• Dus toch de liefde

    Dus toch de liefde

    Wat dichter en filosoof Henk van der Waal met zijn eerste roman De uitbraak precies beoogt, wordt niet snel duidelijk. Hij roert wereldproblemen als klimaat, vluchtelingen, gender, een doorgeschoten economie en voortrazende technologie aan en het lijkt erop dat hij liefde in de ruimste zin van het woord propageert als oplossing. Een universele liefde van en voor iedereen en alles, inclusief de kosmos. Het is nogal wat, wat de lezer in dit boek te verstouwen krijgt.

    De uitbraak bestaat uit drie delen. In het eerste, Het Rijk, wonen de sterfelozen, fellows genaamd, in een ‘intens gestabiliseerde samenleving’. Zij zijn niet op de gebruikelijke manier geconcipieerd maar ontworpen en worden met technische middelen gelukkig gehouden. Om de zoveel jaar krijgen ze een ‘regeneratieboost’ om hun sterfeloosheid te revitaliseren. Maar niet iedereen is altijd gelukkig. Er ontstaan ‘eigengereiden’ en ‘binnenvetters’ die met data-analyse, therapieën en farmaca gecorrigeerd moeten worden.

    Mislukte boost

    De tweeslachtige hoofdpersoon en ik-verteller Gustav is regeneratiespecialist en begeleidt de probleemgevallen. Behalve met de gangbare behandelingen denkt hij dat ‘reflectie en interpretatie op betekenisniveau geldige inzichten omtrent de werkelijkheid opleveren’. Die mening wordt in Het Rijk nauwelijks gedeeld. Als hij zelf weer een boost ondergaat komt hij daar niet zoals gepland en gewenst doorheen. Er daagt het besef dat hij een biologische moeder heeft en hij gaat haar zoeken. Als hij haar, Moon, gevonden heeft breken ze samen door de Glazen Wand, de grens van Het Rijk en een legering van silicium, terbium en goud. De natuurkundigen onder ons zullen weten wat dat oplevert, de doorsnee lezer duizelt het al snel van Van der Waals inventieve technische termen en fantasierijke bewoording van plaatsen, materialen en handelingen.

    Baby’tjes

    In deel twee van het boek komt Gustav terecht op Het Eiland, de geboorteplaats van Moon. Daar wonen de sterfelijke ‘menselijken’. Over mensen heeft de auteur het niet, noch over mannen en vrouwen. Met Alexis, de vrouwelijke (maar ook hermafrodiet) die hij er als eerste ontmoet komt het tot pathetische liefde. ‘Ik wil me slechts met haar bevruchten. Vlak boven haar vel strijk ik zonder haar te raken mijn handen over haar warmteaura heen. Het is een zegening, eerbiediging en liefdesdaad ineen.’ En even later: ‘We zijn niet meer te houden.’
    De eilanders leven geweldloos en in gemeenschap, wat wil zeggen dat alles van en voor iedereen is, inclusief de kinderen. Baren en zogen vindt gelijktijdig door meerdere vrouwelijken plaats – waarbij Van der Waal het steeds over baby’tjes heeft, niet over baby’s of kinderen. De leefgemeenschap wordt geleid door de lamme filosoof, een potsierlijke figuur die – als bij de pietà – op Alexis’ schoot hangt. Hij kwijlt, tettert en schettert en tijdens het tribunaal waarvoor de twee geliefden met hun ‘exclusieve liefde’ moeten verschijnen, hangt hij tussen twee dragers. De veroordeelden worden verbannen naar De Zone, deel drie van het boek.

    Kapstok voor verhaal

    Door het hele boek heen spelen de lust en de liefde. Voordat Gustav op het eiland belandt zijn er al twee uitgebreide seksscènes gepasseerd en meerdere zullen volgen. Buiten Het Rijk ervaart hij geregeld een ‘liefdevolle gloed’ in de ogen van de vrouwelijken. Hij is een willoze figuur die zich laat overdonderen en leiden door de vrouwen op zijn pad, Moon, Alexis en later Bitya. Ook de gidsen die in het boek voorkomen zijn vrouwen aan wie Gustav zich gedwee onderwerpt, al laat Van der Waal hem voor de vorm wat tegensputterende gedachten hebben. Vreemd is een zekere animositeit die voortdurend in competitieve dialogen tussen Gustav en de vrouwen opklinkt. Ze is niet logisch, er is geen reden voor. Misschien dat Van der Waal probeert via dit spel van aantrekken en afweren spanning te creëren, maar dat werkt niet. Het doet kinderlijk aan. De personages zijn plat en eigenlijk oninteressant. Hun gedrag wordt vervat in clichés als ‘staart onbestemd in de verte’, ’tovert een lachje op haar gezicht’, en ‘als door een wesp gestoken’. Wellicht zijn de personages bedoeld als kapstok waaraan de auteur het grote onderliggende verhaal kan ophangen: het belang van leven en dood, deel zijn van het universum, leven in overeenstemming met de natuur en de natuurwetten.

    Overtuigend beschreven in deel een is Gustavs eigen bewustzijn als hij nog in de baarmoeder zit, en dat geldt ook voor de steekhoudende aanklachten en pleidooien tijdens het tribunaal in deel twee. En in deel drie formuleert de auteur scherp: ‘Technologie heeft de neiging om te woekeren. Voor je het weet ben je niet veel meer dan een brok energie om die woekering te voeden. Als dat eenmaal zo ver is, trekt die woekering zich niets meer van je aan en is je autonomie de illusie die ze altijd al dreigde te zijn.’ Andere frasen zijn moeilijk te doorgronden omdat de auteur lastig herkenbare leefsituaties in onbekende substantie voorschotelt, zoals het leven van de menselijken in glaslemen bollenraten in de bomen. Sommige zinnen zijn wonderlijk, bijvoorbeeld dat iemand op mos op zijn tenen naar een slapende toesluipt. Op je tenen sluipen op mos?

    Ideale samenleving

    Om zijn verhaal de ruimte te geven heeft Van der Waal een heel arsenaal aan interpretatiemogelijkheden van levensbeschouwingen ontsloten. Er zijn elementen van science fiction, sprookjes, new age en esoterie. Een grote plaats is ingeruimd voor androgynie en tweeslachtigheid. Ook metafysica, ruimte-/tijdmaterie en filosofie zijn erin verwerkt. Zo kan de lezer stuiten op Spinoza, Sartre, Newton en Descartes, en ongetwijfeld is er nog veel meer filosofisch en natuurkundig gedachtegoed door het verhaal verweven. Interessant voor wie het herkent, de niet-ingewijden zal het ontgaan.

    De Zone lijkt het ideaal waar het Van der Waal om te doen is. De menselijken leven in bollenraten van glasleem in de bomen. Doden worden opgenomen in de boomkruinen en vandaar in de kosmos. Alle menselijken zijn er tweeslachtig, er wordt gepaard en gebaard met en door iedereen, maar zwangerschappen duren lang en zijn beperkt. Tegenstrijdig is dan wel weer dat de exclusieve liefde tussen twee menselijken als het hoogste wordt gezien.
    Het is een indrukwekkend maar moeilijk boek dat Van der Waal via zijn bewonderenswaardige verbeeldingskracht opdist en sommige scènes zijn lastig serieus te nemen. Uiteindelijk lijkt zijn verhaal toch te gaan om liefde tussen twee mensen en de voortplanting. Met als extraatje een allesomvattende liefde voor leven en dood en verbondenheid met het universum in een ideale samenleving. Een respectabel idee, maar in het hier en nu blijft het tobben met de mens.

     

     

  • Zoeken naar volledigheid

    Zoeken naar volledigheid

    Door alle honderd harten wit te kalken door Henk van der Waal bevat tien gedichten van elk drie pagina’s lang. Overzichtelijk en regelmatig. In de meeste gevallen zijn titel en slotregel van een gedicht identiek – of althans overeenkomstig. De gedichten zijn vrij van vorm, ze bevatten weinig leestekens en ontberen rijm, en zijn dus ook in dat opzicht uniform. Er zit, kortom, systeem in. Misschien ligt dat ook wel voor de hand. Henk van der Waal (1960) is dichter en filosoof. Systeem biedt voor een dichtende filosoof – of een filosofische dichter – houvast binnen de context van de poëzie, waar gewoonlijk regelloosheid heerst. Zowel met de poëzie als met de filosofie heeft Henk van der Waal zich intensief bezig gehouden, zoals onder meer blijkt uit de bundel De kunst van het dichten. Gesprekken en essays (2009) door Henk van der Waal en Erik Lindner met onder meer Esther Jansma, Astrid Lampe en Piet Gerbrandy.

    De tien gedichten in Door alle honderd zijn in zoverre systematisch dat ze vraagstukken aansnijden die groter of in elk geval anders zijn dan alledaagse vraagstukken. Lichte anekdotiek en eenvoudige, directe sentimenten vindt de lezer niet in deze lange gedichten. Wat dan wel?

    Geef toe
    als het omvattende niet als rust
    in je beklijft, ben je vlak en licht uit het lood
    en hunkerend naar de roekeloosheid die je
    nodig hebt om volledig te zijn
    […]

    Dat is wellicht een sleutelpassage uit deze bundel: poëzie zoekt naar wat je ‘nodig hebt om volledig te zijn’. En wat is dat dan zoal, wat je nodig hebt om ‘volledig te zijn’? Nou, dat je je niet verbaast, bijvoorbeeld. Of dat je met al je gifkikkers afrekent. Of dat je niets meer bent dan de ruimte die je inneemt. Of,

    […] als je echt wilt zijn moet ook het
    vertedier in jou de vrijheid krijgen om stille
    lucht te blazen door de flinterdunne kieren
    van je strottenhoofd en om genegenheid
    te hangen in alle hoge bomen en om genade
    uit te strooien over welkend gras, net zo lang
    tot er voldoende weemoed is verzameld
    om het tot een binnenste te vouwen
    dat te wecken is in glas
    […]   

    Dat een dichtende filosoof zich actief en heel bewust met taal bezighoudt ligt voor de hand. Sterker nog, Van der Waal noemt ‘niets zo heilig als de taal der mensen’. Opmerkelijk is, dat de dichter er in zijn gedichten zelf meermalen rechtstreeks getuigenis van aflegt. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Lege volmaaktheid’:

    ‘je beseft dat’
    en je verbaast je erover dat
    het werkwoord dat jou het meest op
    jezelf terugwerpt niet wederkerend is
    toch weiger je om
    ‘je beseft je dat’
    te zeggen
    […]

    Ook opmerkelijk trouwens is, dat een fragment uit een van deze langere gedichten moeiteloos als zelfstandig vers kan bestaan. Zie bijvoorbeeld de achterzijde van de bundel, met daarop de slotregels (12 + één woord) van het gedicht ‘Liefdesgemoed’. De ingehouden metaforiek bevestigt het beschouwelijke karakter van deze poëzie. En het prikkelt de nieuwsgierigheid naar het poëtische gehalte van Van der Waals filosofische proza. Henk van der Waal schreef tien gedichten die tot nadenken stemmen, inspireren tot reflectie, af en toe geruststellen, soms zelfs troosten.

    hoezo dat?      

    het eenvoudigste is het moeilijkste

     

     

  • Conceptualistisch en cerebraal onthechten

    Conceptualistisch en cerebraal onthechten

    De jij-vorm is eigenlijk maar vreemd. ‘Ik’ is één persoon, ‘hij’ en ‘zij’ ook, daar bestaat geen twijfel over, maar ‘je’ en ‘jij’ zorgen voor onoverzichtelijke situaties. Deze twee woorden geven normaliter een begrensd gesprek aan: er is een jij en er is een ik. Voetballers bijvoorbeeld praten echter graag over zichzelf in de jij-vorm: ‘je gaat op de goal af en denkt niet na, maar schiet.’ Als er in het gedicht het woord ‘je’ valt, wordt daar niet zelden de lezer zelf mee aangesproken. Al in het eerste gedicht van In de ogen van de god duikt er een strofe in de je-vorm op:

    je bestaat
    je houdt het jouwe uit
    je sleept de onverkwikkelijke lengte
    van je verblijf achteloos de kombuis
    van je taalregister binnen

    Wordt hier iemand toegesproken of spreekt iemand zichzelf toe? Is die iemand de lezer? Deze jij-vorm komt in een groot deel van de gedichten terug en neigt de ene keer naar iemand die in zichzelf praat, en de andere keer naar iemand die toegesproken wordt.

    Al vrij snel komt er een prominent onthechtingsthema in de bundel naar voren. Niet zelden krijgt dat thema een (quasi-)religieuze lading. Aan het slot van de bundel bijvoorbeeld kijkt de ‘je-persoon’ (bij gebrek aan een betere uitdrukking) zijn onthechte en goddelijk geworden zelf in de ogen: wie de zelfonthulling / in de ogen van de god / weerspiegeld heeft gekregen.

    Die onthechting is bij vlagen indrukwekkend. Bovendien is het niet lastig om grip te krijgen op de gedichten. Daarnaast laat Van der Waal zien dat hij oog en oor heeft voor muzikaliteit; lees zijn poëzie eens hardop voor en let op de subtiele assonanties. Toch ontbreekt er voor mijn gevoel iets aan In de ogen van de god.

    Dat lichte gevoel van gemis heeft te maken met een gebrek aan concreetheid. Hoewel Van der Waals gedichten zeker niet beeld(spraak)vrij zijn, blijven ze toch vrij abstract. Dat heeft ook te maken met de duidelijk conceptualistische insteek van de bundel die opgebouwd is uit een aantal reeksen van steeds drie gedichten. Daarnaast is het onthechtingsthema erg prominent aanwezig. Niet zelden komen de gedichten daarom over als ideeën die met een paar beelden aangekleed zijn. Ter illustratie:

    Als je er je vinger op legt
    is het niet
    of je dat nu
    zacht of plots
    ruw of traag

    niettemin

    de pijn
    aan je oorsprong
    laat je zijn wie je bent
    is de lier
    die de licht steekt in je tijd

    dus als je keert en spreekt
    en wijst en grijpt
    verdwijnt het als ooit
    liefde in de dood

    maar vergis je niet

    juist in dat wijken
    ontrolt zich
    het wekken van je wezen

    Dit gedicht stipt kort thema’s als identiteit en vergankelijkheid aan en krijgt vervolgens een visueel en auditief (let op de alliteraties en assonanties) versierd jasje aan, maar de ideeën in deze tekst liggen vrij open en bloot in zicht. Dat is geregeld het geval in deze bundel. Iemand als Paul Bogaert, aan wiens werk In de ogen van de god meer dan eens doet denken, is ook een dichter met een ideeënwereld, maar die wordt vaak in een vorm gegoten die daar goed bij aansluit. Als Bogaert over ontpersoonlijking schrijft, gaat hij over op science fiction- of reclameachtig taalgebruik. In de ogen van de god is qua vorm minder spannend: de taal spettert nu eenmaal minder.

    In de ogen van de god bevat ook twee reeksen waarin van die ongedefinieerde jij-vorm en schijnbaar ook van het onthechtingsconcept afgeweken wordt: Stabat mater en Loopgraaf. Bij de eerste lezing vond ik beide reeksen uit de toon vallen bij de rest van de bundel en bij de tweede keer lezen vond ik ze een welkome afwisseling. Ze zijn namelijk aanzienlijk concreter dan de rest van de bundel.

    In Stabat mater wordt weliswaar iemand als ‘je’ aangesproken, maar deze persoon is identificeerbaar als een ‘medebewoner van deze verrommelde / vierkante kilometer stad’. Zijn dementerende moeder heeft een ‘verdunde geest’. In Loopgraaf wordt een groepje jonge soldaten tijdens de Grote Oorlog gevolgd. Ze worden aangesproken als ‘jullie’: terwijl gifgas / jullie longen smoorde en jullie gek van / angst in geul of krater een laatste adem / persten uit jullie verwrongen mond. In beide reeksen duikt dus ook een onthechting op, gedwongen door dementie en de mensonterende omstandigheden in de loopgraven. Deze reeksen passen daarom goed in het concept van de bundel en werken de achterliggende ideeënwereld op een concrete, invoelbare manier uit.

    In de ogen van de god is bij vlagen indrukwekkend, maar even vaak net iets te koel; de ideeën krijgen geregeld voorrang op het esthetische in deze poëzie en dat maakt haar vaak erg cerebraal. Henk van der Waal heeft een uitstekende bundel geschreven, maar tegelijkertijd is het ook poëzie waarmee je moeite zult hebben deze in je hart te sluiten.

     

     

     

  • Naar een rustig heenkomen voor de zoekende mens

    Naar een rustig heenkomen voor de zoekende mens

     

    Niet alleen Europa is in crisis, ook met de filosofie is het al langer slecht gesteld. Sinds het begin van de twintigste eeuw is er zelfs sprake van een heuse scheuring tussen aan de ene kant de Angelsaksische of analytische filosofen en aan de andere kant de filosofen van het continent. De Noordzee en de Atlantische oceaan blijken onoverbrugbare hindernissen te vormen voor denkende wijsgeren.

    Oorzaak van de scheuring binnen de filosofie is vooral het succes van de natuurwetenschap. In het prille begin van de Verlichting kon de filosoof nog geloven dat de wijsbegeerte een centrale rol speelde in het begrijpen van de wereld, de mens inbegrepen. Maar in de loop van de tijd bleek de wetenschap de filosofie helemaal niet nodig te hebben. Baanbrekende wetenschappelijke ontdekkingen werden gedaan zonder dat filosofen daar enige inbreng in hadden.

    Maar er was in de achttiende eeuw ook onvrede en teleurstelling ontstaan over de beloftes die er van de wetenschap bijna een eeuw lang was uit gegaan. Een wetenschappelijk, mechanistisch wereldbeeld bleek ten koste te gaan van de plaats van God en niets fundamenteels te zeggen te hebben over de waarden en betekenis van het menselijke bestaan. De wereld raakte, in de woorden van Max Weber, door de wetenschap onttoverd.

    Wat is de taak van de filosoof in een wereld die onttoverd is? Hebben de wetenschap en de filosofie elkaar wel iets te bieden? Analytische filosofen menen van wel, en houden zich dan ook voornamelijk bezig met wetenschapsfilosofie, kennis, logica en taalfilosofie. De filosofen van het continent menen dat de wezenlijke filosofische vragen buiten de wetenschap liggen en zoeken daarom vaak aansluiting bij kunst, andere culturen, in een poging, zo lijkt het, om iets van een betoverende wereld terug te vinden.

    Net als in Europa zijn er in de filosofie mensen die de boel bij elkaar willen houden en interesse tonen in de opvattingen en belangen van de andere partij. En er zijn er die ervoor pleiten dat partijen zich achter de eigen kant van de scheidslijn terugtrekken om elkaar zo weinig mogelijk in de weg te zitten. Hen zou je radicaal kunnen noemen. Een voorbeeld van een radicaal in de filosofie is de dichter en denker Henk van der Waal. Van hem verscheen onlangs bij de Bezige Bij het boek Denken op de plaats rust.

    Van der Waal laat er geen misverstand over bestaan; filosofen dienen zich niet bezig te houden met waarheid, kennis, wetenschap of logica. ‘Direkt mee ophouden,’ is zijn even duidelijk als radicaal advies. Voor Van der Waal is wijsbegeerte iets heel anders dan analytische filosofie. Het bestaat uit ‘inzicht krijgen in ons eigen bestaan en in de wereld om ons heen, maar ook contact kunnen krijgen met de diepte die ons uitmaakt.’

    Van der Waals doel is ambitieus. Hij wil niets meer dan een nieuwe wijsbegeerte verkondigen die korte metten maakt met alle fouten begaan in het verleden. Het beloofde resultaat is niet alleen inzicht en troost voor de zoekende, maar zelfs geluk.

    Want, zo schrijft Van der Waal, het is langzamerhand tijd dat de filosofie de belofte van inzicht en troost die ze met zich meedraagt, nu eens inlost. Het christendom is zo goed als onzichtbaar geworden, het kapitalisme houdt ons in zijn greep, de wetenschap staat op eigen benen en verveelt zich, en dan blijft, volgens van der Waal, alleen de filosofie nog over als toevluchtsoord voor hen die inzicht en troost zoeken.

    Maar eerst moet de filosofie wel ernstig bij zichzelf te rade gaan voordat ze deze belangrijke rol op zich kan nemen. Om tot een betere filosofie te komen moeten we volgens Van der Waal onderscheid maken tussen drie zogenaamde ‘ervaringsbereiken’, die we strikt gescheiden dienen te houden: die van de waarheid, de aanspraak en het onbestemde. Het laatste bereik is voor Van der Waal het belangrijkste. Want met de waarheid moet de filosoof zich niet bezig houden: ‘Laat het aan de wetenschappers zelf over om met de waarheid te dealen. De waarheid is hun probleem.’

    Belangrijker dan de waarheid is het ‘ervaringsbereik van de aanspraak’ dat kort gezegd gaat over de verhoudingen tussen mensen onderling, over politiek en gemeenschap. Maar voor Van der Waals filosofie is het derde ervaringsbereik, dat van het onbestemde, verreweg het belangrijkste. Het ‘verkent en onderhoudt de manier waarop de mens zich verhoudt tot zichzelf’. Het zelf ligt echter niet zo duidelijk vast en van der Waal kiest er dan ook voor het bereik ‘onbestemd’ te noemen. Het is al snel duidelijk dat bijna alles wat van werkelijke waarde is, kunst, liefde, mystiek allemaal te vangen is als betrekking hebbend op wat hier onbestemd genoemd wordt.

    Van der Waal duwt het filosofische gaspedaal vervolgens flink in om zijn gedachten kracht bij te zetten. Heidegger, Bataille, Foucault, Levinas en vele anderen worden aangehaald en al dan niet kort besproken. Dat levert bij vlagen een bijna onnavolgbaar betoog op, althans wie de moeite neemt de details te volgen. Gelukkig herhaalt Van der Waal zich regelmatig en zijn de grote lijnen van zijn filosofie tamelijk goed te begrijpen. Van der Waal wisselt een populaire schrijfstijl af met zinnen die bol staan van een bijna onleesbaar filosofisch vakjargon. Een voorbeeld van het laatste is de volgende zin:

    ‘Als je een ander niet als een jij maar als een object benadert, stoot je dit jij uit de wederkerigheid, uit de een-op-een relatie die je met de ander op grond van zijn impliciete of expliciete aanspraak zou moeten onderhouden.’

    Behalve dat een dergelijke zin lelijk is, is het ook verre van helder wat hier nu precies beweerd wordt. Voor een denker die ook dichter is (Van der Waal won als dichter de C. Buddinghprijs en de Ida Gerhardt poëzieprijs) mag je toch wel iets meer verwachten.

    In het eerste deel van het boek wordt de geschiedenis van de wijsbegeerte behandeld, of althans dat gedeelte van de geschiedenis dat in het betoog van pas komt. Van der Waals gebruik van de geschiedenis is simpelweg demagogisch. Zijn beschrijvingen zijn gekleurd, bevooroordeeld en eigenlijk alleen te verteren voor iemand die het geheel met hem eens is. Lezers die niet of slecht bekend zijn met de geschiedenis van de filosofie kunnen dit deel dan ook maar beter overslaan. De geschiedenis wordt bovendien beschreven als de uitkomst van doelgerichte processen, waarbij religies en filosofische stromingen ook nog eens worden opgevoerd alsof het handelende personen zijn. Dat leidt tot zinnen als: ‘Toch zet het christendom niet zomaar de enorme status die de waarheid heeft, bij het oud vuil. Het haalt een andere truc uit’ en ‘de Verlichting die het beeld voor ogen tovert dat…’.

    Aan Van der Waals Denken op de plaats rust ligt flink veel onvrede ten grondslag. Dat uit zich in een felle kritiek op een consumerende, twitterende, cynische en vooral lege maatschappij. Wetenschap en kapitalisme hebben de handen ineengeslagen om het gat op te vullen dat is achtergelaten door het nu bijna verdwenen christendom. De huidige mens is een paradoxaal; leeg, radeloos, besluiteloos en op zoek naar vertier en consumptie om de tegenstellingen die hem omringen maar niet te hoeven zien. Want  ‘de wereld hangt van paradoxen aan elkaar’, vertelt Van der Waal ons en de meeste mensen gaan met dat gegeven om alsof er niets aan de hand is: ‘Een tegenstelling, misbruik, onrecht: o dan haal ik mijn schouders toch even op.’

    Het is wel opmerkelijk dat Van der Waal de paradox opvoert als iets negatiefs. Juist de filosofische stromingen waar hij zich verwant mee voelt, bedienen zich regelmatig van de paradox. In Denken op de plaats rust zijn voor wie een beetje zijn best doet, honderden paradoxen te vinden. Het hele begrip van het ervaringsbereik van het onbestemde is één van de vele voorbeelden. Want hoe kan dit bereik nu scherp afgegrensd zijn van de andere bereiken als het onbestemd is? Trouwens het woord ervaringsbereik zou je zelf al een paradox kunnen noemen. Van der Waal zou dan ook de paradox eerder moeten omarmen dan het als de bron van de huidige leegte om hem heen te zien.

    Maar het grootste bezwaar tegen Denken op de plaats rust is het gebrek aan twijfel waarmee het betoog gepresenteerd wordt. Van der Waal mag dan in de eerste bladzijden vragen om meedenkende lezers, hij snoert ze meteen ook de mond door te eisen dat ze ‘zich een moment kunnen beheersen en niet direct beginnen te mekkeren van dit klopt niet en dat klopt niet en wat die daar zegt, nou ik weet het niet hoor.’ Meer dan driehonderd bladzijden later is de lezer niet meer in staat om tegen te sputteren en is het enige wat hem rest een stille aanvaarding of een afwijzing met schuddend hoofd.

    Van der Waal is uiteindelijk veel meer profeet dan hij filosoof is. Zijn denkbeelden zijn zo overduidelijk doordrenkt van een wijsgerige vorm van moralisme dat het aanwijzen van denkfouten en verkeerde aannames geen zin lijkt te hebben. Denken voor de lezer lijkt hier dan ook vooral te bestaan uit aannemen wat we voorgeschoteld krijgen.

    Ronduit ergerniswekkend is de opvoering van stereotypen waar vervolgens kritisch op kan worden afgegeven, zoals de ‘sociale netwerk mens’ en de al genoemde ‘paradoxaal’. Stereotypen kunnen in eerste instantie overtuigende generalisaties zijn, maar in tweede instantie wil het nog al eens lastig blijken om individuen aan te wijzen die aan het generaliserende beeld voldoen. Ja, er zijn genoeg mensen die twitteren, SMSen, bellen en chatten en je zou hen voorbeelden kunnen noemen van de ‘sociale netwerk mens’. Maar wie van hen ‘weet dat hij zonder contact, zonder verbinding, zonder bereik volkomen onthand is en is overgeleverd aan angst’ zoals Van der Waal beweert?

    De opvoering van een stereotype als de sociale netwerk mens lijkt dan ook eerder bedoeld voor lezers die geloven dat het gebruik van sociale media een vervlakking betekent en dat beeld bevestigd willen zien. Of de sociale netwerk mens in de strikte zin bestaat, doet er niet zoveel toe; zolang de afkeer maar een plaats kan krijgen.

    Denken op de plaats rust moet de lege, oppervlakkige mens een vluchtplaats bieden uit een technologische, kapitalistische maatschappij. De zoekende moet leren zijn verhouding tot het onbestemde denkend vorm te geven. Dat is grofweg de boodschap. Maar Van der Waal verliest zichzelf in heuse stappenplannen om tot een beter, diepzinniger leven te komen. Zijn betoog doet bij vlagen dan ook wel heel erg denken aan wat je ‘zelf-help’ filosofie zou kunnen noemen. Het gevaar is dan ook dat de lezers die zijn gedachten met instemming lezen, de boodschap verwarren met esoterie en dat is uitdrukkelijk niet de bedoeling. Maar het opzoeken van de grens van de esoterie lijkt het resultaat van een bijna wanhopige zoektocht naar betovering in de wereld. Van der Waal meent in het onbestemde een plek van rust gevonden te hebben die nog vrij is van wetenschap, kennis, kapitalisme en technologie. Het is een plaats waar de zoekende mens een rustig denkend heenkomen kan zoeken. Vergeleken met het continent dat de filosofie eens was, is het bij Van der Waal gekrompen tot een ministaatje.

    Wie de filosofie beziet moet toch vast stellen dat het zo slecht nog niet gaat met Europa.