• Raadselen op het Spaanse platteland

    Raadselen op het Spaanse platteland

    Een jonge vrouw die haar leven in de stad de rug toekeert en een vervallen huisje betrekt in een piepklein dorpje op het Spaanse platteland. Het zou zomaar het begin kunnen zijn van een verhaal vol romantiek, maar de realiteit die Sara Mesa (1976) schetst in Een liefde staat daar ver vanaf. 

    Wat is er gebeurd waardoor de jonge Natalia, Nat genoemd, haar toevlucht heeft gezocht tot het dorp La Escapa waar ze zonder morren genoegen neemt met een weliswaar goedkoop maar ook nogal haveloos onderkomen? Waarom zegt ze er niets van wanneer de onaangename huisbaas steeds opnieuw onaangekondigd en ongevraagd haar huis betreedt en weigert om de vele gebreken van het huisje te verhelpen? Hoe is het mogelijk dat ze ermee akkoord gaat om te zorgen voor een onopgevoede en verwaarloosde hond, waarvoor ze vanwege zijn karakter geen andere naam dan Nurks kan bedenken? En waarom heet het boek in vredesnaam Een liefde terwijl de liefde in dit boek met een lampje gezocht moet worden? De raadselen stapelen zich op in deze roman, die verkozen werd tot beste roman van Spanje van 2020.

    Het vieze huisje zonder airco biedt Nat in ieder geval een tafel waaraan ze haar vertaalwerk kan doen, als ze zich daar tenminste op kan concentreren. Langer dan een of twee uur achter elkaar kan ze niet werken en de redenen daarvoor blijven lang onduidelijk. Ze besluit om een moestuin te gaan aanleggen en stort zich op het schoonmaken en schilderen van de veranda en de pergola.

    Nurks

    In het eerste deel van het boek maakt Nat kennis met de weinige bewoners uit het dorp. Ze sluit vriendschap met hippie Píter die haar waarschuwt dat haar huisbaas haar oplicht. Hond Nurks die ze via de huisbaas heeft gekregen blijkt ongevaccineerd en ondervoed en heeft oormijten en wormen. Nat besteedt een groot deel van haar budget om het dier te helpen. Píter weet steeds meer haar vertrouwen te winnen en op een dag vertrouwt ze hem toe dat ze haar baan heeft opgezegd omdat ze in een opwelling iets gestolen heeft van een van de partners van het bedrijf waar ze werkte. Ze kwam ervanaf met een waarschuwing, maar wilde niemand iets verschuldigd zijn en nam daarom ontslag. Het is een van de weinige keren dat er iets onthuld wordt uit het leven van Nat voor ze in La Escapa terechtkwam. 

    Lekkage

    Auteur Sara Mesa heeft gekozen voor het zij-perspectief en laat Nat verder vrijwel steeds opereren in het hier en nu van haar nieuwe leven. Het effect daarvan is dat je moeilijk hoogte krijgt van haar karakter en dat je je verbaast over keuzes die ze maakt, bijvoorbeeld wanneer ze te maken krijgt met flinke lekkage in het huis als het in het najaar gaat regenen. De huisbaas vindt het uiteraard zijn probleem niet. Een dorpsgenoot, die De Duitser genoemd wordt, biedt aan om het lekkende dak voor haar te repareren, maar wil daarvoor wel een heel bijzondere wederdienst: hij vraagt of Nat hem in ruil voor zijn arbeid ‘eventjes bij haar binnenlaat’. De Duitser (die eigenlijk Andreas heet) is namelijk ‘al heel lang niet meer met een vrouw geweest’. Nat laat zonder te laten merken dat ze geïrriteerd is door het voorstel weten dat ze niet van zijn werkzaamheden gebruik wenst te maken, maar wanneer het een paar dagen later toch weer pijpenstelen regent en ze niet kan slapen omdat ze steeds volgestroomde emmers moet legen, legt ze zich neer bij het bizarre ruilsysteem en laat ze Andreas zijn gang gaan.

    Wellust

    Aanvankelijk voelt ze zich na de hele transactie vies en gebruikt en schaamt ze zich, maar vervolgens ontdekt ze in het tweede deel van het boek dat ze gaat hunkeren naar het lichaam van Andreas, en ontmoeten ze elkaar vervolgens vrijwel iedere dag. De relatie tussen Nat en Andreas is hoofdzakelijk fysiek van aard, gepraat wordt er nauwelijks. In het kleine dorp weet al snel iedereen dat de twee iets hebben. De vriendschap met Píter komt even op een laag pitje te staan. Nat richt haar aandacht nu op haar bejaarde buurman Joaquín en helpt hem met de zorg voor zijn dementerende echtgenote Roberta. Ook met haar directe buren en hun kinderen krijgt ze steeds meer contact, alhoewel die tot haar verbazing te kennen geven dat ze Andreas liever niet over de vloer krijgen wanneer ze Nat wel uitnodigen voor een feestje.

    Het zorgt ervoor dat Nat ook met andere ogen naar haar minnaar gaat kijken en dat de eerste barsten in hun relatie ontstaan, maar erover praten doen ze nog steeds niet: ‘De eerstvolgende keer dat ze elkaar zien, doen ze allebei alsof ze zijn teruggekeerd tot de normaliteit, of de schijnbare normaliteit waarin ze zich tegenwoordig bewegen. Hij vraagt niet waarom ze de telefoon niet opnam. Zij vraagt niet waarom zijn busje de hele dag voor de deur stond geparkeerd. Aangezien er geen vragen zijn, zijn er ook geen antwoorden. Nats wantrouwen groeit, subtiel en slinks, behoedzaam als een kat. En dat van hem? Ze weet niet of ze het wantrouwen moet noemen, of gewoon desinteresse.’
    Aan het eind van het boek doet zich nog een akelig incident voor, waarbij ook hond Nurks betrokken is en waardoor Nat de welwillendheid verliest die ze moeizaam bij haar dorpsgenoten had opgebouwd. Na een gesprek met de enige die zich nog om haar bekommert moet ze een lastige beslissing over haar toekomst nemen.

    Een liefde is een intrigerend verhaal over een jonge vrouw die door foute keuze op verkeerde beslissing voor allerlei moeilijkheden komt te staan. Het is lastig om haar sympathiek te vinden, maar boeiend is ze zeer zeker wel. Mesa beschrijft beeldend de eenzaamheid van het landschap, waarin het silhouet van de berg El Glauco alomtegenwoordig is. De berg is de enige zekerheid in een verhaal waarin de antwoorden op de raadselen rondom het personage Nat niet pasklaar aangeboden worden, maar waar de lezer tussen de regels door zelf naar op zoek mag gaan. Mesa biedt daarvoor een mooie en intiem geschreven roman, waarin voor de oplettende lezer een fijne gelaagdheid valt te bewonderen.

     

  • De donkere kantjes van een sympathieke meubelverkoper

    De donkere kantjes van een sympathieke meubelverkoper

    Colson Whitehead (1969) is geboren en getogen in New York. Na zijn studie aan Harvard ging hij aan het werk als recensent van boeken, televisie en muziek. In 1999 debuteerde hij met zijn roman De Intuïtionist en later werd hij in Nederland met name bekend door zijn romans De ondergrondse spoorweg en De jongens van Nickel. Beide romans werden bekroond met de Pulitzerprijs voor fictie. Colson kiest in zijn werk vooral voor thematiek rondom gelijkberechtiging van Afro-Amerikanen en plaatst zijn romans steevast treffend in een historische context. Al eerder schreef hij boeken die zich afspelen in zijn geboortestad: zijn essaybundel De Colossus van New York werd door de New York Times uitgeroepen als Notable Book of the Year; Sag Harbour situeert zich op Long Island en in het op de New York Times Bestseller lijst geplaatste Zone One beschrijft Colson een post-apocalyptische versie van zijn stad. En ook zijn laatste roman Harlem Shuffle (2021, vertaald door Harm Damsma) speelt zich af in het zwarte deel van New York, in de aanloop naar en tijdens de roerige Harlem riots van 1964.

    Hoofdpersonage Ray Carney is meubelverkoper. Hij is getrouwd met Elizabeth en vader van twee kinderen. Zijn schoonouders zijn nooit enthousiast geweest over de keuze van hun dochter; hun zwarte schoonzoon Ray is ten eerste afkomstig uit een gebroken gezin en er ten tweede voor verantwoordelijk dat de huidskleur van hun kleinkinderen helaas niet even licht is als die van hun lichtgetinte moeder. Zijn schoonvader is lid van de chique Dumas club die uitsluitend lichtgetinte mannen toelaat. Ray is daar vanwege zijn iets meer getinte uiterlijk niet welkom, zelfs niet na een forse steekpenning. Elizabeth werkt bij reisbureau Black Star Travel dat toeristische trips en zakenreizen aanbiedt aan zwarte mensen. Eind jaren vijftig was het vanwege rassenongelijkheid en raciaal geweld voor hen een uitdaging om veilig te reizen. Het bedrijf waar Elizabeth werkt specialiseert zich in het in kaart brengen van veilige hotels, publieksvriendelijke restaurants en winkels en adviseert welke racistische witte stadjes zwarte mensen maar beter kunnen vermijden als ze ellende willen voorkomen.

    Verborgen verleden

    Het inkomen van Ray en Elizabeth is ontoereikend voor de levensstandaard die Ray nastreeft voor zijn gezin. Hij wil er graag goed voor zorgen en het gezin verhuist in de loop van het verhaal een paar keer naar een andere woning die niet alleen groter is maar ook gesitueerd in een betere wijk van Harlem. Ray wil namelijk dat zijn kinderen een andere jeugd hebben dan hijzelf. Hij voert geen overleg met Elizabeth over zijn plannen; Elizabeth vindt het op haar beurt wel prima dat haar gezin stijgt op de maatschappelijke ladder. Ondertussen houdt Ray angstvallig geheim dat hij afkomstig is uit een geslacht van bendeleden en boeven. Zijn vader was een beruchte crimineel die tijdens een kraak werd doodgeschoten door de politie. Neef Freddie is degene die nog een lijntje vormt met zijn verborgen gehouden verleden. Freddie duikt steeds weer op in het verhaal, dan weer om een alibi af te spreken (niemand verdenkt Ray van leugens, hij komt op iedereen over als volstrekt eerlijk), dan weer om gestolen spullen of spullen die ‘van een vrachtwagen waren gevallen’ in bewaring te geven. Ray verkoopt die spullen ook door, maar ziet dat zelf niet als diefstal, eerder als een welkome bijverdienste op zijn ontoereikende inkomen.

    Keer op keer neemt Ray zich desalniettemin voor om zich niet meer in te laten met Freddie, want hij voelt wel aan tot welke problemen zijn duistere zaakjes zouden kunnen leiden. Whitehead weet deze ambivalente houding humoristisch onder woorden te brengen. Wanneer Ray bijvoorbeeld na de verkoop van een schitterende gestolen robijn geld opzij legt voor een beter appartement verzucht hij: ‘”Ik mag dan soms blut zijn, maar een schurk ben ik niet.” Hoewel hij moest toegeven dat hij het misschien toch was.’ 

    Dorvei

    Het middelste deel van het boek heeft als titel Dorvei, een in onbruik geraakt Frans woord waarmee een slapeloze tijd tussen middernacht en een tweede slaapfase bedoeld werd. Ray raakt steeds verder verstrikt in zaken die het daglicht niet kunnen verdragen en die hij daarom tijdens de dorvei uitvoert. Zijn vrouw heeft wonderlijk genoeg nooit enige argwaan waarom Ray ’s nachts regelmatig urenlang weg is en slikt de smoezen die hij daaromtrent ophangt voor zoete koek.

    Harlem Shuffle krijgt steeds meer het karakter van een misdaadroman: er worden kluizen opengebroken, er wordt geschoten en gestoken, mensen worden afgeperst en geïntimideerd, er zijn foute agenten en er wordt een bebloed lijk in een vloerkleed gedumpt in een park. Toch vormen deze elementen gelukkig niet het belangrijkste dat Whitehead de lezer wil meegeven. Ze blijken vooral het decor te vormen van het gesegregeerde New York van de jaren zestig, waarin er in hetzelfde jaar (1964) zowel de Harlem Riots (waarbij de zwarte bevolking in opstand kwam nadat een vijftienjarige door politiekogels om het leven kwam) als de Wereldtentoonstelling plaatsvonden. Segregatie en racisme vinden zowel tussen wit en zwart als tussen zwarten onderling plaats, ondervindt Ray wanneer hij probeert op te klimmen op de maatschappelijke ladder.

    In die zoektocht naar een plaats voor zichzelf en zijn gezin in deze wereld is het te begrijpen dat Ray iets beters wil voor zijn kinderen. Zijn gewetensontwikkeling is vanwege zijn criminele vader niet helemaal ideaal tot stand gekomen, maar de lezer hoopt toch dat hij niet in problemen komt wanneer hij zich voor de zoveelste keer inlaat met Freddie, wanneer die weer eens iets wil achterlaten in de kluis van Ray. Het geld hebben ze na verloop van tijd eigenlijk niet eens meer nodig: Elizabeth verdient inmiddels genoeg om in hun gewenste levensonderhoud te kunnen voorzien. Het is de vraag of Ray op het juiste moment zal weten te stoppen.

    Forrest Gump

    Zoals Forrest Gump in de gelijknamige film steeds zonder het zelf te beseffen opduikt bij tal van historische gebeurtenissen, zo heeft Colson Whitehead zijn protagonist Ray Carney eveneens knap in de Afro-Amerikaanse geschiedenis geplaatst. Je ziet hem als het ware rondrijden door Harlem in de oude bestelwagen van zijn vader. Whitehead weet precies de juiste couleur locale te schetsen door het bijvoorbeeld te hebben over het vluchten naar schuilkelders bij een luchtalarm vanwege de Koude Oorlog, of over een noviteit als een airconditioner in een privéwoning. De muziek, de meubels, de winkels, alles past in het New York van de jaren zestig. De historische gebeurtenissen passen daarnaast ook nog eens als een handschoen rondom de ondanks zijn duistere kantjes toch sympathieke Ray, alhoewel het naarmate het verhaal vordert steeds lastiger wordt om je als lezer met hem te identificeren. 

    De veelheid van namen en gebeurtenissen zorgen er soms wel voor dat de lezer de draad van het verhaal een beetje kwijtraakt; Whitehead heeft de neiging om enorm uit te weiden over details die later onbelangrijk blijken te zijn. De rauwe beschrijvingen van criminele handelingen ten slotte vormen een element waar niet iedere lezer even gecharmeerd van zal zijn. Het boek weet daarom minder te boeien dan de twee voorgaande boeken waarmee hij wereldwijd bekendheid kreeg, maar vormt desalniettemin een interessante inkijk in het New York van de jaren zestig.

     

  • Originele maar vervreemdende roman over deze tijd

    Originele maar vervreemdende roman over deze tijd

    Olivia Wenzel (Weimar, 1985) werd geboren als kind van een zwarte vader uit Zambia en een witte moeder uit Oost-Duitsland. Ze studeerde Culturele Studies aan de universiteit van Hildesheim en vestigde zich daarna in Berlijn. Ze heeft zich ontwikkeld als een culturele duizendpoot: ze werkt als dramaturg, muzikant, performer, zangeres en songwriter en schreef in 2020 haar debuut 1000 kronkelwegen angst, dat door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen in het Nederlands werd vertaald. In Duitsland werd haar eerste roman goed ontvangen. Het boek belandde onder meer op de longlist van de Duitse Boekenprijs.

    Wenzel karakteriseert haar eersteling als autofictie en als een “coming-out of not being white”. In het eerste deel van 1000 kronkelwegen angst getiteld ‘Points of view’ draait het om een jonge vrouw die is geboren uit een kortstondige relatie tussen een jonge punkster uit de DDR en een Angolese man. De avontuurlijke moeder had zich een leven samen met deze man voorgesteld in Angola, maar haar uitreisvisum wordt enkele maanden na de geboorte van haar tweeling geannuleerd. In plaats daarvan belandt ze in de gevangenis en krijgt de vader van haar kinderen een nieuw gezin in het verre land. De relatie van de ik-figuur met haar moeder is moeizaam. Zo liet haar moeder haar en haar broer soms maandenlang achter bij een vriendin, terwijl ze zelf met vakantie ging. Met haar Angolese vader heeft ze nauwelijks contact en haar tweelingbroer pleegt op zeventienjarige leeftijd zelfmoord. Na zijn dood gaat de ik-persoon op reis naar de Verenigde Staten.

    Afstand tot Duitsland

    Hoewel ze soms last heeft van hartkloppingen voelt ze zich bijzonder thuis in New York en vraagt ze zich af wat daarvan de oorzaak zou kunnen zijn. De vrijheid en onbevangenheid die ze in de Verenigde Staten ervaart, laten haar vanuit een ander perspectief kijken naar haar geboorteland Duitsland. Ze ontdekt dat ze in haar jeugd veel meer dan ze zich aanvankelijk realiseerde te maken heeft gehad met allerlei vormen van racisme, tegelijkertijd beseft ze dat ze meer privileges heeft dan iemand in haar familie ooit heeft gehad.

    Ze herinnert zich dat ze een keer met haar vriend in een Berlijns park was en dat ze niet op durfde te treden tegen een viertal neonazi’s die een gezin terroriseerde. Ze denkt terug aan een theaterzaal waarin ze opmerkte dat ze de enige zwarte vrouw was in het publiek. Door de afstand tot haar vaderland ontdekt ze parallellen tussen de haat die haar vader indertijd in de DDR moet hebben ervaren en de haat die zij en haar broer hebben ondervonden. Ze ziet dat zwarte mensen in de Verenigde Staten systematisch eenzelfde haat meemaken als vluchtelingen die permanent en wereldwijd beleven. Feitelijk raakt ze in de Verenigde Staten steeds meer verscheurd over haar identiteit. De zelfmoord van haar broer is de druppel die ervoor gezorgd heeft dat ze haar greep op de realiteit steeds meer verliest en ten prooi valt aan angsten.

    Ingewikkelde stijl

    Wenzel hanteert in het eerste deel van het boek een originele maar ingewikkelde stijl. Ze construeert een dialoog tussen haar hoofdpersonage en een onbekende voice-over, waaraan ook nog Engelstalige oneliners worden toegevoegd.

    “HEB JE OOIT EEN MISDRIJF BEGAAN?
    Nee.
    GEEN WINKELDIEFSTAL, GEEN RIT ZONDER KAARTJE, GEEN GRAFFITI GESPRAYD?
    … Misschien.
    Three strikes and you’re out!
    Wat zeg je?
    Als je drie keer gepakt en veroordeeld wordt, kun je in sommige gevallen levenslang krijgen – three-strikes law.
    Voor graffiti en een lippenstift jatten?
    DE VERSCHILLENDE AMERIKAANSE STATEN INTERPRETEREN DE WETTEN NIET ALLEMAAL EVEN STRENG.
    All good things go by three!
    This is amazing, this is amazing, this is amazing!”

    Deze manier van schrijven illustreert de verwarring en de angsten van de ik-figuur. Wenzel laat het aan de lezer over om te ontdekken waar het in haar boek over gaat. De thema’s die ze aansnijdt en weer laat vallen en de zijweggetjes die ze kiest en verlaat zijn zo talrijk, dat het een ware tour de force is om door het eerste deel heen te worstelen. De passages in het Engels vormen door hun oppervlakkigheid een schril contrast met de vaak vergeefse pogingen van de hoofdpersoon om ergens bij te willen horen.

    Angststoornissen en slaapproblemen

    Het tweede deel van het boek, ‘Picture this’, is wat stijl betreft eenvoudiger te volgen; de schreeuwerige stemmen uit het eerste deel zijn verstomd. Wenzel beschrijft aan de hand van zwart-wit foto’s van de moeder en grootmoeder van de ik-persoon hoe hun verhalen en verleden het heden van de ik-persoon beïnvloeden. Deze beschrijvingen worden afgewisseld met de ervaringen van de ik-persoon met verschillende therapieën en therapeuten. Haar vrienden hebben haar namelijk dringend geadviseerd om hulp te zoeken voor haar angststoornissen en slaapproblemen waar ze in toenemende mate onder lijdt. De toon van het boek is in het tweede deel wat luchtiger en is hier en daar zelfs humoristisch. Alhoewel dit deel beduidend prettiger leest dan het eerste blijft de stijl anekdotisch en is het nog steeds lastig om de verhaallijn vast te houden.

    In het derde deel, ‘Vluchtpunten’, herpakt Wenzel de stijl van het eerste deel, met dat verschil dat de Engelstalige stem nauwelijks meer te horen is. Het gaat in het laatste deel van het boek over een reis naar Vietnam. Er lijkt onder invloed van de therapieën wat meer rust te zijn gekomen in het leven van de hoofdpersoon en ze leeft meer mindfull in het hier en nu. De echte reden daarvoor wordt pas helemaal aan het einde van het boek duidelijk.

    Origineel maar vervreemdend

    1000 kronkelwegen angst is zowel een zeer originele als een vervreemdende roman over de tijd waarin we nu leven. Olivia Wenzel is er de kunstenaar niet naar om platgetreden literaire paadjes te bewandelen. Het wemelt in het boek van bijzondere metaforen over bijvoorbeeld schildpadden en snoepautomaten, maar het is binnen de veelheid van verhaallijntjes en gedachtegangen lastig om ze te kunnen volgen en plaatsen. Het is duidelijk dat ze een scherp oog heeft voor de huidige tijd en dat ze op een vernieuwende manier thema’s als racisme, privilege en afkomst wil aansnijden. De verwarring van het hoofdpersonage is tastbaar en de talloze vragen die zij stelt en die haar gesteld worden zetten ook de lezer aan het denken. Het vraagt echter veel van de lezer om de duizend kronkelwegen die bewandeld worden ook allemaal te volgen.

     

  • De zomerboeken van Helena van Dijk

    De zomerboeken van Helena van Dijk

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Helena van Dijk bewaart altijd boeken om in de zomervakantie te lezen. Dit is een deel van de stapel van dit jaar:  

    Nino Haratischwili – De kat en de generaal
    Gabriel García Márquez – Liefde in tijd van cholera
    Arno Geiger – Onder de drakenwand
    Margaret Atwood – De testamenten
    Jessica Durlacher – De stem

    Ik ben benieuwd naar alle boeken, maar het meest naar De kat en de generaal. Over Haratischwili’s Het achtste leven voor Brilka was ik lyrisch, dus de verwachtingen zijn hooggespannen…

    Ik wens allen een mooie zomer met veel leesplezier.

     

    Lees hier meer over Helena van Dijk

     

  • Een slang in het paradijs

    Een slang in het paradijs

    De elfde roman van Rachel Cusk (1967) heet De tweede plaats. Het boek is vertaald door Marijke Versluys. Cusk geniet veel bekendheid door haar Contouren-trilogie, waarin ze het plot ondergeschikt maakte aan een bijzondere melange van essayistische uitweidingen en autofictie. Lezers ervaren de trilogie als observerend en objectief. Haar eerdere werk (autobiografisch werk over moederschap en echtscheiding) is veel traditioneler van aard. In haar nieuwste boek heeft ze een aantrekkelijke tussenvorm gevonden.

    Vertelster M, die schrijfster is, neemt de lezer mee in een lange monoloog, waarin ze zich richt tot een zekere Jeffers. Alhoewel de precieze relatie tussen M en Jeffers onbekend blijft is wel duidelijk dat M in het verleden al veel details over haar leven aan hem heeft toevertrouwd. De eerste bladzijden van De tweede plaats zijn nogal omineus: de vertelster beschrijft aan Jeffers hoe ze ooit tijdens een treinreis vanuit Parijs de duivel ontmoette en dat alle aspecten van haar leven vanwege die ontmoeting doortrokken raakten van een kwaad dat gewoonlijk onder de oppervlakte blijft. De onsmakelijke verschijning met zijn groenige en bloeddoorlopen ogen, pafferige voorkomen en gore gebit met in het midden een zwarte tand achtervolgt haar door de trein. De angst die ze aan die ontmoeting heeft overgehouden draagt ze al jaren met zich mee. Vlak voordat ze uit Parijs vertrok blijkt ze een expositie bezocht te hebben van schilder L. Diens schilderijen (met name de landschappen) spraken haar op een bijzondere manier aan. Ze zorgden niet alleen voor een bepaalde sensatie die beeldende kunst kan oproepen, maar ze ‘vonden’ ook woorden in haar.

    Gesprekken over kunst en literatuur

    Vijftien jaar later woont M met haar echtgenoot Tony in een zeer afgelegen streek aan de kust. Aan Jeffers beschrijft ze Tony als praktisch, zwijgzaam en schaamteloos. Tony en M hebben op hun terrein een tweede huisje gebouwd dat soms dienst doet als inspirerend gastenverblijf voor schrijvers, schilders en musici. Op een dag besluit M om het gastenhuisje aan schilder L aan te bieden omdat ze vermoedt dat hij onder de indruk zal zijn van het paradijselijke maar ook desolate gebied waar ze woont. Daarnaast is het overduidelijk dat ze graag binnen het aura van een gevierd kunstenaar wil vertoeven. Ze verheugt zich op diepgaande gesprekken over kunst en literatuur en fantaseert over de aandacht die ze van L zal krijgen tijdens diens verblijf. L reageert direct enthousiast en kondigt aan snel te willen komen. M en Tony doen veel moeite om het huisje in gereedheid te brengen, maar L annuleert het verblijf op het laatste moment. M reageert haar frustratie daarover af op Tony. 

    Irritatie

    Een jaar later blijkt L alsnog te willen komen, wederom tot grote vreugde van M. De lezer voelt inmiddels wel aan dat de verwachtingen van M veel te hooggespannen zijn. Justine, M’s dochter, woont inmiddels met haar vriend Kurt in het gastenhuisje. Zij moeten plaats maken voor L, die tot grote teleurstelling van M arriveert met een ‘verblindend mooi wezen van ergens achter in de twintig, een vrouw die met haar zelfverzekerde, modieuze verschijning detoneerde in deze omgeving en die me haar gelakte vingertoppen toestak alsof we elkaar niet ontmoetten in een uithoek van de wereld maar op een cocktailparty aan Fifth Avenue!’ Dat Cusk haar personages krachtig en beeldend weet neer te zetten moge duidelijk zijn.
    Aan het gezelschap van vriendin Brett went iedereen snel, maar L wordt al snel een bron van irritatie, niet in de laatste plaats voor M. Hij kondigt aan het portretschilderen ter hand te nemen, maar alhoewel M op allerlei manieren laat merken dat ze graag als model in aanmerking komt (en zelfs vindt dat ze daar als gastvrouw alle recht op heeft) kiest hij op het pesterige af steeds voor anderen. Wanneer M na lang aandringen uiteindelijk aan de beurt is en zich nota bene in haar trouwjurk naar het gastenverblijf haast, is er inmiddels al zo veel voorgevallen dat zelfs voor de aimabele Tony de maat vol is. Het portret dat uiteindelijk dan toch tot stand komt is ook nog eens verre van flatteus.
    Ondertussen legt Kurt, de schoonzoon van M, zich in de inspirerende aanwezigheid van zijn schrijvende schoonmoeder en kunstenaar L toe op het schrijven van een roman. Tijdens wat bedoeld was als een gezellig avondje leest hij zijn tot dan toe geschreven werk (een centimeters dikke stapel papier) integraal voor, gekleed in een zwartfluwelen housecoat. De scène vormt een humoristisch hoogtepunt in het boek, maar laat ook de angst zien van iedere kunstenaar die zijn werk aan de wereld toont.

    Slang

    Bij monde van M worden het uiterlijk en karakter van alle personages op minutieuze wijze weergegeven. Als lezer krijg je het gevoel dat je de personages zou kunnen herkennen op straat. De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende bewoners en gasten van de uithoek komen steeds meer op scherp te staan. M vormt daarbij haar eigen blinde vlek. Ze ziet dat L ongelukkig, humeurig of veeleisend is en bedenkt daar in haar ogen plausibele verklaringen voor. Zelf blijkt M vooral bang dat mensen niet van haar houden. Interessant zijn haar gedachten over ouderschap (‘voor de meeste mensen komt het ouderschap het dichtst bij de gelegenheid om tirannie uit te oefenen’), over taal versus beeld en over kunst die ‘een slang was die in ons oor fluistert’. Het beeld van een slang komt verderop in het boek nog een paar keer terug; het is duidelijk dat de roman op meer niveaus te lezen is. Cusk heeft genoeg puzzelstukjes gebruikt om de lezer in dat opzicht langdurig geboeid te houden. 

    Een zoektocht om het onwerkelijke te vangen

    Al met al schreef Cusk met De tweede plaats opnieuw een interessant boek dat meer dan genoeg stof tot nadenken geeft. Omdat M zich richt tot Jeffers, voelt het bij vlagen wat voyeuristisch om haar leven te volgen. Vanwege de weinig kritische houding van M concludeert de lezer soms vroegtijdig dat zaken uit de hand gaan lopen en dat de dreigende apotheose met rasse schreden naderbij komt. De vooruitwijzingen die M af en toe hanteert (‘Had ik maar beter opgelet tijdens de periode die ik je beschrijf, Jeffers, …’), zorgen ervoor dat de spanning goed opgebouwd wordt. Tussen de verhaallijn door onderzoekt Cusk de wat abstracte stelling dat kunst ons zowel kan redden als vernietigen, terwijl de menselijke ziel worstelt met duistere demonen. Dat doet ze niet alleen in theoretische zin; voor enkele personages wordt de reddende dan wel vernietigende kracht van kunst werkelijkheid. Ze concludeert ten slotte dat ware kunst een zoektocht betekent om het onwerkelijke te vangen. 

     

  • Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Gezien het feit dat een ieder van ons vroeg of laat, persoonlijk of van dichtbij te maken krijgt met ziekte, is het als je erover nadenkt bijzonder dat ziekte als literair thema niet even vaak voorkomt als bijvoorbeeld liefde, jaloezie en macht. Helemaal ongebruikt is het thema evenmin, getuige recente titels als Welkom in het rijk der zieken van Hanna Bervoets, Veldheer Banner van Marie Kessels en Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers dat de Libris Literatuurprijs 2021 won. Vanwege de Covid-19 pandemie zijn ziekte en de consequenties daarvan onderwerp van gesprek geworden in alle lagen van de maatschappij. De essaybundel Over ziek zijn verschijnt dus op het juiste moment.

    Uitgeverij HetMoet heeft het door de Britse schrijfster en feminist Virginia Woolf (1882-1941) geschreven essay On being ill, dat bijna honderd jaar geleden voor het eerst verscheen, uitgebracht in een vertaling van Monique ter Berg. Naast het werk van Woolf zijn er in de bundel bijdragen van drie hedendaagse schrijvers te vinden. De in 1968 geboren Britse dichter Deryn Rees-Jones schreef het voorwoord (ook vertaald door Monique ter Berg), de Nederlandse schrijver en dichter Lieke Marsman (1990) en de eveneens uit Nederland afkomstige letterkundige en dichter Mieke van Zonneveld (1989) beschrijven hoe het is om getroffen te worden door ziekte en welke weerslag dat heeft gehad op hun leven.

    In het voorwoord van Over ziek zijn beschrijft Deryn Rees-Jones hoe ze na haar besmetting met Covid-19 veel herkenning vond in het werk van Woolf, en dan met name in het essay On being ill. Ze vergelijkt haar langdurige tijd van ziek zijn met een ‘logé die niet alleen mijn ruimte innam maar ook mijn onmacht aan het licht bracht’ en wordt er al lezend aan herinnerd dat er eigenlijk geen scherp onderscheid bestaat tussen ziek en gezond. We zijn immers allemaal stervelingen. 

    Ongekende dimensies

    Na dit prachtig geschreven voorwoord word je als lezer vervolgens omvergeblazen door de tekst van Virginia Woolf, die in haar eerste volzin van een halve pagina lang uiteenzet dat ziekte ongekende dimensies in ons leven kan losmaken. In de literatuur is daar volgens Woolf (te) weinig aandacht voor; schrijvers hebben het hoofdzakelijk over het doen en laten van de geest, terwijl ‘de grote oorlogen die het lichaam met de geest als zijn slaaf in de eenzaamheid van de slaapkamer tegen een koortsaanval of opkomende zwaarmoedigheid voert, worden genegeerd.’ Woolf schreef het essay in 1925, tijdens heftige periodes van allerlei lichamelijke en psychische kwalen. Ze schrijft in diezelfde tijd ook aan een aantal romans waarin ze de thema’s ziekte en de ruimte die ziek zijn in een leven teweegbrengt aansnijdt. Volgens Woolf maakt ziekte het bijvoorbeeld mogelijk om ‘in een gedicht te kruipen’, omdat ziek zijn bij het lezen en waarnemen een zintuiglijke reactie uitlokt. Daarnaast gaat ziekte volgens haar samen met een kinderlijke openhartigheid.

    Het leven van Woolf werd enorm gekleurd door ziekte en lijden, zowel fysiek als psychisch; ze had bijvoorbeeld op haar dertiende al voor het eerst een zenuwinzinking. Met de kennis van nu wordt gesteld dat ze waarschijnlijk een bipolaire stoornis had, ontwikkeld als gevolg van seksueel misbruik in haar jeugd. Deze toen nog onbekende ziekte kreeg zozeer de overhand dat ze in 1941 zelfmoord pleegde. Tijdens periodes van ziek zijn wendde Woolf zich bij voorkeur tot de dichters. Patiënten hebben volgens haar immers geen zin in de lange ‘veldtocht’ die proza vergt.

    De Hel

    Lieke Marsman schreef het essay Hoe gaat het met je? Ze beschrijft daarin hoe ze als jonge twintiger na een jaar van toenemende klachten geconfronteerd wordt met de diagnose van een kwaadaardige tumor in haar schouder. Haar eerste reactie daarop is opluchting; er is echt iets aan de hand. Vervolgens beschrijft ze hoe ze na haar operatie veel terugdenkt aan haar jeugd en zich verdiept in boeken (van Audre Lorde en Susan Sontag) waarin persoonlijk en emotioneel respectievelijk extreem rationeel omgegaan wordt met de diagnose kanker. Het stelt haar voor de vraag hoe zij zich gaat verhouden tot haar ziekte. ‘Zevenentwintigjarige lijven horen […] niet ziek te zijn, en als ze al ziek zijn, dan vanwege een of andere tropische ziekte opgelopen tijdens een wereldreis. Ervaar ik kanker als De Hel omdat ik dat echt zo voel of omdat dat nu eenmaal de reputatie van kanker is, al helemaal voor wie het op jonge leeftijd krijgt?’ 

    Ze ervaart haar herstelperiode als eenzaam en vindt afleiding in het beoefenen van maatschappijkritiek. Haar conclusie is dat in de bijstand belanden evenmin iets met pech te maken heeft als kanker krijgen. Ze beschrijft haar angsten voor het terugkomen van de ziekte, de voor haar noodzakelijke illusie dat ze invloed kan uitoefenen op haar ziekteproces, de treurige keerzijde van mantelzorg en het belang van de wezenlijke vraag: hoe gaat het met je?

    Niet de bedoeling

    In het laatste essay Gods ruïne van Mieke van Zonneveld (1989) kijkt de schrijfster jaren later terug op de periode na de diagnose van acute leukemie die ze op haar eenentwintigste kreeg. De feiten kan ze feilloos opdreunen. De emotionele achtbaan waarin ze na de diagnose terechtkwam kan ze moeilijker reconstrueren, alhoewel ze in het ziekenhuisbed steun vindt in haar Bijbelvaste opvoeding. ‘Wat mij troostte was een gedachte die op het eerste gezicht niet troostend lijkt. Ik meende dat de dood niet alleen iets akeligs was, met name voor nabestaanden, maar ook iets verkeerds. Het feit dat iedereen sterft – de grootste zekerheid die we hebben – leek me even onomstotelijk als ongewenst. Het leek me niet de bedoeling, althans, oorspronkelijk niet. Het moest het gevolg zijn van een val in ongenade en nu liepen we allemaal rond in een verkeerd want sterfelijk lichaam als een herinnering aan die val.’ Ze gaat eerbied voelen voor haar lichaam, ook al verkeert het in een erbarmelijke toestand en is het vervallen tot een ruïne. Ook Van Zonneveld ervaart steun in de literatuur wanneer ze op zoek gaat naar het thema vreugde, in de Bijbel en in werken van Chesterton, C.S. Lewis en Dostojewski. 

    ‘We read to know we are not alone’. Dit bekende citaat, toegeschreven aan de Iers-Britse schrijver C.S. Lewis, is op veel boeken van toepassing, maar in het geval van Over ziek zijn biedt de quote een extra dimensie. Tijdens de eenzame ervaring die ziekte vaak is kun je namelijk, hoewel lezen een solitaire bezigheid is, toch in ‘gesprek’ blijven met anderen, verbindingen leggen en daarin vrijheid ervaren, zo blijkt uit de essays. Als er al een minpunt genoemd zou moeten worden van Over ziek zijn, dan zou het de geringe omvang van het boek kunnen zijn; het telt slechts een krappe tachtig bladzijden. Indachtig de voorkeur van Woolf om zich bij ziekte bij voorkeur niet te wagen aan de ‘veldtocht’ die een roman kan zijn hoeft de omvang echter geen nadeel te zijn. Het is zeer wel mogelijk dat lezers dezelfde afleiding en troost in dit werk zullen vinden die de verschillende schrijfsters van de essays op hun beurt ook gezocht en gevonden hebben in de literatuur.

     

  • Tijd is geen ding dat voorbij gaat

    Tijd is geen ding dat voorbij gaat

    Joke Hermsen (1961) studeerde letterkunde en filosofie in Amsterdam en Parijs. Ze is gepromoveerd aan de universiteit van Utrecht en vertaalde Franse poëzie en filosofie. In 1998 verscheen haar debuutroman Het dameoffer. In de jaren die volgden wisselden veelgeprezen (historische) romans en succesvolle essays elkaar af. In 2018 verscheen haar prachtige roman Rivieren keren nooit terug, waarin de hoofdpersoon door Frankrijk reist met als bestemming de rivier waar zij alle vakanties van haar jeugd heeft doorgebracht. Tijd speelt de hoofdrol in het gehele oeuvre van Hermsen en dat geldt ook voor de essaybundel Ogenblik & eeuwigheid; Meer tijd voor de kunst. Eén van de citaten waarmee de bundel begint zorgt ervoor dat de toon gezet wordt: ‘Tijd is geen ding dat voorbij gaat… het is een zee waarop je drijft’ (Margaret Atwood). 

    Ogenblik & eeuwigheid is een verzameling van een aantal van de essays die Hermsen in de afgelopen jaren over kunst en literatuur heeft geschreven. Sommige zijn eerder in boekvorm verschenen. In de nieuwe bundel wemelt het van prachtige zinnen en gedachtegangen; Hermsen weet haar achtergrond als letterkundige en filosofe wederom op een unieke manier te combineren. De twaalf essays richten zich niet alleen op allerlei vormen van kunst, van schrijven tot schilderen en zelfs tot muziek, maar gaan ook over de heilzame werking van kunst. Daarnaast roept Hermsen expliciet op tot politieke bescherming van de kunst. In het midden van de bundel bevinden zich enkele kleurenfoto’s van een aantal door Hermsen besproken kunstwerken. 

    Cadans en dynamiek

    Het eerste essay heeft dezelfde titel als het boek en fungeert als een belangrijke inleiding op het begrip tijd. ‘Ogenblik & eeuwigheid, het zijn geliefde begrippen van denkers en dichters. De ene tijdsduiding duurt nog geen oogwenk of ademzucht, de andere strekt zich uit tot in de verste oneindigheid.’ Kunstenaars kunnen door middel van pauzes, versnellingen of vertragingen op een creatieve manier omgaan met de tijd, waardoor er een bepaalde ‘cadans en dynamiek’ ontstaat. ‘Dit veronderstelt dat er binnen de kunst blijkbaar meer tijd voorhanden is dan slechts het monotone tikken van de klok, die onze moderne levens zo sterk bepaalt. Hoe dit ‘meer’ in het kunstwerk gestalte krijgt en waarom deze andere, ruimere ervaring van de tijd vaak als verrijkend en ontspannend wordt ervaren, zijn enkele van de vragen die ik in deze essays wil opwerpen.’

    Hermsen stelt dat kunst fungeert als een ‘noodzakelijke bewaker van het wankele evenwicht tussen de wetten van de klok en de economie enerzijds en de verbeeldingskracht en het (wel)zijn van mensen anderzijds.’ In 2017 was ze gastcurator van de internationale tentoonstelling Kairos Castle over tijd en kunst op het Kasteel van Gaasbeek, nabij Brussel. ‘Weg van het straffe regime van de door de economie voortgedreven kloktijd, probeerde ik met behulp van de kunst en de muziek de bezoekers naar een andere, meer bezielde ervaring van tijd toe te leiden, die tot nadenken aanspoort en zo het juiste momentum voor verandering kan voorbereiden.’ Naast het feit dat de kunst ons verstilling, bezinning en inspiratie kan bieden, vraagt de kunst op haar beurt van ons dat we tijd nemen om ons te verwonderen.

    De elf essays die volgen hebben stuk voor stuk intrigerende titels, zoals Ourobouros en overige perikelen – Het vitalisme van Hilma af Klimt en Overvloed en onophoudelijke geboorte – Over het werk van Paula Modersohn-Becker. Inhoudelijk gaan de essays allemaal in meer of mindere mate over bekende en minder bekende boeken, schrijvers, muziek en muzikanten, beeldende kunst en kunstenaars. Hermsen is zeer goed thuis in de materie. Haar kennis is zo overkoepelend dat de analyses die ze maakt in het licht van Ogenblik & eeuwigheid niet alleen bijzonder plausibel zijn maar ook zeer interessant. Hermsen laat mensen die al genoten van allerlei vormen van kunst daar op een andere manier naar kijken en luisteren.

    Zorgen voor de ziel

    De Ierse schilder Sean Scully blijkt zich bijvoorbeeld in zijn werk te hebben laten inspireren door de Franse filosofe Simone Weil. In haar optiek moet er gezocht worden naar een nieuw equilibrium tussen de polen van tegenstellingen, ‘… pas dan zorgen we volgens Weil goed voor onze ziel’ schrijft Hermsen. ’Een interessante gedachte als je het voortdurende spel met horizontale en verticale assen van Scully in ogenschouw neemt, die niet alleen verklaarde “het gemeenschappelijke van de menselijke ziel te willen schilderen”, maar ook “geobsedeerd” te zijn met verhoudingen, verdubbelingen en paren.’

    In het essay over Virginia Woolf gaat het over herinneringen. Immers, ‘De spot drijven met de klok is ook een voorwaarde om een belangrijke bron van het schrijverschap te kunnen aanboren, namelijk de herinneringen van de schrijver.’ Hermsen beschrijft een aantal werken van Woolf en benadrukt het feit dat Woolf experimenteert met de tijd, zoals bijvoorbeeld in haar roman Mrs Dalloway (1925). In deze roman spelen alle gebeurtenissen behalve de flashbacks zich af op dezelfde dag in juni. De uitleg die Hermsen geeft over de tijdverdichtingen, tijdversnellingen, flashbacks en vooruitblikken voelt logisch en spoort de lezer aan om ofwel bekend werk te herlezen vanuit een nieuwe invalshoek, ofwel om nieuw werk van Woolf te gaan ontdekken, overigens zonder een keurslijf op te dringen. Over de kunst van Marlene Dumas betoogt ze: ‘De kunst zet ons graag op het verkeerde been en gaat daar net zo lang mee door tot we lopen, het ene been voor het andere, en zwerven door het vreemde, dat verbijsterend genoeg juist onderdak kan bieden aan datgene wat verbannen is’.

    Heilzaam

    Het essay over De Toverberg van Thomas Mann heeft als uitgangspunt dat ‘kunst, muziek en literatuur een heilzame werking op zowel onze geest als ons lichaam hebben’. Wat Hermsen betreft zou dit gegeven gevolgen moeten hebben voor het onderwijs: ‘Laat de literatuur en de inhoud van boeken toch weer de boventoon voeren in het taalonderwijs, en besteed serieus aandacht aan muziekvakken, theater en beeldende kunst; niet alleen leerlingen, maar ook docenten zullen er in mentaal en fysiek opzicht aanzienlijk van opknappen.’ De Toverberg vormt voor Hermsen de ‘novel cure bij uitstek’, de uitgelezen plek waar de geest oefening en bezieling kan vinden. 

    Over filosofe Hannah Arendt schreef Hermsen al in eerdere boeken. In dit essay richt ze de schijnwerper op Arendts principe van nataliteit, de kracht van het beginnen. Het is een principe waar maar weinig filosofen aandacht aan besteden. Ieder nieuw begin laat aan de wereld zien wie wij zijn. We maken onszelf zichtbaar in ons spreken en handelen, door het verwoorden van een bepaalde mening, visie of inzicht of door een initiatief te nemen. Dat nieuwe begin is overigens pas mogelijk wanneer de samenleving voldoende ruimte biedt aan de uniciteit van iedere mens en de pluraliteit van alle mensen onderling erkent. 

    Ogenblik & eeuwigheid is geen boek om achter elkaar uit te lezen, dat zou de essays geen recht doen. Ze kunnen een fijne toevoeging vormen aan het beleven van kunst, of dat nu het werk van de wereldberoemde Mark Rothko is of dat van Paula Modersohn-Becker, van wier werk pas ruim honderd jaar na haar dood een overzichtstentoonstelling in het Musée d’Art Moderne in Parijs werd ingericht. Maar ook zonder kennis te hebben van de beschreven kunstenaars of kunstwerken zijn de prachtig geschreven filosofische verhandelingen zeer interessant. Hermsen is zo ongelooflijk thuis in de wereld van de kunst dat je nieuwsgierig wordt naar alles wat je nog niet gelezen, gezien of gehoord hebt en waar zij zo vol enthousiasme over schrijft. Daar zou je zomaar een eeuwigheid voor nodig kunnen hebben.

     

     

  • Een onmogelijke liefde

    Een onmogelijke liefde

    In kwantitatieve zin is het oeuvre van de Amerikaanse Marilynne Robinson (1943) niet heel omvangrijk – er verschenen van haar hand welgeteld zeven boeken tussen 1980 en 2020 – maar de waardering voor die boeken is er niet minder om. Ze is met name bekend geworden vanwege haar roman Gilead die in 2005 werd bekroond met de Pulitzerprijs voor literatuur. In 2012 ontving ze de prestigieuze National Humanities Medal, een onderscheiding die jaarlijks door de Amerikaanse president aan maximaal twaalf mensen wordt uitgereikt. De zogenaamde Gilead-serie begon met het boek Gilead (2004) waarna Home (2009) en Lila (2014) verschenen en eind vorig jaar verscheen Jack. De boeken zijn door thematiek en personages met elkaar verbonden maar ook uitstekend los van elkaar te lezen.

    Jack speelt zich af in de jaren vijftig vorige eeuw. Mannen zijn gekleed in  kostuums en dragen hoeden en vrouwen hebben handtassen die passen bij hun schoenen. In St. Louis, waar het verhaal zich afspeelt, zijn de regels duidelijk over wat wel en niet hoort en wat zelfs strafbaar is in de omgang met andere rassen. Della, een jonge, zwarte, vrome lerares wordt op een avond onverhoeds ingesloten op een kerkhof, waar ze zat te werken aan een gedicht. Ze wordt aangesproken door Jack, een vriendelijke alcoholist die wel vaker de nacht lijkt door te brengen op het kerkhof. Aanvankelijk weigert Della om met hem te praten, want Jack is wit en de segregatie is in St. Louis in die tijd nog alomtegenwoordig.

    De intelligente Jack weet haar echter uit haar tent te lokken. ‘Laat me raden. De lievelingsdochter van je vader zwerft ’s nachts rond met een ongure blanke. Blootsvoets. Op een kerkhof. Als ze betrapt wordt, zal het schandaal nog eeuwen nagalmen, tot in de verste uithoeken van Tennessee, en zullen alle vreemde details breed worden uitgemeten. Voor altijd. En hij was zo trots op je.
    Vervolgens voeren Jack en Della urenlang een zeer geanimeerd en diepgaand gesprek over grote levensvragen en diepgaande emoties. Ze ontdekken hun gedeelde liefde voor poëzie en literatuur en tegen de ochtend nodigt Della Jack zelfs bij haar thuis uit voor het komende Thanksgivingdiner.

    Rode rozen

    Omdat het boek vanuit het perspectief van Jack geschreven is, wordt duidelijk wat de invloed van deze ontmoeting op diens leven is. Hij zoekt en vindt een baan, gaat minder drinken en bezoekt de bibliotheek. Hij verdiept zich daar vooral in Hamlet. Qua karakter lijken Hamlet en Jack enigszins op elkaar; ze delen de bijzondere combinatie van impulsiviteit en besluiteloosheid. Wanneer Jack zich bijvoorbeeld met een in een opwelling gekochte enorme bos rode rozen naar het huis van Della begeeft voor het etentje, duurt het uiteindelijk tot diep in de avond voordat hij daadwerkelijk bij haar durft aan te kloppen. De rozen liggen dan inmiddels al in de bosjes omdat hij er bij nader inzien twijfels over had om ze te geven. Ondanks het feit dat Jack er wat sjofel uitziet vanwege een tweedehands kostuum met gerafelde manchetten, is Della toch dolgelukkig om hem terug te zien en blijken ze allebei gevoelens voor elkaar te hebben.

    Positieverbetering van het ras

    Er breekt een lastige tijd aan voor zowel Della als Jack. Jack komt tot de ontdekking dat Della de dochter is van de imposante bisschop Miles. Haar ‘zeer prominente en achtenswaardige’ familie blijkt ‘ten diepste betrokken [te zijn] bij de positieverbetering van het ras’. Een relatie tussen Della en Jack komt in de optiek van Della’s familie dus niet van pas. Al snel staat er eerst een tante en vervolgens een zus bij Della op de stoep die allebei proberen om haar wat Jack betreft op andere gedachten te brengen. 

    Jack twijfelt ondertussen eveneens over zichzelf en over een mogelijke relatie met Della. Hij is zich ervan bewust dat hij haar leven volledig zou kunnen ruïneren; zijn aanwezigheid bij haar thuis zou haar reputatie onherstelbare schade kunnen berokkenen en dat is een risico dat een lerares niet kan lopen. In het ergste geval zou Della in de gevangenis kunnen belanden wanneer mensen alleen al het vermoeden zouden hebben dat zij zouden samenwonen. Hij gaat met een predikant in gesprek over zijn bedenkingen, waarbij hij zichzelf als volgt beschrijft: Ik ben een begenadigde dief. Ik lieg moeiteloos, vaak zonder aanwijsbare reden. Ik ben een kwaadaardig en overtuigd alcoholist. Ik heb geen talent voor vriendschap. De talenten die ik heb, gebruik ik niet. Ik ben me voortdurend en bijna obsessief bewust van alles in mijn directe omgeving wat breekbaar is en ik heb een obsessieve aandrang om dat kapot te maken.’

    Gladjanus

    Jack blijkt in het verleden inderdaad voor diefstal in de gevangenis te hebben gezeten. Op zijn werk wordt hij vanwege zijn uitstraling Gladjanus genoemd, maar toch voelt de lezer aan dat hij zichzelf tekort doet met bovenstaande karakterschets. Hij schildert zichzelf in het pastorale gesprek bewust onwaardig af, ook omdat hij beseft dat Della in de problemen zou kunnen komen wanneer het tot een echte relatie zou komen. Anderzijds zegt hij over zijn liefde voor Della in een volgend gesprek dit: Ik zal haar trouw zijn. Ik geef haar mijn erger-dan-nutteloze trouw, tot de dood ons scheidt. Als ik haar soms ontrouw ben, omdat dat in mijn aard ligt of omdat ik me laat overhalen door de meest overtuigende en volmaakte redenen die er op deze wereld bestaan, dan zou dat mijn einde betekenen, wat een opluchting kan zijn.’ Uiteindelijk voert Della’s familie de druk steeds verder op en maakt Jack plannen om zijn leven elders voort te zetten. De grote vraag is of Jack in staat zal zijn om de grootst mogelijke diefstal te plegen, namelijk het ‘op sluwe wijze stelen van geluk uit de klauwen van wettelijke verbodsbepalingen’.

    Geen waardeoordeel

    Jack is een fraaie roman over een op het eerste gezicht onmogelijke liefde. De prachtige dialogen laten een ander beeld van Jack zien dan de zwaarmoedige hersenspinsels die hij heeft wanneer hij alleen is. Della begrijpt Jack en beschrijft hem heel raak als een persoon ‘die leeft als iemand die al overleden is’. Het is bijzonder dat Robinson geen waardeoordeel geeft over de situatie waarin Jack en Della zich bevinden wat betreft de segregatie. Net als Jack en Della moet de lezer het blijkbaar doen met een aantal gegevens waar je best wat van kunt vinden, maar die onveranderbaar zijn. Het onrecht dat Jack en Della door de maatschappij respectievelijk door familie kan worden aangedaan komt daardoor wel in balans.

    Robinson heeft een bijzondere gelaagdheid in haar roman aangebracht die ook nieuwsgierigheid oproept naar de andere Gilead-romans. De relatie tussen Jack en zijn vader bijvoorbeeld is verstoord en er is ook een broer die af en toe wat geld achterlaat in het pension waar Jack verblijft. Het zijn wat losse eindjes die redenen genoeg bieden om ook de andere romans uit de serie te gaan lezen.

    Genade

    Het meest aantrekkelijke van de roman zijn de zeer inhoudelijke en interessante gesprekken die Della en Jack voeren over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ze gaan onder meer over zonde, over breekbaarheid, over literatuur en poëzie, over schaamte, over trouw, over de ziel en – en dat is misschien wel het mooiste gesprek – over genade. Ze zijn een bewijs van Robinsons schrijftalent en zetten de lezer aan het denken. De intelligente discussies zorgen er – in combinatie met de vraag of er een toekomst zal blijken te zijn voor Della en Jack – voor dat Jack een roman is die de lezer van het begin tot het einde weet te boeien.

     

     

  • Op zoek naar de verloren tijd

    Op zoek naar de verloren tijd

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) groeide op in Normandië als dochter van kleine middenstanders, studeerde romanistiek en was werkzaam als docent. In 1974 publiceerde ze haar eerste boek. Haar werk is sterk autobiografisch en De jaren wordt als haar magnum opus beschouwd. Les années, verscheen in 2008 en werd onlangs op weergaloze wijze in het Nederlands vertaald door Rokus Hofstede. Ernaux schrijft in een opvallende stijl die een mix is van geschiedenis, autobiografie en sociologie. Ze maakt geen gebruik van het persoonlijk voornaamwoord enkelvoud, maar schrijft in de ‘wij’, ‘zij’, ‘men’ en ‘jij’ vorm. Daarmee bereikt ze een universaliteit van wat je een collectieve autobiografie van onze tijd zou kunnen noemen en bij veel lezers voor herkenning zal zorgen. Les années werd dan ook bekroond met een tiental literaire prijzen en de Engelse vertaling van het boek stond op de shortlist van de Man Booker International Prize.

    ‘Alle beelden zullen verdwijnen.’ Het is de openingszin van De jaren, maar Ernaux maakt desalniettemin juist gretig gebruik van beelden; door ze in woorden te vatten kan ze ze voor verdwijning behoeden. Via minutieuze beschrijvingen van foto’s en bewegende beelden zien we Ernaux veranderen van een ‘dikke baby met een pruilmond, donker haar dat boven op het hoofd in een krul is gelegd, […] halfnaakt op een kussen in het midden van een gebeeldhouwde tafel’ in een meisje, een studente, een jonge vrouw, een moeder, een werkende vrouw, een gescheiden vrouw en een ‘vrouw van zekere leeftijd met roodblond haar, gekleed in een zwarte, laag uitgesneden trui, haast achteroverliggend in een grote, veelkleurige leunstoel, met haar twee armen om een klein meisje in jeans en bleekgroene gebreide sweater met ritskraag.’ 

    Een werk van jaren

    Het boek beschrijft de periode van 1941 tot 2006 en tussen beschrijvingen van persoonlijke beelden verschijnen niet alleen de contouren van Frankrijk en van de westerse wereld, maar ook en vooral die van de tijdgeest, die Ernaux zeer nauwgezet en tegelijkertijd met een zekere afstand treffend in woorden weet te vatten. Al vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw maakte zij plannen voor dit boek en verzamelde ze aantekeningen ervoor. Alhoewel ze lang heeft gezocht naar een passende vorm is ze er geweldig in geslaagd om ‘iets [te] redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’

    De beelden die Ernaux beschrijft zijn zeer divers. Ze gaan onder meer over kindersterfte en armoede, maar ook over de verbijstering aangaande ‘de tijd die je kon besparen met gedroogde soep uit een pakje, de snelkookpan en mayonaise uit een tube’. Herinneringen aan de onafhankelijkheidsoorlog met Algerije worden afgewisseld met herinneringen aan boeken, liedjes en reclame. De rol van het rooms-katholieke geloof, dat in de jaren vijftig nog het officiële kader van het leven was en dat structuur gaf aan de tijd, verschuift onder invloed van onder andere de consumptiemaatschappij naar een gemarginaliseerde plek in de samenleving. Ernaux maakt qua historische en politieke situatie uiteraard vaak gebruik van een Franse context, maar er zijn meer dan genoeg andere aanknopingspunten (zoals de Nederlandse Watersnoodramp en de val van de Berlijnse muur) voor de lezer om zich te oriënteren. Er is veel aandacht voor de veranderende positie van de vrouw.

    Het boek komt in een stroomversnelling terecht wanneer de jaren zestig beschreven worden. ‘Door het steeds snellere opkomen van nieuwe dingen verloor het verleden terrein.’ Het jaar 1968 met de studentenopstand en de algemene stakingen neemt in het boek een centrale plaats in. Ernaux constateert dat ‘niets van wat we tot nu toe als normaal hadden beschouwd nog vanzelf sprak. […] We vervielen voortdurend van de ene wezensvraag in de andere. Anders denken, praten, schrijven, werken, leven: we vonden dat we alles moesten uitproberen en niets te verliezen hadden. 1968 was het eerste jaar van de wereld.’

    Herinneringen redden

    Naarmate het boek vordert en naarmate de schrijfster dus ook ouder wordt, worden de observaties steeds beschouwelijker van aard. 1968 vormt een soort kantelpunt: ‘De idealen van ’68 werden omgezet in spullen en entertainment.’ Ernaux waagt zich meer en meer aan interpretaties in plaats van aan feitelijke beschrijvingen en constateert een toenemende onverschilligheid. Rechts rukt op, idealen verdwijnen en ‘de springerige, vlugge muisklik op het scherm was de maat van de tijd. […] De zoektocht naar de verloren tijd liep via het web.’ Deze verwijzing naar de zevendelige romancyclus van Proust (À la recherche du temps perdu) doet De jaren zeker recht. Ernaux slaagt er op magnifieke wijze in om de verloren tijd terug te halen en in prachtig proza te vatten. Ze wil ze redden, al die ongrijpbare herinneringen. Helemaal aan het einde van het boek blijkt dat ze al heel lang met dat plan heeft rondgelopen, overigens zonder enige pretentie: ‘Toen ze vroeger in haar studentenkamer verlangde naar het schrijven, hoopte ze een onbekende taal te vinden waarmee ze mysterieuze dingen kon onthullen, als een waarzegster.’ Ze beschrijft hoe die droom om te schrijven verandert in een ‘strijdmiddel’, waarmee ze vat wil krijgen op alle aspecten van het verleden.

    De jaren is het glorieuze resultaat van jaren werk. Het is een autobiografie zonder foto’s, zonder “ik”, maar met een zeggingskracht die ontzag inboezemt. Het lezen van dit boek is vergelijkbaar met bladeren door een archief, of door oude fotoalbums. De beelden die als zodanig wellicht verdwenen zijn maar in dit boek via woorden tot de lezer komen zijn zo rijk dat hele werelden op impressionistische wijze tot leven worden geroepen. Het is een literaire prestatie van formaat waarvoor Ernaux een staande ovatie verdient.

     

     

  • Ontevreden over een ten goede veranderde echtgenoot

    Ontevreden over een ten goede veranderde echtgenoot

    De titel van het boek De vrouw van Martin Guerre lijkt te suggereren dat de identiteit van de betreffende vrouw er weinig toe doet; haar naam wordt immers niet genoemd. Maar niets is minder waar. Bertrande de Rols krijgt zeer zeker een stem in dit boek uit 1941, dat werd geschreven door de Amerikaanse schrijver en dichter Janet Lewis (1899-1998) en dat werd vertaald door Paul van der Lecq. De vrouw van Martin Guerre is de eerste in een serie van drie novelles waarin Lewis waargebeurde en beruchte rechtszaken beschrijft. De serie wordt gezien als haar meesterwerk binnen een indrukwekkend oeuvre. Het boek werd vanwege de tot de verbeelding sprekende feiten al twee keer verfilmd.

    In 1539 werden in het Franse dorp Artigues twee elfjarige kinderen met elkaar in de echt verbonden. Tot de dag van het huwelijk had Bertrande de Rols nog nooit een woord gewisseld met Martin Guerre, maar het verbond tussen de beide huizen werd al lange tijd overwogen en als vrijwel onvermijdelijk gezien, zoveel voordeel viel er voor beide families aan te behalen. Na de huwelijksnacht waarin de kinderen roerloos in bed liggen zonder naar elkaar te kijken gaat Bertrande nog een paar jaar terug naar haar ouderlijk huis om op haar veertiende, na de dood van haar moeder, te gaan wonen in het huis van de familie Guerre. Aanvankelijk wordt ze door Martin met rust gelaten en daar is ze dankbaar voor. Wanneer Martin een paar jaar later succesvol op berenjacht is geweest merkt ze dat ze een genegenheid voor hem opvat die zich geleidelijk verdiept tot ‘een gloeiende hartstocht’. Ze baart haar eerste zoon op haar twintigste. Het echtpaar bevindt zich in een bijzondere positie: zolang de vader van Martin leeft, blijft Martin voor de wet een kind en wordt hij door zijn vader ook dienovereenkomstig behandeld. Op een dag pakt hij, wetende dat zijn vader hem dat zeker zou weigeren indien hij het zou vragen, tarwezaad uit de graanschuur van zijn vader om zijn eigen veld mee in te zaaien. Hij bespreekt met Bertrande dat hij veiligheidshalve (zijn vader heeft nogal losse handjes) ‘een tijdje op reis gaat’. Volgens Martin moeten acht dagen voldoende zijn. Zijn afwezigheid duurt uiteindelijk acht jaar.

    Inktzwarte zonde

    In de tussentijd overlijden zowel de moeder als de vader van Martin en wordt Bertrande, die na zoveel tijd niet meer durft te hopen op de terugkeer van haar echtgenoot, hoofd van het huishouden Guerre. Op een dag loopt de oom van Martin tot zijn grote vreugde toch zijn verloren gewaande neef tegen het lijf en doet een man met ‘een steviger postuur, volgroeid en met brede schouders’ zijn intrede bij de familie Guerre. Bertrande en haar zoon moeten eraan wennen dat hun echtgenoot en vader weer is teruggekeerd, alhoewel Bertrande aangenaam verrast is dat haar echtgenoot minder arrogant en kortaf is dan vroeger. Ze raakt opnieuw zwanger en wordt dan beslopen door ‘een vreemde ongerustheid, een angst zo gruwelijk en ongewoon dat ze die zelfs in het diepst van haar hart niet voor zichzelf durfde te erkennen. Stel nu eens dat Martin, die vreemdeling met zijn ruwe baard, niet de echte Martin was, de man die ze vaarwel had gekust op die dag rond het middaguur, aan de rand van het zojuist aangeplante veld? In zo’n geval zou ze een inktzwarte zonde hebben begaan, want haar intuïtie had haar daar toch zeker voor gewaarschuwd?’

    Hoffelijk

    Bertrande, die zich al vanaf haar elfde zonder weerwoord schikt in alles wat er voor haar beslist wordt, besluit zich niet neer te leggen bij de nieuwe situatie, ook al blijkt haar echtgenoot na acht jaar over een aantal kwaliteiten te beschikken waar ze op zich niet ontevreden over is. Hij is welbespraakter, vriendelijk en hoffelijk en reageert verbaasd en teder wanneer ze hem confronteert met haar verdenkingen dat hij een bedrieger is die zich voor haar echtgenoot uitgeeft. Hij doet niet eens moeite om haar beschuldigingen te weerleggen. Van een afstandje gezien zou je bijna kunnen vinden dat Bertrande er qua echtgenoot op vooruit gegaan is, maar Bertrande is ongevoelig voor de nieuwe kwaliteiten van haar echtgenoot; de waarheid is voor haar zwaarwegender. Ondertussen begrijpen de zussen van Bertrande en de pastoor niets van haar twijfels. Ze veronderstellen dat ze door de zwangerschap labiel is. Bertrande weet echter ook de oom van Martin aan het twijfelen te brengen over de identiteit van zijn neef en uiteindelijk komt het dan toch tot een rechtszaak, die er in de zestiende eeuw uiteraard anders aan toe gaat dan nu het geval zou zijn: er wordt hoofdzakelijk een beroep gedaan op getuigenverklaringen.

    Krankzinnig

    De vrouw van Martin Guerre is een vertelling die enerzijds heel pastoraal en idyllisch is: ‘Het veld liep schuin af, tot aan het roodbruine kreupelhout. Boven hen hoorden ze het murmelende beekje dat in de zomer tot een krachtige stroom aanzwol, maar nu weer was verschrompeld: het water kabbelde voort aan de voet van de kastanjebomen, omcirkelde het veld, liep onder hen door het struikgewas en vervolgde zijn weg door de smaller wordende vallei.’ Anderzijds is het een verhaal over het volwassen worden van een meisje dat zich wanneer ze jong is schikt naar wat er van haar verlangd wordt, maar dat zich naarmate ze ouder wordt realiseert dat zij in deze twijfelachtige omstandigheden ook iets mag vinden van het leven dat haar opgedrongen wordt. Lewis heeft duidelijk sympathie voor haar personage en beschrijft gedetailleerd wat er in haar omgaat, waarbij er genoeg ruimte blijft voor zowel de optie dat Bertrande het bij het rechte eind heeft als de optie dat ze zich vergist. De verwanten van Martin beschouwen haar inmiddels als krankzinnig en het vereist moed en doorzettingsvermogen van de jonge vrouw om zich niet neer te leggen bij wat er door hen en de pastoor van haar verwacht wordt, ook omdat ze zelf ook regelmatig aan haar eigen waarnemingen twijfelt. Tijdens een logeerpartij bij haar tante is ze bijvoorbeeld een keer zo verward, dat ze meent dat de zon in het westen opkomt. 

    IJzersterk

    De vrouw van Martin Guerre is een mooi en lichtvoetig geschreven verhaal. Niet Martin maar Bertrande heeft de hoofdrol gekregen in deze geschiedenis die daarom ook vanuit haar perspectief verteld wordt. Lewis springt met grote stappen door de tijd tot het moment dat de rechtszaken beginnen en bereikt in combinatie met de idyllische beschrijvingen van het landschap een bijna sprookjesachtig effect. IJzersterk is de alomtegenwoordige twijfel die de lezer in zijn greep houdt. De argumenten van beide partijen zijn zo plausibel dat zowel de waarheid van Bertrande als die van haar tegenpartij mogelijk kunnen zijn. Het boek blijft daarom tot de ontknoping spannend.

     

     

  • Fraai beschreven schoolgeluk

    Fraai beschreven schoolgeluk

    Jan Siebelink heeft het gedaan, evenals Ferdinand Bordewijk en Theo Thijssen: schrijven over onderwijs. Daarmee hebben ze talloze lezers weten te boeien, niet alleen omdat iedereen die leest onderwijs genoten heeft en er sprake kan zijn van enige herkenning, maar ook omdat hun boeken natuurlijk prachtig geschreven klassiekers zijn. Het debuut van Jack de Boer (1966), De gelukkigste klas, is wat de titel betreft gemakkelijk te herleiden naar een superlatief van het zeer bekende boek van Theo Thijssen. De Boer is al meer dan vijfentwintig jaar werkzaam in het (speciaal) basisonderwijs in Amsterdam en Franeker. Hij volgde de vierjarige vakopleiding in de richting essay aan de schrijversvakschool. Het is zeker zo dat de essaybundel zoals de ondertitel zegt Een schooljaar uit het leven van een onderwijzer beschrijft, maar het boek raakt aan veel meer thema’s dan alleen het onderwijs.

    De Boer vergelijkt een schooljaar of eigenlijk zelfs de gehele periode van de basisschool met een ‘overzet’, alsof je met een veerboot van de ene naar de andere kant van het water wordt gebracht. De meester en ik-figuur in De gelukkigste klas is bijna twee meter lang en hij neemt zijn taak als meester van groep 8 op De School zeer serieus. Het voelt voor hem soms alsof hij zijn leerlingen hoogstpersoonlijk en zelfs zonder boot door het water naar de overkant moet leiden. Gelukkig kan hij door zijn lengte het hoofd boven water houden, maar de last valt hem de ene keer zwaarder dan de andere: ‘Wanneer eindelijk de zomervakantie aanbreekt […] denk ik dat wat ik gedaan heb de moeite waard is geweest. In die eerste dagen van de zomervakantie waan ik mij heilig, de eerste dag van het nieuwe schooljaar roep ik alle schutspatronen aan.’ Ieder schooljaar opnieuw heeft hij aan het begin de neiging om te vluchten.

    Kindmaterie

    Het boek beschrijft een schooljaar, vanaf het eerste moment na de zomervakantie wanneer de nieuwe klas voor het eerst in zijn lokaal gaan zitten. Vijftien kinderen zijn hem dit schooljaar in groep 8 toevertrouwd en wanneer hij vluchtig de klas rondkijkt, kijkt de ‘kindmaterie’ terug. Kinderherrie vindt hij doorgaans ‘onuitstaanbaar’ en tegelijkertijd is ‘stilte in de kinderwereld uniek of verdacht’. Het speciaal onderwijs herbergt bepaald geen gemakkelijke leerlingen – ‘onze leerlingen ontbreekt het aan zelfverzekerdheid en doorzettingsvermogen’ – en de meester maakt zijn werk niet mooier dan het is: ‘Hij is het type waar ik au fond geen vat op heb. Hij maakt me onzeker, hij gehoorzaamt wanneer het hem uitkomt, hij is mijn nachtmerriestichter. […] Wat ik ook doe of laat, de contramine is a priori.’ Toch oogst hij respect bij zijn leerlingen en krijgt hij hen vrijwel altijd zover, ondanks of dankzij zijn bezielende leiding (hij is wel zo eerlijk om daar zelf ook regelmatig over te twijfelen), dat de leerlingen uiteindelijk doen wat ze moeten doen.

    Vleugelstompjes

    De Boer beschrijft losjes het voorbijglijdende schooljaar. Parallel aan de gebeurtenissen die horen bij de regelmaat van lessen, oudergesprekken, huisbezoeken en vieringen worden er ook glimpen duidelijk van het privéleven van de meester en van de zaken die hem na aan het hart liggen. Hij toont zich bijvoorbeeld schatplichtig aan zijn eigen oude meester die altijd een voorbeeld voor hem is geweest. Daarnaast wordt de lezer bijna ongemerkt meegenomen naar de universums van schrijvers, denkers en kunstenaars waar De Boer zich door beïnvloed voelt. Voor zijn leerlingen zijn de uitweidingen zonder twijfel te hoog gegrepen, maar al lezend is het heerlijk om door de meester meegenomen te worden naar verre einders waar mooie vergezichten zijn. Zo is de schooldag voorbij voor je het weet. De alledaagse schoolproblematiek biedt echter ook voldoende interessante verhalen. Zo vormt het verhaal over leerling Nadia (ADHD, opstandig, ‘reactieve hechtingsstoornis’) die zich ontpopt tot een ware diplomaat in de klas een schitterend lichtpuntje in de periode voorafgaand aan de kerstvakantie. Niet minder mooi is het voornemen van de meester om in ‘de prille lichtheid van deze eerste dagen van het nieuwe jaar’ te zoeken naar ‘vleugelstompjes’, omdat hij in iedere leerling een engel wil zien.

    POP

    Tussen de regels door is er ook op humoristische wijze wat kritiek verpakt op bijvoorbeeld de prestatiemaatschappij en op de hooggespannen verwachtingen die ouders soms van hun kinderen hebben. Er is een vrij lang hoofdstuk gewijd aan het POP-gesprek (Persoonlijk OntwikkelingsPlan) dat de directeur van De School en de meester jaarlijks dienen te voeren, maar waar de meester de zin niet zo van inziet. Het grappige is dat het gesprek via allerlei omwegen uiteindelijk toch niet wordt gevoerd; het hoofdstuk wordt afgerond met de conclusie dat ‘de liefde het belangrijkst is. De liefde voor de kinderen. Zonder liefde is het niks.’

    Liefde voor de leerlingen

     Vanwege die liefde doet De gelukkigste klas daarom ook denken aan de bejubelde documentaire Être et avoir, waarin een meester op een Frans dorpsschooltje in de Auvergne liefdevol maar ook met een doel voor ogen het beste uit zijn leerlingen probeert te halen. In het boek van De Boer spat de liefde voor de leerlingen van de bladzijden en het is ook nog eens prachtig geschreven, zonder dat de soms kille en harde realiteit van het leven uit het oog verloren wordt. De meanderende zinnen en fraaie beeldspraak doen de lezer regelmatig wegdromen als leerlingen in een klas tijdens een mooi verhaal. De toespraak waar de meester aan het einde van het jaar aan werkt is voor zijn leerlingen te lang en te moeilijk en dat weet hij ook: hij gaat er nog aan schaven. De lezer heeft er echter al wel van kunnen genieten. De gelukkigste klas zal evenals de genoemde klassiekers zeker veel lezers weten te boeien. 

     

  • In de verhalen van Keret is alles mogelijk

    In de verhalen van Keret is alles mogelijk

    De verhalen van Etgar Keret (Tel Aviv, 1967) verschijnen in vierendertig talen. Naast schrijver is Keret ook filmmaker en universitair docent. Zijn nieuwste verhalenbundel, Mijn konijn van vaderskant, vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt, valt behalve door de intrigerende titel op door het wat afwijkende formaat en blijkt als bonus ook een lichtblauwe boekenlegger in de vorm van een wortel te bevatten. De bundel bevat tweeëntwintig verhalen die met elkaar gemeen hebben dat ze de lezer direct enorm weten te boeien. Qua beleving doen de personages in een aantal verhalen denken aan de foute personages uit de sketches van de komische serie Little Britain, ooit uitgezonden door de VPRO.

    In het titelverhaal, Mijn konijn van vaderskant, blijkt de vader van een meisjesdrieling ‘van vorm veranderd’ te zijn. De meisjes beschouwen het konijn dat ze in hun vaders leunstoel aantreffen zonder meer als hun vader, ook al houdt hun moeder haar dochters voor dat hun vader ‘weg is gegaan’. De moeder wil dan ook niet dat de meisjes het konijn houden en daarom gaan zij het dier verstoppen bij een jongen wiens vader ook in een konijn veranderd blijkt te zijn. Het verhaal is exemplarisch voor hoe de werkelijkheid door Keret beschreven wordt. Enerzijds is er het gegeven van de echtgenoot die het gezin volgens moeder verlaten heeft en anderzijds is er het geloof van de dochters dat hun vader veranderd is in een konijn. Beide werelden bestaan in een verhaal van Keret op gelijkwaardige en geloofwaardige wijze naast elkaar en dat is ongelofelijk knap.

    Afschuwwekkend

    Keret is een meester in het schrijven van openingszinnen met een grote informatiedichtheid die bijna terloops gepresenteerd wordt. Het verhaal Morgen de kassa begint als volgt: We vieren zijn verjaardag de dag erna. Altijd een dag erna of ervoor, nooit op de dag zelf. Altijd dezelfde shit. Waarom? Omdat meneer de rechter heeft bepaald dat een kind op zijn verjaardag bij zijn moeder moet zijn, ook al is dat een liegend kreng dat plat gaat met elke idioot die op haar werk naar haar lacht. Een vader is minder belangrijk.’ De vader in kwestie gaat met zijn dus net niet meer jarige zoon naar het winkelcentrum voor een verjaardagscadeau. Hij heeft minachting voor iedereen in zijn omgeving. Zijn ex-vrouw noemt hij bij zichzelf ‘kutwijf’, de eigenaresse van de speelgoedwinkel wordt het ‘dwergvrouwtje’ genoemd, de jongen die hem helpt ‘puistenkop’ en de beveiliger waar hij mee te maken krijgt vanwege zijn gedrag wordt beschreven als een ‘blubberige vetzak met een snor’ en een ‘dikzak’, redenen waarom hij erg antipathiek overkomt. Het zoontje mag voor zijn verjaardag van zijn vader in de speelgoedwinkel uitzoeken wat hij wil. Van alle dingen waaruit hij kan kiezen wil de jongen het enige wat niet verkocht kan worden: de kassa. De zoon is met geen mogelijkheid van zijn keuze af te brengen en de vader stelt alles in het werk om de wens van zijn zoon in vervulling te doen gaan, tot onbegrip van zowel het personeel in de winkel als van de lezer. 

    Buitenaardse wezens

    De personages in het werk van Keret zijn soms ronduit afschuwwekkend, maar zonder uitzondering boeiend. Er komen virtuele figuren, ambitieuze engelen en zelfs buitenaardse wezens voor, maar ook klonen, pesterige ventjes die elkaar het bloed onder de nagels vandaan treiteren en engelachtige meisjes die zich ontfermen over wollige konijntjes. In het universum van Keret zijn er geen grenzen aan wat mogelijk is en dat geldt in zekere mate ook voor de vorm van de verhalen. Tussen de tweeëntwintig verhalen door wordt op verschillende plaatsen in het boek een uitgebreide emailwisseling weergegeven tussen de eigenaar van een escaperoom en een klant die daarvan gebruik wil maken op een dag dat de escaperoom vanwege een nationale feestdag gesloten is. De wending die het gesprek neemt is tenenkrommend en even onverwacht als origineel. 

    Te kort

    Keret creëert een eigen, veelzijdige wereld waarin alles mogelijk is. In een lichtvoetige stijl neemt hij de lezer mee naar een omgeving waarin het onmogelijke waarschijnlijk lijkt, waarin soms zwaarte en duisternis heersen, afgewisseld door absurditeit en humor en waarin personages die je niet graag als buren zou willen hebben het voor het zeggen hebben, maar waar je onwillekeurig wel vaak om moet lachen. Het enige minpunt aan de verhalen zou hun geringe lengte zijn; je zou wensen dat Keret op sommige verhaallijnen in romanvorm doorborduurt. Dat zou zeer zeker mogelijk zijn met het langste verhaal uit de bundel, Pineapple crush. Het is vernoemd naar een drug die ‘zo sterk was dat je, als je er genoeg van rookte, verliefd kon worden op een ananas.’ Ook in dit verhaal komt weer een bijzonder personage voor: een ik-figuur die op een BSO werkt, maar er een ziek genoegen in schept om kinderen te treiteren. Hij deelt op een dag zijn dagelijkse joint met een vrouw die nogal geheimzinnig doet, maar waar hij desalniettemin als een blok voor valt. Alhoewel het verhaal een redelijk gesloten einde heeft, bevat het genoeg ingrediënten om een roman op te kunnen baseren. Helaas heeft Keret vooralsnog geen aanstalten gemaakt in die richting.