• Carnavalesk en absurd

    Carnavalesk en absurd

    Liefhebbers van James Joyce zullen zich in de handen wrijven met Het Dalkey-archief van Flann O’Brien, dat nu, zestig jaar na zijn verschijningsdatum, voor het eerst in het Nederlands vertaald is. Flann O’Brien (pseudoniem van Brian O’Nolan, 1911-1966), is naast James Joyce en Samuel Beckett, de derde grote naam van het twintigste-eeuwse Ierse schrijversfirmament, al mogen we Oscar Wilde en Brendan Beehan ook niet vergeten. De grote Joyce zelf was lovend over O’Brien en noemde hem ‘een echte schrijver, met de ware humoristische geest’. Niets is minder waar: naast zijn columns in de Irish Times viel O’Brien vooral op met zijn hilarische absurdistische romans, waarvan At Swim-Two-Birds (1939) ongetwijfeld zijn meesterwerk is.

    O’Brien schreef slechts vijf romans en overleed vrij vroeg, geplaagd door alcoholisme en kanker. Bij ons is het werk van O’Brien minder bekend, ook al omdat het net als Joyce’s werk minder toegankelijk is of minder begrepen werd. De vertaling van Het Dalkey-archief door Robbert-Jan Henkes mag dan ook als een krachttoer gezien worden, al had deze natuurlijk al wat ervaring door zijn vertalingen van Joyce. Uitgeverij Kopernik nam een risico door dit werk nu uit te geven, maar het zal de voor velen onbekende en vergeten topauteur misschien opnieuw in de belangstelling brengen.

    Kroegvrienden

    Plaats van handeling, zoals de titel al aangeeft, is het kleine kustplaatsje Dalkey, ongeveer twintig kilometer ten zuiden van Dublin. Twee kroegvrienden Mick en Hackett bezoeken regelmatig de bar van hotel Colza, waar ze bediend worden door mevrouw Lavetry, die ze vaak smalend ‘Lavatory’ of toiletpot noemen. Na een zwempartijtje ontmoeten de twee vrienden de excentrieke De Selby en worden ze uitgenodigd in zijn verborgen stulpje. Bij zelfgestookte whiskey doet deze theoloog en uitvinder hen uit de doeken hoe hij de tijd kan doen stilstaan en de wereld kan vernietigen met een zelfuitgevonden substantie. Daarenboven is hij ook in staat terug te gaan in de tijd en voert hij diepfilosofische en theologische gesprekken met heiligen en kerkvaders. De volgende dag zijn Mick en Hackett daar ook zelf getuige van in een onderwatergrot.

    Mick wil De Selby weerhouden van het vernietigen van de wereld en doet een beroep op brigadier Fottrell, een man die steeds met de fiets aan de hand loopt omdat hij bang is dat hij anders met zijn fiets zal vergroeien door metaalmoleculenuitwisselingen. Om anderen hiervoor te behoeden prikt hij ook constant banden van fietsen stuk. Om afleiding te vinden voor De Selby wil hij hem in contact brengen met James Joyce. Mick is namelijk te weten gekomen dat de grote James Joyce nog zou leven in Skerries, een dorpje even ten noorden van Dublin. Hij gaat op zoek en ontmoet de schrijver, die nu barman is. Hij probeert hem te confronteren met zijn grote werk Ulysses, maar daar schijnt Joyce geen oren naar te hebben. Hij veracht het werk zelfs. Uiteindelijk vraagt hij Micks hulp om in te treden bij de jezuïeten.

    Absurdisme

    Het
    Dalkey-archief lijkt niet alleen één en al chaos, maar is het ook. Structuur en een lijn hoeft de lezer er niet in te zoeken. Dat was ook niet de bedoeling van Flann O’Brien, voor wie de wereld ook één en al chaos was, al dan niet gelinkt aan zijn overmatig drankgebruik. Er wordt overigens nogal wat afgedronken in Het Dalkey-archief: elk gesprek gaat gepaard met talloze rondjes alcohol, waardoor de gesprekken vaak ontaarden in krachttermen en absurde uitspraken. Het boek moet het vooral hebben van de flamboyante en aparte stijl die O’Brien eigen was. Zijn cynische uitlatingen over wetenschap, intellectuele hoogmoed en religie zijn zijn handelsmerk. Hij spot met alles waarmee gespot kan worden en schuwt blasfemische uitspraken niet. Zijn personages zijn carnavalesk en absurd, maar daardoor juist zo aanstekelijk.

    O’Brien tracht de grenzen van de werkelijkheid steeds uit te rekken en laat zijn fantasie de vrije loop. Wie daarin meegaat, kan ontzettend genieten van zijn boeken. In het boek zitten ook verwijzingen naar The Third Policeman, geschreven in 1940, maar postuum uitgegeven in 1967. De grandioze vertaling van Het Dalkey-archief kan meteen ook een uitnodiging zijn om dit werk en andere van O’Brien opnieuw te lezen. Hoewel Het Dalkey-archief niet zijn beste boek is, kan het gerust ook een hoogtepunt van surrealisme en absurdisme genoemd worden. Wie vermakelijkheid en het absurde hoog in het vaandel voert, zal genieten van begin tot eind.

     

     

  • Oogst week 21 – 2024

    Kafka voor beginners

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Franz Kafka stierf. Hij werd niet ouder dan 40 jaar en publiceerde tijdens zijn leven weinig. Toch worden begrippen als ‘kafkaësk’ en ‘kafkaiaans’ voor situaties waarin een individu wordt vermalen in bureaucratie en instituties, wijd en zijd gebruikt. Dat is vooral te danken aan zijn vriend Max Brod die tegen de wens van de schrijver na zijn dood al zijn geschriften, waaronder zijn drie romans, toch uitgaf. In Nederland is onder andere schrijver-dichter Willem van Toorn een groot ambassadeur voor Kafka. Hij vertaalde al zijn werk. Ter gelegenheid van de herdenking van de sterfdag van de auteur verzorgde hij nu ook twee uitgaven die prachtige inleidingen vormen op het oeuvre en de gedachtewereld van de ‘tovenaar uit Praag’. In Kafka voor beginners geeft hij een beknopt overzicht van zijn leven van zijn vroegste inspiratie tot zijn latere romans, zijn rake beschrijvingen, zijn ziekte en zijn vriendschappen en zijn humor.

    Hoewel velen bij Kafka vooral denken aan de romans ‘Het proces’, ‘Het slot’ en ‘Amerika’ of aan zijn korte verhalen als ‘De gedaanteverwisseling’ en ‘Een hongerkunstenaar’ zijn daarnaast zijn vele brieven indrukwekkend. Ook uit die brieven maakte Van Toorn een selectie in Ik moet u zo ontzettend veel schrijven. De brieven zijn uit de jaren  1900 tot 1920 en door Van Toorn voorzien van een toelichting.

    Kafka voor beginners
    Auteur: Willem van Toorn
    Uitgeverij: Athenaeum

    Walvistij

    Walvistij is de debuutroman van de Engelse  Elizabeth O’Connor (geb. 1992), die daarvoor bekend was van haar korte verhalen. De roman speelt zich af in de laatste vier maanden van 1938, kort voor de oorlog dus, op een afgelegen eiland voor de kust van Wales. Er wonen maar twaalf gezinnen, waaronder dat van de 18-jarige Manod, haar zus en haar vader (hoe het zit met de moeder wordt later in de roman duidelijk). Ze is geboren op 20 januari 1920, maar haar geboorteakte vermeldt 30 januari ‘omdat mijn vader niet eerder bij het bevolkingsregister op het vasteland kon zijn’.
    De komst van twee antropologen, Edward en Joan, die de bevolking en de geschiedenis van het eiland willen bestuderen, maakt dat Manod nieuwsgierig wordt naar het vasteland en ze ziet er een kans in om aan de bekrompenheid van haar omgeving te ontsnappen.
    Het verhaal krijgt een onheilspellende wending als een walvis aanspoelt waarvan de bewoners zich niet lijken te kunnen ontdoen:  ‘De walvis strandde ’s nachts op een van de platen voor het eiland. Hij dook op uit het water als een kat die onder een deur door kruipt. Hij werd door niemand opgemerkt, niet door de lichtcirkel van de vuurtoren op het water, niet door de vissers die ’s nachts op hun wijting en tong visten, niet door de boeren die bij zonsopgang hun vee over de heuvel leidden (…) Volgens enkele ouderen was het een teken, hoewel ze het er niet over eens waren of het een goed of slecht teken was. Meneer Jones, de dominee, las bijna elke week de Engelse kranten, maar volgens hem was er niets dat de komst van het dier kon verklaren’.

    Walvistij
    Auteur: Elizabeth O'Connor
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Het Dalkey-archief

    De boeken van de Ier Flann O’Brien (1911-1966) worden bevolkt door bizarre figuren en de setting is meestal absurdistisch. In het in 2010 in het Nederlands verschenen Op twee-Vogel-Wad voerde O’Brien bijvoorbeeld een schrijver op die personages schept die tegen hem in opstand komen en in De derde politieman, dat in 1972 in het Nederlands verscheen pleegt een schrijver een roofmoord omdat hij een wetenschappelijk commentaar wil uitgeven op de natuurkundige theorieën van een waanzinnig geleerde, De Selby. Deze zelfde De Selby duikt op in Het Dalkey-archief, O’Briens roman uit 1964 (Dalkey is een slaperig kuststadje op 20 km van Dublin). De geleerde probeert deze keer de wereld te vernietigen door alle zuurstof uit de lucht te halen en whisky te laten rijpen door toepassing van de relativiteitstheorie: de drank kan dan in een paar uur decennia ouder worden. In de roman figureren verder Sint Augustinus, in gesprek met De Selby, en James Joyce die zijn overlijdensbericht vervalst heeft. En voor wie de verwikkelingen nog niet absurd genoeg zijn is er het klankrijke taalgebruik: ‘In deze landstreken, merkte De Selby op, wemelt het wonderbaarlijk van klaplopers, kwistenbiebels en kusmekloten’. Laat dat soort vertalingen maar over aan Robbert-Jan Henkes. Hij verzorgde ook een nawoord bij de roman.

    Het Dalkey-archief
    Auteur: Flann O'Brien
    Uitgeverij: Koppernik