• Steeds een andere pet

    Steeds een andere pet

    In de serie Zomergasten van 2024 zorgde acteur Pierre Bokma voor enige ophef door als laatste in de serie zijn gesprek met Hanneke Groenteman licht beschonken te beëindigen. Dat was menige kijker opgevallen. In de pers is er geen melding van gemaakt dat hij een illustere voorganger had in Hugo Brandt Corstius. Die werd in 1997 voor hetzelfde programma geïnterviewd door Wim T. Schippers, terwijl zijn vrouw Ina thuis met groeiende zorg zat te kijken naar het tempo waarin haar man glazen wijn achteroversloeg: ‘Halverwege de uitzending belde ze regisseur Ellen Jens met het verzoek Hugo geen wijn meer te schenken’ lezen we nu in Ik heb nog nooit gelogen, de biografie van Hugo Brandt Corstius (1935-2014) door Elsbeth Etty: ‘Geen enkele tv-recensent zinspeelde achteraf op dronkenschap van Brandt Corstius’.

    Hugo Brandt Corstius (verder HBC te noemen) vergeleek zich graag met Multatuli, die over zichzelf ooit zei dat hij ‘een vat vol tegenstrijdigheden’ was. Die karakteristiek kan ook op HBC worden geplakt. De tegenstrijdigheid is in zekere zin vervat in zijn uitspraak ‘Ik heb nog nooit gelogen’ die Elsbeth Etty koos als titel voor zijn levensverhaal. En Etty trekt nog zo’n vergelijking: ‘Ook in Dekkers gebrek aan aandacht voor zijn eerste echtgenote Tine en hun twee kinderen zal Hugo zich hebben herkend’.

    Tatje en Ina

    HBC was in zijn hele leven een vrouwenveroveraar. Soms had hij gelijktijdige relaties met vrouwen die dat van elkaar niet wisten. Met twee van die vrouwen was hij getrouwd, eerst met Henriëtte (‘Tatje’) Smits (van 1974 tot aan haar dood in 1981) en van 1989 tot aan zijn eigen dood in 2014 met Ina Mulder (bekender als Ina Rilke, de naam waaronder ze vertaler was). Met Tatje kreeg HBC zijn drie kinderen Aaf, Merel en Jelle, van wie hij de opvoeding vrijwel geheel aan hun moeder overliet. Datzelfde gebeurde in zijn huwelijk met Ina. Zij verbaasde zich er bijvoorbeeld over dat HBC in 1987 twee weken met haar in New York verbleef zonder de kinderen ooit iets te laten horen; hij had voor hen zelfs geen telefoonnummer achtergelaten. Jelle schreef later: ‘Het is niet zo dat hij ons verwaarloosde, maar wij stonden nooit in het middelpunt’.

    Stralingdag

    Vrijwel alle vrouwen in HBC’s leven hadden gemeen dat ze van taal en taalgrapjes hielden. Tatje bijvoorbeeld noemde hij eens ‘het meisje met de nieuwe woorden’. Omgekeerd inspireerden ze hem tot diverse van zijn vele pseudoniemen, afgeleid van hun naam: De Amerikaanse liefde Pat Gray is terug te vinden in ‘Piet Grijs’, Abby Chapkis leefde voort in ‘Raoul Chapkis’ en Marijke van der Glas in ‘Maaike Helder’. Spelen met taal was de grootste liefhebberij van HBC. Die levenslange interesse werd het Opperlands dat hij ‘Nederlands op vakantie’ noemde en dat uiteindelijk onder zijn pseudoniem Battus geboekstaafd werd in steeds dikker wordende naslagwerken. Toen hij zeven jaar was verzon hij al spontaan een anagram van Stalingrad (‘Stralingdag’ – vanwege een g teveel net niet kloppend) en toen hij op het eind van zijn leven zijn mentale achteruitgang beschreef formuleerde hij dat als ‘Ik word langzaam temend dement’.

    Daarnaast was hij de columnist die ‘provocatie als verdienmodel’ hanteerde. In de woorden van Etty: ‘Hij gaf een persoonlijke, vaak absurdistische draai aan actuele kwesties, meestal polemisch en wat de feiten betreft soms moeilijk verifieerbaar’. HBC begon zijn novelle Liegen, loog, gelogen uit 1987 (onder het pseudoniem Dolf Cohen) met de zin ‘Ik heb mijn hele leven gelogen’ om daar elders aan toe te voegen: ‘Ik heb nog nooit gelogen’. Zijn lezers moesten zelf uitzoeken wat hij meende en wat niet. Daarin beschouwde hij zich als literator: ‘Literatuur is slim liegen’.

    Productiviteit

    Hoe dan ook leidden zijn columns menigmaal tot felle kwesties. Oudere lezers zullen zich de rellen nog herinneren over Buikhuisen (die vond dat criminaliteit verband hield met biologische kenmerken), zijn aanvaringen met Tamar (Renate Rubinstein) en W.F. Hermans enzovoort, en die met minister Onno Ruding die in 1984 leidde tot de weigering van minister Brinkman om de PC Hooft-prijs uit te reiken aan iemand die het kwetsen tot instrument had gemaakt (in 1988 kreeg HBC de prijs alsnog, toen het geen Staatsprijs meer was).

    Vooral als columnist leefde hij zich uit onder tal van pseudoniemen en mystificaties. De bekendste zijn Piet Grijs, Raoul Chapkis, Battus en IJsbrand Stoker, maar het waren er allemaal bij elkaar wel zo’n dertig. Etty stelt zichzelf de vraag waarom hij dat deed. Dat hij ze als schuilnamen gebruikte gelooft ze niet. Hij ontmaskerde zichzelf meerdere keren en anders deden anderen dat wel. Evenmin staat elk pseudoniem volgens haar voor een persoonlijkheid: de alter ego’s lijken daarvoor stilistisch en inhoudelijk te veel op elkaar. Etty’s verklaring is simpelweg de enorme productiviteit van de gebiografeerde: ‘Door steeds een andere pet op te zetten veroverde hij gigantische ruimte in de media die voor een scribent met maar één naam ondenkbaar was’. Die verklaring is heel plausibel want door die veelheid van namen kon HBC bijvoorbeeld in één nummer van Vrij Nederland van 2 november 1978 in drie gedaanten opduiken: als Piet Grijs, als Battus en als Jan Eter.

    Evenwichtig

    HBC was oorspronkelijk overigens wetenschapper. Hij was gepromoveerd in Wiskunde en Natuurwetenschappen en in Algemene Taalwetenschap. Bij die eerste promotie ging zijn dissertatie zijn opponenten blijkbaar boven de pet, beschrijft Etty, want zij stelden alleen vragen over zijn stellingen en niet over de ingewikkelde inhoud van zijn proefschrift.

    De biografie van HBC zou oorspronkelijk worden geschreven door taalkundige Liesbeth Koenen; ze werkte er twee jaar aan, maar kon het werk door haar vroegtijdige dood niet afmaken. Elsbeth Etty is publicist. Het is niet onwaarschijnlijk dat Koenen meer uitgeweid zou hebben over Opperlands waar bij Etty vooral de polemische kant in het licht wordt gezet. Toch is Ik heb nog nooit gelogen – de titel verwijst al vooral naar polemische kant – een evenwichtige biografie. Een prachtig, met vaart geschreven levensoverzicht van een complexe man die een briljante taalvirtuoos was.

     

     

  • Drie en een halve kilo verleden tijd

    Drie en een halve kilo verleden tijd

    Hugo Brandt Corstius liet zijn kinderen weten dat ze hem na zijn dood maar in een vuilniszak moesten stoppen en ergens dumpen…
    Dat leek hen toen het er op aan kwam – hij overleed op 28 februari 2014, 78 jaar oud – toch wat te radicaal en gezien het beperkte volume van vuilniszakken ook moeilijk uitvoerbaar. Bij gebrek aan betere ideeën lieten ze hem cremeren. Maar wat te doen met het resultaat, de as?
    Zoon Jelle, uit zijn evenwicht door de snelle hersenverweking en daarop volgende dood van zijn vader, hoopt weer rust in zijn hoofd te krijgen door de as te verstrooien op de Middellandse Zee, ter herinnering aan de fietstochten die ze samen gemaakt hebben.

    Met ‘de conditie van een oude duif‘ en zonder veel voorbereiding gaat hij op de fiets langs bij het crematie-oord om de lange tocht te beginnen. Dat de verbrande resten van zijn vader drie en een halve kilo blijken te wegen dreigt het plan te verstoren, want daarvoor is geen plaats in zijn al overvolle fietstassen. Dankzij de welwillende dame van het ashuis gaat hij uiteindelijk op pad met een zakje van purper satijn met een strik eromheen, waarin een paar ons van zijn vader is opgeborgen. Die het hele idee van deze reis volstrekte dwaasheid zou vinden.
    De tocht duurt twee weken, waarvan elke moeizame etappe en bizarre slaapplek met precisie wordt beschreven, inclusief de Nederlanders die Jelle af en toe tegen komt en die hem wijzen: Rusland is díe kant op! In die twee weken verandert hij van een snel ontroerde, onevenwichtige, bangige, door zijn vader plotseling verlaten zoon, in een afgetrainde volwassen wielrenner die – eens een documentairemaker altijd een documentairemaker – de lezer voorziet van nuttige adviezen mocht hij ooit een hoge berg per tweewieler willen beklimmen. ‘Beter is het om meteen aan het begin van de klim even te stoppen, veel water te drinken en eens goed naar de berg te kijken. Hoe loopt de weg, hoe lang is hij en wat voor helling heeft hij? Zie ik daar nou een auto door een haarspeldbocht gaan? Ligt er halverwege al een dorp? Dan zal de weg daar weer omlaag gaan. Dan kijk je naar de lucht. Bij een lange klim en goed weer loont het de moeite om een laag kleding uit te trekken.’

    Excentriekeling
    Maar voordat hij tot deze volwassenheid is gerijpt beschrijft Jelle zonder gene de genegenheid, de woede en de schaamte die zijn vader bij leven en welzijn in hem los maakte. Want Hugo Brandt Corstius behoorde tot het mensentype van de excentrieken, waar ze in Engeland dol op zijn, maar die in Holland vooral het ‘doe maar gewoon dan doe je gek genoeg’ oproept. Overal voordringen en er een geheel eigen wijze van dansen op na houden zijn maar twee van de vele eigenaardigheden die zijn lust en zijn leven waren, tot schaamte van zijn kinderen als ze erbij waren. Dat hun vader niet alleen universitair docent semantiek en computerlinguïstiek was maar ook onder allerlei schuilnamen briljante maar vaak vileine columns schreef was zijn kinderen niet onbekend, maar dat deel van zijn leven ging langs hen heen. Wat ze ervan merkten was wel wel dat hij altijd aan het werk was en weinig tijd had voor het vaderschap. De kinderen waren dan ook vooral op de wereld gekomen omdat hun moeder dat wenste. Toen zij op haar 34ste overleed aan huidkanker bleven zij over met een vader die weinig geneigd was affectie te tonen, maar op onverwachte momenten toch toegankelijk bleek te zijn. Al met al eerder een gekke oom dan een ouder.

    Met smaak vertelt Jelle in As in tas over de eigenaardigheden van de man die door een bizar toeval zijn vader was maar zich daar niet naar gedroeg en aan wie hij in de loop van de tijd toch erg verknocht raakte. Hugo Brandt Corstius had bijvoorbeeld de neiging zich op allerlei prestaties te laten voorstaan, die hij misschien wel maar vaak ook niet verricht had. Liegen was dat niet, meer het oplaten van proefballonnetjes, kijken tot hoever hij kon gaan.
    Hij bezat de kunst om dingen zo stellig te zeggen dat je ze ging geloven.(…) Zo kon hij mij alles wijsmaken; zoals ‘Ik zat ooit bij de Black Panthers’ of ‘Ik belandde ooit in de gevangenis omdat ik met zwarten vooraan in de bus ging zitten’. Zo zou hij ook onder meer de magnetron hebben uitgevonden. En het internet. Later ging ik natuurlijk wel twijfelen aan al deze mededelingen. Daardoor ga ik er per definitie nooit van uit dat iemand de waarheid spreekt. Want als je vader tegen je liegt, wie kun je dan wel nog geloven? (…)En toch: ik wist nooit helemaal zeker dat het niet waar was. Hij was nou eenmaal een wonderlijk stripfiguur, en die maken wonderlijke dingen mee. Toen ik een abonnement op The New York Times nam, kreeg ik er toegang tot het archief bij. Zonder erbij na te denken tikte ik de zoekterm ‘Brandt Corstius’ in. Er kwam één resultaat uit. Een artikel van 1 september 1961 met de kop ‘DUTCH WRITER FREED – New Orleans judge drops charges in race incident.Bleek dat hij was opgepakt toen hij met Afro-Amerikanen voor in de bus was gaan zitten.’

    Als Jelle en zijn vader een treinreis door Rusland maken blijkt al snel dat één van Hugo’s beweringen niet klopt:
    Uiteraard had mijn vader voordat we op reis gingen beweerd dat hij vloeiend Russisch sprak. Hij kende inderdaad één zin uit zijn hoofd: ‘Ja ne snaiu gde on’, ‘Ik weet niet waar hij is’. Verder kon hij heel goed knikken alsof hij de conversatie prima volgde. Dan had ik dus een gesprek met een Rus over de werkloosheid in Irkoetsk, waar mijn vader heel begrijpend bij knikte, om ineens ‘Ik weet niet waar hij is’ te zeggen. ‘Ik weet ook niet waar hij is,’ antwoordden de Russen dan meestal verontwaardigd. Voor de duidelijkheid: ze vroegen nooit ‘Welke hij bedoel je?’, maar gingen zonder hapering mee in het universum van mijn vader.

    Liggen op vaders rug
    Het is moeilijk de verleiding te weerstaan om grote delen uit As in tas te citeren, want de fietstochten die Jelle met zijn vader maakte en die hij in dit boek herhaalt leveren veel mooie anekdotes op.

    ’s Avonds, als mijn vader een smerig vegetarisch gerecht voor zich had staan, zei hij altijd, terwijl de serveerster wegliep: ‘Wat heeft zij een dikke kont.’ En altijd net te hard, zodat de serveerster het ook kon horen. Dat had ik maar te accepteren: wie een leuke tijd wilde doorbrengen met mijn vader moest die pesterijen voor lief nemen. Als mensen kwaad werden was hij volgens mij het gelukkigst. Dat betrof niet alleen zijn stukjes in de krant, maar ook het dagelijks leven. De tochtjes duurden daarom ook nooit langer dan twee dagen, dan was ik de pesterijen zat.

    Maar heel dicht bij de ergernis was ook de affectie:

    ‘Na het wijn drinken (…) en het beledigen van de serveerster kwam altijd het slapen in de hotelkamer. Mijn vader deed dan eindelijk zijn overhemd met enorme zweetvlekken uit en ging onder de douche, waar hij zich schoor zonder scheergel of spiegel. Met een bebloed gezicht kwam hij dan naast mij liggen. Vrij snel ging het licht uit, waarna de echte gesprekken begonnen. Over de liefde en soms zelfs over ons gezin. Mijn vader viel meestal als eerste in slaap, per slot van rekening had hij bijna alleen de fles leeggedronken. De geur van het overhemd waarde dan nog steeds door de kamer. Het was ongelooflijk dat die geur niet minder werd, elke keer dat ik inademde dacht ik: papa. Die geur was overigens heel aangenaam, voor mij in ieder geval. De eerste jaren na de dood van mijn moeder kroop ik vroeg in de ochtend, in een soort halfslaap, in het in het bed van mijn vader. Het was een rond bed, een reliek uit de jaren zeventig. Ergens in die cirkel lag mijn vader, en dan ging ik boven op hem liggen.’

    Met As in tas schreef Jelle Brandt Corstius de dood van zijn vader van zich af. En de lezers van het boek maken kennis met de echte Hugo Brandt Corstius. Ze gaan onherroepelijk van hem houden. Iets wat hij nooit gewild zou hebben. Maar gelukkig nooit te weten zal komen.

  • Hollands Maandblad maart 2011

    Bastiaan Bommeljé schrijft in een redactioneel stukje hoe hij tijdens het laatste boekenbal werd overvallen door gedachten als: “Achteruitgang is een relatief begrip, eerstejaars studenten weten steeds minder van het bestaan van een ‘lijdend voorwerp’  maar alles over een ‘leidend voorwerp’  en dat elke tijd aan aftakeling, teloorgang of verval onderhevig is.” Uiteindelijk komt Bommeljé bij Lucius Annaeus Seneca (55 V.O.J. en ca.39 N.O.J.) uit. Seneca de oudere was een deskundige op het gebied van ondergang en verval. Je zou hem de aangever van de “vroeger was alles beter” mentaliteit kunnen noemen.

    Het essay Geen iPhone, please, wij zijn schrijvers van schrijver Hans Hogenkamp gaat ook hierover: alles is aan vergankelijkheid onderhevig en tegelijkertijd vernieuwt de tijd zich constant. Maar wat je er mee moet? Hogenkamp haalt de discussie aan tussen Jonathan Lethem en Paul Auster uit het literaire maandblad The believer over het probleem, ‘(…) om moderne technische middelen die nu volledig gemeengoed zijn zoals mobiele telefoons en e-mails, in je boeken te verwerken?’. Hoe komt het dat lezers de voorkeur geven aan boeken die gaan over subculturen die onbekend zijn dan over ICT’ers, beleidsambtenaren  en wat zo meer gegrepen is uit het leven van alledag die de saaiheid van het eigen bestaan alleen maar  benadrukt. Tenminste, dat denkt de schrijver – volgens Hogenkamp – die liever over supermarkt of kruidenier schrijft dan AH of Jumbo. Het beestje niet bij de naam noemen en de techniek erbuiten laten om zo het ’tijdloze’ karakter van de literatuur niet aan te tasten. Anders is het geen literatuur meer. Literatuur gaat over dingen die voorbij gaan maar dan wel verzonnen en in ieder geval niet over het dagelijkse leven (saai). Maar dat vindt Hogenkamp – terecht – onzin. Al deze krampachtige weglatingen uit de letteren bewijst volgens Hogenkamp dat de Nederlandse literatuur zich nog steeds moet afspelen in een tijdloos vacuum dat geheel op verbeelding gebouwd moet zijn. Dit alles is dus een misvatting. Gooi er gerust wat straatrumoer in, vindt Hogenkamp.


    Van Leo Vroman op de open bladspiegel –  links in het Nederlands  en rechts in het Engels – het gedicht Verliefde momenten / Moments in love (a rough translation). Waarbij duidelijk is dat Vroman nog immer in het Nederlands schrijft en daarna  naar het Engels vertaalt. Een gedicht over  ” (…) die onverwoestbare samenhang / van het volgende, met het vorige, / zo innig, en zo lang.” Het gedicht begint aldus:

    “Ik kan mij in het noodlot schikken / als ik mij concentreer / op de liefde tussen de ogenblikken.” Een mooi gegeven – hoe bedacht je moet zijn op de liefde – die zich verstopt tussen de momenten. Je moet haar willen zien, die liefde. En in de laatste strofe  de sterfelijkheid verwacht:
    “Ik was van tevoren / in haar liefde geboren / en zal in haar liefde vergaan.”

    Willem van Spronsen – was directeur van het Rosa Spier Huis te Laren en raakte in die hoedanigheid bekend met Marten Toonder – zet met gevoel voor detail in Marten is dood een liefdevol beeld neer van Toonder in zijn laatste levensdagen. In Tirade nr.1 2010  stond van zijn hand De laatste leerling van Marten Toonder. Waarin hij beschrijft hoe Toonder zijn leermeester werd en over de vriendschap die daaruit voortkwam. Een vriendschap die duurde tot aan het sterfbed van Marten Toonder. Ik stel mij zo voor dat Spronsen meer te schrijven heeft over de nadagen van Marten Toonder.

    Hugo Brandt Corstius bijdrage In wat er in m’n kop rust is een literair cryptisch spel met klinkers uit namen van schrijvers, dichters en filmers.
    “AAA  Zavada: ‘Onze verzoening begon natuurlijk niet met lachen.’ Ha,ha,ha!
    AAE Grahame: ‘Wat apen in onze kamers gaan doen is: niet praten.’ Schatkamers!
    AAI Amalrik: Arbat zag eruit als een straat in een bezette stad.’ Armzalig!
    AAO Carvalho: Als zij stierf in het kraambed zou ik vrij zijn.’ Paradox!”
    Heb je er een gelezen wil je ze alle 120 lezen. Een volmaakt taalplezier.

    Het kort verhaal van Benjamin Burg Plat du jours is eerder al verschenen in een geschenkuitgave van Podium, samen met het verhaal De laatste sigaret van Stuart Evers. Maar het is zo een goed verhaal dat het met plezier nogmaals te lezen is. Burg schrijft voor de lezer. Zijn zinnen zijn helder en krachtig. Met een stevig ritme stap je door het verhaal waar je aan de hand van de beschrijvingen en kleine details veel te weten komt over personages die verder niet in beeld komen.

    Verdere bijdragen van: M.C. Brands – NIOD op de verkeerde weg (Is ‘Genocidestudies’ wel een wetenschap?)
    Gedichten van Vicky Francken – Hoe is het mogelijk
    Gedichten en vertalingen van L. Th. Lehmann
    Iek Hulshoff Pol, die schrijft om niet te vergeten het verhaal Verder, verder.
    Marijke Hanegraaf met twee gedichten: Maasbracht en Huissen, zondag 2 mei
    Antoine de Kom geeft aan de hand van enkele psychologische spelregels les in opstelling en atitude in het verhaal Zware zaken.
    Tekeningen – Rudof Hartman

    Hollands Maandblad
    Uitgegeven door: Nieuw Amsterdam / Stichting Hollands Maandblad
    verschijnt 10 keer p.j. (12 nummers)
    Prijs los nummer: 6,50 dubbelnummer 7,50 (juni/juli en augustus/september )
    Abonnementen: 65,– (studenten en docenten 48,50)

    www.hollandsmaandblad.nl

     

     

  • Derde deel in reeks over prangende kwesties zoals geen vlees eten

    Derde deel in reeks over prangende kwesties zoals geen vlees eten

    Recensie door DdH

    Vorig jaar is uitgeverij Querido begonnen met een pamflettenreeks. Dunne boekjes met een mening over prangende kwesties. Het eerste deeltje werd geschreven door Thomas Rosenboom, Denkend aan Holland, een eloquente aanklacht tegen de verwende houding van de Nederlander. Daarna volgde Dèsanne van Brederode met Modern dédain, een al minstens zo belangrijke aanklacht tegen de intellectuele nivellering in Nederland. Intellectualisme, vroeger een deugd, is nu een zonde, elitair en onzinnig.

    Hugo Brandt Corstius schreef het derde deel in de reeks, Eetgeenvlees. Dat is hij, de vegetariër Eetgeenvlees.

    Eetgeenvlees! Wat een genotbederver, wat een halfzachte idioot, wat een bijgelovige sukkel die zichzelf een idealist vindt, wat een zielige aandachttrekker, die geenvleesenookgeenvis-eter, die veganist, die get-ver-demde véé-géé-táriër, verdomd-Gehate-Tirannieke-Ariër. Liefst zou u hem ter plekke willen villen, centrifugeren, magnetroneren, met gloeiende jus overgieten, tamponneren, aan stukken snijden en opeten.

    Eetgeenvlees is geen welkome gast. Vegetarisme staat voor veel mensen nog altijd gelijk aan hysterische gelijkhebberij, een overblijfsel uit de jaren zeventig toen we nog dachten dat de maatschappij maakbaar was en de wereld verbeterbaar. Bovendien moet Eetgeenvlees zich altijd verantwoorden voor zijn niet-vleesetende gedrag. En dan krijg je het. De commentaren. Eetgeenvlees heeft de meest voorkomende keurig voor je op een rijtje gezet in zijn pamflet. Een kleine greep: ‘Hitler was een vegetariër’, ‘Ik zie dat je leren schoenen draagt’, ‘Eet je wél eieren?’, ‘En, zijn de dieren je dankbaar?’, ‘Ik zou ook niet graag een varken killen, kelen en uitbenen, maar er bestaan zoveel nare karweitjes waar je iemand voor kan inhuren’.
    Eetgeenvlees stelt terecht dat het verschil tussen de vleeseter en Eetgeenvlees is dat de vleeseter zich aangevallen voelt door Eetgeenvlees. En dat terwijl Eetgeenvlees geen Jehova-achtige praktijken voorstaat met zijn niet-vleeseten. Hij eet gewoon geen vlees. Maar jij als vleeseter wéét: hij heeft gelijk. Zelfs al weet je niet precies wat dat gelijk is, of wil je het niet weten, je laat je een schuldgevoel bezorgen door Eetgeenvlees, je voelt je eigenlijk een beetje weggezet door Eetgeenvlees. Want eigenlijk heeft de vleeseter niet meer argumenten tot zijn beschikking dan de roker, namelijk: ja maar, het is zo lekker. Veel mensen brabbelen dan ook nog iets over vitamine B12, en dat dat alleen in vlees zit, maar tegenwoordig zit alles ook in een potje en bovendien heb ik nog nooit iets gelezen over een vegetariër die door een gebrek aan vitamine B12 was overleden.
    Het genotspunt is duidelijk, vlees kan heel lekker zijn, maar de vraag waar het om draait is: mag je een dier vermoorden alleen maar om hem op te kunnen eten. Het antwoord moet ja zijn, want anders zou het niet op zo’n enorme schaal gebeuren, maar het antwoord kan eenvoudigweg niet ja zijn. Want er schuit iets gruwelijk hypocriets in de manier hoe wij met onze dieren omgaan. Martel het paard op de kinderboerderij en je krijgt een celstraf en als het echt nodig lijkt, TBS. Terecht, roepen we. Wie echter aan de lopende band kippen en koeien dag in, dag uit, martelt en vervolgens vermoordt krijgt daarvoor een salaris. Zo stelt Eetgeenvlees het, en verdomd, hij heeft gelijk, maar dat willen we dus niet weten. Hij maakt het nog bonter ook bovendien, hij durft het eens te zijn met de moeder van J.M. Coetzee die in Dierenleven in een door haar gehouden lezing een parellel trekt tussen de wijze waarop wij met dieren omgaan en de Holocaust. Tut-tut denk je in eerste instantie, maar Eetgeenvlees schrijft dit:
    Zij die tegen de vergelijking protesteren lijken te willen zeggen: ‘Een tijdelijke, incidentele moordpartij met zes miljoen slachtoffers is erger dan een eeuwenlange, conventionele moordpartij met zes miljard slachtoffers.’ Ik ben het daar niet mee eens.
    Rest natuurlijk de vraag: kun je het moorden van een dier, zonder ziel en bewustzijn, gelijkstellen aan dat van de mens. Die vraagt beantwoordt Eetgeenvlees niet, maar verder biedt zijn pamflet alle reden tot ernstig nadenken over ons gedachteloos vleeseten.