• Kiezen voor vooruitgang of behoud?

    Kiezen voor vooruitgang of behoud?

    Ismail Kadare, de bekendste schrijver uit Albanië, is geboren in 1936 en vorig jaar op 88-jarige leeftijd overleden. Eind jaren zeventig van de twintigste eeuw publiceerde hij zijn roman Uta me tri harque, in 1985 door Henne van der Kooy uit de geautoriseerde Franse vertaling in het Nederlands overgezet: De brug met drie bogen. Dit jaar is het boek opnieuw uitgebracht.

    Brug over de Oejane

    Kadare laat het verhaal over de brug over de rivier Oejane (gelegen in Albanië) vertellen door Gjon de Monnik. Jarenlang heeft de organisatie met de toepasselijke naam ‘Ponten en Veren’ mensen en vee per boot de rivier overgezet. Tot tevredenheid van Graaf Stres die een deel van de winst opstrijkt. In 1377 krijgt een ziener bij de pont een epileptische aanval waarna hij verklaart dat dit een teken van de Almachtige is: er moet op deze plek een brug gebouwd worden. Een handelsgezelschap, luisterend naar de eveneens toepasselijke naam ‘Wegen en Bruggen’, krijgt vervolgens toestemming van de graaf een stenen brug te bouwen.

    Moet de aanwijzing van de Almachtige gevolgd worden of is de brug de rug van de duivel en wordt iedereen die er overheen zal durven gaan, vervloekt? Het bijgeloof vergroot de angst. Het verzet tegen het bouwen van de brug symboliseert fraai de weerstand tegen vooruitgang en het willen vasthouden aan oude gewoonten. De toekomst is echter niet tegen te houden en men begint met de bouw van de brug.

    Strijd tussen krokodil en tijger

    Dat de brug er niet zonder slag of stoot zal komen wordt aan het begin van het verhaal al duidelijk wanneer een Hollandse (!) monnik aan Gjon vertelt over de strijd op leven en dood tussen een krokodil en een tijger, niet voor niets een water- en een landdier. De twee dieren storten zich op elkaar zonder dat ze erin slagen elkaar te bijten of te slaan: ‘Het leek erop of er aan het gevecht nooit een eind zou komen.’ Blijkbaar is Kadare deze opmerking snel vergeten, want vier pagina’s verder heeft de tijger (het landroofdier) de strijd toch gewonnen en rent hij, met bebloede muil, de savanne in.

    ’s Nachts wordt de brug beschadigd en dat brengt ‘een storm van geruchten en bange voorgevoelens teweeg’: de brug vraagt om een offer. Murrasj Zenebisje voldoet aan de wens van de brug en laat zich onder de eerste boog van de brug inmetselen. Gjon vermoedt dat het om dezelfde man gaat die eerder de brug beschadigd heeft. Is hij een martelaar of is hij het slachtoffer van een vloek? Zijn familie krijgt weliswaar een schadeloosstelling, maar over de verdeling ervan breekt in de familie een enorme ruzie uit.

    Vertaling

    Het verhaal wordt met veel vaart verteld in korte hoofdstukken (ruim zestig hoofdstukken in nog geen 150 pagina’s). De vertaling wordt niet toegelicht en dat laat een aantal vragen open. Waarom is de tekst vertaald uit het Frans en niet direct uit het Albanees? Roel Schuyt vertaalt immers direct uit die taal (ook werk van Kadare). Is de vertaling uit 1985 afgestoft of gaat het om een ongewijzigde herdruk? Komt de soms wat archaïsche taal (die natuurlijk goed past in een verhaal dat in de veertiende eeuw speelt) in de oorspronkelijke taal voor of is deze afkomstig uit de Franse of Nederlandse vertaling?

    Beklemmende sfeer

    De roman van Kadare heeft een beklemmende sfeer, mede door de dreiging van oorlog en de angst voor de komst van vreemde overheersers (de Turken) die een onheilspellende achtergrond bieden tegen spanningen die ontstaan tijdens de bouw van de brug. Door de dreigende achtergrond van oorlog en geweld is het een roman die perfect in de huidige tijdgeest past. En voelen veel mensen heden ten dage niet eveneens angst voor vooruitgang? Welke bruggen zijn er nodig op de elektronische snelweg en wie zal worden geofferd om de bouw van de bruggen dáár mogelijk te maken?

  • Oogst week 40 – 2024

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo

    Groots en onbekommerd, Leven en werk van Belcampo door Nico Keuning is de onlangs bij Querido verschenen biografie van de originele en absurdistische Nederlandse schrijver Belcampo, pseudoniem van Herman Schönfeld Wichers (1902-1990). Halverwege de vorige eeuw was Belcampo een van Nederlands populairste auteurs en stonden de Salamander-pockets met titels als Bevroren vuurwerk en Verborgenheden in menig boekenkast. In 2015 verfilmde Mike van Diem, heel succesvol, Belcampo’s korte verhaal De surprise.

    Belcampo groeide op als notariszoon in het gelovige Rijssen. Op zijn zestiende kreeg  Herman tuberculose en tijdens het revalideren in sanatoria las hij veel, schreef brieven en had alle tijd om te fantaseren. Hij studeerde in Amsterdam, en reisde zijn hele leven veel. Uiteindelijk werd hij schrijver en arts in Bathmen en Groningen. Uit zijn vele brieven komt Belcampo naar voren als een ras-optimist, vrijheidsaanbidder en levensgenieter. Uit zijn vertelkunst rijst het beeld van een visionair die moeiteloos aan de haal gaat met filosofie, wetenschap en religie.

    Keuning is een ervaren biograaf, hij schreef ook over Jan Arends, Bob den Uyl en Willem Brakman. Groots en onbekommerd beschrijft Belcampo’s jeugd en adolescentie boeiend en geeft een compleet beeld van het rijke, avontuurlijke leven van een schrijver, tekenaar, echtgenoot, vader en arts, die altijd in de breedste zin van het woord is blijven zwerven.

     

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido

    Zelfportret

    De Franse schrijver, fotograaf en kunstenaar Édouard Levé (1965 – 2007) wordt wel een  literaire kubist genoemd. Zelfportret (oorspronkelijke titel Autoportrait, 2005)  bestaat uit losse, niet-geparagrafeerde zinnen met beweringen en zelfbeschrijvingen van de auteur. Het is een briljant en ontnuchterend zelfportret, neergeschreven in een verzameling fragmenten. Levé verbergt niets voor zijn lezers en schetst zijn leven in min of meer willekeurige, ritmische zinnen. Zelfportret is in psychologisch, politiek en filosofisch opzicht een juweeltje en naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar radicale objectiviteit.

    Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en droge, spottende toon merken dat we ontwapend worden, geboeid en verrukt raken door niets minder dan perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.

    Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Levé’s laatste boek Zelfmoord  verscheen in 2021, eveneens bij Koppernik.

     

    Zelfportret
    Auteur: Édouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De tweelingentrilogie

    De tweelingentrilogie van de Hongaarse schrijfster Ágota Kristóf (1935- 2011) is opnieuw gepubliceerd, en terecht zo vinden haar fans.

    Deze veelgeprezen trilogie, bestaat uit Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen. Kristóf gebruikte haar eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de communistische dictatuur. Toch is het geen autobiografisch of historisch relaas, maar een wreed, urgent drieluik over wat oorlog en ballingschap met mensen doet.

    Een meedogenloos en beklemmend verhaal, verteld met de rauwe eenvoud van een sprookje, dat de duisterste kanten van de mens blootlegt. Een Kafkaëske onwerkelijkheid, waarin iedereen anoniem is, waarin al het herkenbare (geografisch en historisch) verdoezeld is en alles ongrijpbaar wordt, wat de absurditeit van oorlog en dictatuur versterkt en voelbaar maakt. Geschreven in eenvoudige, uitgebeende taal wordt de gruwelijke realiteit nog aangrijpender.

     

    De tweelingentrilogie
    Auteur: Ágota Kristóf
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.
  • Op zoek naar een gouden snijtand

    Op zoek naar een gouden snijtand

    De grote verhaallijn in De generaal van het dode leger van Ismail Kadare is eenvoudig. Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog gaat een Italiaanse generaal op zoek naar de stoffelijke overschotten van landgenoten die in Albanië zijn gesneuveld. Hij doet dat samen met een priester die Albanees verstaat. Italië heeft met de Albanese overheid een regeling getroffen die opgravingen mogelijk maakt en waarbij de generaal gebruik mag maken van Albanese arbeiders. Hij is er in het bijzonder op gespitst de restanten te vinden van kolonel Z. Deze kolonel was aanvoerder van het Blauwe Bataljon dat gold als het meest wrede onderdeel van het Italiaanse leger. Als hulpmiddelen heeft de generaal een kaart bij zich waarop (vermoedelijke) plekken staan aangegeven van de graven – als de soldaten er al één hebben, want de meesten zijn zomaar ergens neergelegd – en beschrijvingen van de belangrijkste kenmerken van de gevallenen. Van kolonel Z is bijvoorbeeld bekend dat hij 1:82 m lang was en een gouden snijtand had.
    Bovendien droegen alle soldaten in de strijd een medaillon met de beeltenis van de Heilige Maria met daaronder een regimentsnummer.

    Het graven naar de stoffelijke overschotten is tevens een afdaling in de Albanese ziel en een oprakelen van het oorlogsleed. De omstandigheden kleuren het lugubere van de expeditie nog eens extra want op alle dagen is het mistig of regent het.
    De generaal van het dode leger is Kadares romandebuut. Het verscheen in de jaren zestig in het Albanees, maar trok pas aandacht door de Franse vertaling in 1970. Zeer tot ongenoegen van de toenmalige dictator, president Enver Hoxha, een bewonderaar van Stalin en Mao, die zijn land in een ongekend communistisch isolement had gedreven. Pas in het jaar van de Franse vertaling drong tot Hoxha door dat Kadare via de omweg van een historisch verhaal kritiek leverde op het Albanese regiem.

    Ontbindingen

    In de serie Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland is nu de vierde druk van de Nederlandse vertaling (uit het Frans) verschenen. Deze gaat vergezeld van een zeer informatief Nawoord van Piet de Moor over Kadare, dat de alleszeggende titel Welkom in de hel draagt: ‘Afgehakte hoofden en verminkte ledematen vormen (…) de ingrediënten van de literaire fricassee die Kadare in heel zijn oeuvre voor zijn lezers serveert’. En even verder:  een ‘jongleren met afgerukte ledematen en het versnijden van lichaamsdelen als aankondiging van grotere, staatkundige ontbindingen’. Geen wonder dat Hoxha zich in een hoek gedreven voelde.
    De Moor beschrijft ook de aanleiding voor het ontstaan van De generaal van het dode leger. Kadare was als opgroeiende jongen zeer opgewonden geweest over de vestiging van een bordeel voor Italiaanse soldaten in zijn geboortestad Gjirokastër. Dat had hij een vriend verteld, die hem kort voor die naar China vertrok, liet beloven dat hij daar een roman over zou schrijven. Toen deze vriend korte tijd later op de terugvlucht verongelukte voelde Kadare dat hij zijn belofte gestand moest doen. Het bordeelverhaal duikt in de roman op als de generaal stuit op het lijk van een vermoorde prostituee.

    Medaillon

    Het verhaal van die prostituee is één van de voorbeelden die De generaal van het dode leger op gevoelsniveau zo schrijnend maken. De generaal, die naamloos blijft, wroet zich met zijn gravers door de modder en de kilte terwijl er steeds toespelingen zijn op behoefte aan warmte en liefde. Een bijzondere motivatie van de generaal om de resten van kolonel Z te vinden is bijvoorbeeld zijn heimelijke verliefdheid op diens weduwe. Die speelt hem zozeer parten dat hij de priester ervan verdenkt iets met haar te hebben. Verder is er ook een heimelijke verliefdheid van een gedeserteerde Italiaanse soldaat op een dochter van een Albanese molenaar (de soldaat kan niet worden geïdentificeerd omdat hij zijn medaillon aan het meisje heeft gegeven) en een keer of vijf staat in de roman een nauwelijks opvallende zin over een jong stel dat de generaal op een bankje in het park of in een hoekje van het café ziet zitten.

    Nylonleger

    Maar vooral schrijnend en tragikomisch zijn de confrontaties met de Albanese bevolking. De generaal is zo bezeten van zijn opdracht (en van zijn doel de resten van kolonel Z te vinden) dat hij over de gevoelens van de Albanezen heen walst. Dat blijkt vooral als hij van de priester waarschuwingen krijgt om zich anders te gedragen, maar daar doof voor is. Zijn onderneming wordt getekend door vooroordelen over de Albanezen, ‘een grof en achterlijk volk’; ze willen alleen maar doden want dat is hun instinct. Daarnaast is er de luitenant-generaal, een enigszins onbestemde figuur met één arm, van wie de nationaliteit niet duidelijk wordt, die de generaal steeds meer verleidt om het niet zo nauw te nemen met zijn opdracht. Er zijn zoveel soldaten van 1:82 m. En die gouden tand kan toch kwijt zijn geraakt! Waarom niet gewoon een willekeurig stel botten naar huis gestuurd?
    Als het erop lijkt dat de restanten van kolonel Z zijn gevonden, maar dan wel op een gruwelijker manier dan de generaal zich had voorgesteld, kan hij letterlijk de last niet aan. Zijn opdracht heeft zozeer bezit van hem genomen dat hij geestelijk in de war is en alleen nog maar wil vluchten. Hij wil ontsnappen aan dit nylonleger (de botten worden verpakt in nylon zakken voor ze de kist ingaan).

    Daarvóór al is hij tijdens een bezoek aan een Albanese bruiloft door de mand gevallen toen een oude man hem aansprak, ‘Ik weet waarom je in ons land bent gekomen’, had hij gezegd; de generaal had de opmerking gevoeld als een dolksteek. Hij was al lang bang voor een gesprek dat tot een provocatie zou kunnen leiden: ‘Hij had zich ingespannen de reden van zijn eigen aanwezigheid te vergeten, in de waan dat zijn vergeten dat van anderen tot gevolg zou hebben (…) Het speet de generaal dat hij gekomen was.’.