• Niemand kent ooit iemand

    Niemand kent ooit iemand

    De Amerikaanse Elizabeth Strout (1956) is bekend van titels als Olive Kitteridge waarmee ze in 2009 de Pulitzer Prize for Fiction won, en van Ik heet Lucy Barton. Onlangs werd The Burgess Boys in het Nederlands uitgegeven. Op de achterflap van het boek staat te lezen dat De Burgess-broers ‘het ontbrekende puzzelstuk [vormt] in de geliefde Lucy Barton-serie’. Die blijkt uit in totaal zes delen te bestaan. De flaptekst zou lezers die niet bekend zijn met het werk van Strout ervan kunnen weerhouden om het boek te gaan lezen, in de veronderstelling dat er een bepaalde voorkennis vereist is, maar niets is minder waar.

    Het boek begint met een proloog in ik-perspectief waarin een ik (de schrijfster) en haar moeder het hebben over de familie Burgess, en dan met name over de kinderen Jim, Bob en Susan, die afkomstig was uit het slaperige plaatsje Shirley Falls in Maine. Deze familie heeft in het verleden een tragedie meegemaakt. Bob heeft namelijk toen hij vier jaar oud was zijn vader per ongeluk doodgereden met de auto, toen hij in een onbewaakt moment met de versnelling zat te spelen. De schrijfster en haar moeder zijn het erover eens dat het verhaal van de familie Burgess een ‘goed verhaal’ is voor een boek. ‘‘‘Ze zullen zeggen dat het niet aardig is om te schrijven over mensen die ik ken.” Mijn moeder was die avond moe. Ze gaapte. ”Ach, je kent hen niet,” zei ze. “Niemand kent ooit iemand.’’’

    Varkenskop

    En precies over die laatste zin gaat het in De Burgess-broers. In vijf delen beschrijft Strout in een alwetend perspectief een aantal maanden uit het leven van met name Jim en Bob Burgess. Zij hebben Shirley Falls al jaren geleden en tot hun grote vreugde achter zich gelaten. Jim is een succesvolle bedrijfsjurist geworden in Manhattan. Hij is getrouwd met Helen, die ten tijde van het boek gebukt gaat onder het legenestsyndroom vanwege het feit dat hun jongste kind is gaan studeren. Bob is minder succesvol dan zijn oudere broer. Hij is minder carrièregericht en werkt in de rechtsbijstand. Zijn vrouw heeft hem verlaten omdat hun relatie kinderloos bleef.

    De tweelingzus van Bob, Susan, is wel in Shirley Falls blijven wonen. Zij roept de hulp in van haar broers, omdat haar zoon Zachary een bevroren varkenskop door de voordeur van een moskee heeft gegooid tijdens het gebed in de ramadantijd. Er blijkt in Shirley Falls een grote Somali-gemeenschap neergestreken te zijn waarvoor het overwegend witte stadje niet altijd sympathie kan opbrengen. Het lukt de broers niet om helder te krijgen waarom Zachary dit haatmisdrijf heeft gepleegd. Sinds de scheiding van zijn ouders is de broodmagere jongen enorm in zichzelf gekeerd geraakt. De enige die hem enigszins doorgrondt is een vriendelijke vrouwelijke predikant.

    Verwachtingen

    De verwachtingen die zich bij de lezer ontwikkelen naar aanleiding van deze ingrediënten buitelen in het eerste deel nog ongelimiteerd over elkaar heen. In de delen die volgen worden alle elementen echter zonder uitzondering uitvoerig genuanceerd. Jim is inderdaad de gewiekste advocaat van wie je zou verwachten dat hij zijn neefje met allerlei slinkse juridische trucjes uit de gevangenis weet te houden. Maar Jim blijkt veel meer te zijn dan alleen dat en daardoor loopt alles net iets anders dan verwacht. Daarnaast blijkt Jim zijn hele leven al een ingewikkeld geheim met zich mee te dragen. Bob heeft zijn hele leven in de schaduw gestaan van zijn grote, knappe en succesvolle broer en aangezien zijn leven ooit al is begonnen met een fout lijkt het logisch dat hij een mislukkeling zal blijven. Hij heeft weinig verwachtingen van zichzelf en ook als lezer zit je lang op het spoor dat je met Bob de oorlog niet zult winnen. Ook dit personage krijgt in de loop van het boek steeds meer diepgang.

    Het is aangrijpend om te zien hoe de door afstand bekoelde relatie tussen de broers en hun zus zich na aanvankelijk wat stroeve weken toch verdiept. De invloed van de gebeurtenissen uit het verleden blijkt voor Jim, Bob en Susan groter te zijn dan ze zelf voor mogelijk hadden gehouden. De oplossing voor het incident met de door Zachary gegooide varkenskop komt uiteindelijk uit een onverwachte hoek.

    Vooroordelen

    De Burgess-broers is een boek waarin veel vooroordelen beschreven worden. De personages hebben onderling (voor)oordelen over elkaar, zowel positieve als negatieve. Hetzelfde geldt voor de gemeenschap waarin ze zich bewegen. Over en weer is er sprake van allerlei vooronderstellingen die Strout haarfijn fileert, zonder politiek correct te willen zijn en zonder oordeel. Daarvoor neemt ze haar tijd, de roman is met bijna vierhonderd bladzijden tamelijk dik en bij vlagen wat langdradig. Dat komt ook omdat Strout ervoor zorgt dat werkelijk ieder draadje zorgvuldig wordt afgehecht. Zelfs in de proloog zijn achteraf nog antwoorden te lezen op vragen die je na het lezen eventueel nog zou kunnen hebben. Als je een minpunt zou willen noemen van dit boek, dan is het dat alles grondig wordt voorgekauwd en uitgekauwd.

    Toch is het eindresultaat een verhaal dat onder je huid gaat zitten. De vlotte maar redelijk rechttoe rechtaan-stijl met veel dialogen zorgt ervoor dat je als lezer het gevoel krijgt aanwezig te zijn bij gesprekken. Je raakt behoorlijk begaan met de verschillende personages, zelfs met personages met wie je aanvankelijk weinig hebt. Je krijgt bijna de neiging om ze toe te spreken, vanwege het alwetend perspectief waardoor je als lezer soms meer weet dan de personages zelf. Het is ook een boek dat aanzet tot nadenken over je eigen standpunten en vooroordelen, omdat je ontdekt dat er een kern van waarheid zit in de stelling van de moeder van de auteur dat niemand ooit iemand kent. Toch komt haar dochter een eind in de buurt met het schrijven van De Burgess-broers, een boek dat zeker een uitnodiging is om de andere delen van de Lucy Barton-serie te gaan ontdekken.

     

  • De kiem van De wand

    De kiem van De wand

    De Oostenrijkse Marlen Haushofer (1920-1970) is bij het grote publiek vooral bekend geworden vanwege haar weergaloze roman De wand (1963). Haar debuutroman uit 1955, Een handvol leven, is onlangs ook in het Nederlands vertaald (door Anne Folkertsma), met een nawoord van Charlotte Remarque. Zij ziet in Een handvol leven al een kiem van De wand, in die zin dat in beide romans sprake is van een vrouwelijk hoofdpersonage dat zich afzondert. Ze heeft daarmee zeker een punt.

    In Een handvol leven keert een vrouw met de naam Betty Russel terug naar het huis waar ze ooit gewoond heeft. De huidige bewoners hebben het te koop gezet en zij is een geïnteresseerde koper, die van ver komt. Ze heeft iets bekends voor de verkopers, maar ze kunnen niet helemaal thuisbrengen wat dat bekende precies is. Betty biedt zonder omwegen de vraagprijs voor het huis en blijft vanwege praktische redenen overnachten in het huis dat binnenkort het hare zal zijn. In haar oude kamer vindt ze een doos met ansichtkaarten en foto’s. Aan de hand van die spullen wordt via allerlei flashbacks duidelijk wie deze Betty in werkelijkheid is en hoe ze tot de keuze is gekomen om het leven dat ze vroeger in dit huis leidde achter zich te laten.

    IJzig koud klooster

    Het leven van Betty begint met een beschrijving van de jonge Lieserl, die op haar vijfde naar familie op het platteland werd gestuurd omdat haar moeder zou gaan bevallen. Het eenzelvige meisje leeft in een wat magisch realistische fantasiewereld en is enorm onder de indruk van een slager die een koe komt slachten. Later heet hetzelfde meisje Elisabeth en zit ze intern op een school bij de nonnen. In het klooster is het vaak ijzig koud (Elisabeth zal de rest van haar leven een afkeer van kou houden) en de nonnen verwijten het nieuwsgierige meisje dat dol is op lezen dat ze een schepsel boordevol fouten is. ‘Ze wist niet precies wat ze had misdaan, maar dat voortdurende schuldgevoel maakte haar ellendig. Een tijdlang probeerde ze zich ervan te bevrijden door zo vaak mogelijk te biechten. Dat zorgde echter slechts even voor verlichting.’

    Na verloop van tijd begint ze bepaalde situaties uit de weg te gaan om conflicten te vermijden. Ze sluit een soort vriendschap met twee andere meisjes, de vrolijke en vriendelijke Käthe en de broodmagere Margot, die godsdienstwaanzinnig wordt en met wie het uiteindelijk slecht afloopt. De driehoeksverhouding tussen de meisjes kost Elisabeth veel energie, ook omdat Margot haar voor zichzelf wil opeisen.

    Vreemdgaan uit pure verveling

    Ook wanneer ze ouder wordt, is het voor Elisabeth moeilijk om zich tot anderen te verhouden. Ze verlooft zich, verbreekt die verloving, trouwt uiteindelijk met Anton (Toni) Pfluger en krijgt een zoon. Ze voelt weinig liefde of waardering voor haar echtgenoot en voelt zich überhaupt ontheemd in het leven: ‘Met het stille cynisme van een vrouw observeerde ze hoe de ene helft van de mensheid stiekem maar onverstoorbaar alles saboteerde wat de andere helft buitengewoon belangrijk vond. Toch wilde ze ook in geen geval in een vrouwenwereld leven, waar nut en verstand regeerden en waar dan wel geen enorme oorlogen of honger waren, maar er ook niets meer te lachen viel.’

    Uit pure verveling begint Elisabeth een verhouding met een zakenpartner van Toni, een man die ze eigenlijk niet eens aantrekkelijk vindt. Na een jaar en drie maanden maakt ze een eind aan de relatie. Ze kijkt naar zichzelf in de spiegel terwijl ze huilt en dan gebeurt er iets bijzonders: Ze voelde een heel onpersoonlijk medelijden met die huilende vrouw en fluisterde iets troostrijks terwijl ze haar tranen droogde. Tegelijkertijd stond achter haar een derde Elisabeth, zij keek bijna een beetje geamuseerd naar de huilende vrouw en dacht: maak er niet zo’n drama van, lieverds.’

    Wanneer ze begint te fantaseren over de dood van haar echtgenoot, kind en minnaar, beseft Elisabeth dat er echt iets moet veranderen in haar leven en neemt ze een ingrijpende beslissing: ze verdwijnt en haar naasten wanen haar dood.

    Stroef personage

    Maar hoe boeiend deze levensloop ook is, het personage Lieserl/Elisabeth/Betty blijft opvallend op afstand. Ze is stroef en eenzelvig, waardoor je moeilijk met haar gedachten en gevoelens kunt meebewegen. In De wand is de eenzaamheid van het hoofdpersonage beter invoelbaar, alhoewel Een handvol leven qua opbouw zeker ook mooie vondsten heeft. Alhoewel sommige delen van het leven van Elisabeth uitgebreid uit de doeken worden gedaan, blijft de periode tussen haar ingrijpende beslissing en de terugkeer naar het huis dat ze ooit verliet in nevelen gehuld. Haushofer laat deze periode bewust onvermeld; dat levert spanning op, maar voelt ook onbevredigend. Wanneer je haar biografie bestudeert, valt op dat ook zij worstelde met zingeving en de geringe invloed die vrouwen indertijd hadden op hun eigen leven. In die zin is Een handvol leven dan ook zeker een feministisch boek te noemen.

    Al met al is het debuut van Marlen Haushofer vooral interessant om te lezen voor wie heeft genoten van De wand. De thematiek van eenzaamheid, het gevoel van de zinloosheid van het leven en de machteloosheid die iemand kan voelen ten aanzien van het bestaan worden fraai beschreven. Het taalgebruik is rijk en beeldend en veel zinnen nodigen uit om nogmaals gelezen te worden. Een handvol leven is geen meesterwerk à la De wand, maar een intrigerend en thematisch rijk debuut dat veel verraadt over Haushofers latere kracht.

     

  • Hoe lang houdt de schaamte aan?

    Hoe lang houdt de schaamte aan?

    De moeder van journalist, columnist, econoom en schrijver Sheila Sitalsing (1968) deed aan ‘zwijgen door te spreken. Ze kwebbelde onschuldige oorlogsanekdotes aan elkaar tot een lange woordenslinger die ze om haar geheim heen wikkelde, tot er niets meer van te zien was.’ Wat dat geheim precies was ontdekken haar dochters pas na haar dood, in een nagelaten schrijven. De opa van Sheila Sitalsing, Sjarrel, blijkt ‘fout’ te zijn geweest in de Tweede Wereldoorlog. Daarover is in het gezin nooit gesproken; zelfs de vader van Sitalsing is nooit op de hoogte gebracht van het verleden van zijn schoonvader. Het resultaat van de zoektocht die Sheila Sitalsing vervolgens ondernam is de inhoud van haar nieuwe non-fictieboek Waar ik me voor schaam. Op de voorkant staat een foto van haar moeder. Ze is ongeveer tien jaar oud en lid van de Jeugdstorm, een organisatie die zeer nauwe banden had met de NSB.

    De vragen die het nagelaten schrijven oproepen zijn enorm invoelbaar. Waarom zou iemand bijvoorbeeld jarenlang zwijgen over zo’n groot en gevoelig geheim? Waar moet je beginnen om dat te begrijpen en wat kun je doen om het zwijgen te doorbreken? Het besef dringt zich op dat er inmiddels zeer veel mensen moeten rondlopen die in meer of mindere mate verwant zijn aan een ‘foute’ voorouder. De vorm van het boek is daarom een soort instructieboek, met elf ‘wenken’ hoe je zou kunnen omgaan met die kennis. Dat klinkt wat saai en zakelijk, maar dat is het allerminst. Iedere wenk begint met een bepaald principe dat vervolgens door een kleine toevoeging iets lichts krijgt. Neem bijvoorbeeld de vierde wenk: wees mild voor de gebutsten (we zijn allemaal verkreukeld).

    Bruine dozen

    De zoektocht naar het verleden van haar opa begint voor Sheila Sitalsing in de bruine dozen van het Nationaal Archief. Ze onthullen een aantal belangrijke feiten, bijvoorbeeld dat opa Sjarrel en oma Tootje vanaf 1935 lid waren van de NSB, dat opa een redelijk hoge positie binnen die partij had weten te bemachtigen en dat hij na de oorlog lang gevangen heeft gezeten. Toen was hij inmiddels gescheiden van zijn vrouw. Oma Tootje heeft een poosje vastgezeten in Westerbork (haar dochter woonde toen tijdelijk bij een oma) en heeft na haar vrijlating tien jaar niet mogen stemmen. Naast antwoorden op een aantal vragen blijkt ook dat uiteraard lang niet alles in de bruine dozen terug te vinden is. Waarom haar opa altijd een ‘groot Jodenhater’ (in de nagelaten woorden van haar moeder) geweest is, kan niet worden achterhaald.

    De schaamte waar in de titel van het boek sprake van is, kleeft zoals gezegd mogelijk ook aan andere nazaten van de ongeveer vierhonderdduizend (!) mensen naar wie na de Tweede Wereldoorlog onderzoek is gedaan over mogelijke collaboratie. ‘Het idee dat nakomelingen of verwanten van daders ook een soort daders zijn, blijft terugkeren bij het bekend worden van nieuwe daders en nieuwe verwanten met een hardnekkigheid die verwondert.’ Kinderen van collaborateurs hebben vaak een nare jeugd gehad, doordat ze sociaal uitgesloten werden, gepest werden op school, of uit huis werden geplaatst. Kinderen van NSB’ers lijden daarom soms ook aan trauma’s, vergelijkbaar met die van oorlogsslachtoffers, betoogt Sitalsing. Het punt is alleen dat er weinig aandacht is geweest voor deze groep, aan wie de schande van collaboratie generaties lang is blijven plakken. Eén van de twee motto’s van het boek luidt: ‘Het is wat om kind van ouders te zijn.’ (Pieter Coen Blom, psychiater.) De moeder van Sheila Sitalsing heeft dat beslist aan den lijve ondervonden; het heeft haar hele leven gekleurd.

    Lidmaatschap van de NSB

    De ‘wenk’ waarin beschreven wordt hoe opa Sjarrel is opgegroeid en waarin een mogelijke verklaring gezocht wordt voor zijn lidmaatschap van de NSB is een prettige onderbreking van de ‘wenken’ waarin het vooral gaat om het onderzoek, omdat het silhouet van de tot dan toe wat abstracte opa meer vorm krijgt. Iets verderop in het boek wordt in een andere ‘wenk’ ook ingezoomd op hoe het oma Tootje en opa Sjarrel is vergaan na de bevrijding. Deze biografische beschrijvingen zijn fijn om te lezen. Ze zijn invoelbaar en met compassie geschreven en tegelijkertijd is het overduidelijk dat Sitalsing ze niet inzet als een soort verzachtende omstandigheden.

    Midden in het boek bevindt zich een uitgebreide lijst met zaken ten aanzien van het verleden waarvoor Sheila Sitalsing zich schaamt. Ze schaamt zich ervoor dat ze de letter C in de opsommingslijst eigenlijk het ergst vond (‘Dat mijn moeder zich niet vertrouwd genoeg heeft gevoeld met haar eigen dochters om over haar echte oorlog te praten. Dat ze een lulverhaal heeft opgehangen. Dat de vertrouwelijkheid niet echt was.’), terwijl er bij de andere letters objectief gezien ergere zaken staan.

    Waar ik me voor schaam is rijk aan feiten en inzichten. Zo blijkt de Shoah pas twintig jaar na de bevrijding voor het eerst herdacht te worden op 4 mei. Aan het eind van het boek wordt ook aandacht besteed aan het digitaal openbaar maken van het Nationaal Archief en welke haken en ogen daaraan kunnen zitten voor nabestaanden van die vierhonderdduizend mensen naar wie onderzoek gedaan is. Tegelijkertijd is het fijn om te beseffen dat je als dit soort nabestaande niet de enige bent en blijkt er een Werkgroep Herkenning te bestaan die lotgenotencontact mogelijk maakt. Dat is belangrijk, want ongeveer een derde van de kinderen en een vijfde van de kleinkinderen blijkt ergens in hun leven in enige mate psychische of fysieke klachten te ontwikkelen die gerelateerd kunnen worden aan het collaboratieverleden van hun voorouders.

    De pubers

    Ondanks het gewicht van de thema’s die in het boek naar voren komen is Waar ik me voor schaam geen zwaar boek geworden. Dat komt niet alleen door de heldere, licht ironische stijl waarin het geschreven is, maar zeker ook door de blik die ‘de pubers’, de kinderen van Sitalsing (en dus de achterkleinkinderen van opa Sjarrel en oma Tootje) geregeld werpen op de gebeurtenissen uit het verleden. Het zwijgen van hun oma interpreteren zij niet als jokken. Zij zijn als TikTok- en Instagramgeneratie gewend aan ‘gefilterde werkelijkheden’ en kijken op een ontwapenende manier naar de zaken waar hun moeder zich voor schaamt en waar hun oma over zweeg. Misschien heeft een collaboratieverleden de afstand van enkele generaties nodig om de schaamte voorbij te geraken.

     

  • Tijdreis naar een vader

    Tijdreis naar een vader

    Lezen is soms voor je gevoel een tijdreis maken. In Wonderkind, het debuut van Willemijn Tillmans (1976) word je bijna voelbaar meegenomen naar de jaren tachtig, de tijd dus waarin zijzelf opgroeide. Madonna, Countdown en de Hitkrant, de overgang van elpees naar cd’s, Top Gun, Limara Romantic Fantasy (de deodorant), Treets, Tjolk en Domovla, het zijn voorbeelden van de sfeer uit die tijd die door het hele boek heen terloops genoemd worden zonder verder al te veel af te leiden. Het viewmasterschijfje op de cover zal bij menig lezer jeugdherinneringen oproepen, maar wellicht bij jongere lezers voor wat hoofdbrekens zorgen.

    Hoofdpersonage Mia Compré (‘Weet je dat mijn naam mikpunt betekent als je hem omdraait?’) kijkt rond haar achtenveertigste in de proloog van het boek terug op haar jeugd. Ze kijkt naar een foto die gemaakt is op haar twaalfde verjaardag: ‘Iedere keer wanneer ik naar die foto kijk, zijn er drie Mia’s jarig: het meisje van twaalf naast haar fiets, de jonge vrouw van zestien die hanenpoterig cijfers in het fotopapier kerfde… en ik.’ Mia keert als volwassene jaarlijks terug naar Geldrop, de plaats waar haar vader ooit uit haar leven verdween. Die terugkeer heeft iets onvermijdelijks; niet voor niets begint het boek met het volgende motto van A.F.Th. van der Heijden: ‘Wie er zijn jeugd heeft doorgebracht, zit voor de rest van zijn leven in de armen van de octopus verstrikt. Je kunt er een loswrikken en dan nemen er onmiddellijk twee andere je in de accolade. Wat je voelt is de liefde van Geldrop voor jou: een dodelijke omhelzing.’

    Mijn kleine treinstationnetje

    Feit is dat Mia een verre van onbezorgde jeugd heeft gehad. Dat geldt eveneens voor haar oudere broers Thomas en Max, maar omdat het boek vanuit een ik-perspectief verteld wordt, krijg je daar minder van mee. Alle koosnaampjes die haar vader gebruikt voor Mia ten spijt (Mienemups, mijn kleine treinstationnetje), snakt Mia overduidelijk naar de onverdeelde aandacht van haar vader. Haar goudvissen noemt ze Papa en Mia. De moeder van Mia, Marjan, probeert vooral de boel bij elkaar te houden en dingen glad te strijken, zowel voor haar kinderen als voor haar echtgenoot en voor zichzelf. Zij blijft als personage helaas wat vlak.

    Wim, de vader van Mia komt ziek thuis te zitten wanneer de subsidie voor de Ward-methode (een methode voor zangonderwijs die vooral werd gebruikt op katholieke basisscholen) niet wordt verlengd, omdat de beloofde resultaten uitblijven. Tot dan toe was zijn gedrag al op zijn minst bijzonder te noemen, maar het verlies van zijn werk leidt ertoe dat hij zich eigenlijk alleen maar verder terugtrekt uit het gezinsleven en steeds meer onaangepast gedrag gaat vertonen. Mia reageert daarop door bijvoorbeeld niet meer in haar bed te slapen maar op de vloer in een kast. Ook krijgt ze een meer dan gemiddelde belangstelling voor de seksuele ontwikkeling van haar eigen lichaam, later ook in relatie tot het andere geslacht. Ze wil ‘net zoveel varianten van mezelf kunnen zijn als Madonna in het clipje van ‘Who’s That Girl’.’ Haar vader wordt ondertussen steeds gewelddadiger. De hond heeft bijvoorbeeld plotseling een hersenschudding, en op de een of andere manier ziet Mia niet helder wat het aandeel van haar vader daarin is geweest. Daarnaast krijgt hij last van een bepaalde grootheidswaan en doet hij onverantwoord grote uitgaven voor zichzelf met het zorgvuldig door haar moeder bij elkaar gespaarde vakantiegeld. Ronduit onsmakelijk is de scène waarin Wim zichzelf met Mia opsluit in het toilet van een slaaptrein en vervolgens betrapt wordt door zijn vrouw, Mia’s moeder. Als lezer vraag je je steeds meer af wat er eigenlijk precies met deze man aan de hand is.

    Achterflap

    Op een gegeven moment verdwijnt Wim. Al eerder was hij een paar dagen spoorloos en kwam toch weer terug, maar op een gegeven moment is zijn verdwijning definitief. Ergens is het jammer dat op de achterflap al vermeld wordt dat dit het gegeven is waarom de roman draait en ook in de proloog wordt er al kort naar de verdwijning verwezen. Het boek zou echter krachtiger geweest zijn als de verdwijning meer als een verrassing gekomen was, omdat je nu best lang moet ‘wachten’ tot het zover is. Daarentegen is de druk waaronder het gezin gebukt gaat vanwege de psychische gesteldheid van de vader bijzonder goed weergegeven. De houding van Mia ten aanzien van haar vader wordt naarmate ze ouder wordt steeds kritischer, maar ze blijft ook loyaal.

    Het laatste deel van het boek, Het kind en ik, is verreweg het sterkste en meest indrukwekkend, omdat Mia daar als volwassene terugkijkt op wat ze als kind heeft meegemaakt. De aanloop naar dat laatste deel is best lang, je volgt op dat moment al zo’n ruim driehonderd bladzijden het weinige wel en het vele wee van de familie Compré, dat vlot, met humor en soms enige ironie wordt beschreven. Willemijn Tillmans is zonder twijfel in staat om de aandacht vast te houden, maar vraagt met de omvang van haar debuut zeker wat van de lezer. Al met al is Wonderkind toch een plezierige leeservaring.

     

  • Witte strik in aaibaar kroeshaar

    Witte strik in aaibaar kroeshaar

    Op de achtergrond is een zwierige dame in klederdracht te zien, rechts vooraan een blond jochie op klompen dat wat aarzelend hand in hand staat met een wat beteuterd kijkend zwart meisje in een zwart jurkje met wit kanten kraagje en een grote witte strik in het kroeshaar. Alleen al op grond van deze intrigerende foto op het omslag van De dochter – herinneringen aan anders zijn van journalist en columnist Harriët Duurvoort (1969) wil je weten wat het verhaal is bij deze foto. En wat een verhaal is dat, de levensgeschiedenis die de schrijfster over haar moeder heeft opgetekend!

    Eva Nijman werd als baby geadopteerd door Jan en Saar van Dam, die maar niet in verwachting raakten, maar wel een enorme kinderwens hadden. Zo’n adoptie ging indertijd, we spreken over 1928, soms gewoon via een advertentie in de krant. De biologische moeder van Eva was zwanger geraakt van een zwarte man en moest vanwege de schande van een buitenechtelijk kind afstand doen van haar baby. In de Scheveningse gereformeerde kerk waar Jan en Saar bij hoorden, kon de kleine Eva volgens de mannenbroeders van de kerkenraad niet gedoopt worden. Weliswaar vallen alle baby’s onder de ‘erfzonde’, maar de zonde die de moeder van Eva had begaan door zwanger te raken van een zwarte man werd toch wel beschouwd als hors catégorie. Het is het eerste van vele voorbeelden van racisme waar Eva in haar leven mee te maken zal krijgen.

    Enerzijds blijkt Eva daar op een heel mondige manier mee om te gaan. Frans, een notoire pestkop die haar bij voortduring uitscheldt voor ‘vieze vuile poepnikker’, wordt op verzoek van de zevenjarige Eva door de politie aangesproken op zijn gedrag. Haar adoptieouders weten van niets, Eva heeft helemaal zelf bedacht dat Frans voor de politie wel ontzag moet hebben. Haar actie heeft het gewenste effect. Anderzijds groeit Eva op in een wereld waarin zij het enige zwarte meisje is en waarin ze zich vaak eenzaam voelt. De gaper in de apotheek en het negerpoppetje in de kerk (waarin je in de wijdopen mond met dikke lippen munten kon gooien voor de zending) geven haar weliswaar een eigenaardig gevoel van verwantschap, maar waarom dat eigenlijk is kan ze als jong meisje niet onder woorden brengen.

    Roze armen en benen

    Naarmate Eva ouder wordt groeit het besef dat ze ‘anders’ is dan andere mensen. Dat willekeurige voorbijgangers willen voelen aan haar kroeshaar is tot daar aan toe, maar babyzusje Roos, dat tegen iedere verwachting in zeven jaar na de komst van Eva als biologisch kind van Jan en Saar geboren wordt, heeft ‘net zulke roze armen en benen als Vader en Moeder en blonde, steile haartjes’. Het onderwerp is thuis moeilijk bespreekbaar: ‘Toen was het tijd om Vader te vragen hoe dat allemaal in elkaar zat en ze verzamelde al haar moed. Maar hij zei alleen: “Jij bent onze Eva en je bent precies zoals je zijn moet! En wij houden van je!”

    Buitenshuis blijven de vooroordelen echter hardnekkig. Eva’s meester van de lagere school verzucht hardop tegen de ouders van Eva ‘dat dit ras niet kan leren’, terwijl Eva het tot dan toe eigenlijk prima deed op school. Die opmerking lijkt even een self fulfilling prophecy te worden, want het leren gaat Eva plotsklaps een stuk minder goed af, maar ze weet zich te herpakken en mag uiteindelijk zelfs naar de hbs, mede door bemoedigende woorden van de grote hoeveelheid ooms en tantes die ze rijk is. Binnen de familie is Eva geliefd en voelt ze zich gesteund, zolang ze maar geen vragen stelt over haar afkomst. Wanneer Eva tijdens de Tweede Wereldoorlog een persoonsbewijs moet hebben, biechten haar ouders op dat ze door iemand anders ter wereld is gebracht. Ze is dan al vijftien jaar oud. Haar ouders kunnen alleen maar benadrukken dat ze van haar houden.

    Emigreren

    De teleurstelling over de onmacht van haar ouders om over haar afkomst te praten, slaat bij Eva om in boosheid. In de jaren na de oorlog raakt het gezin Van Dam besmet met het emigratievirus. Uiteindelijk vertrekken de ouders en (inmiddels) twee zusjes van Eva na veel omzwervingen naar Canada. Eva besluit om niet mee te gaan, maar zich in plaats daarvan te vestigen in Suriname. Daar komt ze tot de ontdekking dat ze zich ook daar anders voelt (en anders bejegend wordt), omdat ze meer aansluiting heeft bij de witte minderheid.

    Ondanks het gevoel dat ze nergens echt bij hoort, komt Eva in elke fase van haar leeftijd over als een sterke vrouw, die de regie stevig in handen heeft. Nergens wordt gesuggereerd dat je medelijden met haar zou moeten hebben of dat ze bijzonder kwetsbaar zou zijn. Met de kennis van nu over adoptie, is de boosheid van Eva jegens haar zwijgzame ouders zeer begrijpelijk en invoelbaar. Al wordt ook keer op keer door haarzelf benadrukt dat Jan en Saar vanuit liefde kozen voor hun terughoudendheid. Het deel over de naoorlogse jaren voelt wat traag, maar wanneer Eva zich uiteindelijk settelt en zelf moeder wordt, is de aandacht voor het verhaal weer helemaal terug. De cliffhanger waar het boek mee eindigt geeft goede hoop op een vervolg. Vanwege de fijne stijl waarin het boek geschreven is, is het ook te hopen dat Harriët Duurvoort zich ooit aan een roman gaat wagen. Verhalen vertellen gaat haar namelijk bijzonder goed af.

     

     

  • Rughaar en onuitgepakte dozen

    Rughaar en onuitgepakte dozen

    Op de cover van Avondmensen, het romandebuut van Caroline van Keeken (1988) prijkt een fraai stilleven van Louise te Poele. Het is een afbeelding waar je naar kunt blijven kijken, omdat je in verwarring gebracht wordt door de combinatie van een klassieke compositie en allerlei voorwerpen die je daarin eigenlijk niet verwacht. De schrijfster van het boek, Caroline van Keeken, volgde de bachelor Europese studies en de master journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Ze schrijft onder andere voor Het Parool, NRC en Trouw en publiceerde eerder de verhalenbundel Zo worden wij niet.

    In Avondmensen maken we kennis met de negenentwintigjarige Boris, die sinds kort weer thuis woont omdat er in het huis waar hij eigenlijk hoort te wonen een luchtvochtigheidsprobleem zou zijn. Met het huwelijk van zijn ouders Simon en Heleen gaat het niet zo goed. Heleen heeft haar intrek genomen op de zolderverdieping van het huis en Simon, een van de twee ik-vertellers, doet aandoenlijk zijn best om haar voor zich terug te winnen. Hun vijfentwintigjarige dochter Alice woont al twee jaar op zichzelf. Hun zestienjarige dochter Noor woont nog thuis. Ze leidt een vrij geïsoleerd leven, omdat haar broer door zijn gedrag haar beste vriendin heeft verjaagd. Noor heeft zoals het een echte tiener betaamt kritiek op alles en iedereen, maar mogelijk heeft zij als enige in het boek een heldere blik op de onderlinge verhoudingen tussen de gezinsleden: ‘Noor gaat verzitten, pakt mijn hoofd met beide handen vast. “Weet je wat het is, pap, jij neemt helemaal geen ruimte in.”’

    Medium

    Die verhoudingen zijn namelijk behoorlijk gecompliceerd. Boris blijkt al zo’n zestien jaar een zware wissel op het gezin te trekken. Toen hij dertien was kaartte een mentor van school zijn opvallende gedrag aan bij zijn ouders, maar moeder Heleen stond er vanaf het eerste moment al niet voor open om nader onderzoek te laten doen. Haar vertrouwen in ‘de instanties’ was en blijft ook in de rest van het boek bijzonder laag. Haar vader was jarenlang opgenomen in een gesticht en ze wil Boris tegen elke prijs buiten de reguliere zorg houden, ook al gaat hij niet meer naar de universiteit, is hij bij vlagen behoorlijk gewelddadig en bepaalt hij sinds hij weer thuis woont hun hele gezinsleven. Liever zoekt ze haar toevlucht bij Kelda, een medium dat Boris bij Heleen op zolder energetisch komt reinigen.

    Vader Simon laat het allemaal oogluikend (maar ondertussen knarsetandend) gebeuren. Hij is geobsedeerd door zijn rughaar waaraan hij zich plotseling heel erg gaat storen. Hij schaft bij de drogist een nogal agressief middeltje aan dat zijn ‘probleem’ niet bepaald verhelpt. Simon is een wat sullige man die zich laat ondersneeuwen door zijn vrouw. Op zijn manier probeert hij Boris te helpen door een baantje voor hem te regelen op de afdeling waar hij werkt en doet hij een poging om hun kelder in een liefdesnestje te transformeren, in de hoop Heleen weer voor zich te winnen.

    Onuitgepakte dozen

    Dochter Alice is de tweede verteller, ook weer in een ik-perspectief. Net zoals alle andere gezinsleden is ook zij een beetje bijzonder. Ze woont al twee jaar op zichzelf, maar heeft symbolisch genoeg haar verhuisdozen nog steeds niet uitgepakt. Ze heeft een nogal ongezonde relatie met Frits, die ook haar scriptiebegeleider is. Ze stelt haar eigen toekomst steeds uit, omdat ze zich erg loyaal toont aan haar ouders en broer en zus. Ze vindt dat haar vader meer voor zichzelf moet opkomen en is er een voorstander van dat Boris professionele hulp krijgt. Om zichzelf te beschermen bedenkt ze regelmatig ‘het betere verhaal’, een andere versie van hoe de werkelijkheid ook had kunnen zijn.

    Een diagnose heeft Boris nooit gekregen. Hij gamet in het boek veel, zo veel dat hij niet eens tijd heeft om te eten. Heleen praat zijn gedrag altijd goed: ‘Hij is een avondmens. (…) Boris heeft niets met de middag. (…) Boris houdt niet van de ochtend en de middag, die slaat hij dan ook het liefst over. (…) Avondmensen zijn heel bijzondere mensen. Die moet je overdag niet lastig vallen.’

    Hypochondrische klachten

    Hoe bijzonder Boris is, blijkt bijvoorbeeld ook uit de cadeaus die hij krijgt. Op zijn veertiende wilde hij heel graag een bladblazer voor zijn verjaardag krijgen. De hygrometer die hij voor Kerst krijgt wanneer hij op zichzelf woont, vormt de basis voor allerlei hypochondrische klachten waardoor hij weer thuis komt wonen. Hij drukt onmiskenbaar een stempel op alle gezinsleden, maar we zien hem vanwege het gekozen perspectief uitsluitend door de ogen van Simon en Alice. Daarom blijft Boris als personage wat vlak. Datzelfde geldt voor Heleen en Noor, waarbij met name Heleen steeds meer een karikatuur wordt. Dat is jammer, want haar onvoorwaardelijke liefde voor haar zoon en de redenen waarom ze hem tegen elke prijs wil beschermen tegen invloeden van buitenaf raken daardoor ondergesneeuwd.

    Avondmensen is geschreven in een vlotte rechttoe rechtaan stijl. Het gaat vooral om de inhoud, niet om fraaie zinnen die je zou willen herlezen vanwege hun schoonheid. Ondanks de tragiek van het gezinsleven is er op diverse momenten sprake van min of meer komische situaties of gesprekken, die soms wat pijnlijk of enigszins geforceerd aanvoelen. Het gegeven van een gezin dat lijdt onder een gezinslid dat niet lijkt te passen in de maatschappij is interessant, maar er had meer in kunnen zitten, zeker in de diepgang van de personages.

     

     

  • Kun je ontsnappen uit een achterstandswijk?

    Kun je ontsnappen uit een achterstandswijk?

    Nicolas Lunabba (1981) groeide op in een achterstandswijk in het Zweedse Malmö. Hij keert er later terug in de rol van basketbalcoach en jongerenwerker. Zijn debuut Ben je verdrietig als ik doodga? werd zeer goed ontvangen. Het op waargebeurde feiten gebaseerde boek biedt een inkijkje in een wereld waar de gemiddelde literaire lezer niet snel mee te maken zal hebben. Het vraagt even wat doorzettingsvermogen om je over te geven aan het uit eenenzeventig korte hoofdstukken bestaande verhaal, omdat het er in veel opzichten nogal ruw aan toe gaat, niet in de laatste plaats op verbaal gebied.

    ‘Toen ik een paar jaar geleden in de bovenbouw van een basisschool werkte, werd ik zo razend op een jongen die Hassan heette, dat ik hem in blinde woede bij zijn kraag greep en op de grond smeet. Ik drukte hem met mijn volle gewicht tegen de vloer en schreeuwde in zijn gezicht: “Jij loopt me niet te fucken! Jij loopt me niet te fucken!” terwijl ik met mijn vuist op de vloer naast zijn hoofd sloeg.’
    Nicolas, Nick in het boek, is zich ervan bewust dat hij geneigd is om terug te vallen op geweld, terwijl hij er tegelijkertijd een enorme afschuw van heeft. Het zijn voor hem de restanten van een jeugd in een achterstandswijk waar het recht van de sterkste gold.

    Brieven aan Elijah

    Het boek is geschreven in de ik-vorm en richt zich in briefvorm tot een jij, ene Elijah. De moeder van Elijah heeft een alcoholprobleem, vader is niet in beeld. Nick heeft duidelijk een zwak voor de jongen die een bijzonder talent voor basketbal blijkt te hebben. Elijah en zijn vrienden Abbe en Josef verlaten Nydala, de wijk waar ze wonen, nauwelijks. Ze bevinden zich veel op straat, maken ruzie met iedereen en halen van alles uit wat niet mag. Hun school is de slechtste school van Zweden. Op een gegeven moment neemt Nick tegen alle protocollen in Elijah in huis, voor één nacht per week, overigens wel in overleg met diens moeder. Binnen de kortste keren woont Elijah echter permanent bij Nick.

    Nick heeft een tweekamerappartement en Elijah slaapt aanvankelijk op de bank in de woonkamer. Op het gebied van privacy is het duidelijk dat Nick een hoge prijs betaalt voor de keuze die hij gemaakt heeft. Anderzijds merk je dat hij hoe langer hoe meer verknocht raakt aan Elijah en dat hij er alles aan wil doen om hem een toekomst te bieden. Ze eten altijd buiten de deur, omdat Nick nooit kookt. Tijdens de maaltijden hebben ze de mooiste gesprekken. Elijah is altijd eerlijk wanneer hij met Nick praat en laat alleen bij hem zijn ware gevoelens zien. Hij is duidelijk enorm gesteld op Nick. Nick op zijn beurt houdt zijn gevoelens zoveel mogelijk verborgen voor Elijah, maar laat in het boek via een soort brief waarin hij terugkijkt weten hoe hij de tijd met Elijah heeft beleefd: ‘Toen je afgelopen week thuiskwam en huilde in de hal omdat de samenleving de waarde niet ziet van een jongen van kleur met een grote bek, voelde ik daarom een steek van geluk. Ja, dat was precies wat ik voelde. Geluk. Ik had medelijden met je, maar ik was ook blij. Je verdriet bood me de kans je te troosten, en tegelijk mezelf te troosten. Het was een heerlijk gevoel.’

    Een mens van vlees en bloed

    Ben je verdrietig als ik doodga? is onder meer een aanklacht tegen de politiek die zo veel jongens in achterstandswijken aan hun lot overlaat. Lunabba citeert een aantal statistieken waaruit blijkt hoe gering te kansen van jongeren zijn om aan die omgeving te ontsnappen en hoe enorm groot het risico is om in de criminaliteit te belanden. Toch is de toon nergens belerend en is Lunabba evenmin huiverig om kritisch naar zichzelf te kijken. Nick is echt een mens van vlees en bloed en Lunabba heeft een prachtig round character van hem weten te maken. Mooi wordt het ook wanneer Nick zijn liefde voor literatuur beschrijft en zelfs Elijah aan het lezen weet te krijgen.

    Het contrast tussen Abbe en Josef, de vrienden van Elijah die verzwolgen worden door het bendegeweld dat regeert in de wijk enerzijds en Elijah zelf die onder invloed en met hulp van Nick goede keuzes gaat maken voor zijn toekomst anderzijds, wordt groter en groter. Toch krijg je nergens het gevoel dat Nick en Elijah de toekomst met vertrouwen tegemoet zien, integendeel. De zorgen die Nick zich maakt over zijn protegé zijn enorm invoelbaar. Bij iedere sirene die klinkt is er de paniek dat Elijah betrokken zou kunnen zijn bij een van de vele en regelmatig zelfs dodelijke incidenten die zich voordoen. Nick haalt zich als een bezorgde ouder gruwelijke scenario’s in zijn hoofd, waarin Elijah als slachtoffer niet meer te redden valt. Soms is het lastig om te onderscheiden wat werkelijkheid is en wat zich in het angstige hoofd van Nick afspeelt.

    Ben je verdrietig als ik doodga? roept een buitengewone bewondering op voor mensen zoals Nick die zich inzetten voor kinderen als Elijah, een jongen die niet per se als heel sympathiek naar voren komt. Nick beschrijft hem als irritant, onsportief, gewelddadig en als een pestkop. Hij haat de rommel die de jongen maakt in zijn appartement en het feit dat hij ‘boert en ruft’, dat hij zonder het te vragen spullen leent, dat hij nooit dankbaarheid toont en dat hij impulsief foute beslissingen neemt. Het is een boek dat je doet beseffen hoe moeilijk iemands leven kan zijn wanneer hij op een bepaalde plek geboren wordt. De manier waarop Nick en Elijah communiceren met woorden als bro, fonna, retegoed en fokking zijn iets om als lezer doorheen te kijken. Het boek verdient het om helemaal gelezen te worden, al was het alleen maar vanwege het laatste hoofdstuk dat je het bloed in de aderen bijna doet stollen.

     

  • Weinig verrassend verhaal over moederschap

    Weinig verrassend verhaal over moederschap

    Leslie Jamison (1983) oogstte veel lof met Ontwenning, dat over haar alcoholverslaving gaat. Ook in haar nieuwste roman Splinters: Een ander soort liefdesverhaal vormen autobiografische elementen de basis. Het boek dat meer als een dagboek aanvoelt dan als een roman is geschreven in een ik-perspectief. De drie delen Melk, Rook en Koorts bevatten geen hoofdstukken. Ze worden alle drie ingeleid door een groot aantal nogal onsamenhangende vragen waarvan de lezer pas aan het eind van ieder deel de relevantie zal begrijpen.

    Het boek start met de scheiding van ik-personage Leslie en haar echtgenoot die C. genoemd wordt. Ze hebben een dochter van dertien maanden oud. Leslie is schrijfster en geeft les aan studenten van de universiteit. Hoofdpersonage Leslie heeft evenals schrijfster Jamison een verleden met een eetstoornis en een alcoholverslaving. Ze heeft als kind erg last gehad van de scheiding van haar ouders en de slechte band met haar vader waar ze jarenlang weinig contact mee heeft gehad.

    Tatoeage

    Ondanks jarenlange relatietherapie ziet Leslie het op een gegeven moment niet meer zitten om met C. verder te gaan. Hij van zijn kant heeft veel moeite met de scheiding, zijn liefde is zeker nog niet voorbij. Het is zijn tweede huwelijk, zijn eerste vrouw is overleden aan kanker. Nadat Leslie en hij een jaar samen waren, heeft hij zelfs haar gezicht op zijn biceps laten tatoeëren. Het huwelijk van Leslie met C. lijkt in de flashbacks redelijk harmonieus. Je vraagt je eigenlijk af waarom het mis is gegaan. Pas halverwege het boek, na de scheiding, valt te lezen dat C. ‘vreselijk kwaad’ geweest zou zijn en dat Leslie ervoor gekozen heeft om ‘gelukkiger’ te willen zijn. Het is jammer dat het personage van C. niet iets meer uitgewerkt is, maar dat hangt ook deels samen met de keuze voor het perspectief.

    Gebruiksaanwijzing

    Het eerste deel van het boek is verreweg het meest interessante. Leslie is een jonge moeder die de gebruiksaanwijzing van haar kind leert kennen. Het meisje huilt veel, is een keer raadselachtig ziek, er moeten nachtvoedingen gegeven worden, maar er is vooral onvoorwaardelijke moederliefde. Het levert regelmatig mooie zinnen op: ‘Eenmaal thuis uit het ziekenhuis tornde mijn baby een naad los in de nacht en trok me de duisternis ervan in – die stille uren tussen twee en zeven, wanneer ze op mijn borst lag te slapen en ik reality-tv over ambitieuze Australische modellen op had staan, terwijl ik ondertussen door onze woonkamer ijsbeerde en naar het verlichte raam in onze straat keek, me afvragend wie? En waarom?

    Leslie neemt het kleine meisje graag mee naar musea. Na verloop van tijd gaat ze weer aan het werk en neemt ze haar dochter mee op tours om haar boeken te promoten (dat gaat om zo’n 30 vluchten op jaarbasis) of schakelt ze haar moeder in als oppas. Ze komt vooral tot de ontdekking dat ze zich verscheurd voelt tussen haar werk en de liefde voor haar dochter. Schuldgevoelens jegens het kind maar ook jegens haar studenten en haar kunst wisselen elkaar af. Voor iedereen die kinderen heeft zal het heel herkenbaar zijn, maar voor Leslie is het alsof zij de enige op de wereld is die zich in een dergelijke spagaat bevindt.

    Het co-ouderschap valt haar eveneens zwaar, maar – weinig verrassend – vindt ze na verloop van tijd toch ook wel weer prettig omdat ze daardoor tijd voor zichzelf heeft. Ze spiegelt zichzelf regelmatig aan kunstenares Marina Abramović, die drie abortussen gehad heeft omdat ze zeker wist dat moederschap rampzalig zou zijn voor haar werk. ‘Je hebt maar zoveel energie in je lichaam en dan zou ik die moeten verdelen.’ Leslie komt in het eerste deel over als een vrij egocentrische vrouw en lijkt daar zelf ook last van te hebben: ‘Mijn lichaam klotste van de hormonen en hun brullende, tegenstrijdige waarheden: ik was een lankmoedige, juice-ontzegde heilige, of anders was ik een monster dat door ijdelheid geregeerd werd en het nauwelijks verdiende te leven. Mijn innerlijke monologen klonken als een klootzak die veel te hard tegen een buitenlander aan staat te praten.’

    Foute man

    In het tweede deel, Rook, is de fase van de moedermelk voorbij. Het gaat dan veel over een nieuwe relatie met een overduidelijk foute man en wederom over de schuldgevoelens waar ze last van blijft hebben. Regelmatig bekruipt je als lezer het gevoel dat je sommige dingen al eerder hebt gelezen en dat er weinig nieuwe elementen aan het verhaal toegevoegd worden. Dat geldt ook voor het laatste deel dat zich afspeelt gedurende de lockdowns vanwege COVID.

    Samenvattend is Splinters een enigszins teleurstellende leeservaring. Het schetst weliswaar in vaak fraai gekozen taal het dilemma waarvoor kersverse ouders zich geplaatst zien wanneer ze hun aandacht moeten verdelen tussen werk en gezin. Het feit dat dat gegeven in dit boek ook nog eens gepaard gaat met een echtscheiding is een extra complicatie, maar ook weer niet uniek. De onvoorwaardelijke liefde die Leslie voelt voor haar dochter en de prijs die ze voor het moederschap moet betalen zijn mooi beschreven en herkenbaar. Helaas roept het hoofdpersonage op een gegeven moment eerder irritatie dan empathie op en wordt er veel herhaald. Wellicht zou de boodschap van ‘een ander soort liefdesverhaal’ beter zijn overgekomen wanneer het boek zo’n honderd bladzijden korter was geweest.

     

     

  • Gynaecologisch verzet op de plantage

    Gynaecologisch verzet op de plantage

    In een interview met The Center for Fiction wordt schrijfster Tracey Rose Peyton gevraagd naar de aanleiding voor de thematiek in haar debuut Waar we gaan is nacht, dat genomineerd is voor de Amerikaanse First Novel Prize 2023. Ze vertelt in het interview dat ze geraakt is door een boek van historica Paula Giddings, Where and When I Enter. In dat boek worden verschillende manieren beschreven waarop tot slaaf gemaakte mensen op plantages in de Verenigde Staten indertijd verzet boden, bijvoorbeeld door expres traag te werken, door hun werk te saboteren, maar ook door hun eigenaren op gynaecologisch gebied tegen te werken, met andere woorden: door niet zwanger te worden of door ervoor te zorgen dat zwangerschappen vroegtijdig tot een einde kwamen. Deze laatste vorm van verzet inspireerde Tracey Rose Peyton (pas afgestudeerd aan het Michener Center for Writers aan de universiteit van Texas-Austin) tot het schrijven van haar eerste roman.

    De hoofdpersonages in het boek zijn zes vrouwelijke slaven, die in een niet heel gebruikelijk maar wel effectief wij-perspectief een collectieve stem vormen. Hun eigenaren, Lizzie en Charles Harlow (de zwarte vrouwen noemen hen de Lucy’s, naar Lucifer), hebben hun noodlijdende plantage in Georgia verlaten om hun geluk opnieuw te beproeven in Texas. Junie is de enige slavin die uit Georgia is meegekomen, waarbij ze haar man en kinderen moest achterlaten. Dat laatste neemt ze Lizzie erg kwalijk. Charles heeft in Texas een aantal nieuwe en uitsluitend vrouwelijke slaven gekocht, Patience, Lulu, Alice, Serah en de oudere Nan. Pas achteraf bedenkt hij dat het met het oog op nageslacht handiger zou zijn geweest om ook mannelijke slaven aan te schaffen, maar die waren duurder. De zes vrouwen wonen noodgedwongen bij elkaar en voelen een verbondenheid in hun gezamenlijke vijand, de Lucy’s. ‘We waren met elkaar verbonden door wat vrouwen zoals wij met elkaar verbindt. Dat maakt mensen nog geen familie. Het maakt dat ze zich opgesloten voelen. En dat kan ze haatdragend maken naar elkaar, tenzij die haat wordt omgebogen en ingezet voor iets heel anders.’

    Fokslaaf

    De plantage in Texas is evenmin een succes voor Charles en Lizzie. Ze hebben grote schulden en proberen manieren te bedenken om toch aan geld te komen. Lizzie krijgt het ene na het andere kind en heeft steeds opnieuw grote moeite om een geschikte min te vinden. Op een dag heeft Charles een ‘fokslaaf’ gehuurd, waarmee hij ervoor wil zorgen dat er baby’s geboren gaan worden bij de zwarte vrouwen. Deze toekomstige kinderen zouden op de plantage kunnen gaan werken of zelfs verkocht kunnen worden. Het probleem van de min zou ook opgelost zijn. Uiteraard voelen de vrouwen er collectief niets voor dat er op deze manier misbruik van hen gemaakt wordt. Ze doen hun best om zo onaantrekkelijk mogelijk te zijn voor de fokslaaf. De oudste van de zes vrouwen, Nan, is de vruchtbare leeftijd al gepasseerd. Zij is vroedvrouw en weet veel van planten en kruiden. Met haar middeltjes weet ze de fokslaaf ziek te maken. Om te voorkomen dat ze zwanger worden, kauwen de vrouwen op wortels van de katoenplant. Charles krijgt argwaan wanneer niemand van de jonge vrouwen zwanger blijkt te zijn maar heeft nog een plan B achter de hand.

    Er breekt voor iedereen een andere fase aan wanneer er buren komen die ook een plantage met slaven hebben. Charles ziet vooral concurrentie, maar de vrouwen genieten van de geheime bijeenkomsten die ze ’s avonds en ’s nachts in het bos hebben met de andere slaven. Wanneer Serah betrapt wordt, moet ze een tijdlang een soort harnas met een bel erin dragen, zodat hoorbaar is waar ze zich bevindt. De sfeer in Texas en op de plantage wordt dreigender en grimmiger doordat er op een gegeven moment verhalen rondgaan over slaven die zich  tegen hun meesters keren. Er zijn bijvoorbeeld geruchten over slaven die moorden plegen of waterputten vergiftigen. Charles neemt steeds strengere maatregelen om zijn gezin te beschermen tegen die toenemende dreiging.

    Vragen

    De verhaallijn van de vrouwen die maar niet zwanger worden is interessant en de angst van de vrouwen dat hun plan en de maatregelen die ze treffen om zwangerschappen te voorkomen aan het licht komen is voelbaar. Het wij-perspectief, op zich echt een vondst in deze context, wordt helaas niet consequent gehanteerd en dat maakt het boek toch wat rommelig. Via een alwetende verteller wordt bijvoorbeeld duidelijk dat ook Lizzie haar leven niet altijd gemakkelijk vindt. De roman zou krachtiger geweest zijn wanneer die verhaallijn van Lizzie achterwege was gelaten of toch ook alleen via het wij-perspectief was gedeeld. Nergens voel je als lezer namelijk enige sympathie voor haar (of voor haar man). Daarnaast zijn er aan het eind van het boek wat brieven aan Serah te lezen van een mannelijke slaaf van een buurplantage. Deze brieven vormen niet alleen opnieuw een onderbreking van het perspectief, maar roepen vooral vragen op. Hoe is het mogelijk dat Serah kon lezen en dat haar gevluchte geliefde zulke volzinnen kon schrijven in een tijd dat het vooral als gevaarlijk werd beschouwd om slaven te leren lezen en schrijven? Ten slotte zorgen grote tijdsprongen aan het eind van het boek ervoor dat er veel vragen overblijven.

    Schrijnend

    Het is belangrijk dat het verhaal van het slavernijverleden van de Verenigde Staten verteld blijft worden. Tracey Rose Peyton heeft daar een nieuwe dimensie aan toegevoegd met de invalshoek van het gynaecologisch verzet. In dat opzicht is het een bijzonder debuut, waarin het lijden van tot slaaf gemaakte mensen schrijnend en invoelbaar aanwezig is, al kun je je afvragen wat het boek verder toevoegt aan de al bestaande literatuur. Waar we gaan is nacht is een donker en somber boek, zonder enige hoop en er zijn wat rafelrandjes waar het gaat om het perspectief, de geloofwaardigheid en wat losse eindjes die onvoldoende afgehecht worden. Maar desalniettemin is het een opvallend en vlot leesbaar verhaal.

     

     

  • Enorme liefde voor de natuur in al haar verscheidenheid

    Enorme liefde voor de natuur in al haar verscheidenheid

    Maria gaat haar hele leven met grote regelmaat naar de kapel in de de Kapelstraat, waar ze ook woont, om een kaarsje te branden bij het beeld van haar naamgenote. In de loop van de tijd maakt ze het zichzelf op twee manieren gemakkelijk: ze leert zichzelf fietsen in een tijd dat het voor vrouwen zeer ongebruikelijk is om dat te doen en ze schaft kaarsen aan die een langere brandduur hebben. Deze innovaties zijn klein bier vergeleken bij de veranderingen die plaatsvinden in het fictieve Vlaamse dorp aan het riviertje de Nete, waar Iemand moest het doen, de tweede roman van Sanne Huysmans, zich afspeelt. De huizen worden aangesloten op elektriciteit, water en gas. Er worden nieuwe huizen gebouwd, het verkeer neemt toe, er woedt een oorlog en uiteindelijk wordt Maria gevraagd of ze haar huis van een aansluitpunt voor internet wil laten voorzien. Daar moet ze niets van hebben, er liggen volgens haar al genoeg kabels.

    Sanne Huysmans (1988) is al net zo veelzijdig als haar roman. Ze studeerde politieke wetenschappen en filosofie, is bestuurder van een intiem filosofiehuis, medeoprichter van een platenlabel, gediplomeerd bakker en boswachter. Haar debuut Rafelen werd bekroond met de publieksprijs van de Confituur Boekhandels. Ook haar tweede roman Iemand moest het doen valt op door de bijzondere en liefdevolle manier waarop verteld wordt over een doodgewoon straatje in een klein dorpje. Dat alles in een prachtige stijl geschreven.

    Als een zieke struisvogel

    Het boek is als een Grieks drama opgebouwd uit vijf delen waarin de stemmen van de bewoners van de Kapelstraat te horen zijn. Maria is een personage dat regelmatig terugkomt en bij naam genoemd wordt. Dat geldt ook voor Pol, een zachtaardige gepensioneerde vuilnisman, die op zijn oude dag heel verlegen op zoek gaat naar wat gezelschap. Hij is dol op planten en vindt dat er niets op de wereld zo levenslustig is als een plant. ‘Ze wilden altijd iets van de dag maken. Zonder gezeur of gezaag, recht omhoog als het even kon. Als het echt moest, stierven ze staande.’ De andere personages hebben vaak geen naam. Ze worden opgevoerd aan de hand van hun huisnummer, waardoor je soms even moet terugbladeren om te weten met wie je te doen hebt.

    Niet dat dat erg is, de zinnen in dit boek zijn vaak de moeite van het herlezen waard. Zelfs iets heel alledaags als een langdurig opengebroken straat wordt fraai en beeldend beschreven: ‘De straat lag open. Hij kon haar darmen zien, waarin het vieze water en de stront passeerden. De geul begon aan nummer 28 en liep tot voorbij zijn oprit. De kraan die het buizenwerk op de juiste plaats moest leggen, stond al zeven dagen stil op het rechterbaanvak. Als een zieke struisvogel met de bek op de grond. ‘

    Af en toe is er zelfs ook een boom aan het woord, een oude notelaar. Hij houdt van kinderen en geniet ervan wanneer ze schommelen aan zijn dwarse tak. Als oudste boom in de omgeving maakt hij zich echter ook zorgen over zijn toekomst. Hij is ‘gemaakt om vijf eeuwen te blijven staan’, maar: ‘Mensen rekenen niet in eeuwen. Dat ging blijkbaar niet. Ze rekenden in dagen en maanden, een enkele keer in jaren. Maar nog meer waren ze bezig met nu, nu, nu.’ Die waarneming is een schot in de roos. De mensen leven inderdaad in het nu en ze passen zich min of meer geruisloos aan aan de veranderingen die in hun levens plaatsvinden, zoals het krijgen van kinderen of het feit dat jonge mannen hun militaire dienstplicht moeten gaan vervullen, ook al waren ‘de bottines […] zwaarder geworden, door de schrik die aankoekte.’

    Liefde voor de natuur

    Uit het boek spreekt een enorme liefde voor de natuur in al haar verscheidenheid. De manier waarop verteld wordt dat Pol zijn eigen groente zaait, doet je verlangen naar een moestuin. De variëteit aan vogelsoorten die voorbijkomt en gebruikt wordt in beeldspraak, zorgt ervoor dat je onbekende soorten direct wilt opzoeken. Boswachter Sanne Huysmans is duidelijk aanwezig in de roman. Als lezer ben je geneigd om de bewoners van de Kapelstraat te vertrouwen in hun waarnemingen. Je begrijpt waarom Maria geen internet wil en waarom Pol zijn huis en tuin laat overwoekeren met planten. De bewoners doen geen van allen bijzondere of wereld veranderende dingen en hebben geen van allen een opmerkelijk talent, maar ze worden in hun eenvoud allemaal bijna liefdevol en in ieder geval zonder enig dedain geportretteerd. 

    De kracht van Iemand moest het doen is onder meer dat het boek gaat over heel alledaagse dingen die gebeuren in een doodgewoon dorpsstraatje in een Vlaams dorpje, waar onder de oppervlakte soms ook het een en ander smeult. Het boek is doorspekt met Vlaamse woorden, met zinnen die je wilt herlezen omdat ze zo mooi zijn. En door haar originele beeldspraak is het boek een feest om te lezen. Zelfs al zijn het plot en de personages duidelijk ondergeschikt aan de tijd die net als de rivier de Nete niet te stoppen is.

     

     

  • Een fraaie collage

    Een fraaie collage

    ‘De dagen laten ons zien wat telt, de seizoenen, de bomen. Tijd is niet in een definitie te vangen, er zijn allerlei soorten.’ In Dagen van glas van Eva Meijer is de tijd ook ongrijpbaar. Er wordt tussen de hoofdstukken vooruit en achteruit gesprongen tussen 1933 en 2060. Daarnaast wordt ieder hoofdstuk vanuit een ander perspectief geschreven en worden er ook verschillende tekstsoorten gehanteerd; het grootste deel is weliswaar proza, maar er is ook sprake van een briefwisseling, van een voorwoord bij de heruitgave van een boek (inclusief voetnoten) en van een dagboek waarin een soort gedichten verwerkt zijn. In combinatie met de filosofische stijl vormt het boek een etherisch geheel dat in al zijn breekbaarheid toch een fraaie compositie blijkt te zijn.

    Eva Meijer is dan ook wel een homo universalis; ze is filosoof en behalve schrijver van romans, essays, poëzie en academische filosofie ook kunstenaar en singer-songwriter. Haar werk is vertaald in meer dan twintig talen. In Dagen van glas staan drie personen centraal: Emel, haar echtgenoot Johannes en hun dochter Doris. Aan het begin van het boek is Emel aan het woord, in een ik-perspectief. Je kunt als lezer overigens pas later deduceren dat ze Emel moet heten. Emel neemt zichzelf soms op een wonderlijke manier waar in spiegels en ruiten. Ze vraagt zich dan af of haar spiegelbeeld misschien haar echte en goede ik is en zijzelf slechts een slap aftreksel. Emel is schrijfster en kiest er meestal voor om die andere ik te negeren. Ze werkt liever aan haar boek over Derrida (de filosoof die bekend geworden is vanwege zijn veelgeciteerde zinsnede ‘Er is niets buiten de tekst’ en vanwege de basis die hij legde voor de cynische, postmoderne filosofische stroming van het deconstructivisme, waarin niets een vastliggende betekenis heeft), ook al vordert ze daarmee niet hard: ‘Boeken verdubbelen de werkelijkheid ook: ze verslaan die niet simpelweg maar voegen er een laag aan toe, die op zichzelf staat en er tegelijk op parasiteert.’ Tussen de regels door is duidelijk dat Emel worstelt met het leven. Ze sluit zich af voor haar echtgenoot en haar dochter en neemt soms impulsieve beslissingen. In het laatste hoofdstuk kijkt ze als hoogbejaarde dame terug op haar leven.

    Identiteit

    Johannes is de echtgenoot van Emel. Hij is een zorgzame en loyale man. Hem leren we beter kennen in onder meer het derde hoofdstuk van het boek, dat zich ruim twintig jaar eerder dan het eerste hoofdstuk afspeelt. Johannes is eveneens schrijver. Hij doet aan de universiteit onderzoek naar de brieven van schrijfster Marie Vanderbeecke en naar haar boek Kamers achter glas (!). Daarin worstelt Marie met haar identiteit en beschrijft ze hoe ze geleerd heeft om in haar hoofd vrij te zijn. Johannes ervaart bij het uitwerken van zijn onderzoek veel steun van collega Sonja. Tussen hen is er over en weer echt een klik, maar ook tot zijn eigen verbazing krijgt Johannes uiteindelijk toch een relatie met de meer gecompliceerde Emel.

    Doris is aan het woord in het tweede en zesde hoofdstuk (2025 en 2033). Net als haar moeder Emel heeft ze behoefte aan rust. Als hobby maakt ze zwart-witfoto’s. Haar gedachten zijn heel filosofisch: ‘Weer een dag. Wat is een dag? Een woord, een drager van de tijd, gezel van de nacht, gedachte, meeteenheid, het leven zelf, vandaag een houder voor sneeuw.’ Haar ouders maken zich zorgen om haar en ze blijkt onder behandeling te zijn van een psycholoog. Ze maakt haar ouders wijs dat ze samen met een vriend naar een vakantiehuisje in België gaat, maar ze gaat er helemaal alleen naar toe. Net als haar moeder heeft ze de behoefte om te verdwijnen.

    Lijm

    Op het eerste gezicht lijken de hoofdstukken van Dagen van glas als los zand aan elkaar te hangen en is de prachtige stijl waarin het boek geschreven is de lijm waarmee de delen aan elkaar verbonden zijn, maar schijn bedriegt. Naast de hoofdstukken waarin Emel, Johannes en Doris centraal staan, zijn er ook nog hoofdstukken waarin het niet of slechts zeer zijdelings over deze hoofdpersonen gaat. Het betreft vooral het onderzoek van Johannes naar Marie Vanderbeecke. Je kunt je afvragen wat deze fragmenten toevoegen. Enerzijds leiden ze de lezer af, omdat ze qua vorm en personages sterk afwijken van de rest van het boek, anderzijds dagen ze de lezer ook juist uit om toch parallellen te zien waar die er op het eerste gezicht niet lijken te zijn.

    Eva Meijer zorgt voor betekenisvolle herhalingen en fraaie verwijzingen en ze speelt meesterlijk met concepten als taal en tijd. De afwisseling in perspectieven en de tijdsprongen vragen een aandachtige lezer die bereid is te rekenen, te combineren en af te leiden. Wie daarin slaagt onthult voor zichzelf een mozaïek, een fraaie collage, wellicht zelfs gemaakt van glas, net zo breekbaar als de kwetsbare personages die het boek bewonen.

     

     

  • Niet diepgravend, wel vermakelijk

    Niet diepgravend, wel vermakelijk

    De nieuwe roman van schrijver en beeldend kunstenaar Nelleke Zandwijk (1961) heet De zomer van de onwaarheden. Zandwijk debuteerde succesvol in 2001 met haar roman De dag van de jas. Haar werk kenmerkt zich door absurdisme en (zwarte) humor. Haar vijfde roman bestaat uit twee delen. Het eerste deel heet ‘Het dorp’ en speelt zich af in de Achterhoek. Deel twee heet ‘De stad’ en speelt zich af in Amsterdam. Het motto, ontleend aan een column van Ellen Deckwitz zet direct de toon van het boek: ‘Je moet het geluk dat je hebt ook gewoon een beetje leren verdragen, anders ga je er echt helemaal kapot aan.’

    Het boek is geschreven in een ik-perspectief, vanuit een naamloze tiener die opgroeit in een dorpje in het oosten van het land, in een wijk die de Witte Stad wordt genoemd. Ze heeft een tweelingzus, een zwijgzame vader en een wat hysterische moeder. Het gezin is niet welgesteld, maar desalniettemin zijn ze lid van de tennisclub. Wat direct opvalt aan de stijl zijn de regellange opsommingen die enerzijds heel grappig zijn, maar er anderzijds voor zorgen dat de vaart uit het verhaal gaat:

    ‘Omdat mijn vader de koning van het zwijgen was, behalve als het om tweedehandsnaaimachines ging, palissanderhout, 8 millimeterfilm, fotografie, oude camera’s, de reparatie van fietsen, zijn dochters zelf hun banden laten plakken vanaf hun tiende jaar, ze leren zwemmen op hun vierde, groene beits, Belgisch carbolineum, De schaduw grijpt in van Havank, zwagers aftroeven met kennis over houtsoorten, verlijmingen en zwaluwstaarten, vuurtjes stoken, zijn midwinterhoorn, mensen die naar knoflook ruiken, mensen die zeggen dat roken slecht voor je hart is antwoorden dat hij niet over zijn hart rookte, ‘dag Paulus’ zeggen tegen een buurman die op Paulus de boskabouter leek, een wokkel in iemands kruis gooien als er een bijtende hond in de buurt was en dat mdf zijn werkende leven had verwoest (je kon mijn moeder niet overal van beschuldigen), konden we van zijn kant niets te weten komen over de kwestie.’

    Vakantie

    Het gezin waarin het meisje opgroeit is verre van harmonieus. Het huwelijk van haar ouders is wankel en de relatie met haar zus gaat niet diep. Op een gegeven moment weigert haar moeder om met het gezin mee te gaan op de jaarlijkse kampeervakantie. Daar wordt door vader (uiteraard) niet over gepraat met zijn dochters. Na twee weken krijgt moeder spijt en verschijnt ze alsnog op de camping. Tijdens de vakantie beschuldigen de ouders elkaar over en weer van een aantal zaken. Moeder beschuldigt vader er bijvoorbeeld van dat hij homo zou zijn, en de ik-figuur maakt tijdens de vakantie iets vervelends mee. Het eerste deel eindigt ermee dat ze concludeert dat ze een vriendin nodig heeft, omdat ze in het gezin waar ze bijhoort, geen aansluiting vindt.

    Melle versus Escher

    In het tweede (en verreweg het grootste) deel lopen de zussen elkaar na een gat van tien jaar weer tegen het lijf in een theater in Amsterdam. De zus is regisseur geworden, de ik-persoon gaat de kostuums voor haar voorstelling ontwerpen. Daarnaast heeft ze een bijbaantje bij V&D om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Ondanks het feit dat de zussen allebei de provincie zijn ontvlucht en een creatief beroep hebben gekozen, lijken ze nog steeds weinig op elkaar. De zus houdt van de strakke lijnen en de zich herhalende patronen van Escher, de ik-persoon van de surrealistische werken van Melle. De zus heeft een relatie, de ik-persoon doet hard haar best om enige vastigheid voor zichzelf te creëren, maar ze gedijt het beste wanneer ze meelift met het leven van anderen. Net zoals haar werk in het theater zich in de ‘achterwereld’ afspeelt, zo leidt ze ook haar leven, in de marge van dat van anderen.

    Anekdotisch

    Van de verhaallijn moet De zomer van de onwaarheden het niet hebben. Enerzijds lijkt er op het eerste gezicht sprake te zijn van een min of meer rechttoe rechtaan versie van een coming of age verhaal, maar eigenlijk weet je te weinig van de hoofdpersoon om haar ontwikkeling naar volwassenheid echt te kunnen volgen en duiden. Wat dan overblijft is vrij dun: een meisje en haar zusje hebben het thuis niet naar hun zin en ontvluchten hun dorp in de provincie om hun geluk te zoeken in de grote stad. Dat het daar evenmin voor het oprapen blijkt te liggen, is dan wel weer fijn.

    De personages in het boek zijn allemaal redelijk vlak en verhouden zich nauwelijks tot elkaar. Iedereen leidt zijn of haar eigen leven en wanneer ze bij elkaar zijn gaat het vooral over het eten. Pas aan het eind van het boek komt de hoofdpersoon tot een soort zelfinzicht: ‘Het leek wel of ik de hele tijd maar wat verzon. Alsof ik mijn leven bij elkaar fantaseerde. […] Alsof ik niet echt bestond, alsof niets echt was, behalve dit groteske hier en nu bij V&D.’ Verder hangt het boek hoofdzakelijk aan elkaar van anekdotes, zijweggetjes, hilarische opsommingen en humoristische observaties. Is dat erg? Nee. De zomer van de onwaarheden graaft niet heel diep, maar is vaak wel op een originele manier vermakelijk en dat is ook wat waard.