• Een verademing

    Een verademing

    Het kan natuurlijk het gevolg zijn van een te beperkte blik, maar de media van dit moment lijken steeds weer de groeiende criminaliteit van Nederland te benadrukken. Een boodschap die vaak gepaard gaat met een oproep tot strenger straffen. De knoet moet over de steeds criminelere Nederlander, zo roepen politici als Opstelten en Teeven in koor. In dit populaire rechts-verbale geweld is de essaybundel De ziel van Nederland (2012) van Herman Franke een verademing.

    Criminoloog Franke (1948-2010) keert zich tegen strenger straffen als panacee. Het zal de misdaad niet beteugelen, zo betoogt hij keer op keer, maar eerder misdadigers nog crimineler maken. Nee, volgens Franke kan misdaad het beste worden bestreden door de sociale omstandigheden van de onderklasse uit de maatschappij te verbeteren. Niet de zweep, maar de lessenaar en de sociale verheffing zijn volgens hem de beste wapens tegens criminaliteit.

    Franke schreef in de periode van 1986 tot 2004 verschillende essays over criminaliteit. De ziel van Nederland bevat hiervan een selectie en biedt daarmee een mooi overzicht van de wijze waarop Nederland vanaf het begin van de negentiende eeuw tot op heden tegen misdaadbestrijding aankijkt. Daarbij is Franke’s positie en politieke kleur steeds duidelijk. Als geëngageerde socialist beklimt hij keer op keer de literaire barricaden om de rechtse wens tot strenger straffen te bestrijden. Hij benadrukt dat simpel strenger straffen averechts werkt. ‘Zo blijken veranderingen in duur en aard van de gevangenisstraf bijvoorbeeld weinig of geen effect te hebben op de afschrikwekkende werking ervan. Op de gevangenen zelf heeft de straf echter vaak zo’n desastreuze invloed dat zij eerder recidive bevordert dan tegengaat.’

    Franke illustreert zijn visie met zijn rijke kennis over de geschiedenis van het gevangeniswezen in Nederland. Een kennis waarover hij als gespecialiseerd criminoloog als geen ander beschikte. Bijvoorbeeld waar het de strafmethoden uit het begin van de negentiende eeuw betreft. Het zijn passages die je als lezer heen en weer slingeren tussen verbazing en ontzetting. Bijvoorbeeld als hij citeert uit een rapport uit 1857 van gevangenisinspecteur Astorphius Grevelink. Een rapport dat uitgebreid ingaat op de toen gebruikelijke praktijk van het meerjarig in volstrekte afzondering opsluiten van gevangenen. Het summum van ‘modern straffen’ in die tijd, alhoewel ook toen de effecten bekend waren. Een gevangene had Grevelink verteld ‘dat eene zo langdurig afzonderlijke opsluiting verdoovend is; dat hij na verloop van 17 maanden er de gevolgen van ondervindt, daar hij nog zijne oude spraak niet terug heeft’. Desalniettemin vond de gevangene dat eenzame opsluiting wel een jaar of 8 à 10 was vol te houden. Anno 2013 een onbegrijpelijke combinatie van opmerkingen van de gevangene. Ondanks de heftige gevolgen na anderhalf jaar vond ook hij blijkbaar dat hij nog wel meer verdiend had. Een beter bewijs dat wat acceptabel gevonden wordt tijdgebonden is is haast niet te geven.

    De Ziel van Nederland bevat overigens niet alleen essays over criminaliteit. Er is ook ruimte ingeruimd voor andere onderwerpen, variërend van de dood van Lady Di tot de xenofobe klaaglust van Nederlanders of het veranderende rouwproces. Steeds weer is duidelijk dat Franke heilige huisjes niet schuwt en een origineel geluid afgeeft. Zo wond hij zich drie dagen na het overlijden van prinses Diana enorm op over de media-aandacht hiervoor. ‘A Lady Died. Nou en?’, zo schrijft hij meerdere keren. Franke vraagt zich af waarom zelfs kwaliteitskranten als NRC, Volkskrant en Trouw meerdere pagina’s volzetten met ‘vakantiekiekjes van een functieloze, cosmetische prinses en Story-gezeur over haar privéleven’. Wat hem betreft onnodig veel aandacht en ‘Endemol-verdriet’ voor iemand die uiteindelijk niemand echt kent, terwijl mensen voor hun eigen, unieke doden, steeds minder aandacht hebben. Hier schreef hij ook eerder over in het essay ‘Liever geen bezoek’. Daarin betoogt hij dat het lijk steeds meer uit het zicht van de dagelijkse leefwereld van mensen is verdwenen. De dode en de rouw zijn, zo schrijft Franke, uit het eigen huis verbannen, naar mortuaria. ‘Doorgeschoten privatisering‘ noemt hij dat. Tekenend taalgebruik voor een sociaal-bewogen en geëngageerde essayist, die Nederland met zijn verhalen niet alleen weer een ziel wil geven, maar de Nederlanders ook gevoel.

    De ziel van Nederland (Essays)

    Auteur: Herman Franke
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium (2012)
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 22,50

     

  •  Een monument voor een vriendschap

     Een monument voor een vriendschap

    Het lezen van een briefwisseling bezorgt je als lezer al snel een wat ongemakkelijk gevoel. Je voelt je een beetje een voyeur, want je leest ten slotte informatie die in eerste instantie helemaal niet voor jouw ogen bestemd was. Toch heeft dit genre wel degelijk bestaansrecht. Op deze manier heeft de lezer immers toegang tot de belevings- en ideeënwereld van niet-alledaagse personen en hier zijn dan ook ‘pareltjes’ uit voortgekomen. Bovendien mag je ervan uitgaan dat een goede uitgever ervoor zorgt dat al te intieme en persoonlijke informatie wel uit de brieven wordt gefilterd alvorens wordt overgegaan tot uitgave, zeker wanneer het gaat om nog levende personen dan wel personen met nog levende nabestaanden. Hoewel, er zijn voorbeelden waarbij hier toch wel eens wat steken gevallen zijn…

    De ‘noot van de schrijver’ achterin het boekje maakt duidelijk dat daar in het geval van de uitgave van de briefwisseling in Als je me maar blijft schrijven geensprake van is en we hebben hier dan ook te maken met zo’n ‘pareltje’. Het gaat in deze uitgave om de brieven, of eigenlijk e-mails, die Herman Franke en Manon Uphoff elkaar sturen nadat Franke te horen heeft gekregen dat hij kanker heeft in een ongeneeslijk stadium. Vanzelfsprekend leidt dit tot soms heftige emoties, maar Franke blijkt in zijn brieven iemand die de feiten nuchter onder ogen kan blijven zien en soms met humor naar zijn eigen situatie kan kijken.

    De briefwisseling begint in september 2009, nadat Uphoff van Franke heeft vernomen dat hij ongeneeslijk ziek is. Vanzelfsprekend maakt deze mededeling diepe indruk op Uphoff. De twee schrijvers zijn al langere tijd bevriend en er bestaat een hechte band tussen hen. De ziekte van Franke brengt daar geen verandering in, integendeel. Wat wel duidelijk verandert na verloop van tijd, zijn de verhoudingen. Uphoff staat midden in het leven en schrijft daarover; Frankes mails worden steeds korter en bevatten ten slotte niet veel meer dan korte opmerkingen over zijn almaar verslechterende gezondheid. Uphoff heeft het er vaak moeilijk mee, dat ze Franke ‘lastig valt’ met de problemen waarmee zij worstelt, aangezien die in het licht van de situatie van Franke triviaal lijken. Ze heeft het hierbij onder andere over een ‘muur’ waar met elk slecht bericht over Frankes gezondheid stenen bij worden gemetseld. Geen nieuw beeld, wel heel herkenbaar en invoelbaar voor iedereen die een dierbaar iemand heeft verloren aan een ziekte.

    Franke echter is blij met elk contact met het ‘normale, alledaagse leven’ en wanneer Uphoff hem schrijft over haar twijfels over het belang van alles wat ze hem te vertellen heeft, laat hij haar dan ook weten: ‘…… als je me maar blijft schrijven.’ Haar brieven zijn voor hem nog een schakel met het ‘gewone leven’.

    Het is op het eerste gezicht duidelijk dat we hier te maken hebben met twee begaafde, professionele schrijvers met allebei een heel andere, zeer persoonlijke stijl van schrijven. Uphoff is erg open over haar persoonlijke situatie, Franke is gereserveerder. Dat die openheid van Uphoff haar in de problemen kan brengen, blijkt pijnlijk uit deze briefwisseling. In de periode dat deze correspondentie plaatsvindt, is namelijk Uphoffs roman De spelersverschenen en dit boek heeft niet alleen bij het publiek tot enige ophef geleid, maar het heeft ook vergaande gevolgen voor haar persoonlijk leven; de relatie met haar vriend Bebek komt onder zware druk te staan. Ze deelt haar verdriet daarover met Franke, die zich hierbij opstelt als haar rots in de branding. Hij biedt troost, toont begrip voor haar problemen en steunt haar met zijn onvoorwaardelijk vertrouwen in haar kwaliteit als schrijver: ‘…. maar wat ik wel kort kan zeggen dat is dat je elke twijfel aan de kwaliteit van jouw schrijverschap uit je hoofd moet bannen, nu, meteen, dat ben je aan mij en alle andere schrijvers verplicht ….. ‘.

    Franke vertelt over zijn werk aan zijn laatste roman Traag licht; zo lang zijn gezondheid het toelaat werkt hij door. Het is voor hem belangrijk dit werk nog af te ronden. Daarnaast schrijft hij over zijn opvattingen, zijn zorgen over maatschappelijke ontwikkelingen zoals de groeiende rol van Wilders in de politiek en natuurlijk over het verloop van het ziekteproces. Maar zijn brieven worden steeds korter; de ziekte krijgt hem steeds meer in de greep.

    Als je me maar blijft schrijvengeeft een prachtig beeld van een vriendschap tussen twee mensen die elkaar waarderen, stimuleren en oprecht liefhebben: ‘…. misschien is dat wel het beste wat een vriendschap te bieden heeft, het openbreken van jezelf en je eigen denken, daarbinnen sluipen en nestelen zich de visie en opvattingen, het denken en voelen van de ander, een ander gezichtspunt, en het verruimt je, maakt je groter, breder, de wanden van je bestaan vallen weg en die ander vestigt zich – …..’.

    De laatste brief in het boekje is van Franke en dateert van 2 augustus 2010. Hij maakt hierin nogmaals duidelijk hoeveel de brieven van Uphoff voor hem betekenen: ‘…. je legt een warme deken van brieven over me die ik zo nu en dan dankbaar over me heen trek als het me allemaal te veel wordt ….’. Op 10 augustus overlijdt hij.

    Dit boekje is een monument voor een vriendschap die, mede door de mooie stijl en de soms prachtig beeldende taal waarin zij is verwoord, geen lezer onberoerd zal laten.