• Zintuiglijke subtiliteit

    Zintuiglijke subtiliteit

    Wanneer je als schrijver na een zeer succesvol debuut een tweede boek schrijft, blijkt de reactie daarop soms vergelijkbaar te zijn met die wanneer je als jonger kind les krijgt van eenzelfde docent die ook aan je geniale broer of zus heeft lesgegeven; er bestaat een grote kans dat er vergeleken gaat worden. Dat was ook het geval met het tweede boek van Carson McCullers (1917-1967), Gespiegeld in een gouden oog, een boek dat oorspronkelijk verscheen in 1941 en onlangs in het Nederlands werd vertaald door Molly van Gennep. Het debuut van McCullers uit 1940, Het hart is een eenzame jager, werd namelijk alom geloofd en geprezen, waardoor de recensenten die haar tweede boek beoordeelden een bijna wetmatige neiging hadden om hun ‘loftuitingen te temperen’, aldus Tennessee Williams die de inleiding schreef bij dat tweede boek.

    Het is de vraag in hoeverre de critici gelijk hadden, aangezien ieder boek het verdient om op zijn eigen merites beoordeeld te worden. Indertijd was het kwaad echter al geschied. Gespiegeld in een gouden oog deed in de jaren veertig van de vorige eeuw vooral stof opwaaien vanwege de toespelingen op homoseksualiteit, voyeurisme, overspel en seksuele passie en werd beschouwd als obsceen en immoreel. De verfilming van het boek in 1967 werd ondanks de bekende cast met acteurs als Marlon Brando en Elizabeth Taylor evenmin een groot succes. 

    Gespiegeld in een gouden oog is een zeer compact geschreven boek. Het telt vier hoofdstukken en 140 bladzijden. De opbouw springt direct in het oog, want op de eerste bladzijde wordt meteen al vermeld waarnaartoe gewerkt gaat worden: ‘Zo is er in een plaats in het zuiden enkele jaren geleden een moord gepleegd. De hoofdrolspelers in dit drama waren: twee officieren, een soldaat, twee vrouwen, een Filipijn en een paard.’ Deze intrigerende gegevens vormen een uitnodiging aan de lezer om enerzijds te ontdekken welke gebeurtenissen geleid hebben tot die moord en anderzijds wie het slachtoffer ervan zou worden.

    Verhoudingen

    De alwetende verteller neemt de lezer mee naar de eentonigheid van een legerplaats in vredestijd. Soldaat Ellgee Williams is werkzaam in de stallen van de kazerne en zorgt onder meer voor het mooiste paard van het hele terrein, een voskleurige hengst die het eigendom is van de knappe vrouw van kapitein Penderton. Williams raakt verregaand in de ban van de schoonheid van deze vrouw, die op haar beurt een relatie blijkt te hebben met majoor Langdon. Deze laatste laat zich de aandacht van de knappe Leonora Penderton graag aanleunen, want zijn echtgenote Alison, die meer dan liefdevol verzorgd wordt door de Filipijnse bediende Anacleto, is ziekelijk en depressief. Het huwelijk tussen Alison en majoor Langdon is slecht. Alison en Anacleto fantaseren er regelmatig over om er samen vandoor te gaan. Kapitein Penderton tenslotte ontdekt dat hij gevoelens heeft voor soldaat Williams, maar weet zich daarmee geen raad. McCullers beschrijft de gevoelens en verlangens van haar personages uiterst subtiel en met gevoel voor detail. Dat ze af en toe naakt zijn en expliciet spreken over echtscheiding is voor mensen uit de eenentwintigste eeuw waarschijnlijk minder choquerend dan voor lezers die het boek zo’n tachtig jaar geleden onder ogen kregen.

    Goed opletten

    Aanvankelijk is het lastig om de verschillende personages uit elkaar te houden, omdat ze dan weer met hun voornaam, dan weer met hun achternaam en in het geval van de mannen met hun militaire rang aangeduid worden. De informatiedichtheid is daarnaast bijzonder groot en er wordt van de lezer veel gevraagd op het gebied van deductieve vaardigheden. Tenslotte is McCullers een meester in het vertragen en versnellen van de tijd die onvoorspelbaar voortkabbelt respectievelijk voortraast. De thema’s die het boek aansnijdt zijn in onze tijd beduidend minder controversieel dan op het moment van verschijnen en nu misschien wel actueler dan destijds. De beschrijvingen van de personages en de ruimte waarin zij zich bevinden zou je filmisch kunnen noemen, omdat ze zo gedetailleerd weergegeven zijn dat je ze voor je ziet. McCullers schrijft prachtige dialogen waarin ze op een subtiele manier humor verwerkt, zoals bijvoorbeeld: ‘”Zij geven en dan nemen zij weer”, zei Leonora, wier kennis van de Heilige Schrift geen gelijke tred hield met haar goede bedoelingen.’ De oprechte pogingen van bediende Anacleto om Frans te spreken zijn weinig succesvol, maar eveneens onderhoudend om te lezen: ‘Maar Anacleto was nog maar net Frans aan het leren […] Hij vervolmaakte zijn antwoord echter zeer indrukwekkend en waardig: “Maitre Corbeau sur un arbre perché, majoor”.’ Deze aanhef van de fabel van Jean de La Fontaine over de vos en de raaf zou maar in weinig gesprekken te pas zijn gekomen, maar Anacleto laat zich daar niet door weerhouden. 

    Universeel

    Gespiegeld in een gouden oog is een boek om met aandacht te lezen en tussendoor regelmatig te laten bezinken. De bijzondere verhoudingen tussen de hoofdpersonages zijn geloofwaardig en de stijl die McCullers hanteert leest prettig; ze houdt haar lezers in alle opzichten geboeid. Dat heeft niet in de laatste plaats te maken met de in het begin aangekondigde moord die uiteindelijk op de laatste bladzijden gepleegd wordt. Vanwege de ingewikkelde relatie die er tussen de verschillende personages bestaat maken ze in theorie namelijk stuk voor stuk kans om vermoord te worden of hebben ze redenen om een ander te vermoorden. Maar wellicht is het grootste pluspunt van Gespiegeld in een gouden oog de zintuiglijke subtiliteit waarmee gevoelens van verlangen en verliefdheid worden beschreven. Het is een verdienste van McCullers dat ze een boek heeft weten te schrijven dat zoveel jaren na verschijning nog steeds universeel en actueel blijkt te zijn.

     

  • Mooie complexe vertelling met een lange afdronk

    Mooie complexe vertelling met een lange afdronk

    Het nieuwste boek van Martha Heesen, De lus, springt vanwege het schitterende omslag direct in het oog; de ernstig ogende roodharige vrouw, fragment van een schilderij van Modigliani verwijst naar het hoofdpersonage dat toen ze jong was opvallend rood haar had. Het vorige boek dat Heesen voor volwassenen schreef, Zeiseman, viel eveneens op vanwege het omslag en werd terecht geprezen in de recensies. Heesen begon aanvankelijk met het schrijven voor jongeren en was daarmee zeer succesvol; ze ontving in 2015 de Theo Thijssen prijs voor haar oeuvre, zilveren griffels en de Gouden Uil voor jeugdliteratuur.

    Het lezen van de boeken van Heesen is als het drinken van een mooi glas wijn. Vanwege goede ervaringen met een vorig oogstjaar (Zeiseman) zijn de verwachtingen al hooggespannen. Wanneer er als eerste stap bij het proeven afgegaan wordt op de kleur en de geur is de eerste indruk van De lus dus zeer veelbelovend vanwege het omslag en valt het daarnaast op dat het boek met ruim honderd bladzijden en zesendertig korte hoofdstukken niet al te dik is. Er wordt niet verwacht dat het als een glas water achterover geslagen wordt. Wanneer er vervolgens gesnuffeld wordt boven het glas, blijkt de jonge vrouw van het omslag niet alleen een jonge vrouw maar ook een dame op leeftijd te zijn, die terugblikt op haar jeugd, hetgeen al een bepaalde complexiteit doet vermoeden. 

    Eerste slok

    Tijd voor een eerste slok dus. Om elf uur dertien heeft ze haar huis verlaten, langzaam, in alles langzaam. Ze wordt trager, maar dat weet ze niet, de klokken en horloges heeft ze weggedaan, net als de spiegels trouwens. Ze heeft een stok, en ze denkt nog steeds dat ze die niet echt nodig heeft. […] ze is naar de tramhalte gewandeld, heeft daar lang moeten wachten op alle fietsers, binnensmonds foeterend en scheldend, heeft alle kwade blikken ontweken, met moeite, ze moet dat nog leren. Twee trams heeft ze voorbij laten gaan, toen is ze opgestapt, is drie keer van plaats veranderd, en zit nu schuin achter de bestuurder.’

    Ze laat de trams niet voor niets passeren, ze is dagelijks op zoek naar één specifieke bestuurder, die ze de wattman noemt en die ze kent van vroeger, toen ze beiden in De Diepte woonden. Ze rijdt mee met de tram tot het eindpunt, bij de keerlus, maar spreekt de chauffeur niet aan, alhoewel ze er wel steeds voor zorgt om in zijn blikveld te gaan zitten. Wanneer hij een keer iets omroept schrikt ze zo van zijn stemgeluid dat ze zo snel haar oude benen haar kunnen dragen de tram ijlings verlaat. De lus staat symbool voor de terugkerende herinneringen aan zaken uit het verleden waar het hoofdpersonage met spijt op terugkijkt.

    Geschrokken ballerina’s

    Voortdurend wordt er in het boek heen en weer gesprongen tussen het heden en het verleden. De ‘ranke berkjes, als geschrokken ballerina’s’ veranderen in vijfenvijftig jaar in ‘oud en knoestig en zuchtend in hun bladeren’. Ze lijken daarin op de mensen die beschreven worden. Het taalgebruik is bijzonder beeldend in De lus. De schaduwen die regelmatig vallen vormen contrasten die in vele vormen door het hele boek terugkomen. De wattman ziet eruit als iemand die als kind al ‘grauw, grof en ouwelijk’ was. Op latere leeftijd lijkt zijn pet te klein voor zijn ‘stenen kop’ en zijn zijn schouders hoekig. De vrouw die als kind zo knap was met haar prachtige rode haar is onder invloed van de last die ze al die jaren met zich heeft meegezeuld verworden tot een ‘aftandse kraai’ met een scheef dichtgeknoopte jas. Wanneer de vrouw zich na jaren weer eens in haar vroegere wijk De Diepte waagt, heeft ze moeite om er fysiek weer uit te komen en wordt ook duidelijk dat zich daar heel wat moet hebben afgespeeld: ‘… de Diepte, loodzwaar zul je er worden, niet van je wandaden maar van alles wat je nalaat. De daad die men naliet heeft meer kwaad dan de daad gedaan.’

    De laatste regel komt uit het gedicht Het uur U van Martinus Nijhoff, het gedicht dat het hoofdpersonage uit haar hoofd kent en geregeld reciteert om zichzelf te kalmeren wanneer haar gedachten weer eens met haar op de loop gaan. Het is een voorbeeld van de prachtige gelaagdheid die Heesen in haar roman weet te bereiken. In wijnterminologie zou je het hebben over vol, rijk en complex. 

    Naarmate het boek vordert, wordt duidelijk waarom de wonderlijk geklede vrouw de wattman dag in dag uit van een afstand observeert zonder hem aan te spreken. Het grootste deel van het boek is vanuit haar perspectief geschreven, maar een aantal hoofdstukken werpt ook vanuit het perspectief van een getuige licht op wat zich zoveel jaar geleden heeft afgespeeld.  

    Langzaam genieten

    Het taalgebruik in De lus is lyrisch en schetst op poëtische wijze een hele wereld. De hypnotiserende vertelling over spijt en een innerlijke tweestrijd houdt de lezer volledig in zijn greep. In hoeverre is het terecht dat het hoofdpersonage zichzelf zo kwelt met haar over elkaar buitelende gedachten over hetgeen ze zoveel jaar geleden heeft nagelaten te doen en in hoeverre is het haar nu nog aan te rekenen? Het is zaak om naar analogie van het wijnproeven met kleine slokken en langzaam te genieten van deze gelaagde roman, waar zoveel in te ontdekken valt en waarvan de afdronk wanneer je het boek tenslotte dichtslaat nog lang merkbaar is. 

     

  • Dialogen met de duivel

    Dialogen met de duivel

    De eerste roman van Hannah van Binsbergen (1993) heet Harpie, naar het gelijknamige hoofdpersonage dat al even bijzonder is als haar naam. Van Binsbergen was al eerder zichtbaar in de literaire wereld: met haar eerste dichtbundel Kwaad gesternte won ze in 2017 de VSB-poëzieprijs. Zij was de jongste dichteres die deze prestigieuze prijs won. 

    In Harpie staat een jong en knap meisje centraal dat zich in een isolement bevindt. Ze maakt haar post niet open en bekommert zich evenmin over de stapel beschimmelde borden die in een teiltje in de hoek van de kamer staat. Wat echter het meest in het oog springt zijn de gesprekken die ze al vanaf de eerste pagina voert met iemand die zij afwisselend Lucifer en Satan noemt. 

    Satan en de dood

    Het uiterlijk van dit personage varieert van ‘een grappig mannetje […], een klein bloedduiveltje met zwarte schubben en prachtige gouden paddenogen’ tot een vertrouwenwekkende vijftiger, gekleed in een ‘geruit overhemd met wiebertjesspencer’. Naarmate het verhaal vordert, ontwikkelt dat enige wezen met wie Harpie nog echt contact heeft zich tot een therapeutisch aandoende stem, die fungeert als een soort alter ego. Harpie blijkt gekweld te worden door de continue gedachte om er ‘een eind aan te maken’ en ze reflecteert op die gedachte door daarover in gesprek te gaan met Satan. Het boek begint als volgt:

    ‘Als je lang genoeg naar een plas bloed kijkt, zul je zien dat er een gat ontstaat, een portaal naar een andere wereld. Haar handen trilden niet maar lagen open en verbaasd op tafel.
    Je zou kunnen overwegen om iets op de muur te schrijven met dat bloed, lijkt dat je niet dramatisch?
    Bek houden, daar weet jij niks van.
    Kom op, kind, als er een moment in je leven is dat je het je kunt veroorloven om een beetje reflectief te zijn, dan is het wel tijdens je zelfmoord.
    Ik ben geen zelfmoord aan het plegen.
    Wat, in de naam van de heilige tering, ben je dan aan het doen?’

    Receptioniste en callgirl

    De toon is vanaf de eerste bladzijde gezet omdat de vragen naar aanleiding van deze heftige en bloederige eerste scène over elkaar buitelen. Wat is er aan de hand? Met wie wordt deze monologue intérieur als dat het al is gevoerd en wat is de functie ervan? Vervolgens komt het boek helaas tamelijk traag op gang. De tweeëntwintigjarige Harpie blijkt een zielig vereenzaamd meisje dat is opgehouden met haar studie. Ze is broodmager, heeft een stukgelopen relatie achter de rug en voelt zich vrijwel niet meer in staat om haar huis te verlaten; voor haar redenen genoeg om zelfmoord te overwegen. Omdat de rekeningen zich ondertussen opstapelen en omdat ze haar ouders niet de illusie wil ontnemen dat ze zich in haar eentje prima redt in de grote stad, neemt ze zich wat pragmatisch voor om tot haar volgende verjaardag toch te proberen iets van het leven te maken en haar zelfmoordplannen voorlopig in de ijskast te zetten. 

    Ze gaat naar een uitzendbureau en krijgt voor overdag een simpel en slecht betaald baantje als receptioniste aangeboden. Daarnaast verdient ze ’s avonds en ’s nachts aanzienlijk meer geld met haar baantje als luxe callgirl. De beschrijvingen van de handelingen die ze verricht met haar klanten zijn voor de lezer vaak huiveringwekkend, alhoewel Harpie zelf weinig moeite lijkt te hebben met wat er van haar verwacht wordt. Terwijl ze zich gewillig schikt naar de soms perverse wensen van haar cliënten bedenkt ze bijvoorbeeld dat ‘kledingrichtlijnen voor escort tamelijk dicht bij die voor receptioniste [blijken] te staan’. Van Binsbergen heeft een prettig lezende, droogkomische manier van schrijven. De apotheose waarmee het boek eindigt doet wat kluchtig aan.

    Duiding

    De auteur geeft haar lezers veel vrijheid in de interpretatie van haar debuut. Een aantal thema’s wordt losjes geschetst, het is aan de lezer om er verder mee aan de slag te gaan. Er lijkt een strijd aan de gang tussen goed en kwaad in Harpie, maar net als in het echte leven is niets helemaal zwart of wit. Filosofische beschouwingen worden afgewisseld met vrij platvloerse beschrijvingen van seksuele handelingen. De gesprekken met Satan krijgen steeds meer het karakter van therapeutische sessies, of doen denken aan schizofrenie of een meervoudige persoonlijkheidsstoornis, maar het ontbreekt de lezer aan houvast om het hoe en waarom ervan te doorgronden. Veel vragen die tijdens het lezen opborrelen worden niet of onvoldoende beantwoord. 

    Het zou prettig zijn geweest als er door de schrijfster meer duiding gegeven zou zijn aan bijvoorbeeld het feit dat Harpie een nakomertje was in het gezin waar ze opgroeide, aan de redenen van de verbroken relatie met Albert en aan de relatie met haar broer. Enerzijds wijst de schrijfster in een bepaalde richting door te vermelden dat Harpie is opgegroeid in Helmond, dat haar achternaam Poelgeest is, dat haar broer Joris heet en door te verwijzen naar De hel van Dante. Anderzijds blijft het onduidelijk wat de toegevoegde waarde is van de gesprekken met Satan aan het verhaal, waardoor het karakter van Harpie ergens tussen meelijwekkend en irritant komt te zweven. Dat Van Binsbergen kan schrijven heeft ze zeker bewezen, maar de pluri-interpretabiliteit van poëzie geeft in het proza van deze kleine roman de lezer onvoldoende vaste grond onder de voeten. 

     

  • Het mysterie van de eerste sekse

    Het mysterie van de eerste sekse

    In de door Maartje Laterveer samengestelde essaybundel Wolf uit 2019 beantwoorden dertien vrouwen de vraag ‘Wat maakt de vrouw?’ In Sfinx, het logische vervolg op Wolf, buigen dertien mannen (schrijvers, journalisten, redacteurs, historici en essayisten) zich daarom in even zoveel essays over het verschijnsel ‘man’. Volgens Simone de Beauvoir in De tweede sekse (1949) wordt een vrouw niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt. Wat betekent dat dan voor de ‘eerste sekse, wordt die wel als man geboren, en zo ja, wat betekent dat dan? Het staat vooraf uiteraard buiten kijf dat ‘de man, net als ‘de vrouw’ niet bestaat. Toch is Sfinx een interessante bundel omdat de auteurs zich vanuit allerlei invalshoeken ‘eerlijk en diepgaand’ gebogen hebben over het fenomeen “man”.

    Achterstand van 1-0

    De rol van de man is in de afgelopen decennia veranderd, mede door de emancipatie van de vrouw, betoogt Laterveer in haar inleiding. Van oudsher is mannelijkheid verbonden met ‘dominantie, leiderschap, voetbal en onafhankelijkheid’, terreinen waar vrouwen steeds zichtbaarder zijn geworden. En om in voetbaltermen te spreken staan mannen volgens Laterveer inmiddels zelfs met 1-0 achter; waar meisjes namelijk het mooiste meisje van de klas zouden moeten zijn, moeten ‘jongens het mooiste meisje van de klas veroveren’. De wat mysterieus aandoende titel Sfinx wordt uitgelegd middels een kat die op het omslag prijkt, verwijzend naar een diersoort die relatief veel aandacht zou opeisen. In de Griekse mythologie stond een sfinx daarnaast bekend als half vrouw, half adelaar en in de Egyptische als half man, half leeuw. Mannen krijgen, net als vrouwen, ‘etiketten opgeplakt die helemaal niets met hun werkelijke identiteit te maken hoeven te hebben, en die hen in beginsel net zo onvrij maken als vrouwen.’ Vrijheid blijkt voor mannen dus evenmin een vanzelfsprekendheid te zijn als voor vrouwen. 

    Macht

    In Sfinx houdt Casper Thomas zich in het essay waar de bundel mee begint bezig met een zoektocht naar het succes van leiders als Trump, Poetin, Modi en Bolsonaro. Hij ziet een opkomst van een antiliberale politiek die gedreven wordt door ‘mannelijke dominantie en stoffige rolpatronen.’ In zo’n klimaat van macht en overheersing moest wel een beweging als MeToo ontstaan, volgens Hans Hogenkamp omdat ‘de man vindt dat de vrouw de macht heeft omdat zij hem kan weigeren, maar in de ogen van de vrouw de man de macht [heeft] omdat hij haar kan dwingen.’ Op humoristische wijze schetst Hogenkamp de verwarring waar mannen onder gebukt gaan als het gaat om die machtsverhoudingen. Rutger Lemm constateert dat hij als vader anders op zijn kind reageert dan zijn vriendin en vraagt zich af waar zijn egocentrisme en luiheid vandaan komen. Hij komt tot de conclusie dat ‘er altijd wel een vrouw is die dat mogelijk maakt.’ En over patriarchaat gesproken: ook Thomas Heerma van Voss en Lotfi El Hamidi zien daarmee een duidelijke relatie. De eerste vraagt zich af in hoeverre het feit dat hij als man geboren is doorslaggevend is geweest voor wie hij geworden is, de tweede legt uit dat wanneer mannen tot God bidden om hen een zoon te schenken, is dat niet alleen vanwege status of het doorgeven van een familienaam, maar ook ‘omdat ze zelf weten in welke niet te benijden positie vrouwen in de samenleving terechtkomen.’ Een pijnlijke constatering.

    Waar is de oerman gebleven

    Passages als bovenstaande zetten de lezer aan het denken. In vrijwel ieder essay zijn ook min of meer humoristische overwegingen te vinden, bijvoorbeeld het advies van Mohammed Benzakour aan ‘identiteitsworstelaars’ om een hengel aan te schaffen, of verhelderende uiteenzettingen, zoals het door Martin de Haan zeer genuanceerd uitgelegde standpunt van Michel Houellebecq over vrouwen en mannen, of verontrustende zaken zoals de cijfers die Nathan Vos schetst over het aantal zelfdodingen onder mannen. Maxim Februari schrijft een heel persoonlijk stuk waarin hij uiteenzet dat zijn manbeeld ooit ontleend was aan maatschappelijke structuren, dat mannen (en vrouwen) niet geboren worden maar gemaakt (zoals De Beauvoir indertijd ook al betoogde), maar dat hij tot de ontdekking is gekomen dat mannelijkheid in wezen ‘iets puur statistisch’ is. Peter Giesen relativeert de rol van de oerman als heroïsche jager; de ‘prehistorische rolverdeling was volgens hedendaagse archeologen lang niet zo stereotiep als vaak wordt aangenomen.’ Tjeerd Posthuma en Maurits de Bruijn maken de lezer er vooral van bewust dat mannen kwetsbare wezens kunnen zijn, dat er ook van hen misbruik kan worden gemaakt en dat kleedkamers het toneel van afwijzing kunnen zijn. Met het laatste essay, van Jan van Mersbergen, heeft Laterveer voor een prachtig en evenwichtig einde van haar bundel gekozen. Vanwege een nogal moeizame relatie met zijn ex besluit Van Mersbergen dat hij het niet meer wil hebben over mannelijk en vrouwelijk. Het gaat volgens hem om ‘evenwicht, verantwoordelijkheid, doen en zorgen’. Dat zorgen is niet typisch vrouwelijk, dat is volgens hem gewoon een werkwoord en egoïsme is niet typisch mannelijk, het is onzijdig.

    Genuanceerd en persoonlijk

    Laterveer heeft een bundel samengesteld waarin door de auteurs op genuanceerde en vaak ook persoonlijke wijze wordt nagedacht over de complexiteit van mannelijkheid. Er komen thema’s naar voren als vriendschap, macht, verantwoordelijkheid, kwetsbaarheid en schaamte die door mannen weliswaar anders worden beleefd dan door vrouwen, maar die voor beide seksen relevant blijken te zijn. Sfinx is een veelzijdige bundeling van essays die stuk voor stuk stof tot nadenken geven, maar waarin het verschijnsel ‘man’ gelukkig ook nog voldoende mysterie overhoudt.

     

  • Over vrouwen en hun verlangens

    Over vrouwen en hun verlangens

    De Amerikaanse journalist en schrijver Lisa Taddeo volgde acht jaar lang de levens van drie op het eerste gezicht doorsnee vrouwen voor haar boek Drie vrouwen, haar debuut. Het boek werd direct in elf landen uitgegeven en voor Nijgh & Van Ditmar werd het vertaald door Dennis Keesmaat. Taddeo bracht duizenden uren door met deze vrouwen, waarvan er een misbruikt is door een leraar, de ander ongelukkig in een doodgebloed huwelijk en de derde haar man laten toekijken als ze seks heeft met een ander. Taddeo had contact met hen via telefoon, tekstberichten en e-mails. Voor twee verhalen verhuisde ze zelfs naar de stad waar de vrouwen woonden. Ook interviewde ze mensen uit hun omgeving en las rechtbankverslagen. Het was haar doel om verhalen te vertellen die ‘fundamentele waarheden weergeven over vrouwen en verlangen, zodat mannen en andere vrouwen makkelijker kunnen begrijpen voordat ze hun oordeel vellen.’

    De gebeurtenissen

    De keuze voor haar personages is gebaseerd op de herkenbaarheid van de verhalen, de intensiteit daarvan en de manier waarop de gebeurtenissen uit hun verleden nog steeds invloed hebben op hen. Aanvankelijk schatte Taddeo in dat ze zich meer aangetrokken zou voelen tot verhalen van mannen, maar ze vond meer ‘complexiteit, schoonheid en zelfs geweld in de manier waarop de vrouwen dezelfde gebeurtenis ervoeren’.
    Twee van de drie vrouwen die ze beschrijft zijn onder een andere naam opgevoerd, enkel met het verhaal van Maggie Wilkens is dat niet het geval. Het verhaal van Wilkens is indertijd ook in Nederland in het nieuws geweest. Het betrof de rechtszaak rondom het vermeende misbruik door haar middelbare school docent Aaron Knodel bij wie Wilkens aanklopte om te praten over haar ontmaagding. Taddeo vertelt het verhaal van Wilkens in een niet-chronologische volgorde en gebruikt in een enkele passage de je-vorm, waardoor ze nog dichterbij komt. Sommige zinnen lijken een letterlijke weergave van wat Wilkens gezegd heeft: ‘Maggie heeft zoiets van: Oké. Knodel zegt dat hij heeft gedronken en hij gaat iets zeggen wat hij niet moet zeggen. En Maggie heeft zoiets van: Oké. Hij schrijft: Ik ben een leraar en jij bent een leerling, en we zouden niet zo tegen elkaar moeten praten. En zij heeft zoiets van: Oké.’ 

    Leraar versus leerling

    Het Amerikaanse Engels sijpelt regelmatig door de vertaling heen, maar daarnaast horen we de stem van Taddeo ook, waarmee ze probeert haar visie op het leven van haar personages duidelijk te maken. Daarbij schaart ze zich onvoorwaardelijk achter de vrouwen, ook als deze in hun directe omgeving niet altijd op begrip konden rekenen.
    Voor Wilkens ligt de wereld aanvankelijk open. ‘Haar leven strekt zich voor haar uit, een pad van onduidelijke en meerdere richtingen. Ze kan astronaut worden, een beroemde rapper, accountant. Ze zou gelukkig kunnen zijn’. Maar het mag niet zo zijn: ‘Maggies toekomst dient zich op een middag zonder klaroengeschal aan. Hij arriveert op kattenpoten, zoals al het andere in de wereld dat de macht heeft om je te vernietigen’. Wanneer de vrouw van Aaron Knodel ontdekt dat haar echtgenoot berichtjes krijgt van Wilkens, maakt Knodel direct een einde aan hun relatie. Zijn leven gaat gewoon door, maar dat van Wilkens stopt. Ze raakt depressief, maar niemand in haar omgeving weet eigenlijk waarom. Ze ontwaakt pas uit haar lethargie wanneer Aaron Knodel ‘Leraar van het jaar’ wordt in North Dakota: ‘Het verleden geeuwt naar haar en rekt zich uit, als een kat’. Wilkens komt naar buiten met haar verhaal en er komt een rechtszaak tegen Knodel. 

    Getraumatiseerde jeugdliefde

    De tweede vrouw Lina, is elf jaar getrouwd. Haar grootste frustratie is dat haar man haar nauwelijks aanraakt. Toen ze jong was had ze kort een relatie met Aidan, op wie ze enorm verliefd was. Na een feestje waar Aidan niet bij is, ontstaan hardnekkige geruchten dat ‘Lina in één nacht met drie jongens heeft geneukt’; de relatie tussen Lina en Aidan wordt op grond van deze geruchten verbroken. Lina is ongelukkiger in haar huwelijk en ontwikkelt allerlei vage lichamelijke klachten, heeft paniekaanvallen en vindt weinig afleiding in haar huishoudelijke taken. Ze gaat naar een praatgroep met vrouwen, die haar klachten over haar echtgenoot ‘voorovergeheld, als soepterrines tijdens een aardbeving’ aanhoren. Aangemoedigd door deze vrouwen zoekt en vindt ze opnieuw contact met de inmiddels getrouwde Aidan voor wie ze op afroep beschikbaar wordt voor onstuimige vrijpartijen in auto’s en hotelkamers. Al snel blijkt dat Aidan niet meer de held uit haar jeugd is. ‘Aidan is niet hetzelfde wat betreft seks als in het leven. In het leven kan hij een klootzak zijn, een loser, maar in bed wordt hij iets heel anders. Een heer’. Voor Lina redenen genoeg om haar situatie van ‘emotionele eenzaamheid’ te heroverwegen.

    Vrouw als seksobject

    De derde vrouw, Sloane, is getrouwd met Richard, een chef-kok. Ze hebben een eigen restaurant en hun leven ziet er ‘absoluut perfect’ uit. Sloane voelt zich echter door een aantal gebeurtenissen in haar jeugd onbemind. ‘De enige manier om gezien te worden was om op één manier op te vallen. En dus zwenkte ze de identiteit naar Dun feestmeisje’. Richard pronkt graag met zijn anorectische vrouw en is degene die het initiatief neemt om ‘derden’ in hun slaapkamer uit te nodigen. Alhoewel Sloane de voorkeur geeft aan vrouwen, worden er meestal mannen door Richard geselecteerd. Wanneer hij er zelf niet bij aanwezig kan zijn, filmt Sloane het hele gebeuren en kijkt Richard live, of later naar de beelden. Wanneer ze door een trio het huwelijk van een andere vrouw in gevaar brengt, gaat er een knop om bij Sloane. Ze herinnert zich een voorval uit haar jeugd en bedenkt dat de bron van wie ze is geworden te maken kan hebben met dit voorval.

    Eenzijdige voorstelling

    Taddeo probeert in de levens van deze drie vrouwen verklaringen te vinden voor hun verlangens. Daar slaagt ze tot op zekere hoogte redelijk in, hoewel haar conclusies soms een combinatie zijn van psychologie van de koude grond en een ferme dosis feminisme: de mannen komen er in dit boek niet best vanaf. De vraag is of de keuze voor deze personages veel herkenbaarheid bij de lezer zal genereren. Het is op zijn minst twijfelachtig of ‘vrouwelijk verlangen’ zich laat vatten in uitgebreide en vrij plastische beschrijvingen van allerlei seksuele handelingen; verlangen is immers niet alleen seksueel. Het is jammer dat Taddeo zich in al die jaren van voorbereidende werkzaamheden voor haar boek vooral geconcentreerd heeft op die seksualiteit. Ondanks haar pogingen om de passages met expliciete seks af te wisselen met scènes waarin ze een nogal wollige beeldspraak hanteert, is het een boek waarvan de vlag de lading niet helemaal dekt.