• Een marktplein

    Een marktplein

    Ik lees Onder literatoren, vijfentwintig schrijversinterviews die tussen 1970 en 1983 door Herman De Coninck geschreven zijn. Prachtige gesprekken. Zoals met Anton Koolhaas die bekend stond als onbenaderbaar, vertelt over zijn dierenverhalen, het heeft over, ‘Het begrijpen dat alle vragen dood.’ Intrigerend, een begrijpen dat allesomvattend wordt, stilstand tot gevolg heeft. Vragen brengen je vooruit, los van je achtergrond creëer je een andere wereld. Het zinnetje  ‘Ik had nooit nieuwsgierig leren zijn.’ is me uit het prijswinnende essay van de Joost Zwagerman Essayprijs, ‘Bruikleen’ van Falun Ellie Koos, bijgebleven. Net zo intrigerend als fnuikend. Je ontwikkeling bevriest als vragen niet gewoon zijn. Het allereerste interview van De Coninck was in 1970 met Jan Wolkers, het laatste interview in het boek is in 1983 met Breyten Breytenbach. Het zijn veelal (witte) mannen en (twee) vrouwen, niemand stelde zich daar toen vragen over.

    Schrijvers uiten kritiek op elkaar in de interviews. Jan Wolkers over Mulisch, ‘Hij is een van die kunstluizen die alleen maar naar Cuba gaan om bruin te bakken in zwembaden (…).’ En Mulisch over Wolkers, ‘… die schrijft altijd maar weer zijn Kort Amerikaans, en de ene keer heet dat Turks fruit en de volgende keer weer anders.’
    De Belgische dichter en kunstenaar Paul Snoek vindt dat dichter en kunstenaar Marcel van Maele teveel schrijft. Hij zou zijn energie beter moeten gebruiken: ‘(…) hij schrijft en hij schrijft maar. De energie die nu in tien gedichten zit, had hij in één gedicht moeten stoppen.’ En dan volgt een heerlijke jaren zestig/zeventig vergelijking: ‘Dat is zoals een huisvrouw die de hele week eten maakt met dezelfde dingen, die telkens weer haar overschotjes gebruikt, vandaag de restjes van gisteren met wat kaas en gratin erop, morgen de restjes van vandaag met weer een ander sausje. Ze blijven altijd aan hetzelfde dingetje peuteren.’ In de muziek noemen ze dat variaties ‘op’. De Coninck schreef honderden interviews voor het blad Humo, een tijdlang was Piet Piryns zijn compagnon, gingen ze samen op pad.

    Eind jaren zestig begon psychiater Dr. R.H. Hoofdakker als Rutger Kopland poëzie te schrijven. De Coninck vraagt, ‘Toen bent u beginnen te schrijven?’  Kopland zegt, ‘Ja, voor die tijd was het allemaal vanzelfsprekend. Ik was gewoon arts, en… nou ja, dat was ik dan. Maar sindsdien is alles in beweging gekomen, ook om me heen, en ik kan me aan die beweging niet onttrekken.. (…) Ik ben me vragen gaan stellen. Een heleboel zekerheden zijn onder de tafel geraakt.’ Vragen trekken dingen los, morrelen aan bestaande zekerheden. 

    Voor De Coninck betekende het interview met Kopland een kentering in zijn leven. Sinds de dood van zijn vrouw bij een verkeersongeval waagde hij zich niet meer aan poëzie. Kopland zegt dat wat in Poëzie werkzaam is, ‘de troost van de herkenning is’. Hij vertelt over een jongen die een paar dagen in dienst zat en het daar niet uithield. Die jongen zei: ‘Zolang ik die bundel gedichten maar bij me had, kon ik het wel verdragen, want ik had het idee van: die dingen zijn voor mij geschreven, voor mij bedoeld. Zie je,’ zei Kopland ‘het “ik” waar het in mijn gedichten om gaat, dat ben ik niet. het “ik” is een marktplein waar de mensen samenkomen.’ Het bracht De Coninck ertoe te gaan schrijven over zijn verlies.
    Op Cees Nooteboom na zijn alle geïnterviewden zijn overleden. Deze interviews doet ze spreken als waren ze er nog. En dat is mooi.

     

    Onder Literatoren, Vijfentwintig schrijversinterviews / Samengesteld en bezorgd door Thomas Eyskens en Piet Piryns/ De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

  • Onverwachte doden

    Onverwachte doden

    Opeens hoor je tot die groep waarvan leeftijdsgenoten plotseling sterven. Een vriend appt over de dood van een oud-klasgenoot, enkele weken later de doodstijding van een jongen waarmee we vroeger biertjes dronken op een studentikoze zolder aan het Singel. Dan het overlijden van een dochter, we schelen nog geen jaar. Allemaal even plotseling en onverwacht. Als de dood zo dichtbij is, en ook wat veraf – want geen van deze overledenen sprak ik pas geleden, en je hebt het er met vrienden of collega’s over, dan zijn reacties vaak hetzelfde. Na een wat meelevend schudden van het hoofd volgt de oproep om de dag te plukken. Het kan zomaar voorbij zijn. Geniet! Vervolgens ga je weer aan het werk, telefoon, mail, vergadering, deadline, en het besef van tijdelijkheid en kwetsbaarheid van leven  verdwijnt. 

    Soms is de dood van een nabije ander werkelijk een aansporing tot andere keuzes in je leven. Heel soms. Deze lente ging ik met vrienden naar Mechelen.  Zo’n uitstapje deden we vaker. Het Hans Warrengenootschap noemden we ons, omdat het debuut-tripje, veertien jaar geleden, in het teken stond van Zeeland en de wandelgids Hart van mijn land ik ben terug. Nu lopen we door het Mechelen van Herman de Coninck. Een weekend met een wond. Voor het eerst zijn we met vier. In de eerste coronazomer kwam José, de oudste van ons groepje, door een verkeersongeval om het leven. In de Sint-Romboutskathedraal brandden we een kaarsje voor haar.  

    Zo plotseling als bij José kwam het einde ook voor Herman de Coninck. Hartaanval in Lissabon. Ik denk aan hem als we de Sint-Romboutstoren beklimmen voor het aanbevolen panoramisch uitzicht. Honderden treden cirkelend op en honderden treden cirkelend naar beneden.  Opeens bang. Ik duizel, hartslag in mijn keel. Mijn voeten stappen onzeker voort, mijn evenwicht is zoek. Ik kan zomaar naar beneden storten, m’n nek breken. Of bevriezen in de oude Beiaardkamer, nooit meer een stap zetten, daar blijven: breng voortaan mijn eten maar hier. Hoeveel treden nog? Red ik de begane grond zonder hartstilstand? Kan ik aan iets anders denken?  De Coninck was lid van het Sint-Rombouts knapenkoor. Knapen en kerk, ahum. Wat dacht je van de Befferstraat of Beffershof? De drank van gisteravond stimuleerde ons tot de flauwste grappen. Worden dit dan mijn laatste gedachten? Nog zestig treden! Nee, aan die hele klim op en klim af beleefde ik geen greintje plezier. Later staan we bij het muurgedicht De Plek van De Coninck.

    Je moet niet alleen, om de plek te bereiken
    thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.
    Er is niets te zien, en dat moet je zien
    om alles bij het zeer oude te laten?

    Er is hier. Er is tijd
    om overmorgen iets te hebben achtergelaten.
    Daar moet je vandaag voor zorgen.
    Voor sterfelijkheid.

    Terugwandelend praten we over José, herinneren ons haar uitbundige lach en warmte. Haar dood overrompelende me,  stimuleerde me tot echte keuzes: ik schrapte verplichtingen (daar was niet iedereen blij mee), maakte ruimte voor columns, een nieuwe roman. Ik durfde mezelf serieuzer te nemen.
    Mag ik haar dankbaar zijn?
    Aan de Dije houden wij elkaar even vast, onwetend nog van het nieuwe verdriet dat ons naderde.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Biografie Herman de Coninck gedicteerd door De Coninck zelf

    Biografie Herman de Coninck gedicteerd door De Coninck zelf

    Twintig jaar geleden overleed Herman de Coninck geheel onverwacht op 53-jarige leeftijd. Op dat moment was hij vooral in Vlaanderen een veelgelezen dichter, prozaïst en criticus. Zijn door Van Oorschot en Arbeiderspers uitgegeven poëzie bevat geen grote woorden. Onderkoeld uit hij persoonlijke, vaak pijnlijke ervaringen in zijn leven en zijn visie op de maatschappij. Behalve als dichter en schrijver van verhalen maakte hij naam als journalist en tijdschriftleider. Zijn grote trots was het door hem in 1983 opgerichte en geredigeerde Nieuw Wereldtijdschrift, wat  echter nooit geworden is wat de Coninck zich er van voorgesteld had; een cultureel medium dat tot in alle uithoeken van het Nederlands taalgebied zou worden gelezen.

    Het leven van deze keiharde en alcoholische werker vol ambities is getekend door succes en tegenslagen. Zijn vrouwen uit drie huwelijken hadden het er moeilijk mee dat hij ’s nachts schreef en ook overdag nauwelijks aan hen ‘toekwam’. En dan was er zijn geliefde moeder die zijn vrijmoedige schrijverij en alles daaromheen wantrouwde. Op de achtergrond een jonggestorven vader. Een pedofiel die zijn eigen kinderen met geen vinger aanraakte maar die bij tijd en wijle verdween om, zoals zij later pas begrepen, een straf uit te zitten.

    Omgekeerde biografie
    Het boek van de Vlaamse dichter, samengesteld door Thomas Eyskens, geeft op elke bladzijde een stukje prijs van de levensgeschiedenis. Toen met een lijst van nu errond is bedoeld als de biografie van De Coninck maar anders dan je gewend bent van een biografie: de geportretteerde is aanhoudend zelf aan het woord of een ander over hem.
    De biograaf, als hij zo genoemd kan worden op grond van deze opzet, heeft ondanks de overvloed aan citaten een interessant boek afgeleverd. Het laat de lezer meeleven met de opgroeiende De Coninck in en rond de (katholieke) boekwinkel van zijn ouders in Mechelen. Met de student Germaanse filologie in Leuven, zijn ontwakend dichterschap en zijn publicaties nog vóór zijn twintigste in Vlaamse literaire tijdschriften. Met de geleidelijk doorbrekende literator in België en later ook in Nederland.

    Heet van de naald
    In de ‘Proloog’ zet Thomas Eyskens zijn methode uiteen: een verhaal presenteren met door hem aangebrachte hoofdlijnen zoals de literaire en journalistieke ontwikkeling van de hoofdfiguur en de vrouwen die zijn pad kruisten.
    Het leven van Herman de Coninck wordt aldus heet van de naald verteld waardoor het verleden heden wordt. De biograaf en verzamelaar van materiaal laat zich als schrijver slechts zien in zinnen die lappen tekst van de ander verbindt. De biograaf als lijstenmaker, zo ziet Eyskens zichzelf in zijn voorwoord, als een schrijver die wat anderen hebben geschreven van een kader voorziet.

    Vlaams
    Zelfs de titel Toen met een lijst van nu errond is aan (een gedicht van) De Coninck ontleend en betekent: ‘Het verleden met een lijst van nu eromheen’. Soortgelijke woorden als ‘errond’ in Eyskens’ schaarse tekstgedeelten stuiten tegen de borst. Op school doubleren is ‘dubbelen’ en op de voorgrond treden ‘zich in de verf zetten’. Dat De Coninck ‘errond’ schrijft, al of niet als dichter, wil niet zeggen dat óók een voor een Nederlands publiek schrijvende biograaf zich zo uitdrukt. Het werkt storend wanneer Vlaamse taal gebezigd wordt in secundaire werken, bijvoorbeeld in monografieën van Vlaamse schrijvers of dichters. Je vraagt je af waarom een Noord Nederlandse uitgeverij de Vlaamse woorden van de biograaf heeft laten staan. Voor de ‘Couleur locale’ misstaan ze in een scheppend werk beslist niet en zelfs onmisbaar als exponent van de persoonlijkheid van de schrijver of dichter als Hugo Claus en natuurlijk ook van De Coninck zelf.

    Biograaf treedt teveel op voorgrond
    Of de titel geciteerde titel de kern raakt van het boek over de Coninck is overigens twijfelachtig. ‘Een leven voor de literatuur’ zou bijvoorbeeld  beter zijn geweest, alleen al omdat zo’n titel de maker van het boek uit het centrum plaatst zoals hij zelf in zijn proloog zegt na te streven.
    Eveneens twijfelachtig is Eyskens’ uitspraak over het aanbrengen van ‘hoofdlijnen’. Zijn boek maakt toch vooral de indruk van een etalage waarin een totale voorraad is uitgestald. Van de etaleur geen spoor. ‘Ik heb lang getwijfeld,’ verklaart Eyskens in zijn inleiding, ‘om mezelf in het verhaal op te nemen, maar ben daar uiteindelijk van afgestapt.’ Een zin die na kritische lezing moet betekenen dat de samensteller van het boek niet meer twijfelt en zichzelf juist niet onzichtbaar maakt. Op de geciteerde zin volgt dan wat eigenlijk bedoeld moet zijn: ‘Door de keuzes die ik gemaakt heb ben ik voortdurend in de tussenruimte aanwezig.’

    Overdaad
    Wanneer Toen met een lijst van nu errond een andere titel had gehad en het boek in de serie Privé-Domein was uitgebracht (en dus niet in Open-Domein, de biografiereeks van De Arbeiderspers) zou het geen vreemde eend in de bijt zijn geweest. Onder de vlag van Privé-Domein zou het boek er in de huidige versie trouwens niet helemaal mee door kunnen. Er zou in de ellenlange citaten uit de journalistieke stukken van De Coninck in gesnoeid moeten worden. Zulke overdaad haalt in Toen met een lijst van nu errond de vaart uit het verhaal. Gelukkig staan daar vele bladzijden tegenover van goede vertellers. Zodra Eyskens zelf uit de kast komt laat hij geen kritisch geluid horen. Hij laat zijn zegslieden op de loop gaan en zo presenteert hij een heiligenbeeld waarin hij zichzelf als biograaf te kijk zet.

     

    Zie hier een filmpje van Herman de Coninck uit 1979.