• Meesterlijk beschreven

    Meesterlijk beschreven

    Had ik nu echt tijdens een borrel tegen een schrijver gezegd dat ik aan een boek werk? Op de gekste momenten komt het bij me naar boven. Als een pop-up op de online pagina van een dagelijkse krant. Het verstoort mijn denken, zou het willen wegklikken.

    Het is dat hij het vroeg, de schrijver. Tijdens die borrel werd hij geïnterviewd over zijn boek Het archief. Na afloop vroeg hij (indringende blik) wat ik meer deed dan redactiewerk, columns. Alsof ik iets op te biechten had, zei ik het, van het boek. Hij knikte, ‘Ja, ja.’ Alsof hij het wel gedacht had. 

    Als iemand me in ‘real life’ aanspreekt op dingen die online verschenen zijn, hakkel ik me erdoorheen, spreek met stompe woorden. Zoiets. Ik vrees dat het ook werkelijk een boek gaat worden. En dan. Hoe houd je de dingen uit elkaar.

    Nog een geluk dat ik niet over zijn moeder begon. Niet dat gesprek voerde dat fietsend vanaf het station naar de borrel zomaar in mijn hoofd ontstond. ‘Goh, ik zag je moeder afgelopen zomer op Terschelling.’ Dat hij zou zeggen, ‘Oh, wat leuk, ja, ze heeft daar een huisje.’ Ik onderbrak mezelf: ‘Oh nee, geen sprake van. Je zegt niet dat je zijn moeder op een vroege ochtend bij een duinopgang op Terschelling zag.’ 

    Ik ging die ochtend met de jongste dochter zwemmen in zee. We kwamen niemand tegen.Toen zag ik haar aankomen fietsen. Ze stopte bij duinopgang Formerum, juist waar wij naar boven moesten. Ze zag er ontspannen uit, mooi ook, ze droeg iets in zwart wit. Mijn dochter had geen idee. Ik fluisterde, alsof het een zeldzaam duinvogeltje betrof dat ik niet wilde doen opschrikken, ‘Kijk, daar staat een belangrijk feministisch schrijfster, weduwe van die en die.’ Bij het zien van haar aanwezigheid, begreep ik opeens dat het wegvallen van een partner verdrietig en bevrijdend kan zijn. Het Beladen huis was nog niet verschenen. 

    Eigenlijk wilde ik het hebben over Het archief. Ik loop er al maanden mee, maar dan verschijnt die pop-up weer in mijn hoofd. Nee, dat is niet het ergste, wel het ontbreken van de juiste omschrijving van dit boek. Steeds denk ik, het is meer dan een geweldig knap geschreven boek over een literair tijdschrift. Het gaat om hoe de dingen samenvallen. De schrijver met zijn verhaal, het alter ego van de schrijver met de vader, de moeder uit Het archief, en dat weer met het dus later verschenen Beladen huis. Dat het oprechte personages zijn, er oprechte verlangens spelen. Dat verlangens een drijfveer zijn om ergens te komen. 

    Het alter ego van de schrijver wil van betekenis zijn in de literatuur. Al is het maar in de marge, als redacteur van het literaire tijdschrift Arabesk bijvoorbeeld.  Even was het alter ego bang dat hij gevraagd werd op de merites van zijn bekende vader. Dan wordt duidelijk hoe belangrijk de goedkeuring van zijn vader voor hem is. Hij legt het aanbod zijn vader (oud-hoofdredacteur opinieweekblad, programmamaker, acteur, schrijver) voor. Die zegt: ‘Mijn advies: gewoon ja zeggen.’
    Als je daarvoor gevraagd wordt, zeg je geen nee. Vertel mij wat.

    Maar dat de dingen zich niet laat dwingen, ook niet in een literair tijdschrift. Literatuur op zich is geen ‘spread the word’ ding.

    Ik lees over de nauwgezet beschreven redactievergaderingen, kwaliteit van ingezonden stukken, presentaties nieuwe edities, hoop (die gaandeweg vervliegt) op meer abonnees, zoeken naar een nieuwe uitgever, weer een nieuwe uitgever.En daar tussendoor de uitzonderlijk tedere beschrijvingen van de vader. De meesterlijk beschreven observaties. Zoals de dag dat zijn vader de diagnose kanker stadium vijf krijgt. De specialist zegt: ‘“(..) ik kan me voorstellen dat dit alles u nu een heel onwerkelijk, akelig gevoeletje geeft. Maar ik zou u willen vragen: heeft u een fijn leven gehad?” Mijn vaders handen belanden op de stoelleuningen, vielen ervan af, hij knipperde druk met zijn ogen. (…)
    “Jawel”, zei mijn vader. “Alleen het was nog niet helemaal klaar. En… ik ben niet zo geneigd tot grote tevredenheid.”
    “Het gras is groener aan de overkant?” vroeg de specialist.
    “Het gras is gewoon niet zo groen.’”

    De vader die daarna in het  ziekenhuiscafé bibberend een kopje thee drinkt. ‘Pas in de taxi naar huis vloekte hij. “Godverdomme zeg,” doorbrak hij de minutenlange stilte. “Had die arts het nou over een gevoeletje?”’
    Dat de vader overal bovenuit stijgt, daar kan een literair tijdschrift niet tegenop. Ik heb het over een zeer goed boek. 



    Het archief / Thomas Heerma van Voss / 274 blz. / DasMag


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en ziet.

     

  • Literair Nederland duikt met Thomas Heerma van Voss Het archief in

    Literair Nederland duikt met Thomas Heerma van Voss Het archief in

    Op zaterdag 30 november kwamen recensenten en redactieleden van Literair Nederland en Jong Literair Nederland samen in antiquariaat Hinderickx & Winderickx in Utrecht voor de jaarlijkse borrel. Ook Thomas Heerma van Voss was erbij. Hij kwam praten over zijn roman, Het archief. In 2009 debuteerde Heerma van Voss met de roman De allestafel. Sindsdien schreef hij essays, korte verhalen en drie romans, waarvan de laatste, Het archief, deels is gebaseerd op zijn ervaringen bij literair tijdschrift De Revisor. Als nieuwste redactielid van Literair Nederland ging ik met hem in gesprek. Over redactie voeren, het belang van literaire tijdschriften en goed kunnen kijken naar kleine dingen.

     

    Het archief gaat over Pierre, die als ‘veelbelovend jong redactielid’ plaatsneemt in de redactie van literair tijdschrift Arabesk. Wat is hij voor iemand? 

    ‘Pierre is iemand die zich in de luwte wil bekommeren om wat anderen ontgaat. Hij is beschouwend, vaak meer analytisch dan deelnemend en heeft een groot hart voor de literaire zaak, zonder dat hij precies weet wat hij daarmee moet, kan of wil. Als hij gevraagd wordt om bij de redactie te komen zegt hij al snel ja.’


    Wat is Arabesk voor tijdschrift, hoe staat het blad ervoor?

    Arabesk is verwant met literair tijdschrift De Revisor, waar ik vanaf 2015 of was het 2014, zeven jaren in de redactie heb gezeten. Wat daar ingewikkeld was, en dat merkt Pierre ook bij Arabesk, is dat er voortdurend verwezen werd naar het roemruchte verleden, soms expliciet, soms impliciet. En de situatie is in het heden natuurlijk heel anders dan vroeger. Inmiddels heeft Arabesk meer inzendingen dan abonnees.’ 


    En is er een uitgeverij die de gang van zaken bekritiseert.

    ‘De uitgeverij die Arabesk uitgeeft, zegt tegen Pierre en de drie andere redacteuren: probeer te verjongen. Er worden initiatieven geopperd om het blad online zichtbaarder te maken. Met een zogeheten ‘diversiteitssubsidie’wordt er een externe redacteur met een multiculturele achtergrond ingeschakeld om de boel op te schudden. Dat is nodig en belangrijk, het blad is te traditioneel, te stoffig en te wit, maar het is tegelijkertijd ook een potsierlijke vertoning: ze betalen iemand om hardop te zeggen wat ze zelf al weten. Daarnaast leveren de beginnende vertalers en dichters die deze externe Arabesk-redacteur aandraagt matige stukken in. De redactieleden worstelen met de vraag of ze die moeten plaatsen. Aan goede intenties en welwillendheid is er bij Arabesk geen gebrek, alleen wordt de vraag steeds groter hoe de redactie het moet aanpakken, wat zin heeft en of het blad wel per se in stand gehouden moet worden.’


    Misschien is het probleem ook dat veel mensen geen weet hebben van het bestaan van literaire tijdschriften.

    ‘Mijn boek is een paar maanden geleden verschenen. Ervoor had ik met een PR-medewerker van uitgeverij DasMag een overleg. Hij zei: leg in elk interview opnieuw uit wat een literair blad is, want niemand weet dat nog. Dus hoorde ik mezelf in de radiogesprekken die ik had steeds zeggen: een literair tijdschrift bestaat uit literaire verhalen, essays en gedichten, het heeft vaak een kleine oplage maar dient wel als kweekvijver, enzovoorts.’ 


    Het eerste hoofdstuk gaat over Pierre en zijn vader, die een enorm archief bijhoudt. Wat is Pierres vader voor een man?

    ‘Hij is zo iemand die, zonder veel te zeggen, heel aanwezig kan zijn. Hij heeft zich verschanst in zijn kamer met allemaal papieren, allemaal oude tijdschriften. Hij was ooit ook redacteur en journalist en hij hecht eraan dingen te bewaren, te begrijpen waar iets vandaan komt.’


    Hoe is Pierre door hem beïnvloed?

    ‘Ik denk dat verlangens vaak halfbewust tot stand komen. Dus er zitten geen expliciete passages in het boek waarin Pierre denkt: “Ik zit bij dit blad omdat mijn vader dit interessant vindt.” Maar dat idee spreekt wel uit alles wat hij doet. Zijn vader is heel prominent aanwezig. Voor ik aan Het archief begon, was ik al bezig met een tekst over een blad waarvan ik niet wist hoe het verder moest gaan, wat het moest worden. Pas vanaf het moment dat ik dacht: “O wacht, er moet een vader in en ik weet hoe het met die vader moet aflopen”, werd het een roman.’

    Pierres vader wordt erg ziek. Pierre kan daar niets aan veranderen, een parallel met de teloorgang van het tijdschrift. Hij staat erbij en kijkt ernaar. Hoe vond je het om Pierre te schrijven?


    ‘Ik houd van boeken waarin de zwaarte de lichtheid versterkt en andersom. En ik houd van een hoofdpersoon die goed om zich heen kijkt. Ik denk dat Pierre die blik ook deelt met zijn vader: goed kijken naar kleine dingen. Het boek gaat over verschillende manieren om je te verhouden tot iets dat aan het verdwijnen is. Pierre probeert alles te doen wat hij kan, maar ja, wat kan je doen als een naaste heel ziek is? Je kan het niet verbeteren, je kan er wel zijn.’


    Pierres moeder neemt in het boek weinig ruimte in. Toch heeft ze een fascinerende relatie met Pierres vader.

    ‘Pierres ouders zijn al heel lang samen. Hun huwelijk uitpluizen is niet waar zijn blik op was gericht, dus dat zit relatief weinig in het boek. Zijn moeder heeft nooit precies begrepen hoe haar man in elkaar zit. Of ze heeft nooit de goede toon gevonden. Ze hebben allebei een andere manier van leven. Als het einde dan ineens zo concreet opdoemt, is daar geen ontkomen meer aan. De een wil antwoorden, de ander wil niets zeggen.’ 


    En hoe zit het met de relatie tussen Pierre en Lucie, zijn vriendin.

    ‘Lucie is er door het hele boek heen. Een van de moeilijkheden, dat is meer technisch, met het schrijven van Het archief was dat er in de redactietijd een spanningsboog moest zitten. Die periode duurt vier, vijf jaar. Dus ik moest suggereren dat er jarenlang leven is buiten het blad, zonder dat het daar te veel over gaat. Ik wilde daarbij per se een goede relatie, omdat het te voorspelbaar is als Pierres redacteurschap negatieve invloed heeft op zijn relatie met Lucie. Ze is iemand op wie hij kan leunen, een soort baken.’


    Er is een gedrukte editie van Arabesk met bijdragen van een aantal schrijvers die we kennen uit Het archief, waaronder Pierre. De echte schrijvers ervan staan achterin vermeld. Heb jezelf de redactie ervan gedaan? 

    ‘Ja, dat was heel leuk om te doen. In Het archief beschrijf ik allerlei teksten uit Arabesk, maar ik kon natuurlijk amper uit het blad citeren, dan zou je een onevenwichtig boek krijgen. Toen mijn roman af was maar het nog maanden zou duren voor hij verscheen, heb ik de uitgeverij gevraagd of we niet, ter promotie, eenmalig een uitgave van Arabesk konden maken. Ik dacht dat ze zouden zeggen: “Nee, dat wordt te duur, te veel gedoe”, maar ze zeiden dat het prima was als ik het zelf regelde. Dus heb ik een overzicht gemaakt van alle verwijzingen in de roman naar Arabesk en ben ik schrijvers gaan vragen. Wat me in positieve zin verraste, was dat iedereen die ik hiervoor vroeg het leuk vond om onder zo’n Arabesk-pseudoniem te schrijven. De schrijvers konden zich uitleven. Het werd een rollenspel op papier.’


    Hoe reageerden redactieleden van andere literaire tijdschriften. Zijn ze blij met de aandacht?

    ‘Het is  niet zo dat alle redacties hebben gereageerd. Wel heb ik van meerdere mensen gehoord dat ze na het lezen een abonnement gingen nemen op een literair blad. Dat was natuurlijk niet een doel op zich van mijn boek, wel is het een fijne bijvangst.’

     

     

    Op de foto: Thomas Heerma van Voss en Juno Blaauw
    (Foto: Carolien Lohmeijer)


     

     

     

     

     

     

    Het archief / Thomas Heerma van Voss / uitgeverij DasMag / 274 blz.