• Als de pasteitjes opraken wordt de val van Troje zichtbaar

    Als de pasteitjes opraken wordt de val van Troje zichtbaar

    Hendrik VIII is in de overlevering een vorst die er zijn hand niet voor omdraaide om mensen in zijn omgeving, waaronder twee van zijn vrouwen, het schavot op te sturen. Hij trok zich van de executies weinig aan en ontspande zich liever elders op het moment dat er weer een kop rolde. In de trilogie van Hilary Mantel over Thomas Cromwell is dat niet anders. In het slot ervan valt deze belangrijkste adviseur en vriend van de koning zelfs onder de hakbijl. Tijdens de verhoren en de voltrekking van het vonnis is Henry (de vertalers gebruiken de Engelse naam) opnieuw de grote afwezige. Compassie zijnerzijds lijkt te ontbreken. Daarom krijgt een klein zinnetje in het Nawoord van Mantel bij het derde deel van haar drieluik, De spiegel & het licht, toch ineens een diepere dimensie: ‘Toen Henry eenmaal de tijd had gehad om spijt te krijgen van Cromwells dood…’. Hij moet in zijn absentie toch in gedachten bij Cromwell zijn geweest.

    Thomas Cromwell is de van smidszoon tot vice-regent van Engeland opgeklommen politicus om wie Hillary Mantel in de drie delen Wolf Hall, Het boek Henry en De spiegel & het licht een groots monument heeft opgetrokken. Dat doet ze knap. En ter geruststelling voor degenen die er als een berg tegen opzien om de totale omvang van dik 2100 pagina’s te lijf te gaan, dit derde deel van 1241 pagina’s laat zich goed zelfstandig lezen. Dat is te danken aan de vele reflecties van Cromwell op zijn eigen verleden en afkomst die in deze roman zijn opgenomen.

    Maagdelijk

    De spiegel & het licht begint met de executie van Anna Boleyn, Henry’s tweede vrouw, en eindigt met de ontbinding van het huwelijk met zijn vierde, Anna van Kleef. Tussen hen in heeft Jane Seymour haar opwachting gemaakt; ze stierf twee weken nadat ze Henry zijn vurig gewenste zoon (Edward) had geschonken. Hoe belangrijk is uiteindelijk de komst van Anna van Kleef geweest voor de val van Cromwell? Henry had voor haar als zijn nieuwe gemalin gekozen op Cromwells advies maar ze bleek qua aantrekkelijkheid bitter tegen te vallen (Anna op haar beurt vond Henry trouwens evenmin een begeerlijke partij). Mantel laat min of meer in het midden of Henry en zij hun huwelijk zelfs wel consumeerden (hoogstwaarschijnlijk niet). In elk geval stuurde hij haar snel weer de laan uit, Cromwell af en toe verwijtend dat hij haar zonder nauwkeurig onderzoek had aanbevolen. Want het was niet alleen haar lelijkheid. Was ze nu maagd of niet? Lutheraans of niet? Had Cromwell achter ’s konings rug een politiek spel gespeeld? Was hij er op uit zelf de hoogste macht te grijpen?

    Peter Pispot

    Cromwell, geheimzegelbewaarder en vice-regent en pas nog begiftigd met het graafschap Essex, is volkomen verrast als hij ineens wordt gearresteerd. Alle hiervoor genoemde verdachtmakingen komen voorbij, maar veel meer: zijn aandeel in de executie van Anna Boleyn bijvoorbeeld en zijn rol in de keuzes van Mary, de dochter uit Henry’s eerste huwelijk met Catharina van Aragon. Een bij elkaar geraapte reeks beschuldigingen die Cromwell door zijn vijanden in zijn gezicht worden geslingerd zonder duidelijk bewijs en met niet de minste belangstelling voor zijn weerwoord. Cromwell beseft al langer dat niemand blijvend zeker is van de sympathie van zo’n grillige vorst als Henry, ook al lijkt die een rotsvast vertrouwen in hem te hebben. ‘Wie zal mij nog raad verschaffen als Lord Cromwell de laan wordt uitgestuurd? Dat zootje oproerkraaiers soms? Harry Hork en Peter Pispot? Opa Oen en zijn geit (…) Ik heb de eerste minister gemaakt tot wat hij is en bij God, ik laat hem niet vallen’, zo valt Henry uit als hem berichten worden overgebracht over rellen in het noorden, aangewakkerd door edelen en papisten.

    Cromwell was van lage komaf (zoon van de brute smid Walter, zoals we hem in Wolf Hall hebben leren kennen) en dat zette gedurende zijn hele carrière in delen van het rijk maar ook aan het hof kwaad bloed bij wie een lange adellijke lijn in het blazoen had staan. Maar voor de Schotten is hij bovendien de kwade genius achter de bestrijding van hun rechten en voor de bisschoppen en monniken de rover van hun kloosters en abdijen. Daarmee heb je voldoende vijanden die toe willen slaan als je positie verzwakt.

    Laatste snufjes

    Cromwell leefde van 1485 tot 1540. De spiegel & het licht bestrijkt zijn laatste jaren in dienst van Henry VIII vanaf 1536. Onder de handen van Hillary Mantel worden die beschreven in een taal die overloopt van speelsheid, spot, woede, achterdocht en cynisme. Ze slaagt er (opnieuw) in alle dramatis personae vlees en bloed te geven en een eigen stem. ‘Het gewone Engelse volk gedijt op liederen, verhalen en bierhuisgrappen’, laat ze Henry zeggen. En elders hoor je Cromwell denken hoe de kronieken van het koningschap pas echt zullen worden geschreven door ‘onze kleinkinderen of door schrijvers in een ander land’. Mantel voldoet aan beide: ze is een verhalenverteller in optima forma en is – al komt ze dan niet uit een ander land – de beste kroniekschrijver die Cromwell zich kon wensen. Het vertelplezier spat van de pagina’s. Dat is vooral te merken bij de talrijke humoristische beschrijvingen van gesprekken, gedachten (de roman bestaat grotendeels uit dialogen en monologues intérieurs van Cromwell), incidenten en het dagelijkse hofleven.

    Zoals in de weergave van een gesprek vol spot over de bemoeienis van de geestelijkheid met seksualiteit: ‘Incest plegen is zondig, daar zijn we het allemaal over eens, maar ja, dat is elk standje dat niet door priesters is goedgekeurd ook. Net als gemeenschap hebben op vrijdag (…) of op zondag, zaterdag en woensdag (…) Zodoende ligt er op meer dan de helft van het jaar een banvloek. In feite is het een wonder dat er nog mensen worden geboren’. Of zoals in: ‘De Howards zijn natuurlijk ook van de oude stempel. Die zouden niet willen sterven door middel van de laatste snufjes’. Bijna hilarisch zijn scènes als die waarin het koninklijke bed wordt opgemaakt (er komen vier slaapkamerlakeien en vier linnenkamerlakeien aan te pas die eerst de stromatras moeten beprikken en er vervolgens zelf over heen moeten rollen om de laatste scherpe stukjes plat te walsen).

    Onvoorspelbaar

    Mantel schept prachtige beelden. Zo laat ze het hofpersoneel na de dood van Anna Boleyn alle zalen, kleden, meubels enzovoort ontdoen van de symbolen met de letters H-A (Henry Rex – Anna Regina) als zij is onthoofd, om die later weer opnieuw te laten aanbrengen als Anna van Kleef – weer een A immers – de koninklijke sponde bezet. Prachtig is ook het beeld van de ontmoeting waarin Thomas Cromwell de kritiek op hem bespreekt met zijn zoon Gregory terwijl beiden zich te goed doen aan pasteitjes. Als ze bijna op zijn blijkt op de schaal waarop ze lagen een afbeelding van de val van Troje zichtbaar te worden – enkele weken later zal het vonnis worden geveld.

    Thomas Cromwell weet hoe lastig hij zelf in de omgang is. ‘Ik ben vol ontzag voor mezelf’ vertrouwt hij zijn Antwerpse dochter Jenneke (een door Mantel ingevoegde fictieve figuur) toe: ‘Ik vind mezelf volkomen onvoorspelbaar’. Het maakt hem blind en doof voor de signalen van zijn onontkoombare val. Of is het hoogmoed? Al in het begin van de roman – we zijn dan amper dertig pagina’s onderweg – is het Cromwell zelf die denkt: ‘Laat je niet in de luren leggen. Oompje Norfolk is niet onze kameraad, onze bondgenoot of onze vriend. Hij klopt ons enkel op de schouder om te zien hoe stevig we in elkaar zitten’. Het is dezelfde hertog van Norfolk (Thomas Howard) die in de verhoren één van zijn grootste kwelgeesten is.

    Toneelspeler

    Ooit heeft Cromwell in een brief de oordeelkundigheid en het strategisch inzicht van Henry geroemd, ‘de spiegel en het licht van alle koningen en andere vorsten der christenheid’, waarbij hij denkt dat, als Henry de spiegel is, hij, Cromwell, ‘de bleke toneelspeler [is] die zelf geen luister verspreidt, maar rondgaat in weerspiegeld licht. Zodra het licht zich verplaatst is hij verdwenen’. Dat werd sneller bewaarheid dan hij durfde vermoeden.

    Tegen gevangenbewaarder Martin in de Tower heeft Cromwell zelf al eens over Thomas Wyatt (één van zijn vrienden, maar ook één van de mannen die werden verdacht van overspel met Anna Boleyn) gezegd: ‘Als Wyatt je iets vertelt is het net of je er zelf bij bent geweest’. Hetzelfde geldt voor Hillary Mantel. Als je De spiegel & het licht dichtslaat heb je niet alleen de geschiedenis van Cromwell gelezen; je bent er zelf bij geweest.

     

     

  • Tikkende pootjes

    Tikkende pootjes

    Er zitten eikenprocessierupsen in mijn hoofd. Ineens waren ze er, samengeklonterde rupsennesten met gemene netelhaartjes die alle ruimte innemen en erom schreeuwen beschreven te worden. Ik doe alsof ik doof ben. Dit ongedierte verdient gif, geen woorden. In een omtrekkende beweging grijp ik terug op een lijstje reserve-onderwerpen, gemaakt voor momenten als deze. Maar ideeën die liggen te verstoffen op een plank, worden zelden belangrijk.
    Als het schrijven hapert, rest lezen over schrijven. Een geluk, want ik houd ontzettend van lezen over schrijven en ik zou een column kunnen vullen met geweldige titels, zoals Briefroman van Juli Zeh of  De geest geven van Hilary Mantel. Ik las ze en keerde er veranderd uit terug.

    Maar het boek over schrijven dat de weg vrijmaakte en dat ik steeds herlees, kreeg ik jaren geleden cadeau van een goede vriendin. Ik stond op het punt mijn schrijven serieus te nemen en dacht nog dat zoiets een eenmalige beslissing was. Zo werkt het niet, staan voor wat je schrijft is een doorlopend en actief proces. Want wat is werkelijk belangrijk genoeg om over te schrijven? Hoe te schrijven als het leven je te slim af blijkt te zijn? Maken de slordige aantekeningen over die man zonder uiterlijk, daar verderop aan een tafeltje, of hoe je de tikkende pootjes van je overleden hond mist, werkelijk een verschil?

    Writing down the bones van Natalie Goldberg zorgt ervoor dat deze vragen niet beantwoord hoeven te worden. Niet vóórdat je hebt geschreven in ieder geval. Ze schrijft over de aubergines die ze overdag als keukenhulp sneed en hoe die ’s avonds in haar gedichten belandden, hoe ze uren doorbracht met haar Garfield-schrift in een willekeurige Croissant Express, dat ze stapels van zulke schriften heeft, grotendeels gevuld met ‘crap’ en hoe dat niet uitmaakt. Schrijf over die tikkende pootjes, zegt ze. Schrijf.
    Schrijven lost niet alles op, maar het komt er wel het dichtst bij in de buurt. Ik vertel de afgelopen weken steeds hetzelfde verhaal aan de mensen om me heen: ik heb MS. Het is te groot, te netelig, maar gif is een dooddoener. Laat de mezen en vleermuizen me helpen.

    Goldberg schrijft: ‘Sit down right now. […] Don’t try to control it. Stay present with whatever comes up, and keep your hand moving.’ Ik doe wat ze zegt, zoals altijd. Ik ga zitten, ik schrijf.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijfster. In haar columns schrijft ze over de natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (Atlas Contact).

  • Bevoorrecht in de jaren zestig

    Bevoorrecht in de jaren zestig

    Hilary Mantel won twee keer de Man Booker Prize, voor Wolf Hall (2009) en voor Bring up the Bodies (2013), vertaald als Het boek Henry. Vorig jaar bestond de Booker Prize vijftig jaar en ter gelegenheid van dit jubileum werden er vijf boeken genomineerd voor de Golden Man Booker Prize. Wolf Hall was een van de vijf genomineerden voor deze ‘special one-off award to celebrate the 50th anniversary’. Helaas viel Wolf Hall buiten de prijzen; de prijs ging naar de The English Patient van Michael Ondaatje.

    Nu Hilary Mantel weer volop in de belangstelling staat – veel lezers wachten met spanning op het laatste deel uit de Cromwell-trilogie – is het een goede zaak dat uitgeverij Atlas Contact haar boek An Experiment in Love uit 1995 opnieuw heeft uitgebracht onder de titel Liefde verkennen.

    Liefde verkennen vertelt het verhaal van Carmel, Karina en Julianne die na hun middelbare school in de provincie, gaan studeren aan de universiteit in Londen. Het boek begint zo: ‘Vanmorgen zag ik in de krant een foto van Julia.’ Julia heette vroeger Julianne. Carmel kent haar al vanaf haar negende. Julia is psychotherapeut geworden. Zij behandelt mensen met vermageringsziekte. De ik is Carmel MacBain. De foto en het krantenartikel zetten het verhaal in gang. Ze schrijft: ‘Ik tuurde vanmorgen zo ingespannen naar die krant dat de letters leken te versmelten, alsof ik ergens in de structuur van het papier, ergens in het weefsel ervan, een draad hoopte te ontdekken die me door mijn leven zou leiden, vanaf het punt waar ik me toen bevond tot aan waar ik nu ben.’

    Het is alsof je als lezer aanschuift bij Carmel. Zij vertelt je over haar leven en dat van haar studiegenoten. ‘Nu wil ik verdergaan en je vertellen hoe Karina en ik Julianne Lipcott hebben leren kennen, uitleggen hoe onze levens onlosmakelijk verweven zijn geraakt. Maar als ik te snel ga raak ik de draad kwijt, of krijgt het verhaal iets van een breisel dat in een boze bui is gemaakt.’

    Carmel is net als Karina afkomstig uit de arbeidersklasse, als enig kind van oude ouders; Julianne noemt haar een ‘werkstersdochter’. Bij Carmel thuis, in Lancashire (Noord Engeland), is het troosteloos. Weinig geld en eten. Haar moeder naait de kleren voor het gezin. Carmel moet de dromen van haar bozige moeder waarmaken; het liefst premier worden. ‘Er gaat niets boven een goede opleiding,’ zei ze, ‘maar die was voor mij niet weggelegd.’ Carmel is een dromerig kind, houdt van lezen en dichtregels. Karina is haar gezette buurmeisje met wie ze van haar moeder moet oplopen naar school. Niet echt een vriendin, maar een meisje dat hatelijke opmerkingen maakt: ‘ze doet aardig in je gezicht, maar toch akelig.’

    Ze vertelt over de belevenissen op de basisschool, de Nonnenschool (Christus Verlosser) en de universiteit (Tonbridge Hall). Het hoofdverhaal is dat van Tonbridge Hall, tussendoor blikt Carmel terug op de tijd op de twee andere scholen. De tijdsaanduidingen in het boek zijn vaag – de geschiedenis van de meisjes speelt zich af in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Soms zijn er verwijzingen die houvast geven: ‘Het was het jaar na Chappaquiddick, het jaar dat Julia en ik het huis uitgingen.’ Carmel droomt nog vaak over die ‘afschuwelijke gebeurtenis’. Haar dromen geven een aanwijzing waar dat over gaat: ‘als ik wakker werd kon ik me de dromen nog herinneren: het longweefsel en het water, het uitwaaierende haar en de zuigkracht van de kou.’ De naam van het eilandje is de geschiedenis ingegaan door het verkeersongeluk van Edward Kennedy in 1969. Hij reed met zijn auto van een brug; zijn medepassagiere verdronk in de rivier. Een andere aanwijzing: ‘De invoering van het decimale muntstelstel stond voor de deur.’ Dat was op 15 februari 1971. Zo valt te herleiden dat de meisjes in 1970 en 1971 op Tonbridge Hall studeerden.

    De periode op de basisschool typeert zij als het ‘vroegere leven.’ Carmel en Karina slagen voor hun toelatingsexamen voor de katholieke middelbare school, de nonnenschool Christus Verlosser. Dat is in de jaren zestig uitzonderlijk voor kinderen uit de arbeidersklasse. Nadat zij het toelatingsexamen voor de nonnenschool hebben gehaald, kijken klasgenootjes hen met de nek aan; zij worden beschouwd als de ‘bevoorrechten’. Zij zijn van alle basisscholen de eerste meisjes die naar de Christus Verlosser komen. Voor arbeiderskinderen is het ook niet makkelijk zich te handhaven tussen de kinderen uit de hogere klasse. Julianne is zo’n meisje, een ‘doktersdochter’.

    Het meest verhaalt Carmen over hun studietijd op Tonhall Bridge. De meisjes zijn dan achttien, negentien jaar oud. Onderwerpen die bij die leeftijd horen zijn de ontdekking van de liefde, mannenbezoek, zorgen over al dan niet zwanger zijn, wel of niet aan de pil, wel of geen abortus. Dat laatste was een belangrijk onderwerp in die tijd. Engeland liep eind jaren zestig voorop met een nieuwe abortuswet. Op de nonnenschool hadden de meisjes allerlei verwachtingen voor de toekomst, diploma halen, moeder worden, verpleegster of lerares; op de universiteit strijken de meisjes de overhemden van hun vriendjes.

    De Carmen van het ‘verhaalheden’ reflecteert op de Carmen van toen: ‘Als ik in de tijd kon reizen zou ik terugvliegen, terug in de tijd naar de strijkkamer; ik zou naar die meisjes terugvliegen en ze een klap geven. Ik zou ze tot bezinning willen brengen en zeggen: hoe komt het dat je, na al die jaren leren en studeren, niets anders ambieert dan de wastobbe? Laat liggen dat karweitje en ga het land besturen.’ De directrice van Tonhall Bridge zei toen al tegen Carmen: ‘Voordat je aan en man en een gezin gaat denken, moet je jezelf op de eerste plaats stellen en iets zien te bereiken in het leven. Wie weet zien we jou nog eens in het parlement.’

    Vertaalster Marijke Versluys heeft haar vertaling uit 1995 herzien. An Experiment in Love vertaalde ze als Liefde verkennen. Op pagina 189 komt letterlijke vertaling van de Engelse titel voorbij: ‘Het kwam bij me op dat ik wellicht het onderwerp was van een experiment, een experiment in de liefde, bij wijze van spreken: dat ik mijn leven leidde onder Juliannes onderzoekende blik en bepaalde beproevingen voor haar doorstond opdat zij ze zelf niet hoefde te doorstaan.’

    Versluys’ vertaling leest net zo vlot als het origineel. Het is knap hoe ze het ritme van Mantels zinnen in het Nederlands heeft weten over te brengen. Een voorbeeld:

    ‘I place my forefinger on the knots in de wood, those knots that, though they run against the grain, seem more satin-like, more glassy than the wood itself: I think of my life, and the lives of the women I knew, and I say, tapping softly, tapping decisively on the dark and swirling node, that is where we went wrong, just there, that is the very place.’

    ‘Ik leg mijn wijsvinger op de knoesten in het hout, van die knoesten die weliswaar tegen de draad ingaan maar satijnachtiger en doorschijnender lijken dan het hout zelf; ik denk aan mijn leven en aan het leven van de vrouwen die ik heb gekend, en ik zeg, terwijl ik zacht, gedecideerd op die donkere, kringelende knoest tik: daar zijn we in de fout gegaan, daar, op die plek.’

    Het citaat is afkomstig van de laatste bladzijde. Het sluit aan op het citaat uit het begin van het boek over het lezen van de krant waarbij Carmel in de structuur van het papier, ergens in het weefsel ervan, een draad hoopte te ontdekken die haar door haar leven zou leiden.

    Liefde verkennen is geen verhaal over het kostschoolleven zoals bijvoorbeeld Enid Blyton dat beschreef in haar Mallory Towerreeks. Carmel tegen haar medestudenten: ‘Dit is Mallory Towers niet’. Ook is het geen verhaal over anorexia, eerder een boek over ‘eetlust in alle facetten en aspecten, te veel of te weinig trek.’ Bovenal is het een verhaal over keuzes maken in het leven en hoe je als vrouw een onafhankelijke en zelfstandig leven opbouwt.

    Mantels boek heeft een strakke structuur. Het is knap hoe ze bijvoorbeeld de angst voor verdrinking uit de Chappaquiddickdroom in het begin van het boek laat terugkomen. Carmel: ‘/…/ verdrinking is de manier van doodgaan die ik het meeste vrees.’ Dit sluit aan op de literaire verwijzingen naar de dichtregels uit The Rime of the Ancient Mariner.
    ‘En versregels schoten door mijn hoofd: Onder water rommelde het voort, / steeds luider, dreigend als de dood; / ’t Bereikte ’t schip, het spleet de baai; / ’t Schip ging ten onder als lood.’
    Hierdoor verwacht de lezer dat er wellicht iets ergs kan gebeuren, alleen hij weet nog niet wat.

    Daarbij heeft het boek een goed tijdsbeeld van de grote veranderingen in jaren zestig en zeventig voor de positie van meisjes en vrouwen in de maatschappij. Liefde verkennen is het verhaal van Carmel en dat van haar generatie. De kracht van het boek zit hem vooral in het reflecterende commentaar van de vertelster op keuzes die in het verleden werden gemaakt.

    Tot slot: het boek bevat meerdere verwijzingen naar Jane Eyre. Een goede reden om naast Liefde verkennen dat boek te herlezen.

     

  • Wonen in een lichaam als een haveloos oud gebouw

    Wonen in een lichaam als een haveloos oud gebouw

    Het Paleis van Domme Vragen, zo noemde schrijfster Hilary Mantel (1952) als kind de school waar ze naartoe ging. Ze was een hartstikke slim meisje, maar voelde zich volstrekt niet thuis op school, tussen kinderen die domme vragen stelden, op een plek waar alles zich afspeelde volgens een strak regime. ‘Ik zal niet zeggen dat ik er niets geleerd heb’, zo schrijft ze in De geest geven. ‘Zo leerde ik mijn plas op te houden, wat gunstig is voor vrouwen, handig voor later.’

    In een plezierige schrijfstijl, gelardeerd met ironische vaststellingen zoals deze, beschrijft Mantel een groot deel van haar leven. Het autobiografische werk dateert van 2003, maar verschijnt nu pas in vertaling in het Nederlands. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat Mantel pas na 2003 bekendheid verwierf buiten Engeland, ook al publiceert ze al sinds 1985. Ze is één van de weinige schrijvers die twee keer de Bookerprijs wonnen. Dat was in 2009 voor Wolf Hall, een historische roman over Thomas Cromwell en ook het vervolg daarop, Het boek Henry (Bring up the bodies), werd in 2012 met die prestigieuze prijs bekroond.

    Jeugd
    Door haar autobiografie lopen twee rode draden die beide haar leven sterk hebben bepaald. Dat is op de eerste plaats haar jeugd. Als Iers meisje groeide ze op in het Engeland van de jaren vijftig, in een gezin dat niet aan de maatstaven van die tijd voldeed. Haar moeder hield er een relatie met een andere man op na, hetgeen er uiteindelijk toe leidde dat haar vader het huis verliet. Vanaf haar elfde heeft ze hem nooit meer gezien. Hilary nam later de achternaam van haar stiefvader, Jack Mantel aan, een man die ze het nooit kwalijk heeft genomen dat hij de voor die tijd gebruikelijke gezinsverhoudingen verstoorde, met wie ze een goede band had. Als je De geest geven leest, blijkt niet dat Mantel een slechte jeugd heeft gehad, maar het was geen gemakkelijke. De verwikkelingen, zoals het op en neer geschuif van haar en de twee andere kinderen tussen het huis van oma en dat van haar moeder en een omgeving, buurt en school, die er andere normen op nahield, droegen ertoe bij dat Mantel een bovengemiddelde kritische kijk op het leven ontwikkelde. Maar het verklaart ook waarom ze zich graag terugtrok in een eigen wereld, die van geesten en ridders: ‘Ik ging naar school en nam mijn ridders mee, mijn kleine, grijze, plastic ridders, in een tasje. Voor het geval dat.’

    Ziekte
    De tweede, veel bepalende lijn in haar leven, is haar ziekte. Een aandoening waarvan de ware aard pas laat werd ontdekt en dat was meer ondanks dan dankzij de vele medici die Mantel raadpleegde. Tot die tijd meenden doktoren dat de helse pijnen die ze leed het gevolg waren van een psychische aandoening. Eentje die door veel pilletjes wel onder controle kon worden gehouden, zo dacht men. Het enige resultaat van de overdreven medicatie was dat het slanke meisje Hilary uitdijde tot een vrouw die zelfs in de rekken van maat 48 geen geschikte kleding meer kon vinden. De aandoening waar ze aan blijkt te lijden, heet endometriose. Het baarmoederslijmvlies bevindt zich buiten de baarmoeder en de maandelijkse bloedingen leiden tot vreselijke pijnen.

    De ziekte pleegde roofbouw op haar lichaam. Zo beschrijft ze haar lichaam: ‘Ik ben een haveloos oud gebouw in een gebied dat zwaar wordt gebombardeerd en waaruit de inwoners al jaren geleden zijn vertrokken.’

    Artsen meenden dat verwijderen van de baarmoeder en eierstokken de enige remedie was en alhoewel Mantel ermee instemde, is ze jaren later, op middelbare leeftijd, buitengewoon ongelukkig. Niet alleen omdat de kwaal niet minder wordt, ook omdat het besef dat ze geen eigen kinderen kan krijgen een zwaar gelag blijkt. Een gegeven dat, hoe schraal ook de troost, wel tot een prachtige passage in De geest geven heeft geleid. Een passage waarin ze beschrijft hoe haar ongeboren kind, dat ze zelfs een naam heeft gegeven, als een schim met haar meeleeft. ‘Het land van de ongeborenen krioelt van de niet-ingeslagen wegen en paden die we links hebben laten liggen. In een sluwe staat van halfwording liggen ze op de loer in het schimmenrijk van de gemiste kansen.’

    De geest geven is een ijzersterk eco-document waarin de schrijfster, ondanks de ellende die haar ten deel is gevallen, zich nergens  verliest in pathetiek of zelfmedelijden. Het is net als haar fictie een bewijs van groot schrijverschap.