• Brood en poëzie

    Brood en poëzie

    Wat ik meenam uit het oude jaar was een pot zuurdesem en honderd zevenenzeventig gedichten. Geroofd uit het nest van zesendertig dichters. Het zuurdesem voed ik elke dag met een handje meel, een scheutje water. Dan lees ik wat poëzie. Voor ik begin laat ik de bladzijden van Het liegend konijn onder de duim van mijn linkerhand doorglippen. Langzaam, langzamer, en stop. Strijk het midden van het boek open, geef je ogen de kost, laat ‘Blue Monday’ voor wat het is, begin met de titels: ‘De onstuitbare neiging om mooi te zijn’ (Esther Jansma). ‘Kan ik een dode ruilen voor een levende’ (Anneke Brassinga). ‘Heel lang zijn wij niet geweest’ (Tania Verhelst). Sta stil bij het ‘Stijgend waterpeil’ van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Dit is precies wat ze zeiden: het vlottertje zit verkeerd / aangesloten tussen je ribben, het membraan is kapot, / te veel kalkaanslag, nee, we denken niet dat je het zo lang / volhoudt, of laten we het verzachten, we hopen dat je nog // een jaar of twee meegaat, dan is het over. (…)’. Wees stil.

    Dan vul ik een kom met bloem, zout, roggemeel, meng het zuurdesem erdoor, het water, leg er een doek overheen. Met bloem bestoven handen stuit ik op een ‘Bewijs van bekwaamheid’ van Iduna Paalman. ‘Eerst schiet je een hert, een diashow vanuit de schuilkuil / je hoeft daar weinig voor te doen de kogel treft alleen / ter openbaring de organen: je bent geslaagd nog voordat / je bent opgestaan’. We werken toe naar het ultieme gedicht van de dag, dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Lees de regel, ‘door een tractor van de weg gereden’ van Herman Leenders (weet dat een regel soms genoeg is). Het brooddeeg in de kom op een keukenstoel bij de verwarming. Lees van Ruth Laster de regel, ‘Natuurlijk zijn er gevolgen aan aldoor / gesneden brood kopen.’ Terug naar voren, de gebeitelde beelden van Eelkje Christine Bosch, ‘pats daar gaat er weer een’, ‘mijn lichaam lacht mijn lichaam huilt / ik vraag wat hiervan de bedoeling is / mijn lichaam haalt haar schouders op / ze bloedt nog wat dat kan ze goed’. Ritmisch en verbluffend krachtig. Lees ook, ‘wij vrouwen / lichaam als gevonden voorwerp’. En, ‘op een ochtend groeide ik poten / en stapte het land op’.

    Ik vorm de broden tegen de avond, dek af, laat staan. Blader opnieuw door het boekwerk, vind het gedicht dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Om het beeld, een glimp van een ongekend leven, van roeien met de riemen die je hebt. Mustafa Stitou schreef:

    ‘Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
     Op haar knieën kneedt ze het deeg
     voorovergebogen en met rechte armen
     die gelijkmatig op en neer bewegen
     kneedt ze het deeg in een grote
     teil op de vloer van de keuken. 

     Uitgejankt sla je haar gade, hoog
     vanaf een keukenstoel, de troon
     waarop ze je heeft vastgebonden
     met de ceintuur van haar badjas zodat je
     stil blijft zitten en zij voor acht monden
     het brood klaarmaken kan.’
     (…)

    Ik stook de oven op, schuif de broden erin, en bak er niets van. Zolang ik niet op mijn knieën voorovergebogen met gestrekte armen in een grote teil op de keukenvloer het deeg kneed, bak ik er niets van. Blader door het Het liegend konijn, lees het ongekende.

     

     

    Het Liegend Konijn 2021/2 / Redactie Jozef Deleu / 260 blz. / Pelckmans Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, schreef dit op ‘Blue Monday’ met het raam open.

  • Oogst week 18

    Alle vogels

    Koos van Zomeren (1946) heeft meer dan negentig titels op zijn naam staan waaronder dichtbundels, romans en thrillers als egodocumenten. In al zijn werk neemt de natuur een belangrijke plaats in. In Alle vogels zijn al zijn stukken die hij ooit over vogels geschreven heeft – over het leven van de huismus voor Nieuwe Revu (1977 ) tot Het verlangen naar klapekster (2014) – gebundeld. Het is een zeer omvangrijke bundel geworden waarvan je het idee krijgt dat Van Zomeren over vogels alles wel in beeld heeft gebracht. Het mooie is ook dat Van Zomeren mens en vogel altijd met elkaar in verband brengt. En dat alles geïllustreerd met prachtige penseel tekeningen van Erik van Ommen.
    Zoals Koos van Zomeren in de verantwoording bij dit boek schrijft komen overal in zijn oeuvre ‘vogels voorbij, zoals vogels maar al te vaak voorbijkomen: terloops, maar niet onopgemerkt’.

    Alle vogels
    Auteur: Koos van Zomeren
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen

    Klare lucht zwart

    De thematiek in de eerste drie boeken van de Amerikaanse schrijver David Vann (1966) was moord en zelfmoord. Gruwelijk mooie boeken en van Vann wordt dan ook niet verwacht dat hij ooit een feelgood novel zal schrijven. Ook nu heeft hij weer een tragedie geschreven; een hervertelling van een figuur uit de Griekse mythologie, Medea: tovenares uit Colchis die Jason hielp het Gulden vlies te veroveren. Hij nam haar mee naar Griekenland, maar liet haar in de steek voor de dochter van de koning van Korinthe, waarna Medea gruwelijk wraak nam door hun twee zoontjes te vermoorden alsook de koning van Korinthe en zijn dochter. Zo verteld de mythe. Maar Vann beschrijft Medea niet als een tovenares maar als een mens van vlees en bloed. Daarmee biedt hij een nieuwe en realistische kijk op Medea. Op bezwerende en sfeervolle wijze brengt hij Medea tot leven. Van haar positie in de Griekse maatschappij, haar liefdesrelatie met Jason en haar tragische neergang. In poëtisch proza beschrijft David Vann de epische reis van het schip de Argos. Volgens de uitgever is Klare lucht zwart ‘de meest intieme, humane hervertelling van Medea tot nog toe.’ Gaat dat lezen.

    Klare lucht zwart
    Auteur: David Vann
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    God speelt drieband

    Herman Leenders (1960) is een Vlaams dichter en prozaïst die met God speelt drieband, zijn achtste uitgave publiceerde, waarvan vijf dichtbundels. Als prozaïst debuteerde hij met een verhalenbundel, waarna de novelle De echtbreukeling verscheen dat toentertijd op ‘Recensieweb’ een wondermooi boek werd genoemd.

    In God speelt drieband volgen we Karl die tot over zijn oren verliefd wordt op Katrien, de mooiste vrouw die hij tot dusverre heeft gekend en bemind. Met haar neemt zijn leven een nieuwe vlucht, waar hij in het geheel niet op voorbereid is. Door de ijle hoogten die hij aldus bereikt, is hij veroordeeld tot een onvermijdelijke neergang. Meer valt er niet over te zeggen dan dat het verhaal wat zweverig overkomt. Maar een recensie zal binnenkort meer uit de doeken kunnen doen. Tot zover.

    God speelt drieband
    Auteur: Herman Leenders
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Naar wens

    Naar wens

    Recensie door Ellen IJzerman

    Soms is het lastig om over een boek of dichtbundel iets te vertellen. Dat kan verschillende redenen hebben, maar de meest voorkomende daarvan is dat het simpelweg weinig of niets bij de lezer teweeg bracht. Dat is wij van Herman Leenders is zo’n dichtbundel; de gedichten zijn ‘best aardig’, maar nooit gedenkwaardig, ze blijven niet hangen.

    De bundel is opgedeeld in drie delen: Onchristelijke gedachten, Ora pro nobis en . Het laatste deel bevat voornamelijk gedichten die in opdracht zijn geschreven, zoals ‘Naar Remigius’, dat geschreven werd voor het woon- en zorgcentrum Remigius in Pittem.

    Vroeger waren het grootouders, groottantes
    Dan nonkels, moeders, vaders
    Nu wij: wees, weduwe, weduwnaar

    Altijd minder broers
    Altijd minder zussen
    Zodat wij slobberen in ons vel

    Wij waren bakker, wever, timmerman
    Landsman, stikster, duivenmelker
    Wij hadden macht, verstand, kloten, geld

    Rouwden en wrochten
    Naaiden, koersten, dronken
    Werden begeerd, omarmd, hadden lief

    Wij hebben de tijd gedood
    En de tijd die wij fêteerden
    Doodde ons

    Zoals later veraf lijkt
    Zo onvoorstelbaar
    Alsof het gisteren was

     

    Best een aardig gedicht, en de opdrachtgever is er vast blij mee. Dat geldt waarschijnlijk voor alle gedichten die in opdracht zijn geschreven, want het zijn veilige gedichten en daarom – zoals de naam van dit deel van de bundel aangeeft – dus vast ‘naar wens’.

    Dat brave, dat ‘naar wens zijn’ geldt eigenlijk voor alle gedichten in Dat is wij. Er staat vrijwel altijd wat je verwacht dat er staat. Neem bijvoorbeeld ‘Forens’ uit het tweede deel Ora pro nobis:

    Hij gaat naar het werk
    De mensen in de trein zien niets aan hem
    Ook de collega’s weten niet beter
    Hij antwoordt, verzendt, ontvangt
    Pompt koffie op
    Niemand merkt dat hij er (niet) is
    Terwijl hij telefoneert
    Vergaderingen bijwoont
    Handen schudt
    Zij weten niet wat handen doen
    Als ze geen handen schudden
    Of vingers wanneer ze niet typen
    Zij weten niet wat een mond doet
    Als hij niet drinkt of eet
    Of waaraan een hoofd denkt
    Terwijl het spreekt 

    Naar waarheid zullen zij zeggen:
    Op elke beerput ligt een deksel.

     

    Terwijl je het gedicht leest, knik je waarschijnlijk en denkt ‘ja, zo is het wel ongeveer’. En daar blijft het bij. Je kijkt de volgende dag niet met andere ogen naar de mensen in de trein, of de bestuurder in de auto naast je, of naar de mensen om je heen op het werk, omdat het gedicht niets meer doet dan vertellen wat je al wist. Best een aardig gedicht, maar niet meer dan dat.

    Natuurlijk staan er ook mooie zinnen in de bundel en stoot je je een enkele keer even aan een gedicht. Zo verrast ‘Moedertje’ even, maar dat komt slechts omdat de titel je in eerste instantie op het verkeerde been zet. Eigenlijk zegt Leenders het zelf nog het beste in het laatste gedicht van Onchristelijke gedachten:

    Als ik schrijf 

    Als ik schrijf weet ik wat jij zegt
    Wat je zegt vind ik helemaal terecht
    Het past bij wat ik denk en wie ik ben
    Botst nooit met wat ik zou zeggen

    Als ik schrijf doe jij
    Wat ik denk dat jij zou doen
    Tussen wat jij doet en wat ik denk
    Dat jij doet bestaat geen verschil

    Daarom dat ik ook schrijf
    Wat jij schrijft
    Het is beter dat jij niet schrijft
    Als we onder elkaar zijn 

    Kunnen we rustig zwijgen.