• Ik zou willen dat mijn boeken worden gezien als een Japanse tuin

    Onlangs verscheen van Jannie Regnerus haar vierde roman Het wolkenpaviljoen bij Van Oorschot. Voor Literair Nederland sprak Just Houben onder meer met haar over het ontstaan van een boek en waarom ze geen dikke boeken zal schrijven.

    Tijdens een verblijf van twee jaar in Mongolië begon beeldend kunstenaar Jannie Regnerus (1971) met schrijven om de dingen die haar verwonderden vast te leggen. Het mondde uit in het verslag De volle maan als beste vriend. Over haar jaar in een gastatelier  in Japan schreef ze Het geluid van vallende sneeuw. Daarvoor ontving ze in 2007 de Bob den Uyl Prijs voor het beste reisboek. Vanaf dat moment begon ze ook romans te schrijven en inmiddels is ze meer schrijver dan beeldend kunstenaar. De verhouding is 80-20, schat ze, of misschien zelfs 90-10. Onlangs verscheen haar vierde roman Het wolkenpaviljoen, waarin een architect zijn leven opnieuw moet vormgeven na een scheiding. ‘Ik wil begrijpen waarom de mens zo veerkrachtig is. Dat is het thema van al mijn boeken.’

    Het interview vindt plaats in een park in Haarlem, de woonplaats van Regnerus. Daar, in de buitenlucht, is genoeg ruimte om gepast afstand te kunnen houden tijdens het gesprek. We lopen langs het water op zoek naar een geschikte plek. Het is er rustig en we hebben de keus uit een bank in de zon of een in de schaduw. ‘Ik heb een voorkeur voor de schaduw. Ik houd van indirect licht,’ zegt Jannie Regnerus. ‘Je hebt mijn boeken gelezen, dus dat zal je niet verbazen.’

     

    Ontstaan van Het wolkenpaviljoen 

    Een paar jaar geleden zag Regnerus een foto in de krant. In een verlaten fabriekshal hadden twee ingesloten duiven een nest gemaakt van materiaal dat ze daar konden vinden. Bij gebrek aan mos en takjes hadden ze gaas en ijzerdraad omgebogen om daar zo goed mogelijk een nest van te maken. Tevergeefs bleek: toen het nest werd gevonden, lagen er twee niet-uitgekomen eieren in. Deze foto zette Jannie Regnerus aan het denken over wat er nodig is om van een huis een thuis te maken. Het vormde het begin van Het wolkenpaviljoen.

    De veertigjarige Luut, hoofdpersoon in Regnerus’ nieuwe roman, ontwerpt huizen, hij is architect. Maar hij is er niet in geslaagd een thuis te maken. Het huwelijk met zijn vrouw Kris is stukgelopen. ‘Er is een verhaal over een gesneuvelde theepot,’ schrijft Regnerus in haar roman, ‘en een verhaal over een groot huis waarin een man en een vrouw zich net zolang voor elkaar verstoppen tot geen van beiden de ander nog zoekt.’ Luut overdenkt hoe zijn huwelijk heeft kunnen mislukken maar vooral denkt hij na over hoe hij nu, alleen, een plek voor zijn dochter Tessel kan maken waar zij kan wortelen en groeien.’ 

    Regnerus vergelijkt het geweten van Luuts jeugd met een groene weide. ‘In de eerste twintig jaar van zijn leven heeft Luut geen noemenswaardige schade toegebracht aan de levens van anderen. Maar niemand kan leven zonder ooit brokken te maken of een ander pijn te doen, ook al is dat niet je intentie. Nu Luut veertig is, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. In die scherp gehoekte panden en schimmige stegen heeft hij zijn falen ondergebracht. Bijvoorbeeld zijn aandeel in de scheiding die zijn dochter, uitgerekend het wezen dat hem het meest dierbaar is, pijn en ongemak berokkent, zoals het pendelen tussen twee huizen. Luut moet daarmee in het reine zien te komen. Tijdens zijn pelgrimage naar Japan ziet hij in dat hij met de brokstukken van zijn verleden iets nieuws kan bouwen, iets wat ook goed en hoopvol is. Daar gaat Het wolkenpaviljoen over.’


    Je vertelde dat Het wolkenpaviljoen begon met dat beeld van het duivennest. Had dat beeld een medium bij zich? Wist je dat dit een verhaal zou worden, of had het ook een beeldend werk kunnen worden?


    ‘Ik had er inderdaad ook iets heel anders mee kunnen doen. Maar ik houd ervan om nadenkend, beschouwend proza te schrijven. Waarin je als het ware met het facetoog van een libelle, steeds vanuit een andere hoek naar je thema kijkt. Daar leent schrijven zich heel goed voor. Het geeft me het idee dat ik wetenschap van het menselijk leven beoefen.’ 

    Wie wetenschap bedrijft moet goed observeren. Een ‘hartstochtelijk observator’ wordt ze in recensies genoemd. Haar romans staan vol mooie waarnemingen die veel zeggen over de personages waarover ze schrijft. Is dat hoe ze zelf ook observeert?
    ‘De dingen om mij heen nemen eenzelfde temperatuur aan als die van mijn gemoed. In de observaties probeer ik de binnenwereld van de personages op te roepen. Ik zal nooit schrijven “Luut is verdrietig”. Dat hij verdriet voelt zal zich uiten in wat hij observeert en hoe dat onder woorden wordt gebracht. Dus heel erg indirect. Ik houd ervan om literair langs de band te biljarten.’


    Je romans zijn vrij kort, zo’n 100 tot 120 pagina’s. Alleen De ent is langer…

    (lacht) ‘Dat is mijn debuutroman. Toen moest ik het nog leren.’


    Waarom kies je voor deze lengte?

    ‘Het past me, ik weeg mijn woorden heel zorgvuldig. Ik kom uit de kunstwereld en verbaas me er altijd over dat in de literaire wereld zoveel belang lijkt te worden gehecht aan omvang. Neem nu Het melkmeisje van Vermeer of De nachtwacht van Rembrandt, dat zijn toch allebei meesterwerken? Alleen bij de één is veel minder verf gebruikt en minder canvas. Maar inhoudelijk is het evenveel waard. Mijn romans bestaan uit 120 pagina’s samengebalde intensiteit. Ik vergeleek het laatst eens met een maggiblokje. Ik dien geen soep op, maar geef de lezer smaak en specerijen waar hij of zij zelf soep van kan maken.
    De eerste versie is altijd twee keer zo lang. Dan begint het snoeien tot de kern. Daar zit het meeste werk in. De compositie is ook heel belangrijk. Meer dan verhalende chronologie      rijmt mijn werk op beeld en gedachten. Er zitten hoofdstukken in die een soort mini-essays zijn. Bijvoorbeeld dat stuk over het planetarium van Eise Eisinga, waarmee hij wilde aantonen dat de aarde niet in botsing zou komen met andere planeten. Dat gaat dan weer echoën met een andere scène in het boek waarin Luut in het bed van zijn dochter ligt en kijkt naar de plastic sterren op het plafond. Dan realiseert hij zich dat hij en de moeder net als planeten rond hun dochter cirkelen, op veilige afstand zodat ze niet zullen botsen.’


    Ben je lang aan het schuiven met hoofdstukken?

    ‘Ja, aan het eind leg ik alles door de kamer heen en raap dan een volgorde. Mijn redacteur zei laatst: “Oh, dat doe ik ook bij een poëziebundel.” Het is een proces dat lijkt te worden gestuurd door associatie en intuïtie.’ 


    Zentuin

    Jannie Regnerus groeide op in Oudebildtzijl, een Fries dorpje aan de Waddenzee. Niet bepaald een plek voor een kunstenaar. ‘Het is een volkomen cultuurarme plek,’ vertelt ze. ‘De enige cultuur waar ik vroeger toegang toe had waren de verhalen in de Bijbel en de orgelmuziek in de kerk. Ik was daar enorm ontvankelijk voor, maar ik dacht dat iedereen dat was. Pas later realiseerde ik me dat ik op een onhandige plek geboren was met mijn honger naar cultuur en kunst.’


    Jouw beeldende werk is vaak ‘Japans’ genoemd. Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met Japanse kunst?

    ‘Vroeger gingen wij in de zomervakantie naar de Veluwe. Dan stonden we drie weken lang op een Christelijke camping met een vouwcaravan. Eén van de jaarlijkse rituelen was dat we op de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum gingen. Daar zag ik als jong meisje Japanse prenten hangen. Dat maakte diepe indruk op me. Die prenten hebben een bepaalde helderheid, sfeer en verfijning. Ik vond dat zoiets moois!’ 


    Zit er ook iets Japans in je schrijven?

    ‘Je kunt naar mijn boeken kijken als naar een zentuin. Op het eerste gezicht heel minimalistisch, maar als je er langer naar kijkt kun je er steeds andere dingen in ontwaren en nieuwe betekenissen aan toedichten. Ik krijg van lezers terug dat ze mijn romans na eerste lezing meteen weer herlezen. Misschien zou ik willen dat mijn boeken zo worden gezien, als een Japanse tuin. En ook houd ik heel erg van Japanse literatuur. Van Tanizaki en Kawabata bijvoorbeeld. Zij schrijven ook ab-so-luut niet frontaal, maar heel indirect. De hele Japanse cultuur is natuurlijk van indirectheid doordrenkt. Deze schrijvers beheersen een  proza waarin tussen de regels heel veel te lezen valt, zonder bombast roepen zij met verfijning een tragiek op. Zoals in de novelle De schone slaapsters van Kawabata, dat hele verhaal voltrekt zich in de zintuigen van de hoofdpersoon. In essentie is dat hoe ik wil schrijven.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Tessa Posthuma de Boer

     

  • Hertaling van een indringende roman

    Hertaling van een indringende roman

    De in 1961 gepubliceerde roman he Blood of the Lamb van de Amerikaanse schrijver Peter de Vries werd in 1963 vertaald door A. Marja (uitg. Brandaan) en nu. zevenenveertig jaar na dato hertaald door Reinier Sonneveld. Hoewel de schrijver in Amerika succesvol was, brak hij in Nederland nooit echt door. Op z’n minst lezen, zou ik zeggen. Want de roman blijkt tijdloos te zijn. Hardhandig neemt de schrijver ons mee in de wereld van een jongeman die noodgedwongen in Amerika moest blijven.

    Don Wanderhope groeit op in een calvinistisch immigrantengezin. Tussen de twee wereldoorlogen in Europa bezoekt het gezin de familie in Amerika. Als vader niet zeeziek was geworden, waren ze teruggereisd naar Nederland. Maar omwille van zijn misselijkheid vanwege de hevige zeestorm, reizen vader, moeder en hun kinderen niet meer terug naar Nederland. Ze kiezen domicilie in Chicago. Ondanks deze gemakzuchtige keuze, gaat de storm tot aan het einde van de Het lam niet liggen.

    Het verhaal begint bij Dons weg naar volwassenheid. Een weg vol vragen en twijfels en geasfalteerd met een dikke laag afschuw van de bekrompenheid van het milieu waarin hij opgroeit. Deze afschuw wordt gevoed door Dons oudere broer Louie, een erudiete cynicus die na zijn wetenschappelijke studie de vloer aanveegt met het kerkelijke gevoel van zijn ouders en ieder die hem tegenspreekt. Don neemt het besluit om zich te conformeren met de wereld buiten dit milieu maar komt langzamerhand tot de stuitende ontdekking dat deze wereld in wezen aanstootgevender is dan de bekrompenheid die hij thuis gewend was.

    Tijdens deze ontdekkingsreis naar die aanlokkelijke wereld wordt zijn twijfel over het geloof gevoed. Hij stelt meerdere keren, op verschillende manieren, de vraag wat geloven in God betekent. Hij wil niet alleen weten wat geloof in God betekent, maar vraagt zich vooral af wat een wreedaard die God moet zijn, de God die alle ellende laat gebeuren. Deze twijfels bereiken hun hoogtepunt als in de loop van het verhaal blijkt dat zijn dochter aan leukemie lijdt.

    Terwijl overal in het boek de wrok jegens de God van zijn jeugd wordt verwoord, blijkt steeds meer dat het hier niet gaat om een afrekening maar om een diep gevoel van gemis. Of zoals Willem Jan Otten het in zijn nawoord bij dit boek schrijft: “Je hebt het gevoel dat er een storm opsteekt terwijl je aan het lezen bent. Je moet je schrap zetten, want je realiseert je, samen met de schrijver, dat die storm opsteekt omdat je God niet wilt kwijtraken.” Terwijl Louie in ongeloof sterft, kan Don geen afstand nemen van de God die hem in de steek heeft gelaten. Dit moet voor Otten getroffen hebben, want de bekeerde schrijver en dichter schreef in zijn bekende opstel tegen de verachters van het christelijke geloof ‘Het wonder van de losse olifanten’ dat hij een extase van verlatenheid onderging: bij het gevoel dat iemand je verlaat, moet diegene bestaan want waarom anders voel je je verlaten?

    De vader van de wanhoop – de naam Don Wanderhope kan zo vertaald worden – is de personificatie van een lijdende christen. Hij zoekt naar antwoorden op vragen die zoveel worden gesteld. Wanneer zijn dochter leukemie krijgt, kan hij het niet verkroppen dat God dit toelaat. Hij ziet het als een afrekening van zijn ontrouwe christelijke leven. En tijdens deze zoektocht worden Dons vragen uitsluitend cynisch beantwoord. Niet alleen door zijn broer Louie, maar ook door Stein, waarmee hij, tijdens zijn bezoeken aan het ziekenhuis waar zijn dochter verblijft, gesprekken voert. Bovendien geeft alleen die twijfel hem al een schuldgevoel, omdat vroeger niets bediscussieerd mocht worden. De zekerheid van het geloof, voor hem een ambivalentie, geeft hem het gevoel niet te mogen falen en maakt hem angstig en wraakzuchtig tegelijk. En toch blijft hij God ter verantwoording roepen, zelfs na de dood van zijn dochter Carol. Wanhopend, verbeten en soms spottend vuurt hij zijn vragen af op degene die hem ooit genade heeft beloofd. Hij ontkomt niet aan zijn afwezigheid en dat maakt God aanwezig.

    Is dit boek een oer-Hollandse afrekening met het christelijke milieu zoals we lezen bij Wolkers of ’t Hart? Of hebben we hier te maken met een schrijver die zich op eenzelfde manier profileert als de religieuze provocateur Reve? Dezelfde vraag stelt Willem Jan Otten ook in zijn nawoord waarin hij Luther citeert: ‘Niemand is God meer nabij dan de vertwijfelden die God haten en lasteren.’

    Voor allen die twijfelen, wanhopen of haten, die God de rug toe hebben gekeerd of hem in het hart hebben gesloten, lees Het lam. Dit boek laat eens te meer zien dat die extase van verlatenheid, waarover Willem Jan Otten al dichtte (“Ik heb mij nu zo luid tot u gericht / dat uw zwijgen is gaan klinken”), een weerklank krijgt in heldere, komische, meedogenloze, krenkende taal. Die taal laat je van begin tot einde niet meer los. Wie dit boek leest, blijft er nog lang aan denken.