het menselijk tekort

    ‘Alles wat ze hadden is weg, verdwenen, kwijt. Maar wat ze niet hadden, is er soms wel’. Met deze raadselachtige, maar prachtige zin, sluit Jan Wijnen zijn verhaal Kwijt af in zijn onlangs verschenen bundel IJsvogelblauw. Het verwijst naar dementerende bejaarden in een verpleeghuis, die weliswaar het zicht op de werkelijkheid kwijtraken, maar zich een eigen gefantaseerde wereld creëren waarin begrippen als tijd, plaats en ruimte een andere betekenis krijgen. Jan Wijnen gaat echter een stap verder en betrekt dit niet alleen op dementerende bejaarden. Het gaat op voor alle mensen, aldus dramadocent Sonja in het verhaal Lichaamstaal, als zij zegt: ‘Niemand is zichzelf’, we zijn niet wie we denken dat we zijn. We spelen niet alleen toneel op toneel. En niet alleen voor anderen. We nemen net zo goed onszelf bij de neus. Dag in dag uit.’ Dit is een rode draad in zijn verhalen. De eenzaamheid van de mens op zoek naar liefde, zin en betekenis. 

    Deze eenzame wereld

    IJsvogelblauw is alweer de vijfde verhalenbundel van Jan Wijnen en hopelijk niet zijn laatste. Hij beheerst het métier als geen ander. Zijn verhalen zitten heel doordacht in elkaar en zijn geschreven in een kraakheldere stijl, geboetseerd lijkt het wel. Korte, rake zinnen zonder overbodige franje of bedwelmende beeldspraak. Zij bevatten altijd meerdere lagen. Het feitelijke verloop van de gebeurtenissen wordt ingebed in een breder maatschappelijk of filosofisch kader. Een mooi voorbeeld hiervan is het verhaal Do not pass this line. In dit verhaal reist een leraar op een School met de Bijbel naar India om te controleren of het ingezamelde geld voor een onderwijsproject aldaar wel op de juiste plaats is terecht gekomen. In het vliegtuig komt hij in contact met een man met wie hij een adres uitwisselt. Terug op school krijgt hij in zijn favoriete klas, waar hij zich vertrouwd voelt, te maken met vrijpostige vragen van een leerling of hij een fijne tijd heeft gehad in India. Gekscherend gaat hij hierop in. Kort daarna wordt hij bij de directeur op het matje geroepen. Of het gerucht klopt dat hij in de klas over seksualiteit heeft gesproken. Of hij weet dat dit verboden is op de school en dat hem dat zijn baan kan kosten. Wat doet hij? In dit verhaal komt de actualiteit aan de orde rond de vrijheid van onderwijs en het openlijk mogen uitkomen voor je seksuele geaardheid. Maar het gaat hier ook om de individuele keuzes die wij maken en de eenzaamheid die daarmee gepaard gaat. Hoewel deze elementen kenmerkend zijn voor het werk van Jan Wijnen is hij in zijn onderwerpkeuze heel gevarieerd. Hij tast als het ware voortdurend in allerlei situaties af waar de keuzevrijheid van de mens ligt en dus zijn eenzaamheid. In die zin is Wijnen een echte existentialist. 

    De schoonheid van het menselijk tekort

    Hoewel het boek wat stroef begint met het verhaal Kandinsky over een, misschien wat uitgekauwd thema van een man, die alle mogelijke idioterie uit de kast haalt om maar niet ontslagen te hoeven worden uit de psychiatrische inrichting, bevat het verder kleine juweeltjes van vertelkunst. Jan Wijnen heeft een mooie pen waarmee hij in staat is een breed register aan emoties los te maken bij de lezer. Buitengewoon ontroerend, maar ook spannend is het verhaal Nadine en de bedplassers. Je leest het in één adem uit en komt dan even rustig bij, terwijl je terugbladert om te zien of je geen details over het hoofd heb gezien. Je hebt voor het moment ook genoeg aan één verhaal. Het is als een smakelijk gebakje. Dat eet je langzaam op met kleine hapjes. 

    Meneer Pastoor is een tragikomisch verhaal en zeer gelaagd, waarbij je aan het einde als het ware vanzelf ga meedrinken met meneer pastoor en de hoofdrolspeler in het verhaal. Tenslotte het laatste verhaal, De lege bladzijde, een fraai slotakkoord van deze verhalenbundel, waarin Jan Wijnen de lezer voor de laatste keer confronteert met de schoonheid van het menselijk tekort in deze eenzame wereld.

    Hoed af!

    De droom van iedere schrijver is om zich, na het schrijven van korte verhalen, toe te leggen op het grote werk, het schrijven van een echte roman. Het korte verhaal blijft zo een ondergewaardeerd genre. Dat is niet terecht. Klasse en diepgang leggen in een kort verhaal, is een vak apart. Geen woord, geen zin mag ondoordacht het papier bevlekken. Dat vraagt vakmanschap. In dat opzicht is Jan Wijnen beslist een vaandeldrager van het genre en een van de meest originele schrijvers. Dit boek is eens te meer een proeve van zijn bekwaamheid. Hoed af!

     

  • De kracht van fictie

    De kracht van fictie

    Paul Binnerts werd vlak voor de oorlog geboren als kind uit een gemengd joods huwelijk. Hoewel hij er geen actieve herinneringen aan heeft, heeft de oorlog hem wel zijn leven lang uit zijn slaap gehouden. Thuis werd niet over de oorlog gepraat. De nazi’s waren verslagen en daarmee was het antisemitisme uitgeroeid. Vooruitkijken was de boodschap. Hij was een overlevende en mocht niet klagen. Pas toen iedereen in zijn omgeving die het kon navertellen dood was, besloot hij zich tot taak te stellen uit te zoeken wat er was gebeurd. Hij moest naar hen op zoek en dat kon alleen door achterom te kijken. Die zoektocht resulteerde in Het leugenlabyrint.

    Tijdens zijn onderzoek stuitte hij op een keiharde historische paradox: hoe meer hij aan historisch feitenmateriaal verzamelde en verwerkte, hoe verder hij leek af te dwalen van waar het hem om ging, nl. dichterbij de belevingswereld zien te komen van zijn ouders en hun familie en vrienden. In alle boeken die hij over de oorlog las, vond hij alleen maar ‘de joden’ terug, niet zijn ouders, familie en vrienden. Daarvoor was fictie nodig, maar wel fictie tegen een feitelijk verifieerbare werkelijkheid.

    Gemengde huwelijken

    Aan de basis van zijn boek ligt, naast de vooroorlogse fotoalbums van zijn ouders, de groene map die hij kreeg van zijn broer Rob. In deze map zit het grootste deel van de nalatenschap van zijn vader. De hoofdpersoon in zijn boek heet Bert, gemodelleerd naar zijn oom Arnold, van wie hij, buiten een enkele foto, bijna niets weet, maar net voldoende om zijn nieuwsgierigheid te wekken. Hij wordt zo de ideale hoofdpersoon, met wie hij kan doen wat hij wil, als hij maar doodgaat aan het einde.

    Bert heeft, vlak voor de Duitse inval, een motorfiets gekocht, een Zündapp, waarmee hij de blits maakt en die hem tijdens de oorlog in staat stelt zijn handel in transport en opslag van goederen te runnen. Bert en zijn zus Emmeke hebben een joodse achtergrond, maar zijn niet religieus. Beiden zijn gemengd gehuwd, Bert met Lien en Emmeke met Joost. Terwijl Bert in het boek wordt geportretteerd als een weinig principiële opportunist, die zich op pragmatische wijze een weg zoekt door het door de nazi’s gebouwde leugenlabyrint, wordt Joost neergezet als een wat starre, principiële man, die zich vruchteloos beroept op bestaande democratische rechtsregels en procedures. Uiteindelijk bewandelen ze allebei een doodlopende weg. De wurggreep van de nazi’s wordt steeds klemmender naarmate de oorlog vordert en de krijgskansen keren. Voor zijn handel in transport en opslag van goederen heeft Bert een loods kunnen huren buiten Den Haag.

    Hij onderhoudt contact met welgestelde joodse mensen, die de wijk proberen te nemen naar het buitenland en hun bezittingen in veiligheid trachten te brengen. Soms helpt hij deze mensen te vluchten, zelfs met gevaar voor eigen leven. Daarnaast onderhoudt hij contacten met vooraanstaande nazi’s, die voor hun bazen op zoek zijn naar zeldzame kunststukken. Om zijn joodse connecties te helpen moet hij soms een aan hem in bewaring gegeven kunststuk offeren in ruil voor stilzwijgende protectie. Dit doet hij dan zonder toestemming van de eigenaar. Bert balanceert zo voortdurend op het scherp van de snede tussen goed en kwaad. Zijn lef brengt hem weliswaar heel ver, maar als hij in handen valt van de SD, zal dat hem niet meer baten. Joost vermoedt veel van de handel en wandel van zijn zwager, maar weet niets. Hij vecht zijn eigen strijd uit met de nazi’s. Hij meent als niet-jood en gemengd gehuwde man in aanmerking te komen voor bepaalde voorrechten. Om deze te effectueren klimt hij voortdurend in de pen om bezwaar aan te tekenen bij de hoogste Duitse instanties. Daarbij beroept hij zich op de grondwet en beginselen van de rechtsstaat, tegen beter weten in en niet accepterend dat die niet meer bestaat. Uiteindelijk wacht hem ontslag, arrestatie en, samen met zijn vrouw Emmeke, transport.

    Egodocument

    Om zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid te blijven bouwt Binnerts voortdurend intermezzi in waarin hij ons op de hoogte houdt van zijn zoektocht naar informatie over zijn verwanten. Zo komt er steeds meer informatie aan het licht over oom Arnold, informatie die wonderwel prachtig aansluit bij zijn creatie Bert. Zoals deze parallelle werkelijkheid de fictie geloofwaardiger maakt, zo blaast de fictie de historische werkelijkheid leven in. Deze intermezzi bieden Binnerts ook de gelegenheid om te schrijven over zijn eigen gevoelens over zijn ervaringen met naoorlogs antisemitisme, die hij met zijn vader nooit heeft kunnen delen, en die zelfs hebben geleid tot een afschuwelijke botsing met zijn vader en waaruit uiteindelijk ook zijn motivatie tot het schrijven van dit boek voortkomt. Zo wordt het ook een echt egodocument.

    Grote literatuur

    In dit zeer gelaagde boek neemt Paul Binnerts ons mee op zijn zoektocht naar zijn familie en maakt ons niet alleen deelgenoot van de morele vragen waarmee deze mensen in oorlogstijd moeten hebben geworsteld, maar ook met die van de naoorlogse generatie, van hemzelf dus. Het laat zien hoe de individuele mens geconfronteerd met de barbarij van het nazidom voor keuzes komt te staan waarvoor een mens eigenlijk niet gesteld mag worden en hoe moeilijk het is te oordelen over de gemaakte keuzes door latere generaties. Het verhaal is geschreven in een directe, glasheldere stijl met gebruikmaking van korte zinnen zonder poespas. Het krijgt daardoor vaart en wordt ook spannend. De lezer wordt meegezogen in de dilemma’s waar iedereen voor komt te staan, ook ten aanzien van je meest intieme vrienden en familieleden.

    Hoewel het boek over de oorlog gaat en over de persoonlijke zoektocht naar de familie van Paul Binnerts, heeft het stellig ook een meer universele en zeker ook actuele waarde. Hoe verhoud ik mij tot de mensen om mij heen, tot de ander? Het laat zien hoe moeilijk het is de ander te kennen en daardoor jezelf. Dit is grote literatuur.