• De hoop die wegvloeide

    De hoop die wegvloeide

    Waar zijn de Belarussen gebleven nu hun buurland in oorlog is met Oekraïne? Het antwoord op deze vraag vind je in Dagen in Minsk, dagboek van een opstand van de Belarussische dichteres en vertaalster Julia Cimafiejeva. Niet letterlijk, want Oekraïne wordt nergens genoemd; er was ook nog geen sprake van oorlog toen in de zomer van 2020 in Wit-Rusland de verkiezingen plaatsvonden en Loekasjenka opnieuw werd verkozen. Hij was al sinds 1994 aan de macht en aanvankelijk eerlijk verkozen, maar het land veranderde in een dictatuur en Loekasjenka werd een marionet van Vladimir Poetin.

    De verkiezingen in Belarus begonnen hoopvol toen er sprake was van serieuze oppositie. Drie mannen, Sergey Tichanovsky, Viktar Babaryko en Valeri Tsepkala, spraken het volk rechtstreeks aan en wilden allemaal verandering. Weg met de dictatuur. Ze kwamen alleen nooit op het stembiljet, ze werden zelfs opgesloten. Alleen Tsepkala wist het land te ontvluchten. Zijn vrouw Veranika Tsepkala plus Svetlana Tichanovskaja en Maria Koleskinova – die de verkiezingscampagne van Barbaryko leidde – sloegen de handen dapper ineen en stelden zich vervolgens kandidaat. In de vrouwen zag men geen gevaar en ze werden toegelaten tot de verkiezingen. Ze hadden geen interesse in het presidentschap, maar pleitten voor eerlijke verkiezingen en voor de vrijlating van alle politieke gevangen.

    ‘Gezamenlijk gingen ze de strijd aan met de uitwassen van de dictatuur. Dat sloeg aan. Hun campagnebijeenkomsten werden door duizenden bezocht, waren drukker dan de meeste demonstraties in alle jaren ervoor.’ Aldus Franka Hummels, freelance journalist en Belarusexpert, die in het voorwoord van Dagen in Minsk de context beschrijft van het dagboek dat volgt. Ze meldt daarin ook haar keuze voor de schrijfwijze van de namen. 

    Slechte internetverbinding

    Dat dagboek begint op 5 augustus 2020 kort voor de verkiezingsdag, met een toon die eufoor is van hoop en belofte. Duizenden kiezers, getooid met witte lintjes aan hun armen en kleding, en met vlaggen, tonen zich solidair met het drievrouwschap. Ze willen allemaal verandering en zullen niet op Loekasjenka stemmen. Cimafiejeva beschrijft haar dagen en het leven met haar man, de Belarussische schrijver Alhierd Bacharevič, die ze steevast met je aanspreekt. Dat geeft haar teksten een wonderlijke lading, alsof hij er niet meer is. Ze schilt aardappels voor een soep. Ze checkt voortdurend haar telefoon op nieuwe berichtgeving over de demonstraties. Vooral Telegram en Facebook zijn de media waar ze vrienden virtueel ontmoet, ook in het buitenland. Maar de internetverbinding ligt er vaak uit en proxyservers zijn vaak traag en bemoeilijken het downloaden van filmpjes. 

    Cimafiejeva schreef drie dichtbundels: The Book of Mistakes (2014), Circus (2016) en ROT (2020), die vertaald zijn in onder meer het Engels, Oekraïens, Zweeds, Sloveens, Litouws en Tsjechisch. In het dagboek uit Minsk heeft ze het over de verschijning van haar derde verzameling met gedichten. ‘Samen haalden we mijn presentexemplaren op bij de uitgeverij. Je nam een foto van me tegen een achtergrond van blauwe sparren: blote schouders, mijn armen vol wit-rood-witte boeken, een lachend gezicht erboven. Ik weet niet wat ik moet voelen. Mag ik me trots voelen? Voldaan? Vast wel.’ Het is haar dierbaarste boek, maar de ontvangst sneeuwt onder in het belang van het nieuws. 

    Gewelddadige kosmonauten

    Dat de verkiezingen doorgestoken kaart waren, bleek de ochtend na de verkiezingen. Loekasjenka won met 80 procent van de stemmen en werd door Xi Jinping en Vladimir Poetin als eersten gefeliciteerd. Cimafiejeva beschrijft de samengebalde hoop die wegvloeit. ‘Wat we hadden gehoopt was niet uitgekomen, en wat we niet hadden durven toegeven dat waarschijnlijk zou gebeuren, was tóch gebeurd. De pijn spatte als een enorme zwarte bloem open in mijn maag. Ik voelde me misselijk.’

    Na deze corrupte verkiezingen gaan honderdduizenden mensen de straat op om te protesteren. Aanvankelijk houdt de politie, in zwarte uniformen met helmen, die Cimafiejeva ‘kosmonauten’ noemt, afstand. Maar het is onvermijdelijk dat ze steeds vaker gewelddadig optreden en de demonstraties worden bruut uit elkaar geslagen. Er vallen slachtoffers en honderden mensen worden opgepakt en gevangen gezet onder erbarmelijke omstandigheden.
    Julia Cimafiejeva en haar man lopen ook mee met de betogingen en ze beschrijft wat ze zien en meemaken, de angst en de wanhoop. Ondanks dat proberen ze hun leven voort te zetten. Ze gaan met vrienden naar een theatervoorstelling en literaire bijeenkomsten, maar ondertussen is er ook nog corona, wat door Loekasjenka wordt ontkend.  

    Zullen de brieven de lezers bereiken?

    Wanneer haar broer, een historicus en muzikant, is opgepakt, wordt het ook voor Cimafiejeva en haar man gevaarlijk. Ze gaan naar de  broer op zoek in een gevangenis buiten Minsk en horen schandelijke verhalen over marteling en terreur, geen eten en geen medicijnen.
    Uiteindelijk wordt het voor de kunstenaars van het woord ondoenlijk om te leven in een dictatuur. Cimafiejeva en Bacharevič verlaten in november 2020 hun land. Ze leven nu in ballingschap in Graz in Oostenrijk waar meer gevluchte Belarussen wonen. Cimafiejeva schrijft opbeurende brieven, gedichten en verjaarswensen aan de duizenden gevangenen in haar thuisland en vraagt zich af of die brieven de lezers ooit zullen bereiken of dat ze door de autoriteiten meteen versnipperd zullen worden. Toch blijft ze hoop houden en nadenken over een toekomst. En zo is het overduidelijk en begrijpelijk waarom het Wit-Russische volk niet in opstand komt tegen de oorlog in Oekraïne. De mensen zijn monddood gemaakt. 

    My European poem

    Cimafiejeva schreef haar gedichten in het Belarussisch. Dit dagboek echter – dat ze bijhield voor en tijdens de opstand na de verkiezingen – schreef ze in het Engels om wat meer afstand te creëren en wellicht ook uit veiligheid. Het is een indringend relaas, een ooggetuigenverslag van moed en angst, hoop en wanhoop, dat in 2020 als essay verscheen in The Financial Times.
    Een paar dagen voor de presidentsverkiezingen in Belarus plaatste Cimafiejeva haar indringende European poem op internet. 

    ‘Sorry, het is een lang gedicht/Omdat het een lang verhaal is/Ik heb meer dan twee derde van mijn leven doorgebracht/Onder de macht van de man/ op wie ik nooit gestemd heb.

    Dit gedicht moet in het Engels zijn geschreven.
    Dit gedicht moet in het Duits zijn geschreven.
    Dit gedicht moet in het Frans zijn geschreven,
    In het Zweeds, in het Spaans, in mijn mooie Noors,
    Misschien in het Fins, Deens en Nederlands.
    Baltische talen moeten zelf beslissen.
    Geen Wit-Russische versie van het gedicht,
    Geen Russische versie van het gedicht,
    Geen Oekraïense versie van het gedicht.
    De rest moet zelf maar kiezen.
    Dit gedicht moet worden geschreven in de taal
    van mensenrechtenorganisaties,
    van vaak geuite bezorgdheid van Europese politici.’

    Lees hier verder 

     

  • Waarom ze schreef had ze zich nooit afgevraagd

    Waarom ze schreef had ze zich nooit afgevraagd

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard moet je een keer zijn aangeraden door een bewonderaar. Iemand die begeesterd spreekt over haar prachtige taal, metaforen en rijke fantasie. Ze is vooral bekend van haar verhalend proza in zowel fictie als non-fictie. Haar roman The Maytrees (2008) is misschien wel de ultieme liefdesgeschiedenis, waarin zelfbewustzijn versus de onzekerheden van het leven het grote thema is. Pilgrim at Tinker Creek (1974) wordt gezien als een voorbeeld van Amerikaanse natuurbeschrijving geïnspireerd door Henry Thoreau’s Walden en werd in 1975 beloond met de Pulitzer Prize voor non-fictie. Gedurende een jaar verbleef Dillard in het Amerikaanse Virginia, in een vallei waar de Tinker Creek doorheen stroomt. Ze beschreef haar slenteren langs de oevers van Tinker Creek als een soort reisjournaal. 

    De essays in Schrijversleven verschenen oorspronkelijk in 1989 onder de titel The writers life en zijn nu uitgegeven door Atlas Contact in de vertaling van Henny Corver. Aan de hand van talloze voorbeelden geeft Dillard in Schrijversleven een beeld van de eenzaamheid, de werkdrift, de onzekerheid en het niet aflatende doorzettingsvermogen van een schrijver. Tussen de regels door valt te lezen dat als je dat niet in huis hebt, je geen echte schrijver bent en er ook zeker niet een moet proberen te worden.

    Spring toch gewoon

    Ze vergelijkt het schrijfproces met een spanrups die langs een grasspriet omhoog kruipt. ‘Het onfortuinlijke dier bungelt aan een grashalm en gooit wild zijn kopje heen en weer alsof hij jammert: Wat?! Niets meer?’ Hij verdwaalt, raakt in paniek en begint aan een volgende grashalm. ‘Ik heb het vaak gezien. Het blinde, paniekerige sukkeltje weet van de ene halm over te stappen op een andere […]’ Maar opnieuw zonder resultaat, wat Dillard doet uitroepen: ‘Spring toch gewoon, verlos jezelf uit je lijden!’ Met andere woorden: Durf gewoon te schrijven.

    Dillard beschrijft haar werkplek, die groot genoeg moet zijn voor één persoon. ‘Prettige werkplekken zijn iets om te mijden. Wat je nodig hebt is een ruimte zonder uitzicht, zodat verbeelding en herinnering elkaar in het donker kunnen tegenkomen!’ Over haar methodes schrijft ze: ‘De laatste tijd houd ik me bezig met schema’s. […] Een schema beschermt tegen chaos en grillen. Het is een net om dagen te vangen. Het is een steiger waar een bouwvakker op kan staan zodat hij een tijdje met beide handen kan werken!’

    Zoeloekrijger of Azteekse maagd

    Ook de stoffelijkheid van het schrijven komt aan bod, de verschillende versies van een manuscript. Over de eerste versie zegt Dillard dat die een merkwaardige innerlijke toestand teweegbrengt. Zoals een Zoeloekrijger die zich prepareert op oorlog of een Azteekse maagd die al weken weet dat ze in een hete vulkaan wordt gegooid. ‘Hoe brengt een schrijver zichzelf aan het spinnen?’

    Veelzeggend is het gesprek met de veerman die ze beter heeft leren kennen. Hij vroeg een keer naar haar schrijven. ‘Ik, sukkel zag niet aankomen dat ik mijn eigen wereld kletterend om me heen liet instorten en zei dat ik schrijven haatte. Hij zei stomverbaasd: “Dat is net alsof je in een fabriek werkt en het werk haat.” […] Zo was het precies. Waarom deed ik het? Dat had ik me nou nooit afgevraagd.’

    De schrijver krijgt vaak niet de waardering die hij zou willen. Haar essay The death of a moth werd afgedaan als te obscuur, te symbolisch, te intellectueel. Tot een jongen van een jaar of acht tijdens een bezoekje aan haar een tekening van de mot zag en zei: ‘Gaaf verhaal was dat. Heb je het geschreven of getypt?’ 

    Leren over schoonheid

    In het laatste essay van Schrijversleven heeft Dillard het over de stuntvlieger David Rahm, die in een vliegshow voor koning Hoessein tragisch aan zijn einde kwam. Bij haar in de buurt was ze getuige van een vliegshow waarin Rahm stuntte. ‘Ik dacht dat ik wel wat afwist van schoonheid. Ik wist dat ik er een flink deel van mijn leven aan had gewijd door gedichten van buiten te leren en mijn aandacht met name te richten op ritmische complexiteit, kracht, beweging, herhaling en verrassing in proza zowel als poëzie. Nu had ik in een paardenbloemenveld tussen een start- en een landingsbaan in Bellingham gestaan en eindelijk iets geleerd over schoonheid. Zelfs het Boston Museum of Fine Arts had me nooit zo kunnen inspireren als dit vliegveldje in het noordwesten op die verloren zondagmiddag in juni. Niets op aarde stemt zo blij als de wetenschap dat we de mouwen moeten opstropen en de grenzen van het menselijk mogelijke opnieuw moeten verschuiven.’ Ze vloog een keer met hem mee en de beschrijvingen van haar angst en bewondering zijn even ijselijk als sterk. Je zit gewoon naast haar in de kist en beleeft wat zij beleeft. 

    Je kunt Schrijversleven steeds weer oppakken en openslaan om ergens willekeurig een anekdote of een mooie metafoor als een feest der herkenning te begroeten. Dillards toon is toegankelijk en licht, soms streng en vaak niet gespeend van humor en zelfspot. De auteur verwoordt haar plezier en haat jegens het schrijverschap bijzonder treffend en toont tussen de regels door hoe je zou moeten schrijven. En zegt: ‘Oké, doe dat dan ook.’

     

  • Empathie is de poort naar vriendschap

    Empathie is de poort naar vriendschap

    De Amerikaanse biologe Catherine Raven debuteert met het boek Vos & ik, waarin haar relatie met een vos centraal staat. De vos is een voorbijganger bij haar huis in een afgelegen bergvallei, ver van de bewoonde wereld.
    In tegenstelling tot de Franse schrijfster en pianiste Hélène Grimaud die met een wolf als huisdier begon, wat uitgroeide tot een Wolf Conservation Center met zo’n dertig wolven, gaat het bij Raven niet om een gedomesticeerd, maar om een wild roofdier dat ze niet van plan is temmen. Het enige dat ze zou willen temmen, is haar slaapmat die alle kanten op gaat behalve de kant die zij prettig vindt.

     Dit neemt niet weg dat de schrijfster razend nieuwsgierig is naar de vos, zonder dat ze meteen beschuldigd wil worden van antropomorfisme (vermenselijken van dieren). Ze is nieuwsgierig naar het dier, en vraagt zich af of Vos een persoonlijkheid heeft. Inmiddels schrijft ze vos met een hoofdletter; maar een eigen naam zal ze hem niet geven. Wel leest ze Vos voor uit De kleine prins van De Saint-Exupéry. Over die ene roos, terwijl Vos elke dag bij dat ene vergeet-mij-nietje gaat zitten en luistert naar haar bla-bla-bla, want meer  (zo stelt zij zich voor) zal het in zijn oren niet zijn.

    De visie van haar studenten

    Behalve dat Raven Vos’ ontwikkelingsgang beschrijft, is het boek ook een beschrijving van haar eigen ontwikkeling als mens. Soms met schrijnende constateringen die haast terloops worden genoemd. Haar solitaire bestaan is, schrijft ze bijvoorbeeld, het gevolg van het feit dat haar ouders haar niet accepteerden. Daaruit vloeit het idee voort dat dit dan wel voor iedereen zal gelden. Ze denkt dat ze in de maatschappij, alleen in de universitaire wereld zal worden geaccepteerd als ze Vos en de berg achter zich laat. Dat is nogal wat, nu Vos op haar pad is gekomen, hoewel hij haar soms laat wachten wanneer hij meer te doen heeft dan zij. De leegte die zulke momenten opleveren, zetten aan tot piekeren. En tot goed kijken naar alles in haar omgeving dat groeit en bloeit, en dat wordt gedétailleerd opgeschreven.

    Ze schrijft over haar tuin of wat ze op pad met een gids en haar studenten langs een droge beekbedding tussen de akkers, een berg oplopend, tegenkomt. Het onderwerp ‘Vos & ik’ is onder haar studenten een hot item. Telkens komen ze erop terug. Ondertussen blijkt dat ze, net als De kleine prins, alles vanuit haar hart beschouwt, meer dan met haar verstand. En toch ook steeds meer antropomorf. Bliksemschichten worden ‘nors’ genoemd, grassen ‘rebels’ en de ogen van een gewond hertenkalfje ‘smekend’. Ze weet wat dit betekent: onwetenschappelijk en emotioneel onvolwassen tegenover wat haar studenten eigenlijk willen: de vos objectiveren, tot data terugbrengen, zijn poep verzamelen of DNA afnemen. Het betekent ook: zoeken naar een baan met een vast inkomen en een zorgverzekering. Dan zou ze – ook dit wordt terloops vermeld – eindelijk een operatie aan een goedaardige tumor kunnen betalen. 

    Natuur en cultuur

    Naast De kleine prins leest Raven onder meer ook Mary Shelley’s Frankenstein. Ze hoopt dat het lezen van dit boek haar kan helpen bij de keuze tussen wetenschap of intuïtie. De natuur kan haar in dit opzicht niet de weg wijzen; het is de literatuur waarbij ze telkens weer te rade gaat. De natuur roept haar verbeelding wakker, de cultuur doet ook een beroep op de rede. Vos neemt een tussenpositie in: ze gebruikt het dier niet als studieobject, zoals haar studenten dat zouden willen, maar een vriend zou ze hem ook niet willen noemen. Hij heeft een goede invloed op haar gewoontes, zoals tot bloedens toe haar hoofd openkrabben, want daar houdt ze mee op. Het is natuurlijk niet voor niets dat ze haar hoofd openkrabt, want daar zetelt de rede. De mens en het wilde dier staan bij Raven niet aan twee uiteinden van het spectrum, zoals bijvoorbeeld bij de Canadese filosoof Will Kymlicka, die wilde dieren niet ziet als voorbijgangers, maar als ‘inwoners van een ander land’, terwijl hij huisdieren en boerderijdieren beschouwt als medeburgers, met alle rechten van dien.

    Dan beschrijft Raven een tocht met een groep studenten door een dennenbos dat dreigde af te sterven en plaats moet maken voor sparren. Zo’n verschuiving wordt ‘het climaxstadium’ genoemd, de meest stabiele fase en culminatie van alles. Raven stelt, dat ze zelf ook het climaxstadium nadert. Vos komt om bij een brand, ze moet het verhaal van Vos vertellen, het verhaal van een wilde vos. Als hij niet wild was geweest, had ze hem misschien een halsband omgedaan, laten chippen en aangelijnd. Sinds zijn dood maakt ze zich druk om vossen, heeft ze een fulltime baan als universitair docent en woont nog steeds in de afgelegen bergvallei. Het evenwicht en de rust is gevonden. 

    Het feit dat het rijke en beeldend getoonzette persoonlijke verhaal in dit boek subtiel wordt verweven met het verhaal over de natuur in het algemeen en Vos in het bijzonder, tilt dit door Henny Corver mooi vertaalde boek, ‘een ongewone vriendschap’ uit boven het genre van ofwel een autobiografie sec ofwel een biologieboek zonder meer. Op deze manier voelt de lezer zich ook geen indringer, noch in het leven van Raven, noch in de natuur, maar iemand die met zowel de schrijver als met Vos mee kan leven, empathie kan hebben. En empathie is volgens de auteur de poort naar vriendschap.

     

  • Oogst week 27 – 2021

    Een modern verlangen

    Hanna Bervoets (1984) is auteur van onder meer romans, scenario’s, korte verhalen, essays en toneelstukken. Haar boeken worden regelmatig genomineerd voor belangrijke literaire prijzen. In 2017 kreeg ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Dit jaar schreef zij het goed ontvangen boekenweekgeschenk Wat wij zagen, waarvan de vertaalrechten al voor het verschijnen aan zeven landen werden verkocht. Vrijwel gelijktijdig verscheen Een modern verlangen, een bundel met veertien korte verhalen over, op het eerste gezicht, gewone mensen, vaak met een licht ironisch tintje.

    Alles in deze verhalen draait om menselijke relaties terwijl de personages zoeken naar hun plek in de wereld.

    Een modern verlangen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Osebol

    De Zweedse journalist Marit Kapla (1970) woont in Göteborg, maar komt oorspronkelijk uit Osebol, een plaatsje dat vierhonderd kilometer bij Stockholm vandaan ligt. Als tiener verliet ze het dorp en als volwassen vrouw keert ze er terug om het leven van de inwoners in kaart te brengen. De meeste bewoners zijn naar de stad vertrokken, de winkels zijn gesloten en verkeer is niet welkom op de toegangsweg naar het dorp.

    In Osebol vertelt Kapla de verhalen van de volwassenen die er nog wél wonen. Het resultaat is een meeslepende, poëtische ode aan het Zweedse platteland. In Kapla’s thuisland werden meer dan twintigduizend exemplaren van Osebol verkocht.

    Osebol
    Auteur: Marit Kepla
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De Parelduiker

    Op de cover van De Parelduiker de prikkelende vraag: ‘Kreeg Elisabeth Eybers terecht de P.C. Hooftprijs?’ Dat zou je toch denken, voor wie hem toegewezen krijgt die ook verdient. Jurist en letterkundige H.U. Jessurun D’Oliveira vraagt zich af, met de uitreiking van de in Zuid-Afrika wonende Nederlandse dichte Alfred Schaffer, die in het Nederlands schrijft, hoe het heeft kunnen gebeuren dat in 1991 de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eylbers deze prijs kreeg terwijl de reglementen dat eigenlijk niet toestonden; zij schreef in het Zuid-Afrikaans. En hoe het kan dat de P.C. Hooftprijs nooit aan een Vlaming, die toch in het Nederlands schrijft, werd toegekend.

    Van Lieneke Frerichs, waarvan onlangs de biografie van Nescio is verschenen een bijdrage over Japi, de hoofdpersoon in De uitvreter. Lang werd er gespeculeerd wie daarvoor model stond. Frerichs onderzoekt de verschillende speculaties, zoals die van Schrijver Eelke de Jong en K. Schippers, die in de Haagse Post van november 1971 de naam van ene Arie Rezelman noemden als zijnde ‘mogelijk model’ voor de uitvreter. Interessant stuk met verrassende uitkomst.

    Een stuk over een vergeten bloemlezing, UitverkorenVerhalen en gedichten over vervolgde mensen, (1979) samengesteld door onderduikster en verzetsstijdster Beccy de Vries. Ellen Krol vraagt zich af waarom deze bloemlezing met bekende en onbekende auteurs over de Jodenvervolging vergeten is. En wie was Beccy de Vries eigenlijk?

    Verder een stuk van Peter Daerden over de Waalse schrijver Conrad Detrez, die in de jaren zeventig als radioreporter in Lissabon belandde: het theater van een wedergeboorte, gedrenkt in verlangens naar gebronsde jongelui, de poëzie van Pessoa en de onoverkomelijke saudade. Jelto Drenth schrijft over de operaheldin en mannenverslindster Lulu van Frank Wedekind. Vic van de Reijt gedenkt journalist Igor Cornelissen (1935-2021). En enkele vroege gedichten van Doeschka Meijsing.

     

     

    De Parelduiker
    Auteur: Eindredactie: Hein Aalders
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Indrukwekkende essays getuigen van noodzaak

    Indrukwekkende essays getuigen van noodzaak

    De Amerikaanse auteur Annie Dillard (1945) schrijft proza, poëzie en literaire kritieken, maar is vooral bekend vanwege haar non-fictie. Haar essaybundel Pelgrim langs Tinker Creek uit 1974 leverde haar de Pulitzerprijs op. In 2020 won Henny Corver de Filter Vertaalprijs voor de Nederlandse editie van dit boek. Corver vertaalde ook De overvloed, een verzameling van wat Dillard zelf haar beste essays noemt. In haar voorwoord introduceert Marja Pruis de persoon Dillard en noemt stukjes uit de essays die in het boek voorkomen, precies genoeg om nieuwsgierig te maken naar meer.

    De essays in De overvloed schreef Dillard op verschillende momenten in haar leven, grofweg tussen halverwege de jaren zeventig en het begin van de jaren negentig. De onderwerpen lopen uiteen. Zo beschrijft Dillard in het essay ‘Disneyland’ hoe een gezelschap van Chinese auteurs en critici een bezoek brengt aan de Verenigde Staten voor een schrijverscongres. De locatie is Disneyland. Op enkele bezoekers zoomt ze in. Zo beschrijft ze Liu Binyan, bekend van zijn artikelen over corruptie in China: ‘Hij oogt jong, thuis in de wereld; zijn donkere kostuum zit hem wonderwel als gegoten. Na zijn beroepsverbod heeft hij tweeëntwintig jaar dwangarbeid verricht. Nu wandelt hij door Disneyland.’

    Dwangarbeid en Disneyland

    Het heeft iets absurds, de literaire elite in een pretpark vol cartoonfiguren. De bijna terloopse zin over dwangarbeid is vergeten wanneer het gezelschap gaat lunchen in het park en Dillard de taalbarrière beschrijft: wanneer hostess SUSI – zo staat het op haar badge – beleefd aan iemand van de Chinese overheid vraagt of hij Disneyland leuk vindt, is zijn antwoord prompt ‘nee’. Hij dacht dat ze vroeg of hij er al eerder was geweest. Hier zijn complimenten voor Henny Corver op zijn plaats, want de taalkundige misverstanden zijn ook in het Nederlands geslaagd.

    De vakantieanekdote, gezellig en herkenbaar, maakt plaats voor een scène waarin Dillard met mevrouw Fran, de secretaris van het gezelschap, buiten staat. Een Amerikaans jongetje van een jaar of vijf, met een pistoolriem om zijn middel, komt op hen af en vuurt met maar liefst twee pistolen denkbeeldige kogels af op de twee vrouwen. Hij weigert op te houden tot Dillard een idee krijgt: ‘Ik opper dat mevrouw Fan naar haar borst moet grijpen en zogenaamd moet sneuvelen om hem ter wille te zijn en om een einde te maken aan de slachtpartij; zo gezegd, zo gedaan.’ 

    Het essay eindigt met een herkenbaar scenario voor iedereen die ooit op schoolreisje is geweest. Toneelschrijver Chen Baichen is  zoekgeraakt, midden in Disneyland. De droge humor van Dillard komt hier om de hoek kijken. ‘Sommigen in het gezelschap zijn van mening dat Chen Baichen, die twee wereldoorlogen, bezetting, bevrijding, hongersnood, de campagne tegen rechts en de Culturele Revolutie heeft overleefd, Disneyland waarschijnlijk ook wel aankan.’ Wanneer hij wordt gevonden, omhelst Dillard hem spontaan, alle etiquetteregels vergetend. Hij is zo ontroerd dat hij huilt. Een treffende vergelijking: de huilende Chinese man en het Amerikaanse jongetje dat kogels bleef schieten tot zijn slachtoffers deden alsof ze getroffen waren.

    Kritische kijk op rijkdom

    Geweld is een terugkerend thema in Dillards werk, net als de natuur. In het essay ‘De wezel’ staat ze opeens oog in oog met dat dier, waarna ze aan het leven van de wezel denkt (‘alles opmerken, niets onthouden’) en vervolgens aan de vraag hoe zij moet leven, hoe wij mensen moeten leven. ‘De wezel laat zich leiden door noodzaak en wij door keuze; wij haten noodzaak en sterven uiteindelijk onwaardig in zijn klauwen.’ In tegenstelling tot de Amerikaanse mentaliteit is Dillard kritisch op het rijke westen, onder meer in het essay ‘Tsunami’. ‘We doen ons in restaurants tegoed terwijl overal mensen verzwakken en verhongeren, mensen die stuk voor stuk zonen en dochters zijn.’ Alle essays, hoe verschillend ook, ademen noodzaak. Dillard móést dit opschrijven, voor haar was er geen andere keuze. Hoewel de teksten meer dan dertig jaar oud zijn, zorgt deze achterliggende noodzaak ervoor dat het lijkt alsof ze gisteren zijn geschreven.

    Een ander indrukwekkend essay is ‘Zo moet je leven’, waarin Dillard op hypnotiserende wijze een blik werpt op het fenomeen ‘cultuur’. De dichter in haar komt naar boven wanneer ze over mensen schrijft. ‘Ze bidden; ze werpen mensen in veenmoerassen; ze helpen de zieken en gewonden; ze doorboren hun lippen, hun neus, hun oren; ze maken dezelfde fouten, in weerwil van religie, geschreven taal, filosofie en wetenschap. Ze bouwen, ze doden, ze behouden, ze tellen en schatten, ze koken de pot, ze houden het vuur gaande; ze vertellen hun verhalen en gorden zich aan.’ 

    Fluisterend en schreeuwend

    De variatie in taalgebruik is kenmerkend voor Dillard. Een essay kan relatief rustig beginnen, op een soortgelijke toon als ‘Disneyland’, en vervolgens versnellen als Dillard op stoom komt en de woorden om zich heen smijt. Dat levert prachtige zinnen op, zoals: ‘Bewonder de wereld omdat ze nooit het bijltje erbij neergooit – zoals je een tegenstander zou bewonderen, zonder je blik van hem af te wenden of weg te lopen’, en ‘Een van de weinige dingen die ik van schrijven weet is dit: zet alles in, schiet, speel, verspeel alles, zonder nadenken, elke keer opnieuw’. Dit combineert Dillard met nuchtere adviezen, zoals: ‘Zinnen van een recept componeren is niet minder lastig dan zinnen van Moby Dick componeren. Dan kun je net zo goed Moby Dick schrijven.’ De inhoud van Dillards teksten is boeiend, maar haar taalbeheersing voegt veel toe. De overvloed leest alsof Dillard op het podium staat, soms fluistert en soms schreeuwt, vertraagt en weer versnelt, haar publiek daarmee zo in haar ban houdt dat niemand na haar laatste buiging aan klappen denkt.

     

     

  • Oogst week 40 – 2020

    De overvloed

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard (1945) selecteerde voor de bundel De overvloed haar beste en beroemdste essays – waaronder het magistrale stuk over een zonsverduistering. Dillard staat bekend om haar diepgaande, vrijmoedige denken waarin de verwondering over wat ze waarneemt tot op het bot wordt uitgeplozen. In De wezel gaat ze tijdens een wandeling op een boomstam om zich heen zitten kijken en ontwaart naast zich op de grond een wezel. Zij ziet hem en hij ziet haar. ‘Ik heb een minuut lang in die wezenloze hersens gezeten, en hij in die van mij,’ schrijft ze over de ontmoeting. Dillard is iemand die kijkt en kijkt, nadenkt en ongeremd schrijft over dat wat ze waarneemt. In een hotelkamer ziet ze een reproductie van een tronie in fruit, het bekende schilderij van Arcimboldo: ‘Zo’n afbeelding waar je eigenlijk niet naar wilt kijken maar die je tot je chagrijn niet uit je hoofd krijgt. Ze wordt je opgedrongen door een of ander van smaak gespeend pratend fatum: ze wordt onderdeel van de complexe innerlijke meuk die je overal met je meesleept.’ De taal waarin ze haar bespiegelingen weergeeft is intens, krachtig en toch licht van toon, niet zonder humor. Maar niet geschikt voor luie lezers.

     

     

    De overvloed
    Auteur: Annie Dillard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Gemeente zegt ik Nederlands leren

    Saïd El Haji is schrijver, columnist en publicist. Hij studeerde in Leiden Nederlandse taal en letterkunde. In 2000 won hij de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor De kleine Hamid, een kort verhaal dat hij uitwerkte tot zijn debuutroman De dagen van Sjaitan (2000) waarmee hij roem oogstte. In dit boek rekent hij af met zijn strenge, gelovige vader tegen wie hij al jong in opstand kwam. Als NT2 docent geeft El Haji les aan vluchtelingen en andere anderstaligen. Daarover gaat Gemeente zegt ik Nederlands leren. El Haji stelt zijn leerlingen vrijpostige vragen als: Spreken Marokkanen beter Nederlands dan Turken, Waarom moet je nog steeds Nederlands leren als je al dertig jaar in Nederland woont, en Wie ben jij? El Haji’s leerlingen zijn soms weinig of niet naar school geweest, of al op oudere leeftijd. Maar hij stimuleert ze allemaal om ook vragen te stellen, want van vragen stellen word je wijzer en van nieuwsgierigheid ga je praten. De soms wrange resultaten tekent hij op met humor en mededogen. Gemeente zegt ik Nederlands leren is Saïd El Haji’s vijfde boek.

     

     

    Gemeente zegt ik Nederlands leren
    Auteur: Said El Haji
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Duel

    In Duel, het dertiende boek van Eduardo Halfon (Guatemala, 1971) reist de schrijver behalve van de Verenigde Staten naar Guatemala en van Polen naar Italië af naar zijn geest. Overal waar hij komt stuit hij op zijn eigen onbeantwoorde vragen, over wat het is om mens te zijn in de wereld, en wie hij zelf eigenlijk is. De verteller is net als de schrijver ingenieur en heeft dezelfde familieachtergrond. In zijn autofictie komen mysteries uit zijn jeugd bovendrijven en schrijft hij over broers en zussen en Joodse voorouders uit Egypte, Syrië, Polen en Libanon. Geworstel met de eeuwige herinneringen aan de holocaust ontbreken niet. De ingewikkelde familiegeschiedenis vormt voor Halfon een bron voor de zoektocht naar zijn eigen identiteit. In een van de verhalen meent hij de ooit gestolen ring van zijn grootvader te ontdekken aan de vinger van een douaneambtenaar. Verlies is een terugkerend thema; in de mix van journalistieke verhalen en een speurtocht naar de betekenis van zijn persoonlijke ervaringen kan alles en iedereen plotseling verdwenen zijn. Eduardo Halfon won vele literaire prijzen en wordt gezien als een van de beste Latijns Amerikaanse schrijvers van het moment.

     

     

    Duel
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek