• Oogst week 27 – 2023

    Ideeën – Het boek Le Grand

    Welke passage over de liefde zou beroemder zijn: Korintiërs 1 vers 13 of ‘Es ist was es ist, sagt die Liebe’? De laatste zin komt van dichter Heinrich Heine, de geestelijk vader van onder andere Die Lorelei. Als vertegenwoordiger van de Romantiek vermengt hij in zijn oeuvre bittere ernst met zwartgallige humor, mislukking met triomf, liefde voor kunst met maatschappijkritiek. Hij waarschuwt zelfs voor regimes die boeken verbranden, want zulke regimes zullen hetzelfde met mensen doen. Dat hij tijdens het Derde Rijk logischerwijs zélf onder ‘entartete Kunst’ viel, heeft zijn status allerminst bezoedeld. Eén van zijn vroegste prozawerken uit 1827, Ideen – das Buch Le Grand, kent eindelijk een Nederlandse vertaling van Ria van Hengel. In dit boek toont Heine zich de humorist én criticus van wie Duitsland zo veel houdt.

    In Ideeën – het boek Le Grand vertelt Heine over zijn jeugd en eerste liefdes, zijn bewondering voor revolutionair Napoleon én een bijzondere trommelaar. Even beroemd als Oskar uit Die Blechtrommel van Günter Grass is deze monsieur Le Grand weliswaar niet, maar de drummende tamboer-majoor dicteert wel de cadans waarin Heine schrijft. Zo blijft de dichter Heine altijd aanwezig in de bij vlagen polemische, journalistieke teksten. Het verbaast overigens niet dat talloze schrijfsels van Heine postuum tot lied zijn omgetoverd. Uiteindelijk kiest de romanticus voor een leven (en levenseinde) in Parijs. De opmaat naar deze zelfgekozen emigratie klinkt al door in Ideeën – het boek Le Grand. Weggaan doet zeer, maar hoe zit dat met weten dat je ooit weg zult gaan?

    Ideeën - Het boek Le Grand
    Auteur: Heinrich Heine
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. van Oorschot

    Het volle leven

    De ultieme inspiratiebron van Charles Bukowski heet John Fante (1909 – 1983). Dat belooft wat. Deze zoon van een Italiaanse immigrant maakt in de jaren ’30 furore met de boeken Wait until spring, Bandini en Ask the Dust. Aangezien Fante uitwijkt van Colorado naar Los Angeles, wordt één aantrekkelijk scenario bewaarheid: hij mag filmscripts gaan schrijven. Maar waar zijn eerste twee romans zeer geschikt zijn voor het witte doek, zit dat anders met de biografische roman Het volle leven, origineel Full of Life (1952). Het blijkt een romcom, zonder dat er echt iets te lachen valt. Niettemin wordt het boek een gigantisch commercieel succes. Zonder gêne kiest Fante voor de Amerikaanse droom van financiële onafhankelijkheid: “My business in life is to save myself. (…) I shall not dirty my hands trying to save the masses.” Scoren dus.

    Deze lelijke waarheid, waarover Fante altijd eerlijk is geweest, verweeft hij in al zijn boeken. In het voorwoord van Het volle leven noemt Jaap Scholten John Fante de grootmeester van het verlangen. Inderdaad is verlangen de drijvende kracht achter de American Dream, waar Full of Life aan appelleert: nooit is het genoeg, altijd lonkt de belofte naar meer. Tegelijk laat Fantes carrière zien hoe gewoontjes en toevallig het leven van een schrijver in een stroomversnelling raakt. Pas als filmscenarist begint hij de successen te boeken die hem uit de armoede van zijn jeugd sleuren. Het volle leven is zo Amerikaans als wat: ene John krijgt vrouw en kind, maakt ruzie met zijn bemoeizuchtige Italiaanse ouders én worstelt zich omhoog in de arena van Los Angeles. Want net als nu, was het toen flink sappelen voor de broodschrijvers in Hollywood…

    Het volle leven
    Auteur: John Fante
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    De amuletten van de liefde en van de wapenen – een trilogie

    Kort na de Tweede Wereldoorlog verschijnen drie liefdesverhalen van Andreas Embirikos. Hij is Griekenlands beroemdste psychoanalyticus en surrealist. Argo of de Ballonvaart, Zemfyra of het Geheim van Pasiphaë en Beatrice of de Liefde van Buffalo Bill komen pas in 2012 als drieluik samen tot De amuletten van de liefde en van de wapenen. In deze trilogie verkent Embirikos de grens tussen lust en liefde en kiest hij voor een vrijzinnige ondertoon. Dit deed hij overigens al eerder in het erotische O Megas Anatolikos. Anders gezegd: niet voor niets kent het fenomeen ‘porneia’ zijn oorsprong in het oude Griekenland. Argo speelt zich af in Zuid-Amerika, Zemfyra in Parijs en Beatrice in de VS. De liefde komt voorbij in respectievelijk goede vs. slechte lust, relatietherapie en ware liefde.

    Vertaler Hero Hokwerda merkt op dat moderne Griekse literatuur allang niet meer hoofdzakelijk doordrenkt is met de mythologie uit de Klassieke Oudheid. Deze ontwikkeling dankt zij mede aan modernisten als Andreas Embirikos. Toch dringt de associatie met een zwaarwegende, eeuwenoude traditie zich op in De amuletten van de liefde en van de wapenen. Argo is de boot waarop Iason en de Argonauten koers zetten naar Het Gulden Vlies. Pasiphaë bevalt van de beroemde Minotaurus na gemeenschap met een witte stier. En Beatrice is de muze van niemand minder dan Dante Alighieri, de schrijver van De Goddelijke Komedie. Je zou haast denken dat er alleen over erotiek geschreven mag worden, zolang de grote namen een eervolle vermelding krijgen. Rode oortjes vallen niet op onder het schijnsel van een aureool.

     

    De amuletten van de liefde en van de wapenen - een trilogie
    Auteur: Andreas Embirikos
    Uitgeverij: Ta Grammata
  • Zo kun je ook opgroeien

    Zo kun je ook opgroeien

    De geschiedenis van het moderne Griekenland is voor veel mensen in Nederland onbekende kost. Bij Griekenland denken wij al gauw aan zonnige stranden, de klassieke oudheid, Athene, de Acropolis en, oh ja, Jeroen Dijsselbloems framing van de Griekse mentaliteit met zijn uitspraak over drank, vrouwen en wanbetaling. Veel verder komen de meeste mensen niet. In zijn boek  Blauwe en rode ziel geeft de Griekse schrijver Periklis Sfyridis een ander, veel genuanceerder beeld van Griekenland. 

    Autobiografisch portret

    Sfyridis schetst een autobiografisch portret van zijn leven tijdens drie cruciale periodes in de Griekse geschiedenis van de twintigste eeuw. Hij vertelt over zijn jeugdjaren. Zijn eerste levensjaren brengt hij door in een opvangkrot voor vluchtelingen aan de rand van Thessaloniki. In 1941 vlucht hij voor de Duitsers naar de familie van zijn vader op het eiland Skyros, dat later dat jaar wordt bezet door de Italianen die er een schrikbewind uitoefenen. Eind mei 1942 keert de familie, door de honger gedreven, terug naar het door de Duitsers bezette Thessaloniki. Na het vertrek van de Duitsers eind 1944 breekt van 1945 tot eind 1949 de burgeroorlog uit tussen de door Engelsen en Amerikanen gesteunde regeringstroepen en de communisten. Zijn leven lang blijft Sfyridis wonen in Thessaloniki. Daar studeert hij tijdens de wederopbouw af als arts en maakt hij de kolonelsdictatuur van 1967-1974 mee. Sfyridis is een rasverteller en geeft aan de hand van tal van liefdevolle portretjes van familieleden een levendig beeld van de gecompliceerde geschiedenis van het moderne Griekenland. 

    Verzetsheld?

    Het boek begint met de terugkomst van zijn oom Iraklis uit het verzet in oktober 1944. Hij wordt als held ontvangen door de 12-jarige Periklis en zijn vrienden. Als Periklis hem vraagt of hij met zijn revolver mag spelen, geeft hij hem deze met de woorden: ‘Hiermee hebben we ze afgeslacht.’ Of hij daarmee doelde op de Duitsers of de Griekse collaborateurs van de anticommunistische Veiligheidsbataljons blijft onduidelijk. Aan het eind van het eerste deel over de bezettingsjaren komt Sfyridis terug op dit voorval. Hij vertelt dat zijn oom hem even later niet toestaat met de revolver te schieten omdat ‘dat geen zaken voor kinderen zijn’. Periklis moet daar een beetje om lachen en zegt dat hij allang geen kind meer is. Hij vertelt Iraklis over het bombardement van de Engelsen aan het eind van de oorlog, de doden en gewonden die daarbij zijn gevallen, over de afrekeningen van de linkse OPLA (de communistische geheime politie) met collaborateurs van de gehate Veiligheidsbataljons, over de meest gruwelijke moordpartijen die zich tijdens de oorlog in zijn buurt hebben afgespeeld. Iraklis zwijgt eventjes en zegt dan: ‘Weet je, zelf heb ik er nog geen kogel mee afgevuurd.’  Als hij kort daarna zijn uniform met de drie sterren definitief aan de wilgen hangt om zijn positie in de burgermaatschappij op het telegraafkantoor veilig te stellen, valt hij als held, in de ogen van de jongen en zijn vrienden, definitief van zijn sokkel. 

    Liefdevolle portretjes in een gepolariseerde wereld

    Door zijn verhaal over de bezettingsjaren zo in te bedden, geeft Sfyridis een liefdevolle, psychologische verdieping aan zijn familieleden. Liefde verdraagt zich immers slecht met heldendom. Bovendien veegt hij daarmee het simplistische beeld van tafel dat er in een oorlog alleen maar helden en verraders zijn, een kinderlijk beeld dat past bij zijn leeftijd in die jaren, maar waar hij later als volwassene, in deze roman, afstand van doet. 

    Naast de pragmatische, linkse Iraklis en zijn liberale vader heeft Periklis ook een communistische oom, Platon. Tijdens de burgeroorlog komt deze in grote problemen en wordt veroordeeld tot de doodstraf. Vooral dankzij Sfyridis’ moeder, zus van Platon, weet hij daaraan te ontkomen. Zoals verreweg de meeste Griekse vrouwen bemoeit zijn moeder zich niet met politiek, maar zij is trouw aan haar familie. Deze ideologische scheidslijnen, door Sfyridis in de titel van zijn boek aangegeven met de kleuren blauw en rood, verdelen na de oorlog de meeste Griekse families. De Koude Oorlog heeft diepe sporen achtergelaten in de Griekse samenleving na de oorlog. De regering diende natuurlijk, op aandringen van de Engelsen en Amerikanen, anticommunistisch te zijn. Zij steunde voor een aanzienlijk deel op de collaborateurs van de Veiligheidsbataljons, die verantwoordelijk waren voor tal van massamoorden tijdens de oorlog. Dit heeft gezorgd voor een endemisch wantrouwen van veel Grieken tegenover elke regering. (Stel je voor dat er in Nederland na de oorlog een regering onder leiding van de NSB zou zijn geweest, gesteund door de geallieerden!) De jaren van de burgeroorlog vormen zo een prelude op het kolonelsregime. 

    Overrompelend, noodzakelijk en verbijsterend

    Blauwe en rode ziel is in zeker opzicht een overrompelend boek over opgroeien in een gevaarlijke wereld, waarin honger en armoede altijd op de loer liggen, waarin het gevaar nooit ver weg is, waarin emoties hoog oplopen, waarin liefde en trouw voor familie en vrienden de enige bakens zijn waarop je kunt bouwen, waarin blauw en rood niet zomaar kleuren zijn, maar merktekens voor vriend of vijand. Mensen worden grotendeels gevormd door hun geschiedenis. Daarom is Blauwe en rode ziel ook een noodzakelijk boek. Het schetst een wereld waarvan de meeste mensen in Nederland geen weet hebben, maar waarover we wel vaak een oordeel hebben. En dan is het ook nog een verbijsterend boek, omdat het raakt aan gebeurtenissen, die grotendeels buiten de horizon van Periklis Sfyridis liggen, maar waarvan hij zich wel bewust is dat die hebben plaatsgevonden in zijn wereld. De uitroeiing van de Joodse gemeenschap van Thessaloniki, die zich afspeelde in een wijk van de stad waar hij nooit kwam en de Klein-Aziatische Catastrofe van 1922 (de verdrijving van alle Grieken uit Turkije), waardoor opa Diamandis verdreven werd uit zijn herenhuis in Constantinopel en als armoedzaaier in een opvangkrot voor vluchtelingen was beland in de periferie van Thessaloniki. 

    Hoewel het verhaal goed geschreven is, dicht op de huid, beeldend en met een liefdevolle kijk op de mensen, is het beslist zinvol dat vertaler en redacteur Hero Hokwerda in het nawoord de Griekse politiek en geschiedenis toelicht en in de tijd plaatst. Het is zeker aan te raden dit nawoord te lezen alvorens aan het eigenlijke verhaal te beginnen.

     

  • Een bijbelse parabel 

    Een bijbelse parabel 

    Uitgeverij Wereldbibliotheek geeft opnieuw het werk van de Griekse schrijver Nikos Kazantzakis (1882-1957) uit. Vorig jaar verscheen Leven en wandel van Zorbás de Griek, dit jaar verscheen zijn roman uit 1948, Christus wordt weer gekruisigd  in een nieuwe vertaling van Hero Hokwerda. Voor volgend jaar staat een nieuwe vertaling van Kapitein Michalis op de rol. Al deze drie boeken zijn verfilmd. Kazantkis schreef een omvangrijk literair oeuvre; in 1957 verloor hij met één stem verschil de Nobelprijs aan Albert Camus.

    Kort na de oorlog was Kazantkis politiek actief geweest als leider van een kleine sociaaldemocratische partij. Zijn doel was om de niet-communistische progressieve Grieken te verenigen, maar dat mislukte: zij kregen geen voet aan de grond en werden vermalen tussen de communisten en conservatieven. Teleurgesteld verliet Kazantzakis zijn land en vestigde zich in Zuid-Frankrijk waar hij tot zijn dood zou blijven wonen. Hij overleed uiteindelijk in Duitsland en is begraven op Kreta.

    Een bijbels verhaal
    In het rijke Griekse dorp Lykóvrysi hebben de notabelen kort na Pasen de dorpelingen aangewezen die het volgende jaar het passiespel moeten gaan spelen. Dat wordt eens in de zeven jaar opgevoerd en de rolverdeling is belangrijk. Onder leiding van pope Grigoris kiezen de notabelen wie Jezus, Petrus, Johannes, Jacobus, Judas en Maria zullen spelen.
    De dorpelingen zijn welvarend, hun landerijen leveren veel op; zij leiden een leven van eten, raki drinken, en luieren.

    Diezelfde avond komt er grote groep Griekse uitgemergelde vluchtelingen in het dorp aan, die door de Turken uit hun dorp zijn verjaagd. Zij zijn al drie jaar op de vlucht en hopen in het welvarende Lykóvrysi ‘wortel te kunnen schieten’. De notabelen willen daar echter onder aanvoering van pope Grigoris niets van weten. De dorpelingen die zijn aangewezen om het passiespel te spelen zijn het daar niet mee eens en helpen de vluchtelingen aan een slaapplaats en eten. Zij identificeren zich al snel met hun rol en vanaf dat moment is het oorlog tussen de dorpelingen, de passiespelers en de vluchtelingen. Wanneer Michelis – Johannes – de erfenis van zijn vader, (wijn- en olijfgaarden, zijn huis) aan de vluchtelingen vermaakt, bereikt het conflict zijn hoogtepunt. Het dorp accepteert het niet, en stelt de herder Manolis –  Jezus  – hiervoor verantwoordelijk. Pope Grigoris hitst de dorpelingen op en zij lynchen Manolis: Christus wordt weer gekruisigd.

    De Turkse Aga (bestuurder) van het dorp roept de hulp in van Turkse troepen en voor die dreiging zwichten de vluchtelingen: zij vertrekken. Hoewel deze Christelijke roman een voorspelbare afloop kent met de dood van Jezus, is het einde wel positief: de vluchtelingen trekken verder, ‘in de richting van de opkomende zon’, een nieuwe toekomst tegemoet. Zij blijven optimistisch.

    Actualiteit
    De strijd tussen de welvarende dorpelingen en hongerige vluchtelingen vertoont opvallende gelijkenis met het huidige conflict in Europa over de opvang van vluchtelingen. In die zin is dit boek zeer actueel. De negatieve reactie van de dorpelingen op de komst van de vluchtelingen vertoont veel overeenkomst met de reactie in vele Europese landen op de komst van asielzoekers.

    Dat Christus weer wordt gekruisigd is evenwel geen hoopvol teken: de mensheid heeft in die 2000 jaar weinig geleerd en valt in herhaling. En ook hedentendage is de opvang van vluchtelingen in Europa geen vanzelfsprekende menslievendheid. De huidige Duitse christendemocratische premier Merkel is bijvoorbeeld zwaar bekritiseerd om haar uitspraken, verketterd bijna, en haar politieke lot hangt aan een zijden draadje.

    Kazantzakis had weinig op met het geloof zoals dat in zijn tijd werd beleden. Wel was hij geïnteresseerd in de betekenis van religie  voor de mensheid. Het bleef hem zijn leven lang bezighouden; hoewel voormalig communist vond hij religie uiteindelijk wel belangrijker dan politiek: het gaf meer hoop en vooral zicht op een leven na de dood.

    Ook het antagonisme tussen Griekenland en Turkije is verweven in het verhaal. Lykovrysi staat onder leiding van de Aga, die het Turkse gezag personificeert en verantwoordelijk is voor de openbare orde. Hij doet niet veel, laat bijna alles over aan de dorpelingen zelf en grijpt alleen maar in wanneer pope Grigoris daarom vraagt. Wanneer de vluchtelingen vanuit hun holen in de rotsen naar het dorp willen komen, houdt hij ze op verzoek van pope Grigoris tegen. Hij begrijpt van die Grieken niet veel, maar doet het wel omdat hij inziet dat zijn rust anders wordt verstoord. Het boek opent ook met hem:

    Op zijn balkon boven het dorpsplein zit de Aga van Lykovrysi zijn lange pijp te roken en raki te drinken. De Aga laat zijn doezelige ogen half dichtzakken en schept behagen in de bovenwereld. Alles is wel gedaan door God, denkt hij, deze wereld is een geslaagd geheel waar niets aan ontbreekt: krijg je honger, dan is er brood en stoofvlees in tomatensaus en pilav met kaneel; krijg je dorst, dan is er het onsterfelijke water, de raki; word je doezelig, dan heeft God de slaap gemaakt, precies wat je nodig hebt bij doezeligheid; word je boos, dan is er de bullepees en het achterwerk van de raya (niet-mohammedaans onderdaan van het Ottomaanse Rijk); wordt het leven te even te veel, dan heeft hij het amanlied (klaaglied) gemaakt. En wil je de zorgen en smarten van de wereld vergeten, dan heeft hij Joesoefje gemaakt. 

    Een groot vakman, die Allah, mompelt hij geroerd. Een groot vakman, een levensgenieter en niet op zijn achterhoofd gevallen. Hoe is Hij me daar op het idee gekomen raki te maken, en Joesoefje.’

    Hiermee is de levensfilosofie en het karakter van de Aga mooi beschreven en deze roman er staat vol met dergelijke mooie beschrijvingen. Alle personages worden zo beschreven en gekarakteriseerd, ze gaan niet alleen voor je leven maar ook de leefgemeenschap van het dorp krijgt daarmee zijn betekenis. Het verhaal vervolgens is een rijk epos, lyrisch en beeldend beschreven. Allerlei verwikkelingen in het dorp, de onderlinge relaties en ruzies tussen de dorpelingen, het conflict tussen Michelis en zijn vader, de tegensteling tussen de rijke dorpelingen en arme vluchtelingen, het innerlijke conflict van Manolis als gevolg van zijn rol als Jezus, de mooi geschreven dialogen tussen de personages maken het boek zeer lezenswaardig.

     

     

  • Levensecht doch filosofisch icoon

    Levensecht doch filosofisch icoon

    De ‘baas’ is op weg naar Kreta, hij heeft er een concessie voor de winning van bruinkool. Er gaat ook een manuscript mee, daar kan hij op het paradijselijke eiland wellicht tussen de bedrijven door aan werken – een verhandeling over de Boeddha. In de haven van Piraeus, wachtend op de veerboot, heeft hij een bijzondere ontmoeting, een oude man van rond de vijfenzestig, boomlang, knokig… wat nog de meest indruk op me maakte, waren zijn spottende, droevige, onrustige ogen, een en al vuur. De man heet Alexis Zorbás en hij dringt zich op als reisgenoot, hij is bereid alles aan te pakken en heeft, naar eigen zeggen, vooral veel ervaring als mijnwerker: ik weet alles van erts, kan aders vinden, mijngangen openen, in gaten afdalen; ik ben niet bang. Een reddende engel, dus, de baas neemt hem prompt in dienst. De ontmoeting vindt plaats in het eerste hoofdstuk van Nikos Kazantzakis’ beroemde Leven en wandel van Zorbás de Griek, uit 1959. Er is zojuist een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen van Hero Hokwerda bij Wereldbibliotheek.

    De ‘baas’ is de verteller van het verhaal, je komt veel van hem te weten, maar niet zijn naam en bitter weinig over zijn achtergrond. Alom wordt aangenomen dat hij veel overeenkomsten heeft met Kazantzakis zélf. Dat klopt in ieder geval voor de preoccupatie met de Boeddha en het Boeddhisme – de schrijver studeerde in Parijs bij Henri Bergson en hield daar een levenslange fascinatie met Nietzsche – en dus het Boeddhisme – aan over. Zorbás de Griek staat vol met mijmeringen over de Boeddha, over begrippen als vrijheid, onthechting, gebondenheid, verantwoordelijkheid. Je moet je van hartstochten bevrijden! Dat is blijkbaar het streven. De baas weet het, maar zoekt wanhopig naar wegen om die moeilijke les in praktijk te brengen. Op het strand van Kreta heeft hij soms de illusie dat het einddoel dichterbij komt. De heilige eenzaamheid strekte zich vilein en verleidelijk als de woestijn voor me uit. Het sirenenlied van Boeddha steeg op van de grond en omwikkelde mijn innerlijk. De vraag is steeds wanneer hij zich uit de wereld kan terugtrekken, vrij, zonder angst, een en al plezier, zonder begeerten. Wanneer? Wanneer? Wanneer? Af en toe zit hij hele dagen aan het manuscript te werken, dan weer legt hij het teleurgesteld terzijde. Tenslotte is het klaar, maar de baas (en de schrijver) doet er dan niets meer mee. Hij maakt er een pakketje van en zet zijn naam erop. Symbolisch?

    De baas heeft ruim tijd om zich te bekommeren over zijn filosofische kwesties, want Zorbás doet al het echte werk. Hij huurt mijnwerkers in, is opzichter en ingenieur tegelijk, kookt, zingt, danst en zorgt voor gezelschap. Beide heren verblijven in een primitief optrekje aan het strand, waar ze slapen, drinken, eten en keuvelen. Ze zijn de beste maatjes ondanks hun uiteenlopende posities: de kapitalist tegenover de proletariër. Bovendien is de baas geschoold, in feite een kamergeleerde. Dat wordt hem ook onophoudelijk ingepeperd: Zorbás ziet niets in boekenwijsheid, het échte leven is de beste, de enige onderwijzer. De baas is verpest door die ‘vervloekte boeken’. Het anti-intellectualisme zal vast typerend zijn voor zo’n Griekse oerkracht, maar Kazantzakis neemt er opmerkelijk weinig afstand van. Zorbás stuurt zichzelf, zijn (feilloze) morele kompas zit in z’n hoofd. Zijn levenslust en nuchterheid wekken bewondering en misschien zelfs jaloezie. Zeker bij de baas: Deze man, dacht ik, is niet naar school geweest en zijn geest is niet bedorven geraakt. Hij heeft veel gezien, veel uitgehaald, veel doorgemaakt; zijn geest heeft zich geopend en zijn hart heeft zich verwijd, zonder dat hij zijn primitieve manhaftigheid verloor. Alle ingewikkelde problemen die voor ons onoplosbaar zijn, hakt hij in één klap door. Zorbás, kortom, is de Nobele Wilde, net als de Vrijdag van Robinson Crusoe, de Sancho Panza van Don Quichot of de Huckleberry Finn van Tom Sawyer. Ruwe bolster, blanke pit.

    Maar Kazantzakis gaat de schelmenroman voorbij, Zorbás is ongetwijfeld met enige levensechtheid geportretteerd, maar is vóór alles een filosofisch icoon, een Nietzscheaanse Übermensch. Alle elementen uit Also sprach Zarathustra komen in het personage van Zorbás samen. Ook hij heeft eerst moeten lijden om te komen tot zijn huidige staat van ‘verlichting’. In zijn jeugd heeft hij tegen de Turken en Bulgaren gevochten in Macedonië en een lugubere reeks gewelddadigheden gepleegd – naar hedendaagse maatstaven zou Zorbás zonder meer als oorlogsmisdadiger veroordeeld kunnen worden. Maar nu heeft hij zich opgewerkt tot een niveau van kinderlijke onschuld en creativiteit. Als de stemming goed is, pakt hij zijn sandouri en danst hij een zeïbékikos of een chasápikos. Maar uiteindelijk is hij z’n eigen baas en laat hij zich door niets of niemand dwingen. Het is geen toeval dat Zorbás zich God voorstelt zoals hij zelf is, alleen langer, sterker, geschifter en onsterfelijk.

    Zorbás de Griek is teveel traktaat, te weinig roman, de charmes zijn er in de loop van de tijd teveel afgesleten – of misschien is iedereen op het verkeerde been gezet door de verfilming van Michael Cacoyannis met Anthony Quinn in de rol van Zorbás, dat was één en al onbezorgde vrolijkheid. Beter dan het boek. Wat vooral opvalt is de grenzeloze vrouwenhaat die uit het boek walmt – ligt dat ook besloten in het Nietzscheaanse wereldbeeld of is dat authentiek Kazantzakis? Een probleem waarmee de baas en Zorbás voortdurend worstelen is of vrouwen eigenlijk wel mensen zijn. Zorbás maakt er niet al teveel problemen van: een vrouw is een bron, je drinkt ervan tot je botten ervan kraken en daarna komt er iemand anders die dorst heeft, en later weer iemand anders, zo zijn bronnen en zo is de vrouw. Vrouwen moeten gepakt worden en je pleegt een doodzonde als je dat nalaat. Verder zijn vrouwen zwakke en klaaglijke schepsels, beslist geen echte mensen. De kwalificaties die de voormalige hoerenmadam Hortense krijgt aangemeten liegen er dan ook niet om: zeug, lellebel, platgenaaide scheepsvaandel, vette, rotte sirene, heupwiegende zeekoe. Als de ‘weduwe’, het liefje van de baas, door de dorpelingen gestenigd wordt en onthoofd, kijkt hij zelf passief toe. Een dag later besluit hij dat het zo had moeten zijn, geen spoor van wroeging of ongemak.

    Kazantzakis is geen literaire hoogvlieger, maar dat kan ook aan de vertaling liggen. Vertaler Hokwerda wisselt nogal eens van register en heeft een vreemde voorliefde voor sommige archaïsche woorden, de een na de ander verkeert in agonie. In het dorp zijn geen tuinen maar gaarden. In zijn interessante nawoord gaat hij uitvoerig in op het leven en werk van Kazantzakis, minder op de vertaling. Hij wijdt hij een halve voetnoot aan de vrouwonvriendelijkheid en hij vindt het jammer als de lezer zich daaraan zou ergeren. Wie zich er al te zeer aan stoort, merkt Hokwerda op, moet misschien het geval in gedachten houden van Céline: een groot schrijver, maar dan moet je wel zijn antisemitische uitlatingen op de koop toe nemen. Dat roept vragen op. Bij voorbeeld: staan de antisemitische uitlatingen van Céline in de tekst van zijn boeken? En: is Kazantzakis wel zo’n groot schrijver?


    Leven en wandel van Zorbás de Griek

    Nikos Kazantzakis,
    Vertaald door: Hero Hokwerda
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 368
    Prijs: € 24,95

  • Oogst week 11

    door Menno Hartman

    Een nieuwe Umberto Eco is altijd een avontuur. Niet allemaal goed, zijn ze wel steeds verrassend, zijn romans. De vertaling is in handen van Yond Boek en Patty Krone. Eco verplaatst zijn historische fascinatie naar een recenter tijdstip dan we van hem gewend zijn: 1992, Milaan. De opkomst van een van de meest megalomane politieke figuren van zijn tijd: Silvio Berlusconi. Meer lezen.

    Kazantzakis ZorbasHero Hokwerda vertaalde voor de Wereldbibliotheek die grote Griekse klassieker Leven en wandel van Zorbás de Griek van Nikos Kazantzakis. ‘Ik heb hem leren kennen in Piraeus. Ik was naar de haven afgedaald om de boot naar Kreta te nemen. Het liep tegen het aanbreken van de dag en het regende. Er stond een krachtige zuidwester en het zeewater spatte helemaal tegen het cafeetje op.’ Zo begint dit fantastische verhaal. Onverkort en opnieuw vertaald. Meer lezen, alhier.

    omslag-God-gelijk-def-200x300Wessel te Gussinklo mag zich verheugen in een tweede literair leven nu uitgeverij Koppernik zich over zijn werk ontfermd heeft. In een kloek boek met essays Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan zet hij zijn rentree voort.  Het boek gaat over ‘De wereldziel, die de levenskracht van de mensheid is’. ‘Hij schrijft over het grote onvervulbare verlangen naar grenzeloosheid, naar verlossing van de aardse beperkingen en de bevrijding van de hindernissen en onmogelijkheden van het bestaan.’ Nogal een claim.  Op de flap. U leest binnenkort op Literair Nederland hoe dat uitpakt.