• Een decennium lang Het liegend konijn

     

    Het liegend konijn is een tijdschrift voor hedendaagse poëzie met tweemaal per jaar een uitgave waarin enkel en alleen niet eerder gepubliceerde poëzie wordt opgenomen.  Geen recensies of beschouwingen ontnemen het zicht op het werk van de dichter, aan de lezer de taak zelf te oordelen. Het blad heeft een oplage van 1.500 exemplaren en telt 400 abonnees en kent sinds 2007 de tweejaarlijkse Debuutprijs Het liegend konijn toe.

    Poëzie zien als kind van deze tijd, als de spiegel van onze samenleving, zo waardeert de enige redacteur van het blad, Jozef Deleu het dichterschap:  ‘Dichters als gangmakers voor wat er te gebeuren staat met mens en wereld’.

    Struinend door de twee edities van Het liegend konijn van dit jaar is het een proeven, ruiken en opnemen. Er komt een grote verscheidenheid aan dichtkunst in voor. Dichters van uiteenlopende leeftijden, jonge debutanten, oude getrouwen en  enkele senioren leverden ‘niet eerder gepubliceerd’ werk. Uit de 67 dichters die in deze twee edities publiceerden, wordt hier de jongste dichter, Arno Van Vlierberghe (1990) en Nederlands grootste, de in Amerika woonachtige Leo Vroman (1915) belicht. Interessant is te zien hoe deze twee generatie dichters zich verhouden tot de toekomst:

    Ideaal (Leo Vroman)

    ‘Engel, als ik zo dromen kon
    en voor ons beiden
    de wolken zien glijden
    langs het plafond,

    Uit een bloemig vloerkleed groeiden
    de bedoelde planten
    en bloeiden langs de kanten
    de bedoelde bloemen,

    Werden de kamerwanden
    welig wuivend lover
    van ons tweeën  en van  de
    rest bleef niets dan liefde over.’

    In dit gedicht is de wereld klein, en wordt het leven teruggebracht tot de essentie van het leven zoals de dichter die beleeft. Dat na het heengaan, het sterven, ‘niets dan liefde’ is wat overblijft en waaruit,  een overgave spreekt die vredig stemt. Een kleine, overzichtelijke wereld: ‘Uit een bloemig vloerkleed groeiden / de bedoelde planten.’ Wat zoveel betekenen kan als: het leven heeft zijn belofte waargemaakt.

    De jonge dichter Arno van Vlierberghe dicht over een wereld die zich naar alle kanten uitstrekt en waarin het leven an sich een soort dreigement inhoudt waaraan niet te ontkomen is. Een gedichten‘epos’, al is er over heldendaden niets te melden. Een reeks gedichten over het verleden, hoe het was en dan, wat het gaat worden. Door zich het verleden te herinneren wordt de deur naar de toekomst geforceerd. Het is een gedichtenreeks waarvan de laatste strofe eindigt met: ‘En je moet je wijfje nog gaan vinden.’ Dat na alle gebeurtenissen en indrukken die een heel leven omvatten, het grote werk, het echte leven nog moet beginnen, is duidelijk. Hieronder het eerste gedicht uit de reeks: We waren allemaal even lelijk

    ‘Toen we nog naar verjaardagsfeestjes gingen,
    de Opel kadet net gestolen dus te voet
    hand in hand, de kleine klamme in grote klamme hand,
    door de slapende stad.

    Siliconen hielden toen de dieven buiten,
    de kinderen binnen en
    o wee als Arno aan de ramen van
    dit alles prutst, dan wordt er gestorven
    op vreselijke plekken
    Toen leerden we plastic kaas te smaken,
    roze puree te witten. Het kauwen werd
    ons opgelegd.’

    Waar in het gedicht van Vroman de belofte van de toekomst lijkt te zijn ingelost, heeft Van Vlierberghe de belofte die het leven inhoudt net ontwaard.

    Bij deze tiende jaargang komt Deleu eindelijk met de waarheid op de proppen omtrent de naamgeving van het tijdschrift. De naam is niet, zoals abusievelijk wordt aangenomen, geïnspireerd op het verhaal over een konijn van Paul van Ostaijen welke bij elke editie op de achterkant werd afgedrukt. Het begon in 1990 in Boedapest in een restaurant waar Deleu de tafel deelde met neerlandici uit Midden-Europa en waar, vermoedelijk ter ontspanning, de vreemdste verhalen werden opgedist. Waarop Deleu reageerde met de uitdrukking ‘jullie liegen als een konijn’. Waarna er een Internationaal Genootschap voor Taalvernuftelingen onder de naam Het liegend konijn werd opgericht. Het genootschap hield niet lang stand maar de naam leefde voort, en Deleu richtte aldus in 2003 het literair tijdschrift Het liegend konijn op. Daarna kwam pas het verhaaltje van Van Ostaijen ‘over het konijn dat de lach zocht’ in beeld en werd sinds het eerste nummer, als zijnde zeer toepasselijk, op de achterflap afgedrukt.

    Drie dichters ontvingen inmiddels de Debuutprijs Het liegend konijn. Ester Naomi Perquin won in 2007 voor het eerst deze prijs. In 2009 was het Ruth Lasters die de prijs won en in 2011 Lieke Marsman. Alle drie de laureaten schreven werk voor de tweede editie van Het liegend konijn.

    Verdere dichters die, verdeeld over beide edities, met een enkel of meerdere gedichten in Het liegend konijn zijn opgenomen, zijn onder meer: Huub Beurskens, Wim Brands, Y.M. Dangre, Maarten Das, Ellen Deckwitz, Piet Gerbrandy, Eva Gerlach, Peter Ghyssaert, Peter Holvoet-Hanssen, Tjitske Jansen, Wiel Kusters, Hanz Mirck, Froukje van der Ploeg Daniël Vis, Judith van der Wel, Anneke Brassinga, Paul Demets, Kees Engelhart, Anna Enquist, Edwin Fagel, Ingmar Heytze, Maarten Inghels, Sylvie Marie, Erik Menkveld, Erwin Mortier, Erik Spinoy, Peter Swanborn en Eriek Verpale. 

    Met deze tiende jaargang van Het liegend konijn is Jozef Deleu hoogst waarschijnlijk de langst zittende eenmans redactie van een literair tijdschrift. Wekelijks krijgt hij honderden gedichten toegezonden. Die hij zuiver op taalgevoel en herkenbaar aanwezig talent, selecteert. De gedichten die uiteindelijk geplaatst worden zijn van een kwaliteit die het dichtersgilde eer aan doet maar vooral ook het kritisch oog van Deleu kenmerkt.

    ‘Dichters als gangmakers voor wat er te gebeuren staat met mens en wereld.’ Een mooie gedachte die onverhuld de wens in zich draagt dat men meer gedichten moet gaan lezen wil men bij de ‘dichterlijke’ tijd blijven. Met Het liegend konijn in de hand zien we het volgend decennium met vertrouwen tegemoet.

     

    Het liegend konijn

    Onder redactie van Josef Deleu
    10e jaargang nr. 1 april 2012,
    Blz.: 264
    Prijs: 20,-
    nr. 2 oktober 2012
    Blz.: 272
    Prijs: 20,-
    Uitgeverij van Halewyck, Leuven & Van Gennep, Amsterdam

    www.hetliegendkonijn.be

     

  • Uit het nest geroofde gedichten

    Uit het nest geroofde gedichten

    Het liegend konijn is een tweejaarlijks tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige Poëzie, en is uniek in zijn soort. Samensteller en redacteur Jozef Deleu gaat er prat op vers (gelegde) geschreven gedichten van veelal gearriveerde dichters en een enkele debutant ‘uit het nest te roven’ om ter publicatie op te nemen in het poëzietijdschrift.

    Deleu, die als stropende vos de nesten van – uit bloed, zweet en tranen ontstane gedichten –  zwoegende poëten leegrooft. Dat heeft wel wat. En het levert steeds weer een verrassende oogst en vooral een grote diversiteit aan dichtkunst op. Waarbij het opmerkelijke is dat van de 175 geplaatste gedichten er niet één bij is die de zeggingskracht van een goed gedicht gepasseerd is. Ze zijn allen zeer lezenswaardig.
    Het liegend konijn biedt plaats aan zo’n dertig dichters per uitgave, die elk drie tot zes gedichten geschreven hebben. Daardoor heeft de bundel algauw een omvang van 250 pagina’s. Aldus een stevig boekwerk waarvan op de voorkant de namen van de dichters staan en steevast op de achterflap een tekst van Paul van Ostaijen: Diergaarde voor kinderen van nu (1926). Over het konijn dat op zoek gaat naar de lach maar die niet gevonden heeft. Want vlak voordat het de lach vond hield de kennis van het konijn op. En bleef het voor altijd in verwondering achter.
    Wellicht zoals de lezer zelf in verwondering achterblijft na het lezen van willekeurig welk gedicht uit Het liegend konijn, dat toch echt geen (literair) tijdschrift genoemd kan worden gezien de hierboven geschetste omvang.

    In nummer 1 van Het liegend konijn (2011) zijn 175 gedichten opgenomen van dertig dichters die in alfabetische volgorde geplaatst zijn. Waaronder Wesley Albstmeyr (nog geen bundel gepubliceerd), Maria Barnas, Tsead Bruinja, Bernard Dewulf, Gerrit Komrij, Delphine Lecompte, Gwy Mandelinck, Charlotte Mutsaers, Tonnus Oosterhof ( die onlangs de P.C. Hooftprijs 2012 won), Bart van Straeten (geen bundel gepubliceerd) en Miriam van Hee.

    Opmerkelijk uit het aprilnummer van 2011 zijn de gedichten van Luuk Gruwez die de titel Een minnaar voor elk lichaamsdeel, ontleende aan de hand van een citaat van Adriaan Morrien: ‘Ik maakte van elk lichaamsdeel een beminde.’ Erotische gedichten geschreven bij het schilderij Venus van Lucas Cranach. In opdracht van het Egigius Kwartet dat eind 2009 een concert verzorgde rond het vrouwelijk schoon. Hieronder een enkel fragment daarvan.

    Bij de haren
    ‘Het hoofd is mijn schunnigste lichaamsdeel. Het is de hemel
    en de hel in ieders lijf, het gekreun en het gereutel.
    Hoevelen kregen niet ooit logies onder mijn krullen?
    Kostschoolmeisjes, kelnerinnen, gore knullen.
    Nee, ander haar dan schaamhaar ken ik niet:
    het moet de bacchanalen in mijn hersenen verhullen.’

    Venus’ epiloog
    ‘Wanneer ik afscheid van u neem, beobacht dan vooral mijn
    achterste.
    Heb ik soms niet de mooiste billen sinds het quattrocento?
    Ik vraag mij af: hoe naakt bent u onder uw nette  kleren?
    U bent mij lief. Erbarm dich, al was het maar een keer.

    (…)

    Mijn mond, akkoord, werd groter met de eeuwen.
    Maar wil een uwer hem nog zoenen: Bitte. Gerne.
    Dan kies ik voor een oogopslag vol hunker naar de sterren.
    Ik heb, al ben ik grofgebekt, nooit afscheid kunnen nemen.’

    Favoriet is Delphine Lecompte die titels schrijft als waren het gedichten: Ik ben blij dat mijn moeder mijn geboorte heeft overleefd / Alles hort en niets is zoals het hoort / Een weifelende duik en de vertrouwde viezigheid  / Boter voor de ter dood veroordeelde en Dit is een kuststad met een zee die een krijttekening eist.
    Haar gedichten zijn prozaïsche miniatuurtje die een avontuur op zich zijn.

    Dan Willem Zadelhoff, een dichter die lijdt aan verloren eenzaamheid in zijn gedichten. Het laatste gedicht uit Tussen taal en teken een cyclus van tien gedichten:

    ‘nu is de cirkel rond traag tekent het potlood
    haar schouder langzaam ontstaat een herinnering
    op papier een beeld van lang geleden waarvoor
    geen woorden beschikbaar waren dat soort drogrederen

    ook is nu wat was niet langer meer excuus
    ik lees haar ik volg de lijnen van haar mond
    met mijn vingers teken ik figuren in de lucht
    ik kleed haar omgeving in zacht oranje licht

    ik trakteer mezelf op verleden ik beuk de waarheid
    op papier straks ga ik bloemen strooien op haar graf
    luisteren naar dat oorverdovend zwijgen
    dat stem gaf aan dat toch nog onverwacht verleden.’

    Dat ’toch nog onverwacht verleden’ maakt de cyclus rond. Koop Het liegend konijn om de hele cyclus en die overige 29 dichters te lezen. Het is geen moeite, het is het waard.

    Het oktober nummer van Het liegend konijn biedt ruimte aan niet eerder gepubliceerde gedichten van onder andere Mark Boog, Anne Broeksma, Emma Crebolder, Paul Demets, Stefan Hertmans, Rouke van de Hoek, Emy Koopman, Lieke Marsman, Cees Nooteboom, Hagar Peeters, Marjoleine de Vos en Menno Wigman. Waarvan ik u het laatste gedicht uit de bundel niet wil onthouden. De weg van alle boeken van Menno Wigman.

    De weg van alle boeken
    ‘Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht
    en zeven keer schreef ik mijn naam.
    Toen moest ik huilen. God, wat huilde ik.
    Ik dacht: iets scheefs verkankert mijn gedicht.
    Ik zag mijn schrijfhand en ik wist.

    Wat ik gedaan heb, ja – en wat ik doe.
    Mijn schrijfhand is aan roken toe.
    De angst. De witte wimpers van de angst
    dat ik mijn hele leven heb verschreven.

    Ik wil de hemel en ik wil de straat,
    ik wil in zestigduizend hoofden ruisen
    en iedereen een tand uitslaan.

    voor ik de weg van alle boeken ga
    en roemloos bij De Slegte sta.’

    Schrijnender kan het niet en daarom des te mooier. Dat is wat dichters kunnen, de gevoelige meetlat van zelfmedelijden langs het leven leggen, dit met streepjes inkaderen en dan daarover heen gaan, over die kaders.
    Het is een rijkdom deze literaire poëziebundels een plaats in de boekenkast te geven. Wachters in de rij om ter hand te nemen wanneer de poëtische nood hoog is.