• Prachtig tijdsbeeld van Franse tiener

    Prachtig tijdsbeeld van Franse tiener

    Het is dit jaar 150 jaar geleden dat de Franse schrijfster Colette werd geboren. Ter gelegenheid daarvan geeft uitgeverij Van Maaskant Haun een aantal van haar werken uit in een nieuwe vertaling. In haar tijd was Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954) al een zeer markant en vrijgevochten figuur. Ze droeg graag herenkostuums en was de eerste Franse schrijfster die een staatsbegrafenis kreeg. Aanvankelijk schreef ze onder de naam van haar (veel oudere) echtgenoot, maar na haar scheiding schreef ze verder aan een indrukwekkend oeuvre, waarbij ze uitsluitend nog haar eigen achternaam gebruikte.

    Het hoofdpersonage in Claudine op school is al net zo’n vrijbuiter als Colette zelf was. De hele Claudine-serie bestaat uit vier delen en is grotendeels autobiografisch. Op het omslag van Claudine op school is een foto te zien van Colette aan haar schrijftafel. In dit eerste deel van de serie maken we kennis met Claudine, een vijftienjarig meisje uit Montigny-en-Fresnois in de Bourgogne. Haar moeder is overleden en haar vader ‘ziet niets en bemoeit zich nergens mee, hij heeft alleen aandacht voor zijn werk’. Claudine kan daardoor doen en laten wat ze wil.

    Verliefd

    Vanuit een ik-perspectief volgen we het wel en wee van een Franse puber rond 1900. Het boek wordt door Claudine zelf een dagboek genoemd en het leest ondanks het gebrek aan dag- of datumaanduidingen inderdaad als een dagboek. Claudine zit op een meisjesschool waar ook meisjes wonen, als op een kostschool. Er wordt een nieuw schoolgebouw gerealiseerd waarin de meisjesschool en de jongensschool uit het dorp gehuisvest zullen gaan worden en de verwachtingen daarover zijn bij beide groepen hooggespannen omdat de mogelijkheden voor contact met de andere sekse daardoor vergroot worden. Claudine en haar vriendinnen mogen helpen met het opruimen van de zolder van het oude schoolgebouw en doen daar opmerkelijke vondsten, zoals wat seksueel getinte lectuur die tot grote hilariteit leidt en waarvan de oorspronkelijke eigenaar uiteraard onbekend blijft. Claudine op school speelt zich af in het examenjaar van Claudine.

    In dat jaar verschijnt er een nieuwe hulponderwijzeres die slechts vier jaar ouder blijkt te zijn dan zijzelf. Deze juffrouw Aimée is de assistente van de strenge juffrouw Sergent (bijgenaamd ‘de Rooie’). Claudine wordt halsoverkop verliefd op Aimée en weet te regelen dat ze privé bijles Engels van haar krijgt. Wanneer juffrouw Sergent daar lucht van krijgt, brengt ze Aimée (uiteindelijk succesvol) op andere gedachten door haar zelf haar liefde te verklaren. In het boek vertelt Aimée aan Claudine welke woorden juffrouw Sergent daarvoor gebruikt heeft:

    ‘”Liefje van me, zie je dan niet dat je mijn hart breekt met je onverschilligheid? Lieveling, hoe is het mogelijk dat je niet hebt gemerkt hoeveel genegenheid ik voor je koester? Mijn kleine Aimée, ik ben jaloers op de liefde die je voor die hersenloze en waarschijnlijk ook ietwat gestoorde Claudine voelt… Al heb je alleen maar geen hekel aan me… O! Als je maar een heel klein beetje van me zou kunnen houden, dan zal ik een zo liefdevolle vriendin voor je zijn als je je maar kunt voorstellen…”’

    Rode oortjes

    Het is van belang om je als lezer te realiseren dat de hele romancyclus over Claudine indertijd met rode oortjes gelezen werd. De ontluikende seksuele gevoelens bij Claudine en haar vriendinnen en de lesbische relaties tussen docenten en soms ook leerlingen zorgen voor een wat broeierige sfeer. De inwonende juffrouwen flikflooien er zelfs onder schooltijd achter gesloten deuren op los en Claudine gebruikt die wetenschap maar al te graag om ongestraft haar gang te kunnen gaan op school. Het is niet het enige gedrag dat de lezer de wenkbrauwen doet fronsen. Zo blijkt ook schoolinspecteur Dutertre een oogje te hebben op Claudine. Hij verklaart haar op niet mis te verstane wijze zijn passie, maar Claudine vat de situatie – die in onze tijd als zeer ongepast en strafbaar zou worden beschouwd – op als een avontuur:

    ‘”O, lief, betoverend meisje, waar ben je bang voor? Voor mij hoef je toch niet bang te zijn? Ik ben toch geen ploert? Je hebt niets van me te vrezen, niets. Kleine Claudine, wat ben je mooi, met die warmbruine ogen en die wilde krullen! En je hebt vast een lichaam als een aanbiddelijk beeldje…” Met een ruk komt hij overeind en omhelst en kust me; ik heb niet de tijd om me uit de voeten te maken, hij is te sterk en te snel en het duizelt me… Wat een avontuur!’ Na afloop van deze –  in de ogen van eenentwintigste-eeuwers op zijn minst schokkende – gebeurtenis drinkt Claudine doodgemoedereerd een slokje water bij de pomp en gaat dan weer rustig terug naar haar klas.

    Knikkeren en zoenen

    Claudine op school is een soort chicklit avant-la-lettre, geschreven in een wervelend snelle stijl. Claudine zelf is een ravissant meisje en een wildebras. Het ene moment knikkert ze nog met haar vriendinnen op het schoolplein en het volgende kust ze al dan niet met instemming een volwassene of droomt over haar toekomst. Haar vriendinnen worden grappig beschreven. Vriendin Anaïs bijvoorbeeld heeft bijzondere eetgewoonten: zij smult van krijt en vloeipapier. Het schoolleven van rond 1900 is alleen al bijzonder interessant vanwege alle vakken die Claudine volgt. Ze is zelf erg goed in zingen en mag solfègelessen geven aan haar klasgenoten. Handwerken en schoonschrijven nemen een zeer belangrijke plaats in op school, maar ook voor het schrijven van opstellen ligt de lat hoog. De meisjes krijgen opdrachten als: ‘Verklaar en becommentarieer deze uitspraak van Franklin: “Ledigheid is als roest: alles slijt er harder van dan van werk.”’ De verbaal sterke Claudine draait er haar hand niet voor om. Zij maakt niet eens een kladversie.

    Voor de mondelinge en schriftelijke eindexamens moeten alle leerlingen met de trein naar de stad en overnachten ze met hun docenten in een hotel. Ook daar weet Claudine op een geheel eigen manier weer een stempel op de gebeurtenissen te zetten en datzelfde geldt voor de uiteindelijke afronding van het schooljaar.

    Tand des tijds

    Claudine op school schetst een prachtig tijdsbeeld van het Franse onderwijs rond 1900. Er zijn enerzijds uiteraard grote verschillen met de huidige tijd, maar anderzijds ook juist verrassend veel overeenkomsten. Claudine is een levendig en levensecht personage, dat zich zoals vroeger gezegd werd tussen servet en tafellaken bevindt. Ze is zeer zelfbewust en intelligent, denkt na over haar verschijning, helpt anderen, haalt streken uit op school en is verliefd. Voor alle lezers die haar in hun hart hebben gesloten is het goed om te weten dat ze nog een aantal delen kunnen genieten van deze bijzondere hoofdpersoon. Claudine op school vormt het bewijs dat goed geschreven boeken hoe dan ook de tand des tijds kunnen doorstaan.

     

     

  • Vluchtig als een herfstblad

    Vluchtig als een herfstblad

    Kaouther Adimi werd in 1986 in Algerije geboren. Ze studeerde moderne literatuur en HRM en woont sinds 2009 in Parijs, waar ze werkt voor L’Oréal. Ze begon met schrijven toen ze studeerde en brak in Nederland door met De boekhandel van Algiers. Kwade wind is haar tweede roman die naar het Nederlands vertaald is.

    Kwade wind heeft als motto het gedicht Herfstlied van Paul Verlaine, waarin de ik-figuur als een vallend blad van hier naar daar wordt meegevoerd door een kwade wind. Het gedicht vertelt eigenlijk in een notendop wat er gebeurt in de levens van de hoofdpersonages van het boek, Tarek en Leïla.

    Een moeder zonder melk

    Het boek begint met een soort proloog, die De schrijver heet. Het verdient aanbeveling om die te herlezen nadat je het boek uit hebt, omdat je die dan op een andere manier leest. Daarna volgt het deel dat Tarek heet, naar één van de hoofdpersonen. Het Algerijnse gehucht El Zahra vormt het stoffige decor waar Saïd en Tarek als pasgeboren baby’s allebei gevoed worden door de moeder van Tarek, omdat de moeder van Saïd geen melk heeft. De moeder van Tarek spreekt nooit, vanwege een trauma dat ze vlak voor de geboorte van Tarek heeft meegemaakt. Als gevolg daarvan groeit Tarek eveneens op als een zwijgzaam kind, terwijl voor Saïd taal als ‘levenslucht’ blijkt te zijn. Hij wordt een meester in het Arabisch. Desondanks worden de twee jongens vrienden en beloven ze elkaar op hun tiende verjaardag om in voor- en tegenspoed bevriend te blijven. Leïla is het buurmeisje van de twee vrienden, zij wordt soms betrokken bij hun spel. Zij wordt op vijftienjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan een vriend van haar vader. Het huwelijk is bepaald niet gelukkig en op een dag vlucht Leïla met haar zoontje. Tarek wordt gerekruteerd om in de Tweede Wereldoorlog te gaan vechten met de geallieerden en belooft zichzelf dat hij Leïla’s hand zal vragen als hij de oorlog overleeft.

    Zevenmijlslaarzen

    Inmiddels is het de lezer van Kwade wind duidelijk geworden dat Adimi het prettig vindt om met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van haar personages heen te stappen. In het hoofdstuk dat volgt op de rekrutering van Tarek zijn we namelijk ineens drie jaar verder en constateert Tarek dat hij de oorlog heeft overleefd. Er is geen woord gewijd aan wat hij heeft meegemaakt in die drie jaar of waar hij is geweest. Duidelijk is wel, dat de Algerijnse soldaten het moeilijk hebben (gehad) in Europa. Tarek keert terug naar Algerije en trouwt met Leïla. Saïd schittert door afwezigheid op de bruiloft. Tarek keert weer terug naar zijn oude beroep van herder, totdat hij wederom gaat vechten in een oorlog, ditmaal in de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954 – 1962) tegen Frankrijk.

    Om deze roman beter te begrijpen is enige kennis van de geschiedenis van Algerije noodzakelijk. Na de oorlog keert Tarek niet direct terug naar El Zahra en naar Leïla, maar gaat hij meewerken aan de productie van de bekende film De slag om Algiers van de Italiaanse regisseur Pontecorvo. Vervolgens gaat hij bij gebrek aan werk in Algerije aan de slag als gastarbeider in Parijs. Hij spaart als een bezetene om geld te kunnen sturen aan zijn gezin en keert pas na anderhalf jaar terug bij Leïla, zijn stiefzoon en (inmiddels) vier dochters. Wanneer De slag om Algiers eindelijk ook in Parijs in de bioscoop vertoond wordt, breekt er voor de Algerijnse gastarbeiders daar een zware tijd aan en neemt Tarek een bijzondere beslissing die hij geheimhoudt voor zijn gezin.

    Hij is overigens niet de enige die er geheimen op na houdt. In het tweede deel van het boek, Leïla, komen we er (eindelijk, in beperkte mate en ook weer in vogelvlucht) achter hoe het leven van Leïla is geweest toen Tarek in het buitenland was. Ook zij heeft keuzes gemaakt die zij niet deelt met haar echtgenoot. En dan verschijnt plotseling de eerste roman van hun wederzijdse vriend Saïd, die voor Leïla de aanleiding vormt om haar echtgenoot met grote spoed terug te laten keren uit Europa. Het boek van Saïd zorgt ervoor dat Tarek en Leïla hun leven radicaal omgooien.

    Herfstblad

    De boekhandel van Algiers werd in de pers een ode aan de literatuur genoemd. Kwade wind lijkt er vooral over te gaan dat (het gebrek aan) taal, lezen en boeken een ontwrichtende werking kunnen hebben op mensenlevens. Tarek is degene die zonder taal opgroeit. Zijn moeder spreekt niet, hijzelf is een zwijgzame, hardwerkende man met een spraakgebrek, die als een herfstblad met een kwade wind wordt meegevoerd van Algerije naar allerlei delen van Europa. Saïd groeit juist op in een taalrijke omgeving, kan goed leren, weet de oorlogen te vermijden, lijkt een rustig leven te leiden en wordt uiteindelijk schrijver. Zijn boek zorgt ervoor dat het leven van Tarek en Leïla volledig op zijn kop wordt gezet en Leïla een antipathie tegen boeken ontwikkelt: ‘Toen haar dochters thuiskwamen, kregen ze tot hun verbijstering te horen dat ze geen boeken meer in huis mochten halen. Schriften verdroeg Leïla nog wel, zolang ze die maar niet hoefde te zien. Haar kinderen kregen het verzoek voortaan in de bibliotheek te studeren. Een van haar dochters probeerde tegen te sputteren, maar ze had niets in te brengen. “Geen boeken meer in dit huis. Nooit meer!” schreeuwde Leïla tegen haar.’

    Vraagtekens

    Kwade wind hinkt op drie gedachten, waardoor het boek wat vluchtig aandoet. Ten eerste is er het verhaal van Saïd, Tarek en Leïla. Het is vooral lastig te begrijpen waarom ze elkaar nog vrienden noemen, omdat ze elkaar na hun jeugd nooit meer ontmoeten of schrijven. Hooguit horen ze via via over elkaars levens. Het lijkt erop dat de moedermelk van Tareks moeder de belangrijkste reden voor hun band is. Het is jammer dat er verder weinig aandacht besteed wordt aan de vriendschap tussen de mannen. Het leven van Saïd en de beweegredenen voor zijn boek blijven helaas onderbelicht. Ook over het huwelijk tussen Tarek en Leïla blijven er nog veel vraagtekens, terwijl zo’n huwelijk op afstand juist veel vragen oproept. Ten tweede is er de kwestie van de geschiedenis.

    Kaouther Adimi beschrijft in reuzenstappen wat er gebeurde in Algerije (en deels ook in Europa), grofweg tussen de jaren twintig en de jaren negentig van de vorige eeuw. Dat is behoorlijk ambitieus in een boek van nauwelijks tweehonderdvijftig bladzijden en er zijn dan ook heel wat open plekken die niet ingevuld worden. Ten slotte wordt de vraag opgeworpen in hoeverre taal en literatuur bepalend kunnen zijn voor een mensenleven, maar daar krijgt de lezer niet echt een antwoord op. Het boek blijft op alle fronten te veel aan de oppervlakte. Zowel de personages, de historische context als de rol van taal en literatuur hadden het verdiend om verder uitgediept te worden. Soms kun je van een roman zeggen dat hij beter ingekort had kunnen worden, voor Kwade wind geldt dat zeker niet. Vermoedelijk had Kaouther Adimi in een twee keer zo dikke roman haar punt veel beter kunnen maken. De onderwerpen die zij aansnijdt hadden dat zeker verdiend.

     

     

  • Een lieflijke oase

    Een lieflijke oase

    Yoko Ogawa (1962) is een Japanse schrijver die met haar oeuvre elke grote Japanse prijs won. Haar dystopische roman De geheugenpolitie (2021) was een internationaal succes en kwam op de shortlist van de National Book Award for Translated Fiction en die van de International Booker Prize. Haar nieuwste roman Het onvergetelijke jaar van Tomoko won in Japan de belangrijke Tanizakiprijs. De vredig aandoende roman kenmerkt zich door een magisch-realistische sfeer.

    Op het eerste gezicht lijkt de wereld die we door het ik-perspectief van de twaalfjarige Tomoko zien niet heel bijzonder. De vader van Tomoko is in 1966 overleden aan maagkanker en haar moeder gaat in 1972 een opleiding van een jaar volgen aan een hogeschool in Tokio om haar techniek als kleermaker te verbeteren om zo meer werkzekerheid te vinden. Tomoko wordt gedurende dat jaar ondergebracht bij haar tante en oom in Ashiya. Het huis met zeventien kamers waar haar tante en oom wonen is bijzonder luxueus. Oom is directeur van een frisdrankfabriek. Fressy, de frisdrank die in de fabriek geproduceerd wordt, bevat radium en zou een heilzaam effect op de maag hebben. Tomoko maakt kennis met haar nichtje Mina, dat een jaar jonger is dan zij. Haar oudere neef Ryuichi studeert in Zwitserland. Daarnaast wordt het huis bewoond door de uit Duitsland afkomstige oma Rosa en huishoudster mevrouw Yoneda. Meneer Kobayashi zorgt voor het onderhoud van de enorme tuin, maar zijn belangrijkste taak bestaat onwaarschijnlijk genoeg uit het verzorgen van Pochiko, het dwergnijlpaard dat oom op zijn tiende verjaardag cadeau kreeg van zijn vader. Pochiko is het enige overgebleven dier van dierentuin Fressy, ooit gevestigd in de enorme tuin van het enorme huis.

    Fressy, het ultieme wondermiddel

    Tomoko ontdekt al snel dat haar nichtje Mina een buitengewoon broze gezondheid heeft. Ze ziet intens bleek, is mager en heeft last van ernstige astma-aanvallen. ‘Voorkomen dat ze een aanval kreeg was voor het hele gezin de grootste prioriteit. Bij het minste kuchje stopten de volwassenen haar gelijktijdig een vest, een sjaal, een handwarmer en een gorgeldrank toe. Het geluid van een kuch draaide ergens in het huis een knop om en was het signaal om met z’n allen strijdvaardig te zijn. Dat gevoel kreeg ik.’ Fressy wordt door de bewoners van de villa gezien als het ultieme wondermiddel. Bij haar moeder mocht Tomoko alleen Fressy drinken wanneer ze jarig was, omdat haar moeder vreesde voor tandbederf, maar bij haar oom en tante is er een speciale koelkast vol met Fressy waaruit zij en haar nichtje zoveel mogen pakken als ze willen.

    Tomoko leert haar nichtje ook beter kennen wanneer ze tegelijkertijd gebruikmaken van de ‘kamer met het lichtstralenbad’, een ruimte zonder ramen, waarin twee bedden staan die worden beschenen door een ronddraaiende constructie van elektrische lampen. Vanwege de heilzame werking van die lampen brengt Mina regelmatig tijd door in die kamer wanneer ze weer een astma-aanval heeft gehad.

    Waar is oom?

    Gaandeweg wordt steeds duidelijker dat er nog meer bijzondere zaken plaatsvinden in en om het huis van oom en tante. Dat Mina op de rug van nijlpaard Pochiko naar school gebracht wordt, vindt Tomoko nog plausibel, omdat Mina te zwak is om die reis zelf te voet af te leggen. Dat haar oom vaak lange tijd zonder duidelijk aanwijsbare reden afwezig is en dat haar tante zich min of meer in het geheim bedrinkt, is voor Tomoko reden om op onderzoek uit te gaan. Het leuke is dat de interpretatie van haar ontdekkingen voor de lezer begrijpelijker zijn dan voor haarzelf. Ondertussen is ze ook erg gesteld geraakt op Mina en gaat ze regelmatig naar de bibliotheek om boeken uit de wereldliteratuur voor haar te lenen. Tomoko neemt het leven zoals het komt. Nergens lees je dat ze haar moeder of haar overleden vader mist, dat ze pubergedrag vertoont of dat ze ambitie heeft om haar best te doen op school om iets te bereiken. Ze vindt het wel belangrijk om zich nuttig te maken voor het gezin waar ze nu deel van uitmaakt.

    Luciferdoosjesverzameling

    Een bijzonder onderdeel van het boek vormt de luciferdoosjesverzameling van Mina. Ze bewaart ieder afzonderlijk doosje in een grotere doos en bedenkt bij iedere afbeelding op het doosje een bijzonder verhaal. Tomoko wordt op een dag door Mina ingewijd in de verzameling die zich onder het bed van Mina bevindt en gaat zich vanaf dat moment inzetten om zoveel mogelijk verschillende luciferdoosjes voor Mina te bemachtigen. De lucifers die Mina regelmatig afsteekt om een lantaarn of een kaars aan te steken zijn een mooi symbool voor het lichtpuntje dat zij voor allen in het huis is. Alle volwassenen blijken zorgen te hebben, waarvoor ze zich kunnen afsluiten wanneer ze zich zorgen kunnen maken om Mina. Dat doen ze dan ook met verve. Een ander fraai symbool zijn de kapotte voorwerpen, die iedereen op het bureau van oom mag leggen, ook als hij er niet is. Oom heeft er een bijzonder genoegen in om dingen die stuk zijn, hoe klein ook, te repareren en het lukt hem ook altijd. Tante houdt zich op haar beurt een groot deel van haar tijd bezig met het vinden van spelfouten in boeken, kranten, brochures, ondertitelingen en wat niet al.

    Filter

    Het onvergetelijke jaar van Tomoko is een bijzonder boek, dat de lezer niets opdringt en geen moment verveelt. Interpretaties over alle bijzondere dingen die gebeuren kunnen ongegeneerd toegepast worden. De wat magisch aandoende wereld waarin Tomoko zich beweegt is stabiel. Het verblijf in het huis van haar oom en tante betekent voor Tomoko een jaar van veiligheid. Ze ontdekt weliswaar dat de wereld zelf niet veilig is, maar dat je door een bepaalde onbevangenheid en met optimisme toch prima kunt functioneren. Je kunt ziek worden, zoals Mina, maar dan kun je veel mooie boeken gaan lezen en mooie verhaaltjes schrijven over afbeeldingen op luciferdoosjes. Er zijn Arabische terroristen die tijdens de Olympische Spelen van München een aanslag plegen, maar gelukkig kun je ook kijken naar andere zaken en wint het Japanse volleybalteam een gouden medaille. Je kunt net als oma Rosa in het verleden moeilijke dingen hebben meegemaakt, maar dan heb je steun aan mevrouw Yoneda, die in den vreemde je beste vriendin wordt. Oom kan alles repareren en aan tante ontgaat geen spelfout; optimisme en lichtvoetigheid overheersen de chaos die het leven kan zijn. Het maakt het boek tot een lieflijke oase, waarin mogelijke narigheid achter een filter verdwijnt.

     

     

  • Voorspelbaar, maar toch boeiend

    Voorspelbaar, maar toch boeiend

    De in 1963 geboren Britse schrijfster Esther Freud (achterkleindochter van de beroemde psychoanalyticus) debuteerde in 1991 met een autobiografisch getinte roman getiteld Hideous Kinky. Dit boek werd verfilmd. Haar werk is in vijftien talen vertaald. Haar nieuwste roman I Couldn’t Love You More werd uit het Engels vertaald door Ineke Lenting en kreeg de zoete titel Hoeveel ik van je hou. Op het omslag prijkt een wat zedig naar beneden kijkende vrouw met een kleurige doek om haar haar en wordt het boek aangeprezen als ‘een liefdesbrief aan drie generaties Engelse en Ierse vrouwen’.

    De associatie met een feelgood-roman ligt op grond van die eerste indruk voor de hand en ook inhoudelijk lijkt het boek in die richting te gaan, want het gaat in het begin veel over verliefd zijn, trouwen en eerste kussen. Vervolgens wordt ook duidelijk dat zich onder de wat zoete oppervlakte gelukkig meer bevindt, maar het boek zal uiteindelijk toch niet echt de diepte ingaan.

    Drie verhaallijnen

    De hoofdrollen in Hoeveel ik van je hou worden gespeeld door de vrouwen waarop gezinspeeld wordt op de kaft. De verhaallijnen van Aoife, Rosaleen en Kate wisselen zich in een redelijk willekeurige volgorde af. De geschiedenis van de Ierse Aoife begint in 1939, wanneer ze verliefd wordt op Cashel Kelly, met hem trouwt en kinderen krijgt. Het kersverse stel gaat een pub runnen en verhuist later naar het platteland van Engeland. Voor dochter Rosaleen is de grootste verhaallijn gereserveerd. Haar verhaal begint in de zomer van 1959. Als kind heeft ze op een nonnenschool gezeten, maar nu is ze in het bruisende Londen, ver van haar ouders en ontmoet ze een kunstenaar, van wie ze weet dat hij ‘gevaarlijk’ is. De verhaallijn van Kate start in de proloog in 1991. Ze is in een klooster op zoek naar haar werkelijke afkomst, maar die zoektocht lijkt vruchteloos. De relatie van Kate met de twee andere vrouwen is aanvankelijk wat schimmig, alhoewel er al snel een vermoeden ontstaat. Kate is kunstenares, heeft een wiebelige relatie en een dochter.

    Het echte hoofdpersonage in het boek is dus Rosaleen. Ze is knap, heeft het verschrikkelijk slecht naar haar zin gehad op een strenge nonnenschool en wilde zo snel mogelijk haar ouderlijk huis verlaten omdat ze een slechte relatie met haar autoritaire vader heeft. Wanneer de ouders van Rosaleen hun pub inruilen voor een huis op het platteland, grijpt Rosaleen haar kans en gaat naar Londen. Ze maakt haar ouders wijs dat ze een belangrijke baan bij de krant heeft, terwijl ze in werkelijkheid werkzaam is in de postkamer. Na een paar maanden blijkt ze ongehuwd zwanger te zijn van een getrouwde man en verliest ze om die reden haar baan. Ze vertrekt bij de tante bij wie ze inwoonde en uit schaamte voor haar toestand durft ze geen hulp te vragen aan haar ouders.

    Interessant personage

    Tot dusverre is Hoeveel ik van je hou een redelijk standaard verhaal over een ongewenste zwangerschap en de gevolgen daarvan en dat blijft eigenlijk ook zo. Als lezer heb je vaak de indruk dat je een dergelijk verhaal al eerder eens gelezen hebt en het is om die reden vrij eenvoudig te voorspellen hoe het Rosaleen zal vergaan, zeker ook omdat de verhaallijn van Kate vervlochten is met die van haar moeder en haar oma en je daaruit kunt opmaken hoe de zaken zijn gelopen. Verrassingen zijn er dus nauwelijks. Daar staat tegenover dat het personage van Rosaleen interessant is en goed uitgewerkt. Van een wat dwars kind verandert ze in een uitbundige jonge vrouw die van alles durft, tot ze zich realiseert dat ze volledig op zichzelf is aangewezen. De wanhoop, de vertwijfeling en de eenzaamheid waaraan ze ten prooi valt, zijn mooi en zeer geloofwaardig beschreven. Met name de beschrijving van het laatste deel van haar zwangerschap en de bevalling zelf zorgen ervoor dat het boek de lezer in zijn greep houdt. Daarnaast is er ook veel aandacht voor de nagalm van het buitenechtelijke kind in het verdere leven van Rosaleen.

    Het personage van Kate is minder boeiend. Zij heeft in haar tienerjaren van haar ouders gehoord dat ze ooit geadopteerd is. Schrijnend is het spelletje dat ze met zichzelf speelt wanneer ze zich afvraagt of iemand haar biologische moeder zou kunnen zijn: ‘Ik kijk in haar opmerkzame ogen en zoals altijd op zoek naar mijn moeder, probeer ik haar leeftijd te schatten, tel ik de jaren terug en concludeer dat het onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk is en dat ze er misschien haar redenen voor heeft gehad om een kind af te staan. Een liefdesbaby. Is ze ooit getrouwd? Of misschien zou een baby haar carrière hebben gehinderd.’

    Platte karakters

    Ook de overige personages komen er in het boek wat bekaaid vanaf. Ze hebben weinig diepgang in hun karakter en spelen meestal een negatieve rol. Moeder en oma Aoife is een grijze muis, die niet op durft te staan tegen haar echtgenoot Cashel Kelly, een hardvochtige man die zijn zin doordrijft en ook regelmatig klappen uitdeelt aan zijn kinderen. De mannen die bij Rosaleen in de buurt zijn, zijn alleen geïnteresseerd in haar lijf en nemen geen verantwoordelijkheid voor hun daden. De vriend van Kate is alcoholverslaafd en er kunnen met hem geen afspraken gemaakt worden. De nonnen in het klooster zijn stuk voor stuk nors en onbehulpzaam.

    Boeiend

    Toch weet Hoeveel ik van je hou de lezer te boeien. De spanning in het boek wordt vanwege de afwisseling van de verhaallijnen goed opgebouwd en er zijn voldoende terug- en vooruitwijzingen die de aandacht vasthouden. Esther Freud heeft een mooi beeld geschreven van hoe gebeurtenissen uit de jaren zestig tientallen jaren later hun weerslag nog vinden in de levens van vrouwen. Naarmate het boek vordert, neemt de spanning alleen maar toe en levert – alhoewel ook het slot voorspelbaar is – Hoeveel ik van je hou al met al een mooie leeservaring op.

     

  • Diepzinnigheid in weerbarstige verhalen

    Diepzinnigheid in weerbarstige verhalen

    Maxim Osipov (Moskou, 1963) is een Russische schrijver en cardioloog. De inval van Rusland in Oekraïne was in maart 2022 voor hem aanleiding om via Armenië naar Duitsland te vertrekken. In het najaar van 2022 werd hij voor een jaar als gastschrijver aangesteld aan de universiteit van Leiden waar hij onder meer een cursus Russische literatuur geeft. In Rusland publiceerde hij sinds 2007 fictie en non-fictie. Zijn werk is in achttien talen vertaald. In 2021 verscheen in Nederland de succesvolle verhalenbundel De wereld is niet stuk te krijgen. Eind 2022 verscheen Kilometer 101.

    Kilometer 101 begint met het verhaal Sventa, een plaats in Litouwen waar de verteller van het verhaal vroeger vaak met zijn ouders naar toe ging. Hij is inmiddels over de vijftig en merkt op dat de zorgen die hij nu heeft dezelfde zijn als die hij zo’n dertig jaar geleden had: ‘1) geen vuile handen maken, geen morele concessies doen, 2) de gevangenis ontlopen, en 3) niet het moment voorbij laten schieten waarop je voorgoed je biezen moet pakken.’ Met deze opsomming is de toon voor de verhalenbundel gezet.

    Sventa is een soort inleiding want het boek bevat vervolgens twee uit verschillende verhalen bestaande delen. Het deel Luxemburg is genoemd naar een stadje in de buurt van Moskou dat vernoemd is naar Rosa Luxemburg, Duits politiek denker en revolutionair socialiste. Het bevat inclusief de novelle Luxemburg zeven verhalen. Het tweede deel van het boek heet Kilometer 101 en bestaat uit drie verhalen, die autobiografischer van aard lijken te zijn dan de verhalen in het eerste deel. Indrukwekkend zijn de ruim tien bladzijden tellende aantekeningen aan het eind van het boek met uitleg over de talrijke verwijzingen in de verhalen. In zo’n aantekening wordt bijvoorbeeld uitgelegd dat de uitdrukking ‘De honderdeerste kilometer’ in het Russisch de term is ‘die de beperkingen aangeeft in de vrijheid voor burgers om zich te vestigen waar ze willen. Tijdens de Sovjetperiode mochten criminelen en andere “ongewenste individuen”, onder wie ook de uit de goelagkampen teruggekeerde politieke gevangenen werden gerekend, zich niet vestigen in grote steden; ze mochten niet dichter dan op 101 kilometer van die steden gaan wonen.’

    Weerbarstig

    Het eerste deel van het boek is wat weerbarstiger dan het tweede, de keuze om met dit deel te beginnen is daarom opmerkelijk. Het is vooral even wennen aan de manier van vertellen van Osipov en aan de Russische cultuur, waarmee het hele boek doordrenkt is. Vertalers Yolanda Bloemen en Seijo Epema hebben er desalniettemin knap voor gezorgd dat de in het Nederlands stug aandoende Russische manier van vertellen in goed lopende Nederlandse zinnen zijn omgezet. Daarnaast hebben ze ervoor gezorgd dat bij de honderden aantekeningen aan het eind van het boek ook bijvoorbeeld zaken als Russische achternamen of bepaalde typisch Russische gebruiken die een Nederlandse lezer waarschijnlijk weinig zeggen, worden uitgelegd.

    Bij het eerste verhaal (Matthew Ivanov, Engelse opening) duurt het lang voor de hoofdrolspeler, een nieuwkomer die een schaaktoernooi heeft gewonnen, geïntroduceerd wordt en ontstaat er voor de lezer een spanningsveld tussen willen weten welke kant het verhaal op gaat of het boek teleurgesteld aan de kant leggen. Volhouden is echter het devies, want eenmaal gewend aan de wat ongebruikelijke manier van vertellen zijn er mooie verhalen te ontdekken. Cape Cod is een voorbeeld van een boeiende vertelling over het echtpaar Sjoera en Aljosja en hun zoon Leo. Ze zijn naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Aljosja is zeer succesvol: hij heeft een eigen bedrijf en een tweede huis, maar Leo maakt een keuze die zijn Sovjetouders absoluut niet kunnen begrijpen, maar die wel aangeeft dat Leo op en top geïntegreerd blijkt te zijn in zijn nieuwe vaderland.

    Absurdistische scène

    In de novelle Luxemburg gaat het over Sasja, die de as van zijn moeder in het stadje Luxemburg wil gaan begraven. Het verhaal is geschreven vanuit het perspectief van een vriend van Sasja, een psychiater, waardoor het verhaal, zoals wel vaker bij Osipov, een wat beschouwend karakter krijgt: ‘Haar dood maakte alleen indruk in die zin dat ik helemaal niet wist dat ze nog leefde. De kwaliteit van een geleefd leven wordt vooral bepaald door het aantal mensen dat afscheid van je komt nemen (vrijwillig dan, niet door je chef gestuurd), […].’ Omdat de naam op het graf joods lijkt (maar niet is), wordt het graf van Sasja’s moeder geschonden door neonazi’s, die eerst de door hem geplante roos stelen en een paar dagen later het graf onteren met ontlasting en hakenkruizen. Sasja besluit tegen beter weten in aangifte te doen. De gesprekken hierover op het politiebureau zijn een prachtig voorbeeld van Russische bureaucratie, maar wonderlijk genoeg lukt het de autoriteiten toch om de daders op te pakken. Sasja vervoegt zich wederom op het politiebureau en belandt in een haast absurdistische scène. De trotse politieagent biedt Sasja namelijk aan dat hij de arrestanten mag slaan, zonder dat de politie tussenbeide komt. Op dat moment beseft Sasja dat hij eigenlijk spijt heeft van zijn aangifte, omdat hij nu niet meer kan voorkomen dat de daders langdurig naar de gevangenis zullen moeten.

    Diepzinnig

    De drie verhalen in het tweede deel zijn zoals gezegd wat toegankelijker en lijken meer autobiografisch van aard. Zo is Bij ons in N. geschreven vanuit het ik-perspectief van een arts. De volksaard van de Russen komt zo mogelijk nog duidelijker naar voren dan in het eerste deel. De verhalen gaan over angst voor de dood die hand in hand gaat met afkeer van het leven, over alcoholisme en het geweld dat daardoor bestaat binnen gezinnen, over corruptie en smeergeld en over het gebrek aan coördinatie in de zorg. Toch zijn ze nergens zwaarmoedig of negatief. Osipov beschrijft het leven zoals het is en lardeert de verhalen zelfs met hilarische anekdotes uit zijn praktijk als arts. Een patiënt die succesvol twee nieuwe hartkleppen heeft gekregen, biedt hem bijvoorbeeld als dank daarvoor aan om iemand voor hem in elkaar te slaan of om eventueel in zijn plaats naar de gevangenis te gaan. De meest diepzinnige zinnen zijn aan het einde van de verhalen te vinden: ‘De recente gebeurtenissen schuiven over elkaar heen, stapelen zich op, wat gebeurd is vermengt zich met wat nooit gebeurde, maar wat ver in het verleden ligt […] voelt als nabij en vol geluk – nog meer dan toen, oneindig veel meer […].’

    Kilometer 101 is een boek om af en toe even weg te leggen om het gelezene te laten bezinken. Wellicht is het zelfs een goed idee om te beginnen met de verhalen uit het tweede deel van het boek. Wanneer je eenmaal gewend bent aan de stijl valt er namelijk genoeg te ontdekken, te verwonderen en te genieten, onder meer van de bijzondere personages, waarvan sommige niet zouden misstaan in een complete roman. Hopelijk vormen de successen die de verhalenbundels zijn geworden een aanleiding voor Osipov om zijn oeuvre daarmee uit te breiden.

     

  • De zaken van het hart blijven actueel

    De zaken van het hart blijven actueel

    Toen Mirjam van Hengel in november 2022 het boek Dola. Over haar schrijverschap en de hele mikmak (een biografie over het leven van Dola de Jong) uitbracht, was dat voor uitgeverij Cossee een uitstekende reden om het debuut Dans om het hart van deze joodse schrijfster opnieuw uit te geven. Dola de Jong (1911-2003) debuteerde in 1939 met Dans om het hart. In april 1940 vluchtte ze voor de Duitsers naar Tanger en later naar New York, waar ze een dansschool oprichtte. Tot groot verdriet van haar vader, die dansen als een equivalent van prostitutie zag, had ze zich na haar opleiding tot journaliste toch ook weer gericht op haar passie voor dansen. Beide werelden komen samen in haar debuut, dat in het vooroorlogse Nederland redelijk wat stof deed opwaaien, omdat ze voor die tijd heikele onderwerpen niet schuwde. Het werk van De Jong, drie romans en dertien kinder- en jeugdboeken, werd in tien talen vertaald en is nog verrassend actueel.

    De Jong beschrijft in Dans om het hart de levens van een aantal jonge mensen die zich in de jaren dertig van de vorige eeuw  in de wereld van de dans begeven. De belangrijkste rollen in het boek zijn weggelegd voor vriendinnen Luca en Enny, beiden zeer getalenteerde danseressen. Luca wordt beschreven als oogverblindend knap. Ze is getrouwd met Wouter, een muziekjournalist, die als een blok is gevallen voor haar schoonheid. Eenmaal met haar getrouwd echter blijkt Wouter de danscarrière van Luca juist als bijzonder hinderlijk te ervaren en wordt Luca gedwongen tot een keuze tussen hem en de liefde voor haar vak. Vriendin Enny woont samen met Peter op een etage in Amsterdam. Ze geven allebei les op een dansschool, maar Peter laat Enny in de steek wanneer hij de kans krijgt om zich in het buitenland bij een prestigieus dansgezelschap aan te sluiten.

    Huishoudsters en kolenschuiten

    Alhoewel de ambiance zich enerzijds kenmerkt door zaken die redelijk gedateerd aandoen, zoals hospita’s, huishoudsters, toelagen, boterbriefjes en kolenschuiten, is de thematiek van jonge mensen die eigen keuzes maken op hun weg naar de volwassenheid nog steeds aan de orde. De tijd dat er schande gesproken werd over samenwonende stellen ligt inmiddels ver achter ons, maar verlaten worden in een relatie, ongewenst zwanger worden en daar een oplossing voor moeten bedenken, eenzaamheid en teleurstellingen in de werksfeer zijn onderwerpen waar mensen in de eenentwintigste eeuw ook nog mee te maken hebben.

    Huisdiertje

    De Jong schrijft in een eenvoudige stijl, haar zinnen zijn kort en vrij rechttoe rechtaan. Er is nauwelijks sprake van beeldspraak of andere stijlfiguren, het gaat haar duidelijk om het verhaal zelf. Vrouwen worden beschreven op een manier die kenmerkend is voor die tijd, met veel verkleinwoorden, zoals een ‘fijn neusje’, een ‘effen gezichtje’ en een echtgenote die een ‘huisdiertje’ wordt genoemd door haar echtgenoot. Desalniettemin raak je geboeid door de relatieproblemen van Luca en Wouter, al is de claimerige Wouter soms wel wat veel van het goede: ‘”Je bent van mij,” fluistert Wouter. Hij neemt haar in zijn armen en drukt haar dicht tegen zich aan. “Je bent alleen van mij,” herhaalt hij dringend. Het is een vraag en een bevel tegelijk.’

    Revuedanseresje

    De verhaallijn van Enny levert wat dat betreft minder irritatie op, ook al heeft zij een moeder die haar soms net iets te graag wil helpen met het oprichten van een balletschool. Enny droomt echter meer van een eigen danscarrière dan van een eigen balletschool. Ze aarzelt niet om voor zichzelf op te komen in situaties waarin ze uitgebuit wordt, zelfs niet als dat betekent dat ze dan zonder inkomen komt te zitten en genoegen moet nemen met een beduidend mindere positie bij de revue. Het zijn overigens niet alleen vrouwen die worstelen met het leven op hun weg naar de volwassenheid. Jacques, een neef van Luca verliest bijvoorbeeld de riante toelage van zijn vader wanneer zijn ouders ontdekken dat hij samenwoont met een ‘revuedanseresje’. De Jong beschrijft hoe hij loyaal aan haar blijft, terwijl het toch vrij duidelijk is dat het betreffende danseresje minder om hem geeft dan hij om haar.

    Subtiel

    Het sterkst is De Jong wanneer ze schrijft over grote levensvragen. Echte diepgang bereikt ze bijvoorbeeld wanneer het gaat over een ongewenste zwangerschap. Zonder het woord abortus ook maar ergens in het boek te noemen en eigenlijk tussen de regels door, wordt de impact van de keuze om de zwangerschap te beëindigen op subtiele wijze verwoord: ‘Wanneer ze ’s avonds in de trein zit, weet ze dat deze dag even onherroepelijk is als alle dagen, maar dat ze het leven de schuld van deze dag nooit zal kunnen terugbetalen. In de nuchtere derdeklascoupé beseft ze plotseling wat ze gedaan heeft. En terwijl ze luistert naar het eentonig ritme van de wielen, aanvaardt ze de schuld van haar daad.’

    In Dans om het hart gaat het om kunst, en vaak zelfs om ‘kunst met een grote K’. Maar het gaat vooral over jonge mensen op hun weg naar volwassenheid, en alle obstakels die ze op die weg tegenkomen. Dola de Jong kijkt met een zekere bewogenheid naar de personages die ze gecreëerd heeft. Ze ziet hun eenzaamheid, hun onbeholpenheid en hun onevenwichtigheid in een losgeslagen en liefdeloze wereld. Ze beschrijft het doorzettingsvermogen dat vooral vrouwen moeten hebben om hun doel te bereiken, waarbij ze ongetwijfeld heeft kunnen putten uit gebeurtenissen uit haar eigen leven. Wanneer je voorbij de kolenboer en andere aanverwante tijdgebonden elementen kunt kijken, vormt dit debuut een lezenswaardige opmaat naar de andere succesvolle romans van deze schrijfster.

     

  • Sterven in de zomer

    Sterven in de zomer

    De Duits-Hongaarse Zsuzsa Bánk (1965) schrijft in haar nieuwe roman De paradijstuin over de dood van haar vader. In tegenstelling tot wat de titel van het boek en het omslag met een bloeiende tulpenboom op het eerste gezicht doen vermoeden, is het onderwerp van de nieuwe roman van Bánk dus weinig idyllisch, alhoewel de taal die wordt gehanteerd weer bijzonder lieflijk is. Vertalers Irene Dirkes en Lucienne Pruijs hebben een geweldige prestatie geleverd door de lyrische zinnen en de prachtige stijl van Bánk vanuit het Duits te vertalen.

    Zsuzsa Bánk vertelt het verhaal vanuit het ik-perspectief. Ze brengt haar ernstig zieke vader vanuit Duitsland naar Hongarije, waar hij aan het Balatonmeer zijn laatste zomer zal gaan doorbrengen. Het loopt echter anders, omdat de ziekte waaraan hij lijdt plotseling sneller dan verwacht om zich heen slaat en vader met grote spoed teruggebracht moet worden naar Duitsland. Het gaat voor Bánk allemaal veel te snel: sterven vindt zij niet passen bij de zomer, sterven hoort in de winter.

    Ongeneeslijk wordt van alle kanten bekeken

    Aan de hand van talrijke flashbacks wordt het leven van vader gereconstrueerd. Zijn jeugd als zoon van een stationschef in Hongarije, de vlucht in 1956 voor het regime in Hongarije, zijn ontmoeting met haar moeder, de eindeloze vakanties naar hun zomerhuis met de paradijstuin en vooral de langdurige zwemtochten in het meer worden liefdevol en met aandacht voor detail beschreven.

    De aftakeling van haar vader valt de ik buitengewoon zwaar: het wachten op uitslagen, op artsen die tijd hebben, het zichtbare lijden van haar vader die verandert van een pientere en actieve tachtiger in een door een delirium gekwelde bejaarde, die om zichzelf zou moeten huilen als hij van buitenaf naar zichzelf kon kijken. Bijzonder is de manier waarop de auteur woorden geeft aan haar verdriet. Een woord als ongeneeslijk wordt van alle kanten bekeken: ‘Eerst moesten we de zin of onzin achter de letters vinden, zijn ware betekenis, het geniepige en het onontkoombare erin; dat het betekent: zonder genezing, dat het betekent: zonder perspectief, dat het betekent: zonder toekomst, dat het betekent: zonder morgen, dat het betekent: het komt niet meer in orde, het komt nooit meer goed.’

    Stilletjes huilen

    Het verdriet van Bánk loopt parallel aan de draaikolk van woorden die dat verdriet beschrijven, maar zonder dat het op enig moment sentimenteel wordt. Zij heeft zichzelf namelijk getraind in het niet-huilen en ze legt dat ook aan haar moeder op. Alleen stilletjes, als er niemand bij is, mag er gehuild worden. Ze begint haar vader al te missen, nog voordat hij gestorven is en realiseert zich dat allerlei alledaagse dingen ondermijnd, aangetast en weggevreten worden, terwijl er niets anders voor in de plaats komt, geen vervanging, geen ruilwaar en geen troost. Ze beseft dat ze voorheen eigenlijk nooit rekening heeft gehouden met zaken als ziekte en dood. Gelukkig heeft ze een paar goede vriendinnen, die wonderlijk genoeg allemaal in een vergelijkbare situatie zitten waardoor ze elkaar tot steun kunnen zijn.

    Wanneer het onvermijdelijke dan toch gebeurt, voelt de ik zich omwikkeld met verdriet. Ze houdt zich niet langer groot en ziet met lede ogen hoe er steeds meer bewijzen dat haar vader geleefd heeft verdwijnen. De rituelen rond overlijden en begraven zijn in Duitsland enigszins verschillend ten opzichte van wat wij in Nederland gewend zijn, maar dat is voor de leeservaring niet storend. Het enige minpuntje van het boek is dat de thema’s rouw, ziekte, verdriet en dood en de manier waarop ze beschreven zijn nogal zwaar zijn om de lezer langdurig aan bloot te stellen; De paradijstuin is daarom bij uitstek een boek dat zich leent om simultaan met een ander boek te lezen.

    Herkenbaar en troostrijk

    Zsusza Bánk heeft een geheel eigen, lyrische en warme stijl. Het contrast tussen de schoonheid van de taal en het onderwerp van het boek kan bijna niet groter zijn. Voor iedereen die een geliefde heeft verloren aan ziekte en dood is het verhaal herkenbaar en troostrijk, omdat Bánk woorden weet te vinden voor de gevoelens die een mens in zo’n situatie kunnen overspoelen. Gelukkig is er te midden van het verdriet ook altijd liefde en hoop: ‘De doden zijn nooit dood, ze horen in de eerste zinnen van een ontmoeting, van een gesprek, ze zitten in de tuinen, aan de tafels, voor de soepkommen, de mandjes met gesneden witbrood en bevelen, zo, praat nu over mij, stop niet, hou niet op over mij te praten.’
    De weergaloze wijze waarop Bánk zonder ook maar enig cliché te gebruiken taal inzet om een geliefde te portretteren,  is ongekend. Het is niet voor niets dat haar werk al met vele prijzen is bekroond.

     

  • Het verleden blijft actueel

    Het verleden blijft actueel

    Ooit een roman gelezen waarin de hoofdrol is weggelegd voor een complete stad waarvan de inwoners slechts de bijfiguren vormen? De in Oostenrijk geboren historica Eva Menasse (1970) heeft met Dunkelblum zwijgt zo’n roman geschreven over een (fictief) Oostenrijks plaatsje, genaamd Dunkelblum. De bewoners daarvan fungeren als decorstukken in een historische setting die meerdere decennia beslaat. Dat klinkt ingewikkeld en dat is het ook, niet alleen omdat geen sprake is van chronologie maar ook omdat er geen hoofdpersonage is dat zorgt voor een bepaalde vorm van houvast.

    Het lijvige boek begint met een plattegrond van het grensstadje Dunkelblum dat als een soort halve cirkel rondom een slottoren ligt. Het slot zelf is tijdens de Tweede Wereldoorlog verwoest, de toren is als een stille getuige achtergebleven. Het is overigens handig om die plattegrond er tijdens het lezen regelmatig bij te pakken, want je raakt de draad van het verhaal vrij snel kwijt. Het driedelige boek start in het eerste deel met de zegswijze ‘De Oostenrijkers zijn een volk dat vol vertrouwen naar het verleden kijkt’ als motto. Het gaat in het boek inderdaad alleen over dat kijken, en dat zelfs zonder enige vorm van een kritische blik, want het is al snel overduidelijk dat er over het verleden niet wordt gepraat in Dunkelblum. Tegelijkertijd weten de oorspronkelijke bewoners wel alles van elkaar. Er wordt vanachter de gordijnen naar buiten gegluurd. ‘In Dunkelblum hebben de muren oren, de bloemen in de tuinen hebben ogen, ze draaien hun kopjes alle kanten uit om maar niets te missen, en het gras registreert met zijn snorharen elke stap die wordt gezet.’ Deze beginzin van het boek is er een van de vele schitterende zinnen die nog zullen volgen; Eva Menasse schrijft namelijk prachtig en haar woorden zijn zeer verdienstelijk uit het Duits vertaald door Annemarie Vlaming.

    Puzzel

    Op de achterflap van het boek gaat het over een geheimzinnige bezoeker aan het grensstadje Dunkelblum, over een skelet dat wordt opgegraven en over een verdwijning van een jonge vrouw. Deze gebeurtenissen verstoren vooral de rust in Dunkelblum. De vreemdeling die in het stadje arriveert blijkt gekomen te zijn om geheimen uit diens persoonlijke verleden uit te zoeken. Daarnaast is een groep studenten bezig met het renoveren van de Joodse begraafplaats en doet een ontdekking die voor de lokale bevolking geen verrassing blijkt te zijn. Al lezend wordt duidelijk wat er zich in het verleden allemaal heeft afgespeeld in Dunkelblum, welke misstanden er hebben plaatsgevonden, ook tijdens de Russische bezetting, en vooral dat de Dunkelblumers van alles op de hoogte zijn, maar nergens over praten. Op basis van alleen de informatie van de achterflap zou de indruk  kunnen ontstaan dat Dunkelblum zwijgt een van spanning zinderende whodunit is, maar niets is minder waar. Menasse legt vooral de nadruk op het gesloten en zwijgzame karakter van de Dunkelblumers en laat haar lezers hun eigen conclusies trekken uit de beschreven gebeurtenissen. Het boek is een puzzel die de lezer zelf mag oplossen, zonder voorbeeld.

    Personages of figuranten?

    Het verhaal beweegt zich op geheel eigen wijze tussen de jaren van de Anschluβ met Duitsland en het nu van het boek, vlak na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn tussen Hongarije en Oostenrijk in 1989. De vluchtelingen uit de voormalige DDR die via Dunkelblum naar het ‘vrije Westen’ proberen te raken, zorgen voor een geheel nieuwe dynamiek bij de bewoners. Staande bij de grens weten zij uiteraard niets van inwoners als Ferbenz die nog steeds – en zelfs op de nationale televisie – dweept met de ‘eersteklas handen’ en de mooie blauwe ogen van Hitler. In Dunkelblum zelf kunnen de bewoners de uitlatingen van hun plaatsgenoot beter plaatsen. Handig vinden ze die niet, maar Ferbenz is voor het stadje altijd een ‘weldoener en een ware steunpilaar’ geweest. Menasse introduceert tientallen personages, of beter gezegd: figuranten. Zij vormen met elkaar het karakter van Dunkelblum. Er zijn ontwapenende karakters bij, zoals dat van Antal Grün, een zachtaardige kruidenier die ijverig als een mier rondscharrelt in zijn winkeltje. Dokter Sterkowitz is een hardwerkende arts, die de reguliere pensioenleeftijd inmiddels al heel wat jaren is gepasseerd. Er zijn schurkachtige figuren zoals de wrede Horka, Rehberg is eigenaar van een reisbureau, de familie Reschen baat Hotel Tüffer uit, de beeldschone Veronika Graun brengt tal van mannen het hoofd op hol. Zo schetst Menasse aan de hand van af en toe wat karikaturaal aandoende figuren de inwoners van het stadje, noemt hen allemaal bij naam en toenaam en laat hen soms terugkeren in een ander deel van de geschiedenis van Dunkelblum, maar soms ook niet. Als gemeenschap stemmen ze in met ‘het bulderende Dunkelblumse zwijgen’. Menasse weet hun karakters trefzeker te schetsen op een manier die dan weer vertederend en dan weer humoristisch is, maar altijd herkenbaar. Wanneer blijkt dat de Oostenrijkse regering een financiële vergoeding biedt per opgevangen vluchteling, blijkt een aantal verstokte tegenstanders van de immigratie toch opportunistischer dan gedacht.

    Een zwaar verleden

    De sfeer in het gehele boek is wat dreigend en zwaar. De pestzuil waar regelmatig aan wordt gerefereerd, de verwaarloosde Joodse begraafplaats en het verwoeste slot laten zien dat er in de bestaansgeschiedenis van het stadje veel ernstige zaken gepasseerd zijn. Het verleden blijkt daarnaast keer op keer nog bijzonder actueel te zijn. Dunkelblum zwijgt is een boek dat je nergens mee kunt vergelijken. Het is knap en mooi geschreven, maar het vraagt ook veel van de lezer. Het is een opgave om de verhaallijn te kunnen volgen. Het verdient aanbeveling om een aantekeningenschriftje bij de hand te houden om notities te maken over de verschillende personages en over wat ze in welke tijd doen. Toch is het de moeite waard om vol te houden. Na de ruim vijfhonderd bladzijden gelezen te hebben, voelt het namelijk toch alsof je ondanks het zwijgzame karakter van de Dunkelblumers tot hun kern hebt kunnen doordringen. 

     

  • Wie is de vrouw op de foto?

    Wie is de vrouw op de foto?

    Het omslag van Branco & Julia, de nieuwe roman van Gert-Jan van den Bemd (1964), springt direct in het oog: een zwart-witfoto van een vrouw die met haar voeten in de zee staat. Ze draagt een ouderwetse bikini en een soort tulband op haar hoofd. Het is niet de enige foto van deze vrouw. Tussen de twee delen die het boek telt, zijn nog negen foto’s te vinden, waaronder een babyfoto, een trouwfoto, een foto van een lief huisje en een gezinsfoto met een man en een kind. De foto’s maken de lezer nieuwsgierig nog voordat er begonnen is met lezen en vormen een goede illustratie van de fascinatie van de hoofdpersonen die deze foto’s onder ogen krijgen.

    Gert-Jan van den Bemd is schrijver en beeldend kunstenaar en dat is in Branco & Julia duidelijk te merken, bijvoorbeeld aan de beroepen van de hoofdpersonen. Branco is een wat oudere curiosa- en antiekhandelaar. Na een kortstondige en weinig succesvolle carrière als scheikundeleraar heeft hij ontdekt dat hij een goede neus heeft voor bijzondere objecten op rommelmarkten zoals de Feira da Ladra in Lissabon, waar hij, alhoewel hij inmiddels zeer vermogend is door de verkoop van zijn vondsten, rondscharrelt in de vermomming van een zwerver om verkopers op het verkeerde been te zetten. Julia is een jonge kunstenares die van haar schilderijen niet rond kan komen. Ze woont nog bij haar ouders, maakt kamers schoon in een hotel en is naaktmodel bij de tekenlessen van veelbelovend kunstenaar Valério, die altijd gekleed is in een vintage trainingspak van Adidas met een rode broek en een rood-wit jack. Julia stemt er tussen de lessen door mee in om seks met hem te hebben. Niet omdat ze van hem houdt, maar meer omdat ze het vindt passen bij hun relatie die zich kenmerkt door het feit dat ze altijd eerlijk zijn tegenover elkaar. Julia maakt aan de lopende band gemakzuchtige schilderijtjes waar veel vraag naar is, maar ze droomt ervan om met olieverf monumentale doeken te maken waar niemand omheen kan. Helaas heeft ze geen geld om daar materiaal voor aan te schaffen en dus verkoopt ze haar werk op de Feira da Ladra.

    Doos met zwart-witfoto’s

    Het is op diezelfde rommelmarkt dat Branco en Julia elkaar per ongeluk tegen het lijf lopen. Julia heeft haar ogen bij toeval laten vallen op een doos met oude zwart-witfoto’s en is duidelijk geïntrigeerd door de vrouw die op die foto’s staat. Ze koopt er twee. Branco ziet aan de blik in de ogen van Julia dat ze iets bijzonders heeft gevonden. Zonder zich te bedenken en tot stomme verbazing van Julia schaft hij zich alle resterende foto’s uit de doos aan, zonder ook maar een poging te doen om af te dingen op de prijs, hetgeen geheel tegen zijn natuur is. Voor Julia vormen de twee foto’s een aanleiding en inspiratiebron om eindelijk aan de slag te gaan met haar droom om het met haar kunst over een andere boeg te gooien. Branco ziet de foto’s als basis voor een roman over de mysterieuze vrouw op de foto’s en vreest dat hij essentiële informatie over haar mist wanneer hij de twee foto’s van Julia niet zou weten te bemachtigen.

    Sjacheraar

    Branco & Julia wordt in een ik-perspectief afwisselend vanuit Branco en Julia verteld. In het eerste deel van het boek komt Branco niet zo sympathiek en wat vlak over. Hij wordt neergezet als een eenzame, egoïstische en inhalige sjacheraar die als afwisseling op zijn werk als kunsthandelaar van plan is een grote roman te schrijven. Julia is in het eerste deel redelijk afwachtend en wat naïef. Zo neemt ze bijvoorbeeld een opdracht aan om een muurschildering in een kinderkamer te maken, terwijl ze daar in haar hart weinig voor voelt en ze protesteert niet wanneer ze daar een belachelijk laag loon voor ontvangt. Valério is ervoor verantwoordelijk dat Branco en Julia met elkaar in contact komen; hij is zeer enthousiast over de grote, met olieverf gemaakte schilderijen die Julia van haar foto’s heeft gemaakt en overtuigt Julia ervan dat ze de andere foto’s ook in handen moet zien te krijgen. Hoe het precies gaat, is niet helemaal duidelijk, de overgang van het eerste naar het tweede deel is redelijk abrupt, maar in het tweede deel van het boek rijden Branco, Julia en Valério door Frankrijk, op zoek naar de vrouw van de foto.

    Gelaagdheid

    Vanwege de locaties in Portugal en Frankrijk heeft het boek op het eerste gezicht enigszins het karakter van een vakantieboek. Daarnaast heeft het tweede deel van het boek, de zoektocht in Frankrijk naar de vrouw op de foto, veel weg van een road novel. Gelukkig heeft Van den Bemd in Branco & Julia een paar interessante gelaagdheden verwerkt. Zo vraagt hij zich af in hoeverre iemand een kunstenaar is (zoals Julia) of kan worden (zoals Branco).

    Aan het begin van het boek krijgt Branco een zeldzame gedichtenbundel in handen, Mensagem (boodschap (!)), die hij ondanks de waarde – het is een eerste druk – niet wil verkopen; het boekje laat hem dromen over hoe het zou zijn om schrijver te worden: ‘Het etiket “schrijver” verleende me een zekere status. Natuurlijk had ik die niet echt nodig: aan mijn verzorgde uiterlijk en elegante kleding zagen de mensen toch wel dat ik van goede komaf was, maar het schrijverschap maakte me… interessant. Als schrijver was ik iemand, nu was ik alleen maar rijk.’
    Het is de vraag of het prijzige in antilopeleer gebonden notitieboekje waarin Branco koortsachtig aantekeningen maakt met een elegante balpen kan bijdragen aan die carrièreswitch. Zelf ziet hij als enige bezwaar dat hij een ‘schrijversgoudmijn’ als ‘een ongelukkige jeugd, een zwaar leven vol ellende en verdriet, of een onbereikbare liefde’ ontbeert.

    Branco & Julia is een boek waarin veel vaart zit. Van den Bemd schrijft vaardig en zet vlotte en realistische dialogen neer. In de uit twee delen bestaande proloog weet hij de lezer nieuwsgierig te maken naar de afloop van het verhaal. Voor de oplettende lezer neemt het getal twee overigens in meer opzichten een bijzondere rol in en zijn er genoeg interessante zijpaadjes. Het personage van Branco krijgt in het tweede deel gelukkig wat meer diepgang. Dat het einde van het verhaal dan toch niet heel verrassend is, is Van den Bemd vergeven. Zijn derde roman is het alleszins waard om gelezen te worden.

     

  • Leven zonder geheugen is geen leven

    Leven zonder geheugen is geen leven

    In de afgelopen jaren verschenen er tientallen boeken, romans en non-fictie, over dementie, de volksziekte die door artsen en de overheid voor de nabije toekomst wordt gezien als de belangrijkste doodsoorzaak. Statistisch gezien is de kans daarom groot dat je als lezer op de een of andere manier te maken hebt of krijgt met dementie. De literatuur biedt ons vensters op het leven en kan ons helpen om de werkelijkheid te ordenen. Dat is precies wat Wiebe Brouwer (1958) heeft gedaan in zijn debuut, het autobiografische Water scheppen met een lepeltje – Het laatste jaar met mijn demente moeder. Zijn boek is gelukkig meer dan het zoveelste verslag vanuit het perspectief van een mantelzorger.

    De moeder van Wiebe is vijfennegentig en al jarenlang weduwe. Wiebe en zijn zus Francien hebben ervoor gezorgd dat ze in haar eigen grote huis in Wassenaar kan blijven wonen; er is vierentwintig uur per dag een verzorgende van ‘Passie voor Zorg’ bij haar in huis. Zelf heeft moeder het niet meer in de gaten dat ze in haar eigen huis is. Ze heeft de indruk dat ze zich in een pension bevindt waarvan de leiding zich nooit laat zien en ze durft haar eigen keuken niet in omdat die volgens haar alleen voor het personeel is bedoeld.

    Zonder geheugen zijn wij niets

    Het boek is opgehangen aan een uitspraak van Luis Buñuel, de Spaans-Mexicaanse filmregisseur die surrealisme in zijn films liet doorwerken: ‘Eerst moet je je geheugen verliezen, al is het maar bij stukjes en beetjes, om te beseffen dat het geheugen ons leven bepaalt. Leven zonder geheugen is geen leven… Ons geheugen geeft ons verbanden, is onze rede, ons gevoel, zelfs ons handelen. Zonder geheugen zijn wij niets…’

    Wiebe vraagt zich voortdurend af wat zijn moeder zou willen, waarvoor ze zou kiezen indien ze nog bij haar volle verstand zou zijn. Wat blijft er van haar persoonlijkheid over nu haar herinneringen in hoog tempo verdwijnen? Hij kan zich moeilijk neerleggen bij wat de mensen van ‘Passie voor Zorg’ als ‘het beste’ voor zijn moeder beschouwen. Hij realiseert zich enerzijds dat zijn moeder een paar jaar geleden gezegd heeft dat ze niet meer wilde leven. Voor zus Francien is dat reden genoeg om vraagtekens te zetten bij zaken als het toedienen van antibiotica, maar Wiebe kan zich er anderzijds moeilijk bij neerleggen dat er schijnbaar zo gemakkelijk beslist wordt over het lot van bejaarden, in tegenstelling bijvoorbeeld tot dat van kinderen, die tot elke prijs gered worden. Hij besluit om zijn moeder theelepeltjes water te geven wanneer ze niet meer zelfstandig wil drinken en omdat ze vanwege haar dementie vergeet dat ze eerder ook al op die manier wat vocht binnen had gekregen, lukt het hem om zijn moeder uit een levensbedreigende impasse te halen. 

    Huichelaar

    Brouwer heeft zijn stilistisch fraai geschreven boek op een afwisselende manier vormgegeven: brieven aan zijn zus, berichten aan vriendinnen en e-mailwisselingen met de zorgverleners van ‘Passie voor Zorg’ worden afgewisseld met korte verhalen, (surrealistische) toneelstukjes en logboekfragmenten. Ondanks de zwaarte van het thema ademt het boek een bepaalde lichtheid en schuwt Brouwer humor niet. De positie waarin Wiebe zich bevindt wordt steeds duidelijker. Wanneer hij zich na een bezoekje aan zijn moeder afreageert op zijn vrouw, verwijt die hem dat hij meer van zijn moeder zou houden dan van haar, maar dat is niet zijn grootste dilemma. Steeds vaker vertelt een innerlijke stem dat hij een huichelaar is, omdat hij zijn moeder niet de waarheid vertelt over haar situatie. Wanneer zijn moeder hem bijvoorbeeld eens vraagt of ze soms in het buitenland is, omdat ze haar eigen woonomgeving niet herkent, kletst hij zich eruit met een geruststellend smoesje: ‘Het was verraad. Ik vertelde haar een handig verhaaltje omdat ik als enige van ons tweeën besefte dat zij niet goed snik is. Uit gemakzucht zette ik haar op de boot naar Fabeltjesland. Ik wees haar niet eens op een andere bestemming, maar stond welgemoed op de kade te wuiven. Is dat liefde? Tot dusverre vond ik van niet.’

    Hij brengt het evenmin altijd op om even begripvol te reageren op de situatie. Soms roept hij in zijn wanhoop ‘alles wat ze hem op een mantelzorgerscursus zouden verbieden’. De spagaat waarin Wiebe zich bevindt is ontroerend en herkenbaar beschreven. Maar er is meer. Het lijden van zijn moeder zorgt er eveneens voor dat Wiebe zich gaat afvragen wat een persoonlijkheid ten diepste definieert, zeker omdat die door een ziekte als dementie tegelijk met je laatste herinneringen zo gemakkelijk lijkt te kunnen verdampen. De machteloosheid van zijn moeder benadrukt voor Wiebe het mysterieuze van ons bestaan. Hij beschrijft haar aftakeling als overweldigend omdat ze deel uitmaakt van iets enorms, dat eerbied afdwingt; ‘God hangt in de lucht in Wassenaar’. Prachtig zijn de zinnen waarin Wiebe zichzelf beschrijft als een gelegenheidsgelovige. 

    Medicatie

    Zoals te verwachten is, gaat het alleen maar slechter met de moeder van Wiebe, ondanks voorgeschreven medicatie met welluidende namen als Schemerkoelte, Najaarsvrede en Wintermist. De laatste brief uit het boek is gericht aan de moeder zelf.

    Wiebe Brouwer heeft met Water scheppen met een lepeltje een fraai boek geschreven dat het verdient om gelezen te worden. De vragen waarmee hij worstelt zijn enorm herkenbaar. Bijzonder zijn de beschrijvingen waarin het gaat over wat de lijdensweg van zijn moeder hem persoonlijk openbaart. Ze geven een extra dimensie aan het plot dat anders wat vlak had kunnen zijn gebleven. De vorm waarin Brouwer zijn boek gegoten heeft is origineel en zorgt ervoor dat de lezer het aangrijpende relaas gedoseerd en vanuit verschillende invalshoeken kan volgen. Brouwer publiceerde eerder al essays en verhalen. Laten we hopen dat hij met dit boek de smaak van het schrijven nog meer te pakken heeft gekregen.

     

     

  • Gestolde vrouwenlevens

    Gestolde vrouwenlevens

    Debuteren schijnt een vak apart. De kans op afwijzing was altijd al groot, maar werd groter vanwege de toegenomen aanvoer van manuscripten in de coronatijd. Sommige uitgeverijen kondigden om die reden zelfs een manuscriptenstop af. Dat echt talent desalniettemin wel komt bovendrijven blijkt uit het overtuigende debuut De Geliefden van Willemijn Kranendonk (1994).

    De eerste helft van het boek gaat over Jacqueline. In de intrigerende proloog loopt ze in de vrieskou blootsvoets rond in de tuin van het huis dat ze van haar vader heeft geërfd en dat nu verkocht is. Ze begeeft zich bewust op het dunne ijs van de vijver, zakt erdoorheen, strekt zich languit uit in het ijskoude water en vraagt om vergeving. Het daaropvolgende eerste hoofdstuk begint met de eerste dag van het pensioen van Jacqueline. Alhoewel ze haar droombaan inclusief fraaie mantelpakjes en een dure Range Rover had, vond ze het werk hoofdzakelijk saai.

    Ze heeft geen idee hoe ze haar tijd moet gaan vullen. ‘Wat doet een alleenstaande vrouw van zesenzestig met haar tijd? In mijn hoofd maak ik een lijst. Ik kan koekjes bakken, lezen, puzzelen, naar buiten kijken, een wandeling maken. Ik kan lunchen met vriendinnen, een cursus landschapschilderen volgen, ik kan een cruise maken over de Nijl, een huis kopen aan de Costa Brava.’

    Onvriendelijk en onbeholpen

    Jacqueline is niet bepaald slank en maakt een wat onbeholpen en soms zelfs onvriendelijke indruk. Ze blijkt weinig sociale contacten te hebben. Julia, een jonge vrouw, helpt haar met het huishouden en met inpakken vanwege een aanstaande verhuizing. Vriendin Neeltje is vooral humeurig omdat Jacqueline haar voorname huis heeft verkocht en verder bij haar vandaan gaat wonen.

    Jacqueline denkt veel terug aan haar jeugd. Haar moeder is overleden toen ze nog jong was en ze heeft het gevoel dat haar vader haar daarvoor verantwoordelijk hield. Ze heeft zich door hem nooit geliefd gevoeld. Tijdens het opruimen van allerlei dozen vindt ze een stapeltje brieven van ene Rosa, maar wie dat is wordt niet direct duidelijk. Vanwege de proloog is het personage van Jacqueline heel interessant, omdat de vraag waar ze vergeving voor vroeg in je achterhoofd blijft zoemen.

    Na haar verhuizing kan ze haar draai niet meer vinden, ze blijft soms hele dagen in bed liggen. Julia en Neeltje maken zich zorgen om haar en daarom neemt ze contact op met ene Erik, die op een briefje bij Albert Heijn aanbiedt mensen te helpen om hun ziel en lichaam echt te leren kennen. Erik is een zelfbenoemde coach die alles behalve professioneel te werk gaat  en Jacqueline is zijn eerste en enige klant, maar desalniettemin helpt hij haar om het leven weer onder controle te krijgen, hetgeen grappige scènes oplevert. En dan, halverwege het boek, wordt Jacqueline gebeld door Rosa en pas dan worden de contouren duidelijk van waarom het boek De geliefden heet.

    Communes

    Rosa blijkt namelijk de jeugdvriendin en geliefde van Jacqueline te zijn geweest. Ze heeft jarenlang door Europa gezworven en in een soort zelfvoorzienende communes met holistische visie geleefd. Iedere keer ging het na een paar maanden mis omdat ze haar draai niet kon vinden en trok ze weer verder naar een volgend land. ‘Zodra ik de keuze maakte om te vertrekken, splitste ik mijzelf op. De ene Rosa bleef achter, de andere ging een nieuw leven tegemoet. Ik zou alle Rosa’s op willen zoeken, ze de hand schudden, een aai geven.’
    Rosa blijkt een minstens even eenzaam leven te hebben geleid als Jacqueline. Haar ouders en zussen in Nederland hebben altijd moeite gehad met haar geaardheid en ze heeft net als Jacqueline nooit een langdurige relatie met iemand opgebouwd.

    Juiste keuze

    Na het telefonische contact tussen Rosa en Jacqueline krijgen de twee vrouwen voorzichtig weer contact met elkaar. Ze ontdekken dat ze zich allebei hun hele leven hebben afgevraagd of ze indertijd wel de juiste keuze hebben gemaakt, Jacqueline om in Nederland te blijven en hard te werken en Rosa om te vertrekken en een zwervend en sober bestaan te leiden. Ze zijn altijd aan elkaar blijven denken. Over in hoeverre er na al die jaren nog voldoende basis is om hun relatie van vroeger alsnog te continueren blijft Willemijn Kranendonk gelukkig een beetje vaag, alhoewel er ruim voldoende aanwijzingen zijn die in een bepaalde richting wijzen.

    De geliefden is een mooi gecomponeerde roman. De zorgvuldige opbouw van het boek alsmede de vraag hoe de levens van de vrouwen anders zouden zijn geweest als ze andere keuzes hadden gemaakt zorgen ervoor dat de lezer tot het einde toe geboeid blijft. Beide vrouwen hebben in hun jeugd dingen meegemaakt die invloed op hun levens hebben gehad, maar Kranendonk heeft ervoor gekozen om maar in zeer beperkte mate te psychologiseren rondom die gebeurtenissen, hetgeen wel een beetje een gemiste kans is. De stijl waarin het boek is geschreven leest prettig, is doeltreffend en bij vlagen ook droog humoristisch, bijvoorbeeld wanneer Jacqueline commentaar levert op haar eigen uiterlijk en gedrag. Mooi zijn Kranendonks  omschrijvingen waarin het gaat over gestolde laagjes, van ijs, van slagroom, van sausjes – wanneer je erop let zie je ze steeds terugkomen – als verwijzingen naar de levens van de twee vrouwen die in elkaars afwezigheid in zekere zin ook gestold zijn. Hopelijk gaan we de komende jaren meer horen van deze veelbelovende schrijfster.

     

  • Meeleven met een ongeleid projectiel

    Meeleven met een ongeleid projectiel

    In december 2021 is Yvonne Keuls 90 jaar oud geworden. Ze kan naast een eerbiedwaardige leeftijd ook bogen op een zeer indrukwekkend oeuvre. Van haar hand zijn inmiddels meer dan negentig publicaties verschenen, van toneelstukken en hoorspelen tot literaire televisiebewerkingen en romans. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw brak ze echt door met haar ‘sociale romans’ zoals Jan Rap en z’n maat, Het verrotte leven van Floortje Bloem en De moeder van David S. In diezelfde categorie valt ook Gemmetje Victoria, een boek dat binnen dat enorme oeuvre nog geschreven moest worden. 

    Yvonne Keuls ontmoette de nog jonge Gemmetje ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw in een opvanghuis voor jongeren, waar Keuls als vrijwilligster werkte. Het nog minderjarige meisje had in haar jonge leven al zeventien kindertehuizen, acht pleeggezinnen en een paar psychiatrische inrichtingen van binnen gezien en kondigde luidruchtig aan dat er niet voor niets met grote letters een stempel met ‘onhandelbaar’ op al haar dossiers stond. Als baby is ze weggehaald bij haar biologische moeder, van wie ze de achternaam niet kent. Victoria is een bedachte achternaam, omdat Gem altijd wel weer boven komt drijven. Ondanks het feit dat Gem Yvonne aanvankelijk allerlei voorwerpen (onder meer schoenen, asbakken en nog bevroren Iglo-maaltijden) naar het hoofd smijt en ondanks het feit dat Gem vanaf het begin duidelijk is over al haar gebreken, waaronder haar kleptomane neigingen, ontstaat er tussen de twee vrouwen een band voor het leven. 

    Ook nog zwanger

    In wezen is de verhaallijn bijzonder triest. Gemmetje kent haar ouders niet en zowel jeugdzorg als de kinderbescherming weigeren om haar aanknopingspunten te geven om op zoek te gaan naar haar biologische moeder. Het ontbreken van een stabiele basis heeft van Gemmetje een ongeleid projectiel gemaakt. Ze is ongelofelijk druk, steelt haar hele garderobe bij elkaar, heeft overal het hoogste woord, steekt de ene met de andere sigaret aan en heeft zelden een vaste woon- of verblijfplaats. Ze voelt zich vanwege allerlei akelige ervaringen in het verleden nooit veilig genoeg om ergens alleen in een kamer te slapen, er moet altijd iemand bij haar zijn bij wie ze zich op haar gemak voelt. En dan is ze op een dag ook nog zwanger.

    Gelukkig is er een non van de Congregatie van de Zusters van de Liefde die zich over haar ontfermt. Zuster Van der Mast, kortweg Zus, biedt in de Schilderswijk van Den Haag hulp aan daklozen en verslaafden. Yvonne en Zus zullen samen een onvoorwaardelijke basis blijven vormen voor de wispelturige Gem, maar ze doet alleen een beroep op hen wanneer ze echt helemaal klem zit. Het zoontje waarvan ze moeder wordt vindt ze te druk en te bewerkelijk. Ze laat hem al snel achter bij zijn vader, maar ze houdt wel contact met hem.

    Gevangenis

    Onder invloed van Zus lijkt Gem haar leven enigszins op de rails te krijgen. Zus regelt een baantje voor haar in de Schilderswijk en ze kan daar via Zus zelfs een eigen huisje krijgen. Gem maakt vanwege haar nieuwe baan kennis met een aantal Turkse en Marokkaanse vrouwen voor wie ze allerlei activiteiten bedenkt en organiseert, samen met Zus en haar Congregatie. Op een gegeven moment gaat Gem een papieren huwelijk aan, waarmee zij veel geld verdient en haar Turkse echtgenoot (die ze slechts enkele keren ontmoet) een verblijfsvergunning. Het geld spendeert ze aan een vakantie naar Suriname, samen met een vriendin van vroeger, maar op de terugweg naar Nederland worden er drugs aangetroffen in haar bagage en belandt ze een poos in de gevangenis. 

    De ellende stapelt zich kortom op in Gemmetje Victoria. Gelukkig hanteert Keuls een zeer vlot leesbare stijl die doorspekt is met allerlei humoristische observaties, maar de drukke Gem en de situaties waarin zij zich bevindt dan wel manoeuvreert zijn soms wat veel van het goede. Het verdient dan ook aanbeveling om het boek regelmatig even te sluiten om weer op adem te komen, want het ene probleem is nog niet opgelost of het volgende dient zich alweer aan. Gem blijkt op een gegeven moment ook nog flink ziek te zijn en moet steeds vaker een beroep doen op Yvonne, Zus en haar vriendinnen uit de Schilderswijk. 

    Belofte

    Keuls heeft met Gemmetje Victoria feitelijk een belofte ingelost aan Gem; al vanaf hun eerste kennismaking droomde Gem ervan dat Yvonne ooit een boek over haar zou schrijven. Je zou het boek kunnen zien als een aanklacht tegen foute keuzes die er in de jeugdzorg en door de kinderbescherming werden gemaakt. Het sterkst is Keuls wanneer ze de spreektaal weergeeft. De rauwheid van het milieu waarin Gem verkeert druipt er vanaf:

    ”Wat bedoelt die lulhannes nou?” zei Gem. “Nou ja, ik denk dat ik toch liever weer terugga naar Truus, koffie schenken met gevulde koeken en condooms en slapen in het grote IKEA-bed. Ik heb geen zin om in zo’n handhavingspakkie rond te lopen en iedereen op de bon te slingeren. Straks wachten ze me in het donker op om me een pak om m’n sodemieter te geven. En ik kan ook Sevda gaan helpen op haar school, want Sevda zei laatst nog dat ze me hartstikke slim vond en dat ik alles snel doorhad. Maar Sevda wil wel dat ik eerst naar de dokter ga, want die rothoest, die gaat maar niet weg en Sevda is bang dat het kinkhoest is, want dat heerst, en ze wil niet dat de hele school kinkhoest krijgt.”’ 

    De hele setting van de beginjaren van de Schilderswijk vormt een prachtig tijdsbeeld. Keuls’ observaties zijn vaak droogkomisch en de scène waarin Gem boos wordt omdat haar fiets is gestolen is grappig, omdat ze zelf ook vaak spullen meeneemt zonder ze te betalen. Maar om nu, zoals Marion Pauw dat op de achterflap van het boek doet, te stellen dat je ‘onder de tafel ligt van het lachen’ vanwege dit boek gaat te ver, daarvoor ben je als lezer toch te veel gaan meeleven met Gemmetje. De foute keuzes die keer op keer door haar gemaakt worden zie je al van verre aankomen. Onwillekeurig blijf je je echter steeds afvragen wat er van deze vrouw geworden zou zijn als ze na haar geboorte wel bij haar moeder had mogen blijven en niet in de handen van de jeugdzorg was gevallen.