• ‘Zelfbehoud is alleen in eenzaamheid’

    ‘Zelfbehoud is alleen in eenzaamheid’

    De dichter Jan Jacob Slauerhoff stierf in 1936, maar zijn werk en persoon blijven onverminderd populair. In de afgelopen jaren verschenen nieuwe edities van zowel zijn Verzameld Proza als zijn Verzamelde Gedichten, en onlangs verscheen bij Nijgh & Van Ditmar Logboek Slauerhoff, Dagboeken & Reisverslagen, samengesteld door Hein Aalders en Menno Voskuil in een zeer fraaie uitgave. De populariteit van Slauerhoff ligt natuurlijk naast de kwaliteit van zijn werk in de thematiek van de eeuwige reiziger, de scheepsarts die de wereldzeeën bevoer en verre continenten aandeed zonder ooit rust te vinden. Uit alle documenten blijkt de rusteloze geest van Slauerhoff.

    Rusteloze reiziger

    Als hij op zee was verlangde hij vaak naar de wal, maar zodra hij aan wal was wilde hij weer weg de zee op. Het is opvallend hoe vaak hij een nieuwe plaats teleurstellend vindt. Bijna altijd wil hij weer verder. Nergens voel ik mij zo levend als op zee, zo zegt hij in 1922 in een brief aan schrijver en dichter Roel Houwink. Het leven als scheepsarts bleek echter ook niet zijn ultieme droom, maar verschillende pogingen het op het vasteland te proberen mislukten eveneens. Toen hij eindelijk had besloten dat hij een beschikbare baan als assistent bij een kliniek in Rotterdam toch wel wilde, was de positie al vergeven. Een poging zich te vestigen als huisarts in Marokko liep uiteindelijk op een teleurstelling uit. Gelukkig bood het schrijven hem altijd weer troost, het was zijn eeuwige uitvlucht. Niet voor niets luidt zijn misschien wel beroemdste zin Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. En ondanks de vriendschappen, liefdes en collega’s bleef Slauerhoff ook een einzelgänger. Zelfbehoud is alleen in eenzaamheid’, zo schreef hij al op jonge leeftijd in zijn dagboek. Toch was dit ook een vloek want op zee ervoer hij vaak een ‘verpletterende eenzaamheid’, aldus de samenstellers.

    Kritisch proza

    Naast dagboekfragmenten en reisverslagen bevat dit logboek passages uit brieven en verspreide documenten, zoals een lezing voor de Volksuniversiteit. De dagboekpassages gaan soms mank aan een staccatostijl, maar zelfs dan blijft het voor de Slauerhoff fan boeiend. De reispassages die hij voor verschillende tijdschriften schreef vormen het hoogtepunt van dit Logboek. Vaak nuchter en feitelijk, maar ze laten soms ook bloemrijk taalgebruik zien. Slauerhoff spaart de benepen Hollandse – of in bredere zin de Westerse – burgerman niet, en opvallend is ook hoezeer hij oog heeft voor – en kritiek uit op – het opkomend toerisme, dat natuurlijk nog in de verste verte niet lijkt op het massatoerisme van onze tijd. Is het weer ironie van het noodlot dat ik, die altijd naar het barbaarse hunkerde en de stilte en het zwijgen en de vrijheid, steeds moet leven in een schijnbeschaving, iedere avond mij kleed, allerlei gepraat zonder zin moet aanhoren en flauwe scherts, niet kan zwijgen naar mijn zin en in plaats van over steppen te zwerven, in oerwouden om te tasten, op een schip leef dat 150 meter lang is, en in smalle gangen tussen luxehutten loop en op wandeldekken voor gelede dekstoelen met luie verwende cultuurmensen en parvenuen.’

    Ook de lokale bevolking spaart hij niet, al is hij daarbij vaak wel wat milder. Hierdoor, en door de mix van nuchtere feiten en bloemrijke taal doet hij soms denken aan een vroege versie van V.S. Naipaul, al gaat zijn antropologische kijk niet zo diep als bij Naipaul. ‘Het is een eeuwig misverstand dat de zeeman vreemde landen kent. Hij komt er wel, maar hij ziet ze niet, tenzij ’s nachts wanneer alle katjes grauw en alle danshuizen verlicht zijn.’

    Liever fictie dan feit

    De reisverslagen zijn stilistisch hoogstaand en inhoudelijk altijd boeiend. Hoogtepunt is zijn reisverslag van Hong Kong en Macau. Natuurlijk is er in zijn beschrijving van de voormalige Portugese kolonie aandacht voor de voor hem zo belangrijke grote Portugese dichter van het epos De Lusiaden, Luís de Camões, die hij de hoofdrol zou geven in zijn beroemdste roman Het Verboden Rijk. ‘Als een oude gravure zo scherp afgetekend ligt Macau tegen het zwaar azuur van de middaglucht. Onthullend is hoe Slauerhoff blijk geeft de verbeelding te verkiezen boven de – teleurstellende – realiteit. ‘En toch, het ware bekoorlijker geweest hier niemand te leren kennen. ’t Is waar, ik zag even in het familieleven der oude Macause geslachten. Maar de stad was meer zijn eigen legende gebleven, zou meer geheimen achter zijn muren bewaard hebben die ik later in verbeelding had kunnen ontdekken.’ – De waarheid is heel wat minder exotisch dan hij had gedacht en doet hem zelfs aan de benepen Hollandse sfeer van Hildebrand denken. Mooi zijn ook de uitgebreide ‘Indrukken van een reis naar de Golf van Guinee’ – inclusief een uiterst negatief verslag van de tussenstop in Bordeaux, ‘Zomerhel. Nergens schaduw. Schroeiend gras./ ’t Water is niet meer vloeibaar, gloeiend glas.’ En ‘Wat de naam Bordeaux in het meervoud betekent, dàt zijn de brave burgers die allen in het enkelvoud leven, vergeten. Vandaar dat de stad ondanks dat meervoud van Bordel zo burgerlijk en solide aandoet.’

    Poëzie

    Het Logboek bevat ook veel gedichten, soms alleen een aanzet (waartussen ook de nodige rijmelarij), soms een half voltooid gedicht, maar ook klassiekers als zijn beroemde gedicht over het geïsoleerde eiland Fernando de Noronha, zo’n 1.000 km voor de Braziliaanse kust.

    Soms vertoont de stijl van Slauerhoff de invloed van de Tachtigers, zoals in zijn beschrijving van de Borobudur op Java, ‘Hoe geheimzinnig duisteren de Boeddha’s in de stupa’s op het plateau dat de zeven gaanderijen dekt.’ Verder is de taal niet geheel vrij van wat wij nu wellicht als racistisch zouden zien, al blijft dat beperkt. Zo op het oog is dat nergens aangepast en dat siert de samenstellers. Opvallend is de communistische bevlogenheid van Slauerhoff, al stamt dit uit de jaren twintig, toen van de wreedheid onder Stalin nog nauwelijks iets bekend was. “En toch moet vóor alles stelling genomen worden tegen bezit. […] Alle bezitters in Indië en Oost-Azië zijn van een stompzinnige arrogantie die doet wensen dat de Russische sikkel eenmaal door deze rotte aren varen zal, dat de Russische hamer eenmaal deze merendeels kale schedels zal verbrijzelen.”

    Malaria

    Het Logboek sluit af met een zeereis westwaarts, met in het eerste hoofdstuk een weinig positief verslag van Barbados, ‘naargeestig en stoffig’. Maar nadat hij onder andere ook een deel aan Curaçao heeft gewijd, eindigt het met Costa Rica, ‘een vredig welvarend land’. Dat positieve beeld komt niet in de laatste plaats omdat hij in het kleine Centraal-Amerikaanse land zijn nieuwe liefde Caridad Rodriguez ontmoet. Slauerhoff zit na deze reis nog vol nieuwe plannen, maar de werkelijkheid haalt hem in. Een nieuwe reis naar Costa Rica, of zich als arts aansluiten bij de internationale brigade van de republikeinen in de Spaanse Burgeroorlog, daar moet hij uiteindelijk van afzien. De malaria die hij heeft opgelopen op zijn laatste reis naar Zuid- en Oost-Afrika noopt hem op weg terug naar huis in Genua doodziek van boord te gaan. De verdere reis gaat over land. Terug in Nederland eindigt hij uiteindelijk in Villa Carla in Hilversum, waar hij op 5 oktober overlijdt. Gelukkig is er een enorm arsenaal aan egodocumenten van Slauerhoff, en dit Logboek, een waar genot voor de vele Slauerhoff fans.

     

     

  • Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    In de eerste uitgave van De Parelduiker van dit jaar een herdenkingsstuk van Daan Cartens over Inez van Dullemen (1925-1921). In de rubriek ‘De laatste pagina’, schrijft Cartens over Dullemen als de vrouw die wars was ‘van clichés, vooroordelen, vastgeroeste meningen’. Cartens ontmoette de schrijfster in 1981 voor een interview in Het Vaderland, een Haagse krant die in 1982 ophield te bestaan (ook dat zijn prettige zaken om notie van te nemen). Het werd een openhartig interview waaruit een levenslange vriendschap ontstond. Over haar ontmoeting en leven met Erik Vos, oprichter van het Haagse toneelgezelschap De Appel, schrijft hij dat ze een twee eenheid vormden, ‘de één de muze van de ander, samen reizend door het labyrint van het leven’. Haar roman Het gevorkte beest noemt hij haar kernboek en ‘misschien ook wel haar beste’. Waardoor je deze roman opnieuw zou willen lezen om te herplaatsen binnen haar oeuvre.

    Omgevallen schaap of muizenplaag

    Lodewijk Verduin schreef  een mooi stuk over Anton Koolhaas (1912-1092), schrijver van absurdistische boeken als, Een punaise in de voet, Vanwege een tere huid, Corsetten voor een libel. Het artikel, ‘Dierenmens A. Koolhaas, zijn literaire ontwikkeling in drie en enige keerpunten’, wordt geleid door de vraag waarom Koolhaas als veertiger de stap het schrijverschap in wilde. Verduin herleid zijn vraag naar enkele schrijvers en hun keerpunt, naar ‘een zeker moment dat de inspiratie voor het eerste gedicht schonk, een gebeurtenis die de druk om te (…) publiceren opvoerde.’ Zo zette Gerard Reve zich tot het schrijven van zijn debuutroman, na te zijn aangemoedigd door zijn psychiater, schrijft Verduin. En was het ‘de zaak-Lebak die Eduard Douwes Dekker in Multatuli veranderde’. Ook bij Koolhaas is er een ‘oerscene’, door hemzelf aangehaald tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van de Frans Erensprijs in 1989. Hoe hij als tienerjongen een op de rug liggend schaap ziet: ‘Het was mijn eerste confrontatie met sterven. En in wezen de eerste confrontatie met het verschijnsel LEVEN, dat op het punt staat op te houden.’ Later vertelde hij in interviews dat zijn schrijversschap terug te voeren is op een muizenplaag in zijn kamer in Rotterdam. Met deze geweldige omkering van zaken: ‘Ik was niet de hoofdbewoner die last had van muizen, maar zij vormden de hoofdbewoners die last hadden van een man.’ Verduin haalt ook de relatie met uitgever Geert van Oorschot aan, echt boteren deed het niet tussen die twee. Wel geweldig om te lezen, de duiding van een schrijversschap aan de hand van zijn relaties.

    Singer-songwriter J.H. Speenhoff

    Van Jacques Klöters de bijdrage ‘Koos Speenhoff, voordat hij de heer J.H. Speenhoff werd’. Speenhoff (1869-1945) was de eerste Nederlandse singer-songwriter schrijft Klöters, daarbij was hij een begenadigd tekenaar en publiceerde in beide kunstvormen. Jan Greshoff en Carmiggelt waren liefhebbers van zijn werk, noemden hem ‘een superieure stilist’. Wie kent niet het liedje De schutterij (Daar komen de schutters) en Het broekie van Jantje, of Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit, die zijn dus van Speenhoff. Klöters beschrijft hoe Speenhoff zich een weg zocht uit de verplichtingen die zijn vooraanstaande familie waaruit hij uit voortkwam, hem oplegde. Zijn hang naar- en vertoeven in de Rotterdamse kunstenaarskringen van die tijd. 

    Marco Entrop schreef over de dichter Andries de Hoghe die ooit één dichtbundel publiceerde, Strofen, die inmiddels tot de canon van de homo-erotische poëzie behoort. Een bundel die in homokringen werd gekoesterd en bewonderd en navolging vond. Zo schreef Het Nederlandsch Wetenschappelijk  Humanitair Komitee in een recensie over de bundel, ‘een bundeltje zuiver homosexueele poëzie, die tot het beste behoort, wat op dit gebied verschenen is’. En schreef dichter Jac. van Hattum een verhaal waarin de bundel het offer voor een mannenvriendschap is. Entrop onderzoekt of Andries de hoghe een poet’s poet was. Omdat de gedichten door P.C. Boutens bezorgd waren en er verder geen sporen van De Hoghe te achterhalen waren, moest het Boutens zelf wel zijn geweest die deze gedichten geschreven had. En was hij dat ook?

    Aankomend biografie Hans Keilson

    Van Jos Versteegen,  dichter en biograaf die op dit moment werkt aan een biografie van Hans Keilson die in 2023 zal verschijnen, het stuk, ‘De feesten en nachtmerries van Hans Keilson’. Keilson was een getormenteerd man, door de oorlogsjaren voor zijn verdere leven onderuit gehaald. Hoewel hij bekend werd in Amerika en ook in Europa succes had als schrijver over zijn leven, maakte dit hem niet gelukkig. “‘Mijn leven is mislukt,’ zei Hans Keilson als bijna honderdjarige tegen een collega-psychotherapeut. ‘Ik heb niets gepresteerd, ik ben niet eens professor geworden.’” Keilson leed aan depressies, en hoewel hij genoot van ‘de aandacht en belangstelling die hij kreeg, kon tegelijkertijd zijn droefenis niet groter zijn.’, schrijft Versteegen. De onvermoede krachten van een mens en hoe daar mee om te gaan. Naar de biografie wordt uitgekeken.

    Verder een ingezonden brief over een kritiek punt in de biografie van Louis Lehmann en een weerwoord daarop van biograaf Jaap van der Bent, zelf. In de rubriek Schoon&Haaks – over publicaties van privé-drukker en marginale uitgevers – bespreekt Jan Paul Hinrichs verschillende uitgaven waaronder een boekje over de laatste levensmaanden van H. Marman, die met zijn vrouw, zwervend door Zuid-Europa, omkwam op volle zee.
    Van Nico Keuning in de rubriek Laagwater ‘Een buurjongen uit plan Zuid’. Over hoe er wordt omgegaan met feit en fictie in een feitelijk verslag van Heere Heeresma in Kaddish voor een buurt, radiogesprekken die Anton de Goede met Heeresma voerde. Keuning biedt hier een inkijkje die verder reikt dan de neus lang is. Het credo wie schrijft die blijft, geldt hier volop, al zijn er derden voor nodig die schrijvers naar voren te halen. Gelukkig is daar De Parelduiker, die van elke lezer een literatuurvorser maakt.

     

     

  • Het karakteristieke oeuvre van een dichtende scheepsarts en zwervende schrijver

    Het karakteristieke oeuvre van een dichtende scheepsarts en zwervende schrijver

    Onlangs is een nieuwe editie verschenen van het Verzameld proza van J. Slauerhoff (1898-1936). In 2018 was al een herziene versie van zijn Verzamelde gedichten gepubliceerd. De samenstelling en tekstverzorging van beide nieuwe uitgaven was in handen van Hein Aalders en Menno Voskuil. Slauerhoff is een schrijver van tegenstellingen, die Nederland haatte en het ontvluchtte. Toch schreef hij voor Nederlandse lezers, die hij vergastte op verhalen over Chinese verten en Portugese dichters van lang geleden. Hoe on-Nederlands kan een schrijver zijn die Jan heet, geboren en getogen is in Friesland en het liefst vakantie vierde op Vlieland?

    Slauerhoff keerde zich van Nederland af door te kiezen voor het beroep van scheepsarts dat hem tot ver buiten de landsgrenzen voerde. Hij koos niet alleen voor het avontuur van verre reizen naar exotische oorden, maar ook voor afzondering en eenzaamheid.  Vandaaruit zocht hij juist wel weer contact met lezers, een publiek, door middel van  van gedichten, verhalen, romans en artikelen. Aldus nam hij zijn lezers mee op sleeptouw, de hele wereld over. En die lezers lieten zich meevoeren door Slauerhoff. Het succes van zijn werk gedurende de hele twintigste eeuw, tot nu aan toe, getuigt daarvan. Zelf verkondigde hij nergens vrede te zullen vinden, behalve aan die laatste ‘smalle ree, van hout in zand’. Daar rust Slauerhoff nu al meer dan tachtig jaar. Zijn werk is sindsdien allerminst met rust gelaten.

    De scheepskist

    Tekstbezorgers Hein Aalders en Menno Voskuil doen in een nawoord van ca. 50 pagina’s uit de doeken hoe in de loop van die tachtig jaren het verzameld proza en de verzamelde gedichten zijn behandeld, in welke diverse vormen, samenstellingen en edities deze zijn verschenen en wie zich daarmee hebben bemoeid. De belangrijkste naam die hierbij moet worden vermeld is die van tekstbezorger, bibliograaf en filoloog Kees Lekkerkerker (1910-2006). Het is boeiende en informatieve kost, met als spannend pièce de resistance de scheepskist van de schrijver, waaruit zo lang na zijn dood nog nieuw materiaal blijkt te kunnen worden opgediept. De lezer krijgt op grond van dit overzicht de indruk dat er ooit een nóg uitgebreidere editie van Slauerhoffs literaire werk zal worden bezorgd. Omdat er dan weer een nieuwe vorm voor gevonden wordt. Of omdat er eindelijk iemand is die ook Slauerhoffs meest onleesbare teksten kan ontcijferen.

    Slauerhoff is vooral bekend van gedichten en proza. Hij schreef slechts één echt toneelstuk: Jan Pietersz. Coen, waarvoor ook plaats is ingeruimd in deze editie van het Verzameld proza. Dit toneelstuk verscheen in 1931,maar echt opgevoerd werd het stuk eigenlijk nooit. De ontvangst was kritisch omdat Slauerhoff door zijn benadering van Jan Pietersz. Coen als ‘gewoon mens’ afbreuk deed aan diens toen breed geaccepteerde heldenstatus. Een criticus repte in 1931 over Slauerhoffs Coen als ‘een stervende stakker, die zelfs geen schaduw van een groot man meer is’. Ná de Tweede Wereldoorlog lag de opvoering van dit toneelstuk gevoelig vanwege de onafhankelijkheidsstrijd die in Indonesië werd gevoerd. Waar de hedendaagse lezer over struikelt, zijn de schaamteloos racistische aanduidingen van de bevolking van Nederlands-Indië/Indonesië, die toen blijkbaar probleemloos konden worden gebruikt. Voor wie bedenkt een tekst uit 1931 te lezen die een historische, koloniale realiteit weergeeft uit de 17de eeuw, is het wellicht aanvaardbaar, maar toch: met de actuele, 21ste eeuwse gevoeligheid voor dit soort uitlatingen, is het lezen van sommige kwalificaties op zijn zachtst gezegd ongemakkelijk.

    Verhalenbundels en romans

    Verder bevat het boek de bekende en klassieke verhalenbundels Het lente-eiland en Schuim en as, de romans Het verboden rijk en Het leven op aarde alsook verspreid gepubliceerde en nagelaten verhalen en fragmenten. In Het verboden rijk combineert Slauerhoff zijn eigen fascinatie voor de geschiedenis van China met zijn bewondering voor de 16de eeuwse Portugese dichter Camoës. Daar voegt hij dan een meer hedendaags perspectief aan toe door het verhaal over de Ierse marconist. Voor dit laatste kon de schrijver uit zijn eigen ervaring putten als arts op de grote vaart.  

    De tweede roman van Slauerhoff, Het leven op aarde, sluit losjes bij Het verboden rijk aan. Ook de verhalen in de bundels Het lente-eiland en Schuim en as hebben onveranderlijk exotische oorden als decor. Met het oog daarop was enige geografische toelichting bij sommige teksten geen overbodige luxe geweest. In regel drie van het eerste verhaal bijvoorbeeld gaat het over ‘het arme duistere Amoy’. Tegenwoordig kennen we dat als Xiamen, een stad in de Chinese provincie Fujian. En een blik op de plattegrond van deze stad biedt onmiddellijk herkenningspunten voor wat Slauerhoff erover schrijft. 

    Monumentaal oeuvre

    Sommige fragmenten verschijnen in deze uitgave voor het eerst in druk. Dat maakt nieuwsgierig: leren we middels dit nieuwe materiaal een andere, nog onbekende kant van de schrijver kennen dan degene met wie lezers in de loop van bijna honderd jaar bekend zijn geraakt? Het antwoord is nee – en dat is geen teleurstelling, eerder een versterking van het karakteristieke oeuvre van de dichtende scheepsarts en zwervende schrijver. In het verhaal ‘De Vliegende Hollander’ lezen we: ‘Ja, ik verlang er naar alleen te zijn.’ Of het verhaal ‘Maagdenroof’ begint met de zin ‘Ik ben zoals mijn land- en stadgenoten dat noemen aan lager wal geraakt.’ Of het verhaal  ‘Rivalen’, dat begint met: ‘Ik ben gelukkig geweest, dat is zeker.’ Allemaal Vintage Slauerhoff. Het bevestigt het belang van deze nieuwe editie van Slauerhoffs Verzameld proza: een monumentale uitgave die – samen met de uniform uitgegeven Verzamelde gedichten – recht doet aan een monumentaal oeuvre.    

     

     

  • Veerkracht

    Veerkracht

    Afgelopen vrijdag schreef Michel Krielaars in NRC Handelsblad dat hij Natalia Ginzburg geregeld herleest ‘om er steeds weer iets nieuws in te ontdekken en verbijsterd te staan over haar tijdloze verbeeldingskracht.’ Het verheugde me enorm en las het stuk met plezier, tenminste één iemand die haar boeken geregeld uit de kast haalt. In diezelfde week was ik haar, van wie gewoonlijk zo weinig vernomen wordt, tegengekomen in het fijne boekje Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese. De auteurs Jan Kostwinder en Hein Aalders bezochten de plaatsen waar Pavese gewoond en gewerkt heeft. Natalia Ginzburg behoorde met Pavese tot dezelfde groep bevriende intellectuelen in de jaren dertig. Ze werkten enige tijd bij dezelfde uitgeverij Einaudi in Turijn. 

    Op een van de eerste bladzijden in Een man alleen, wordt haar omschrijving van Pavese in zijn functie als hoofdredacteur weergegeven. ‘Pavese zat, met zijn pijp, aan zijn bureau in razend tempo drukproeven te corrigeren. (…) Of hij schreef aan zijn romans en maakte snel en driftig doorhalingen. Pavese ontving zelden bezoekers. Hij zei, “Ik ben bezig! Ik wil niemand zien! Laat ze barsten! Kan me geen moer schelen!” Maar de nieuwe medewerkers, de jongeren, waren erg gesteld op gesprekken met bezoekers; die konden wel eens met nieuwe ideeën komen. Pavese zei dan: “Hier hebben we geen ideeën nodig! We zitten tot over onze oren in de ideeën!”’

    Het eerste dat ik van Natalia Ginzburg las, was de bundel met drie novellen De weg naar de stad. Over familie, hang naar onafhankelijkheid, de liefde, onbestemde gevoelens. Haar taal is sober, eenvoudige woorden, maar o zo mooi. Wat zij met woorden deed wilde ik ook. Haar zinnen wilde ik schrijven. Zoals zij schreef, ‘Ons huis was rood geschilderd en had een pergola aan de voorkant. We hingen onze kleren over de leuning van de trap, want we waren met zovelen en er waren niet voldoende kasten.’ De novelle Zo is het gebeurd schreef ik met inkt in een schriftje. Zinnen van eenzaamheid en berusting, ‘Als ik ’s zaterdags in Moana aankwam, ging ik vlak naast de kachel zitten en daar bleef ik de hele zondag tot het weer tijd was om te vertrekken.’ Hopende dat er iets van haar stijl in mij zou overgaan.

    Krielaars heeft het in zijn column speciaal over het autobiografische verhaal ‘Winter in Abruzzen’, uit de bundel Mensen om mee te praten. Vijf jaar zat ze met haar man Leone Ginzburg en hun kleine kinderen ondergedoken ten tijde van Mussolini. Later, na de val van Mussolini in 1943, werd haar man om zijn joods zijn opgepakt en doodgemarteld. ‘Mijn man stierf in Rome in de gevangenis van Regina Coeli, een paar maanden nadat we het dorp hadden verlaten.’ Haar ‘Winter in Abruzzen’, moet juist nu gelezen worden, ten tijde van leven met beperkingen, de veerkracht die daaruit voortkomt. Natalia Ginzburg schreef een prachtig oeuvre bij elkaar dat getuigt van die onnoemelijke veerkracht. Daar kunnen we het mee doen.

     

    Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese / Hein Aalders en Jan Kostwinder / Uitgeverij Aalders & Co. (1996)
    Mensen om mee te praten / Natalia Ginzburg / vertaling Etta Maris / Meulenhoff (1990)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    De eerste editie van De Parelduiker (2020) is gewijd aan de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon (1912-1979). Een blik op leven, werk en omgeving van een illustere schrijver waarbij de vraag rijst: wie kent hem nog, wie leest De Kapellekensbaan en Zomer te Ter- Muren (ook wel anarchisten Bijbel genoemd) of de schelmenromans van De bende van Jan de Lichte nog? Doet Louis Paul Boon, schrijver van duizenden cursiefjes, de zogenaamde ‘Boontjes’, de romancier die tijdens zijn leven de belofte van een Nobelprijswinnaar in zich droeg, nog ergens een bel rinkelen? Die Nobelprijs had hij naar verluidt bijna gekregen, maar voor het bekend werd gemaakt, overleed hij. 

     Oud-journalist Bert Ummelen bracht een bezoek aan Aalst, de geboortestad van de schrijver. Hij wandelde door de stad, op zoek naar herkenning uit de boeken en het leven van Boon. Langs verschillende standbeelden van romanfiguren en de schrijver zelf. Alleen een standbeeld van de bandiet Jan de Lichte ontbreekt, dat werd in 1979 onder druk van de Christelijke Volkspartij zo’n 65 km verderop naar Antwerpen verbannen, waar het een toepasselijke plek kreeg voor het justitiegebouw. 
    Van de drie Boon-routes die in Aalst zijn uitgezet, voor wandelaar en fietser, zijn er twee in de aanbieding vermeldt Ummelen, ‘Ze moeten uit een kast worden opgediept, dus veel vraag zal er niet naar zijn.’
    In het westelijk deel van de stad vindt Ummelen nog het geboortehuis van Boon, aan de Dendermondsesteenweg, nr. 38, alsook de latere hoekwoning waarnaar het gezin verhuisde aan de Sinte-Annalaan er nog staat. Het station van Aalst toont zich nog hetzelfde, waar Boon op het stationsplein na vijftien jaar de huishoudelijke hulp van zijn vrouw tegenkwam, toen een meisje waar hij hopeloos verliefd op werd. In zijn novelle Menuet (1955) komt ze voor als Lolita. Men krijgt voorwaar zin de stad Aalst te bezoeken.

    Boon en zijn vriendschapsbanden

    De schrijver en de betekenis van vriendschappen in zijn leven, wordt beschreven door letterkundigen Jos Muijres en Kris Humbeeck. Ieder op zich deed onderzoek naar een belangrijke vriendschap in het leven van Boon. Muijres schrijft over jeugdvriend Karel Colson, en Humbeeck -die ook aan een biografie van Boon werkt- over diens beste vriend, Maurice Roggeman. Muijres schrijft, ‘De jonge Boon was een eenzaat met een (getormenteerde) romantische inborst en een hunanitair-exprssionistische uitingsdrang.’ Fascinerend is om in het verloop van de vriendschappen -veelal getoond aan de hand van briefwisselingen- te zien hoe gedreven en gemotiveerd Boon was om zijn eigen weg te gaan. Vriendschap moest een zeker nut hebben. Waarbij Boon van hen gebruik maakte en ze in zijn romans een plaatsje gaf. Zo is het karakter Morris, uit Boons debuut De voorstad groeit, en Tippetotje, een schilderes in De Kapellekensbaan ontleend aan de schilder Maurice Roggeman.

    Erik van Veen sprak met vertaalster Zweeds, Ingrid Wikén Bonde. Zij vertaalde meer dan twintig boeken uit het Nederlands van verschillende schrijvers. Het eerste boek dat ze van Boon vertaalde was De Kapellekensbaan, uitgegeven bij Forum. Saillant detail: nadat Boon in 1979 was overleden, de kans op de Nobelprijs verkeken was, stopte de Zweedse uitgever met het uitgeven van Boons werk. 

    Jo Boon (1939), de zoon van Boon, komt in een stuk van Kris Humbeeck aan het woord over de band met zijn vader. Daar kan hij kort over zijn, Op de vraag of het niet moeilijk was in de schaduw van zo’n groot schrijver op te groeien, zegt hij, ‘Louis deed zijn ding en ik deed het mijn.’ En, ‘Dat zijn vader altijd maar schreef en schreef, en andere vaders dat niet deden, besefte Jo in die jaren wel, maar dat Louis toen al een auteur met aanzien was, realiseerde hij zich natuurlijk niet. Louis was er gewoon en schreef.’
    Zijn eigen zoon, David (1969) en kleinzoon van Boon, kreeg meer aandacht van zijn vader dan hij ooit van hem had gekregen. Maar last heeft Jo daar nooit van gehad. De enige keer dat de zoon zich met het leven van zijn vader bemoeide was toen een drinkgelag van zijn vader uit de hand dreigde te lopen, toen heeft hij hem het glas afgenomen. Zoals bij alle artikelen, is ook dit artikel geïllustreerd met foto’s, mooi beeld daarbij van een ontspannen Boon die met zijn vierjarige kleinzoon in de tuin zit en ze zich vrolijk onderhouden met elkaar. 

    Langverwachte biografie komt eraan

    In de rubriek ‘Laagwater’ een bijdrage van Martine Cuyt waarin ze een overzicht geeft van werk van Boon dat opnieuw wordt uitgeven (Verzameld werk), of waaraan gewerkt wordt dit uit te geven, zoals de biografie waaraan gewerkt wordt door Kris Humbeeck. Deze zal onder de titel Gelijk de vis zwemt, moet ik schrijven, op Boons 110e geboortedag, 15 maart 2022 verschijnen.
    Cuyt verklaart ook waarom de biografie tot een ‘langverwachte’ biografie benoemd werd, maar lees daarvoor De Parelduiker zelf.

    Dat Louis Paul Boon in het literaire geheugen leeft, getuige in ieder geval een lezersreactie in dagblad Trouw enkele weken terug. Een reactie op een artikel over ‘hufters en graaiers’ die de corona crisis aangrijpen om er hun voordeel mee te doen. Deze lezer herinnerde zich de gevleugelde woorden waarmee Boon het boek De kleine oorlog afsloot, ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’ Hij schrijft ook dat Boon dit in latere drukken veranderde in, ‘Wat heeft het alles voor zin?’, en deze verandering desgevraagd verklaarde met, ‘Ook al schop je 99 mensen een geweten, er blijft dan nog één smeerlap over en die wordt president. En als je naar die durft te schoppen, vlieg je de gevangenis in.’
    Als er iets gelezen wordt dat de wereld beroerd, er dan een boek uit het geheugen opduikt, een schrijver herinnerd wordt, dan leeft die schrijver nog. En dat (blijkt maar weer), is de opgaaf die De Parelduiker zich gesteld heeft, het tot leven wekken van schrijvers door ze in herinnering te brengen en nieuw materiaal dat boven water komt te publiceren. En hoe fijn het dan is om een auteur vanuit verschillende gezichtspunten opnieuw belicht te zien.

    Vaste rubrieken

    In ‘Schoon & Haaks’ waarin Jan Paul Hinrichs marginale uitgevers en drukkers bespreekt, aandacht voor onder meer de uitgave van literair tijdschrift Terras nr. 17, en de speciale uitgave Natan, geschreven portretten door Mirjam Rotenstreich van haar vader, met acht portrettekeningen van Sam Drukker. Voor de drukliefhebber kunnen deze mooie gegevens niet onvermeld blijven, ‘Jaap Schipper van de Satenhofpers liet het toepasselijk zetten in de elegante Elisabeth (1938) van de Joodse ontwerpster Elisabeth Friedlander (1903-1984).
    ‘De laatste pagina’ is bewaard voor Rob Molin (1947-2019), een in memoriam door Ben van Melick, die tegen hem opkeek toen hij in de jaren tachtig zijn buurman was, omdat Molin er voor koos helemaal voor de literatuur te gaan. Hoe Molin dagen in de tuin zat te lezen in Het verdriet van België. Hij belicht de vele literaire interesses van Molin, die een oprecht literaire duizendpoot bleek.

     

     

  • Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    In deze tweede editie (2019) van De Parelduiker een bijdrage over de oorlogsjaren van Bert Schierbeek door Graa Boomsma, auteur, criticus, schrijfdocent en biograaf van Schierbeek. Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers en was schrijver van romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten. Zijn boek, Het boek Ik (1951), wordt wel beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek.

    Tot zijn verrassing vond Boomsma in het Literatuurmuseum de oorlogsdagboeken van Schierbeek die vanaf april 1942 de illegaliteit in ging. Boomsma meent dat het verhaal over de Vijftigers, ‘stuk voor stuk getekend door de Tweede Wereldoorlog’ nog steeds niet volledig verteld is. Hierbij ook denkend aan de literaire rel in 2017 die ontstond nadat Wim Hazeu (biograaf Lucebert) ontdekte dat Lucebert zich in 1943 vrijwillig voor de Arbeidsinzet in Duitsland meldde en zich in zijn brieven antisemitisch uitliet.

    In het jaar dat Schierbeek in het verzet ging, meldden twee jongens van zeventien en achttien jaar (de latere Hans Andreus en Lucebert) zich bij de Duitsers: ‘De hopeloos verdwaalde jongens meenden zich te moeten melden voor het Oostfront,’ schrijft Boomsma. In 1948 raken Schierbeek en Lucebert bevriend met elkaar. Schierbeek die wist dat Lucebert de kant van de bezetter had gekozen, zei daar later over: ‘Lucebert stond heel anders in de oorlog’. Wat een fijne nuancering was van een verkeerde keuze maken.

    Schrijver door de oorlog

    De titel van de te verwachten biografie, Niemand is waterdicht komt van  een uitspraak van Schierbeek in zijn dagboeken. Hij schrijft over het moment dat leden van zijn verzetsgroep worden opgepakt en hij moet onderduiken, omdat: ‘Niemand is waterdicht, als de duimschroeven worden aangedraaid kan de grootste held doorslaan.’ Boomsma schrijft dat Schierbeek zonder de oorlog waarschijnlijk geen schrijver zou zijn geworden. Het fusilleren van negentien verzetslieden uit zijn groep, was de directe aanleiding een roman te schrijven. In iets meer dan een half jaar schrijft Schierbeek een roman die in de herfst van dat jaar wordt uitgegeven: Terreur tegen terreur. ‘(…) een traditionele roman in de geest van André Malraux en Du Perron, [die] laat zien hoe goed Bert was ingevoerd in het Amsterdamse verzet en de geallieerde oorlog tegen Duitsland.’
    Het fijn geschreven stuk is rijkelijk geillustreerd met beeldmateriaal uit het leven van Schierbeek. Een biografie om naar uit te kijken.

    Portret Anton Bakels

    Een ander biografisch project is gewijd aan de anarchist en uitgever Anton Bakels door de in Canada woonachtige Bart De Cort. Anton Bakels (1989-1964) behoorde tot de groep Amsterdamse bohème en was uitgever. Hij kende vele kunstenaars en schrijvers waaronder Joseph Roth. Een man die met zijn conversatie het vermogen had ‘om een havenkroeg om te toveren tot een literair café.’ Volgens De Cort een man die gedoemd was uit de literaire geschiedenisboeken te blijven, deels dankzij zichzelf omdat hij nooit op de voorgrond trad, maar die een leven leidde dat interessant genoeg was om een biografisch portret aan te wijden.

    Essay vanuit Praag

    Van Chrétien Breukers een essay over Praag waar de schrijver sinds 2017 woonachtig is. Een essay over de Tsjechische cultuur, zichzelf, Kafka en de Tsjechische schrijver, en in Nederland vrijwel onbekende, Paul Leppin (1878-1945). Breukers’ kennismaking met Praag die hij voor hij er ging wonen ‘Met de moeder van mijn dochters […] al een keer of acht [had] bezocht’ voert door de literaire cultuur, langs Duitstalige schrijvers, en zijn eigen veroveringen en ontdekkingen van de stad. Uitkomend bij Paul Leppin, een ‘intercultureel’ schrijft Breukers. ‘Daarom heeft hij natuurlijk heel veel geleden: wie bij verschillende groepen hoort, is nergens thuis.’ Praag leren kennen aan de hand van het essay van Breukers is een interessante kennismaking met de stad en zijn Duitstalige schrijvers, en met de schrijver zelf.
    Verder in deze editie onder meer een teruggevonden verslag van Gerard van het Reve uit 1946 over het Tegelse Passiespel, bezorgd door Niels Bokhove. In de rubrieken  ‘Laagwater’ Wat las Juliana? door Marco Entrop en ‘De Laatste Pagina’ over Peter van Gestel, 1937-2019 door Paul Arnoldussen.
    Voor wie zich om de literatuur bekommert en het huidige literaire beeld gespiegeld wil zien aan het rijke literaire verleden doet er goed aan De Parelduiker te lezen.

     

  • Oogst week 39 (2018)

    Een iets beschuttere plek misschien

    De oogst van deze week bestaat uit een nieuwe uitgave in de reeks Privé Domein, een literair tijdschrift, een kleine roman van de Noorse auteur Tomas Espedal en een ooit aan de keizer van Rome opgedragen boekwerk van de Romeinse letterkundige en amateur-wetenschapper C. Plinius Secundus.

    Schrijver en  publicist Cyrille Offermans (1945) werkte een jaar lang aan wat nog het best te omschrijven is als een intellectueel journaal. Een iets beschuttere plek misschien bevat een verzameling notities, beschouwingen, herinneringen, observaties alsook essayistische commentaren op gelezen boeken en gebeurtenissen in de wereld. Het boek (en dus het jaar) begint en eindigt met de doffe ellende in Syrië. Daartussenin worden vele onderwerpen gepresenteerd – van de Franse verkiezingen en de afnemende tekenvaardigheid van de schooljeugd tot en met uiteenzettingen over bibliomanie, de betekenis van carnaval, de eerste woordjes van een kleinkind of de ziekte van een vriendin. Er gebeurt veel in de wereld. En dat is te lezen in dit boek.

     

     

    Een iets beschuttere plek misschien
    Auteur: Cyrille Offermans
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    2018/3

    Vertaalster en publiciste Hein Groen schreef onder meer het mooie boekje De ruimte van Virginia Woolf (1998) over het scheppen van ruimte van de schrijfster om te kunnen schrijven. Op dit moment werkt Groen aan een literaire reisgids van Venetië waarover in deze Parelduiker een stuk over de Venetiaanse romanschrijver Pier Maria Pasinetti (1913-2006) getiteld, ‘Een vergeten Venetiaanse Proust’. Ze beschrijft de plekken waar hij geleefd en geschreven heeft. En daar schrijft ze mooi over, een wandeling die je graag met haar meeloopt. ‘Elke keer als ik in de wijk San Polo op de Ponte Bernardo langs het huis loop waar de schrijver (…) een groot deel van zijn jeugd heeft doorgebracht staat er wel ergens een raam open en kan ik de trillende reflectie van water op het plafond bijna zijn.’ Die bewegende weerschijn van water op het plafond noemen de Venetianen ‘La gibigiana’ en blijkt de meest veelzeggende metafoor in Pasinetti’s werk te zijn. Een reisgids om naar uit te kijken, en dan op naar Venetië.

    Ook besteedt de Parelduiker in drie afleveringen aandacht aan de Culturele hoofdstad Leeuwarden. In deze editie ‘Literair Leeuwarden (II)’. Teake Oppewal, redacteur op het gebied van Friese literatuur schreef,  ‘Onder het plaveisel van de stad’, een literaire wandeling door de stad. Een plattegrond is erbij opgenomen.
    In de rubriek ‘Laag water’ een reactie van Clara Eggink op het gedicht Jij, socialistisch meisje door Jac. van Hattum, een gedicht dat haar ‘kriegel’ maakte en ‘kwaadaardigheid’ bij haar opriep.

    2018/3
    Auteur: Eindredactie: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Buiten de orde

    Tomas Espedal (Noorwegen 1961) verheft zijn eigen biografie – net als zijn landgenoot Karl Ove Knausgård – tot literatuur. Maar waar Knausgård zijn leven tot in detail weergeeft, is Espedal een minimalist in woorden en dat levert ingedikt proza op. Hoewel Espedal als een van de belangrijkste schrijvers van Noorwegen geldt, verscheen pas in 2017 een eerste vertaalde roman van hem in Nederland: Tussen april en september, een roman over het verlies van een vrouw en over rouw.

    Ook in Buiten de orde, is sprake van een gestorven geliefde en verwerking van verlies. De ik-figuur van de roman krijgt een relatie met een veel jongere vrouw. Zijn omgeving keurt hun relatie af en daarom trekken ze zich terug in het huis van de man. De man is gelukkiger dan ooit, tot hij na zes jaar wordt verlaten door de jonge vrouw. Ze wil de wereld in en laat de man gewond achter. De man wordt vervolgens overspoeld door herinneringen aan zijn jeugd, zijn eerste liefde, de jaren met zijn overleden vrouw. Beelden van gelukkige ogenblikken en moeilijke momenten trekken aan hem voorbij. Langzaam lost het verdriet van de man op. “Jij zegt voorbij, maar de liefde wil niet voorbij zijn.’ is uiteindelijk zijn bitterzoete conclusie.

    Buiten de orde
    Auteur: Tomas Espedal
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De wereld

    C. Plinius Secundus (23- 24 na Chr.) was een Romeins letterkundige en amateur-wetenschapper en had als doel in zijn leven zoveel mogelijk kennis (over wat dan ook) te verzamelen. Het blijkt dat hij geen oog dicht wilde doen omdat hij niets van het leven wilde missen. Om geen snippertje van het leven te verspillen, zou hij zich tijdens het eten en baden hebben laten voorlezen en liet hij aantekeningen maken. Alle feiten die hij ooit gedurende zijn leven had gevonden bracht hij samen in het boekwerk De wereld, Naturalis Historia.

    De wereld is een overzicht van antieke kennis: over alles wat de Romeinen en de Grieken wisten over de hemel, de aarde, mensen, dieren, planten, geneesmiddelen, stenen, metalen en kunstwerken. Plinius schrijft over insecten, vogels, exotische beesten, rare mensen, overstromende rivieren, ingepolderd land. Over honderdvijfentachtig soorten wijn en de opslag ervan, hoe je touw maakt, of papyrus, of glas, hoe je edelstenen vervalst. Honderden plantaardige en minerale geneesmiddelen somt hij op, tegen allerhande kwalen, vaak onzinnig, dikwijls effectief. Plinius is cynisch over zijn tijdgenoten die niet geïnteresseerd zijn in wetenschap. En hij lardeert zijn boek met anekdotes en sappige verhalen. Ook had hij graag verteld hoe een vulkaanuitbarsting er van dichtbij uitziet, maar dat experiment overleefde hij niet.

     

    De wereld
    Auteur: C. Plinius Secundus
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Oogst week 5

    Steencirkels

    Altijd interessant, wanneer een (poëzie)recensent zelf weer met een bundel komt. Na Vlinderslag (2013), waarin Gerbrandy proza en poëzie elkaar al liet afwisselen, beloven in dit nieuwe lange gedicht werkelijk alle registers los te gaan: ‘van tastende vertelling tot lyrische uitbarsting, van bittere satire tot nuchter commentaar,’ aldus de begeleidende tekst op de website van uitgeverij Atlas Contact, die vervolgt met: ‘Misschien wordt hier de poëzie opgeblazen. Dat moet dan maar.’

    De bezwerende toon wordt al in het openingshoofdstuk, Open, gezet:

    Het gaat om een man.
    Wij noemen hem O voorlopig.
    Om wat?
    Omdat hij open staat naar elementen. Omdat zijn oog de spil is van orkanen. Omdat O kwam en ging. Er was. Verdween. 

    Onderaan de pagina, in een ander lettertype, staat: Het geldt als beleefd eerst goden de woorden te laten. Een dergelijke werkwijze doet denken aan Coetzees Dagboek van een slecht jaar en maakt gelijk nieuwsgierig naar meer.

    Steencirkels
    Auteur: Piet Gerbrandy
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Illes Balears

    Waren er al diverse naslagwerken over Literaire Steden en Literaire Wandelingen samengesteld, nu komt uitgeverij Lubberhuizen met een nieuwe variant op het literaire reizen: Literaire Eilanden. Wat nu precies te verwachten van Illes Baleares wordt niet helemaal duidelijk – en maakt, grappig genoeg, erg nieuwsgierig. De begeleidende tekst op de website verhaalt vooral over de vele schrijvers en kunstenaars voor wie de Balearen een toevluchtsoord vormden in tijden van, bijvoorbeeld, de dreigende opkomst van de nazi’s. Later verbleef volgens de uitgever ‘het halve Leidseplein’ op de eilanden, gevolgd door de hippies: ‘Internationaal vermaarde schrijvers als Albert Vigoleis Thelen en Robert Graves en Nederlandse schrijvers als Cees Nooteboom, Jan Cremer en Theo Kars gaven de eilanden een prominente plek in hun werk. En nog steeds zijn de eilanden van ‘zon, zee en zonde’ populair onder kunstenaars en schrijvers.’ Hier zou ik nog aan toe willen voegen: schrijfster Esther Ending, opgegroeid op Ibiza en aan wie in Illes Baleares een heel stuk wordt gewijd. Kind van Ibiza (Lebowski) van Endings, biedt een prachtig inkijkje in hoe het was, op te groeien op het bekende eiland eind jaren tachtig – leestip voor wie na Illes Baleares nog niet genoeg geproefd heeft!

     

    Illes Balears
    Auteur: Hans van der Klis ; Hein Aalders
    Uitgeverij: Uitgeverij Bas Lubberhuizen

    Hoe verliefd is de lezer?

    En weer een boek om ons op te verheugen! Alleen de titel is al mooi. Doeschka Meijsing las niet alleen veel, maar ging vanaf haar jeugd ook al met grote regelmaat naar film, musea en theater. Hiervan deed ze aanvankelijk verslag in haar decennialang bijgehouden dagboeken, later publiceerde ze erover in Vrij Nederland, Elsevier, De Revisor en De Groene Amsterdammer. Xandra Schutte, hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer en Meijsings partner, selecteerde Meijsings beste beschouwingen en leidde ze in. Verwacht mooie stukken over Rudy Kousbroek, Sophia Loren, Kuifje, Shakespeare en meer.

    Hoe verliefd is de lezer?
    Auteur: Doeschka Meijsing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Anna Karenina

    Een goede manier om een tijdloze roman zo tijdloos mogelijk te houden, is van tijd tot tijd de vertaling te herzien. Hans Boland waagt zich hieraan en weet met zijn nieuwe vertaling terecht de aandacht weer te vestigingen op Tolstois meesterwerk. Volgens Vladimir Nabokov is Anna Karenina de beste roman ooit, een oordeel waarop lezers gerust kunnen vertrouwen. De uitgeverij stelt zich nog altijd de vraag: ‘schreef Tolstoi een aanklacht tegen een vrouwonvriendelijke samenleving of vertolkte hij het orthodox-christelijke standpunt dat de vrouw op de wereld is om man en kinderen te dienen?’
    Lees en bedenk het zelf.

    Anna Karenina
    Auteur: Lev Tolstoi
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Geen alledaags bestaan

    Geen alledaags bestaan

    De Hollandse beschaving, ‘roggebrood: substantieel, degelijk maar niet gracieus’. Zo typeert J. Slauerhoff (1898-1936) zijn land van herkomst in een van de vele brieven in Een varend eiland.

    Een goedgekozen titel voor een keuze uit zijn correspondentie van rond 1920 toen hij geneeskunde in Amsterdam studeerde en als dichter en lezer zijn weg in de literatuur zocht. Brieven uit het verre oosten, Zuid-Amerika en West-Afrika waar hij als scheepsarts van boord ging en rondkeek. Brieven ten slotte van de lichamelijk uitgeputte Slauerhoff uit 1936, het jaar dat hij na omzwervingen en een korte vestiging als arts in Tanger, ziek lag in zijn geboorteland waarmee de banden nooit verbroken waren geweest.

    Al in zijn studententijd had de reislust hem te pakken gekregen. Zee en land, schip op-schip af. Die tweespalt zou zijn verdere leven bepalen. In Oporto in Portugal schreef hij aan een vriend: ‘De nadering van land […] gaf mij fysiek onbehagen. Ik zal het dan ook op zee zoeken als ik klaar ben [met de studie].’

    Later, tijdens verre reizen, zag hij uit naar gebieden ‘met verrassingen’. Zwerven over de wereldzeeën op zoek naar geluk dat hij nooit vond. Hij wilde het ook niet omarmen, getuigt een gedicht als ‘Columbus’ en de brieven in Een varend eiland. Slauerhoff wantrouwt het geluk dat moet liggen in een alledaags bestaan met sleur en steeds dezelfde mensen om zich heen. Vastgeroest raken was het grootste ongeluk. ‘[Ik] ben zo veranderlijk, schreef hij, ‘dat ik me in geen vaste vorm kan geven en insluiten […]’

    Toch verlangde hij naar bestendigheid. Kort voor zijn dood verzuchtte hij niet voor het eerst dat hij ‘wel eens een reëel leven’ wenste, ‘een vaste basis’. Hij heeft serieus overwogen om zich op de Hollandse wal te vestigen, als assistent van een huid- of oogarts bij voorbeeld. Hij  heeft zelfs geprobeerd zich in een medisch specialisme te bekwamen waarvoor hem – naar eigen zeggen – de vereiste nauwkeurigheid ontbrak. Ook pogingen om in het (verre) buitenland voorgoed te ankeren liepen op niets uit.

    Het is Slauerhoff ten voeten uit: besluiteloos zodra hij een definitieve keuze diende te maken. Toch was het zijn enige kans om te overleven. Hij moest zich om zijn zwakke gezondheid ontzien en zijn turbulente leven opgeven. Zijn geest echter eiste vitaliteit en een zwervend en meeslepend leven.

    Een-huis-voor-altijd heeft hij van meet af aan in zijn schrijven gevonden, in de poëzie vooral. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak’, dichtte hij. In zijn korte leven heeft Slauerhoff veel gepubliceerd,  verhalen, romans en reisbeschrijvingen met exotische titels zoals Eldorado, Young Poe Tsjoeng en De opstand van Guadalajara.

    Als avontuurlijk schrijver en ‘poète maudit’ was hij een zeldzame verschijning in het overwegend kalme en gezapige Holland van de jaren dertig. Wat hem in het literaire landschap van die dagen naast zijn excentriciteit als persoon bijzonder maakt is zijn ‘functionele’ slordigheid zowel in zijn (slecht leesbaar) handschrift als in uitdrukkingsvorm. Geen gladde verzen, geen zorgvuldig gebouwde of afgeronde verhalen. Geen mooischrijverij en zeker in zijn poëzie een evocatie van het eigen ik.

    Een directheid die nog groter is in zijn brieven in Een varend eiland. In Een varend eiland profileert Slauerhoff zich feitelijk als de biograaf van zijn eigen leven. Niet zelden immers vertrouwde hij zijn diepste zielenroerselen toe aan familie, vriendinnen en literatoren in het Nederlandse literaire wereldje waar hij zijn grootste roeping had te vervullen.

    Het brievenboek betrekt de lezer in een domein waarin Slauerhoff gedoemd was te leven en dat hij probeerde te herscheppen. Hij hunkerde naar landen met ‘verrassingen’ die hij ook in de schoot krijgt geworpen. Stof voor verzen, verhalen en reisbeschrijvingen dient zich onophoudelijk aan. Onder de bevolking vindt hij geen surprises, op enkele bekoorlijke vrouwen na. Europese enclaves zoals leefgemeenschappen in Nederlands-Indië vindt hij vreselijk en soms ook patiënten die hem aan boord consulteren. Varen ‘met die imbecielen [is] stomvervelend,’ pende hij in een van zijn brieven tijdens een slechte bui neer.

    Op de literatuur van zijn tijd had Slauerhoff veel tegen, vooral op estheticisme, hoge toon en burgerlijk fatsoen. In Holland schreef men ‘zo slecht, zo mak’. Hoewel hij een echte ‘vent’ was heeft hij in de eerste helft van de jaren dertig niet uitsluitend in het door Du Perron en Ter Braak geleide tijdschrift Forum gepubliceerd dat de ‘persoonlijkheid’ centraal stelde. Slauerhoff was geen man van kritische principes, die nu eenmaal snel verouderen of verstarren.

    Niet zozeer uit verwantschap met tijdschrift programma’s maar uit geldnood bood hij zijn werk ter voorpublicatie aan. Het steekt vooral in de laatste jaargangen van Forum schril af tegen de bijdragen van schrijvers en dichters die zich weinig direct over zichzelf uitlieten en nog te veel aan het verhullende estheticisme van Tachtig vast zaten.

    Indringend zijn behalve de berichtgevingen over literatuur en reizen de brieven uit 1936, het jaar van zijn overlijden. De malaria die Slauerhoff aan een reis had overgehouden, speelt hem danig parten en ook zijn jeugdkwaal astma. Hij droomt nog over een toekomst, over een verhuizing naar de voor zijn gestel klimatologisch gunstige Canarische eilanden of Madeira. Maar hij raakt niet meer weg uit Nederland, uit een rusthuis in Hilversum, het meest verstikkende oord  voor Slauerhoff denkbaar . In de herfst van 1936 sterft hij , nog geen veertig jaar oud. Vergeten zoals veel van zijn tijdgenoten werd hij niet. Hij leeft voort in zijn werk en bleef het – meest nog in zijn brieven – voor altijd jong.

    Een varend eiland is een prachtboek geworden, mede dankzij Hein Aalders die nauwkeurig Slauerhoffs brieven heeft gebloemleesd en van een stevige inleiding en uitvoerige annotaties heeft voorzien.

     

     

     

  • Knorrige betweter

    Knorrige betweter

    Als Heere Heeresma het Nederlandse recensentenvolkje eind jaren zeventig een gebrek aan geestelijke breeding en integriteit verwijt, kaatst criticus Aad Nuis de bal onmiddellijk terug: Ja, als er in de Verzamelde Brieven van Heeresma een greintje inzicht te bespeuren viel, een spoortje, hoe klein ook, van een oorspronkelijke gedachte (…). Maar deze koude kliek van alles wat kwaaie schrijvers door de eeuwen heen over critici hebben bedacht? Nee, hoor. De schrijver ontploft en geeft zijn uitgever opdracht nooit meer een recensie-exemplaar te versturen.

    Hoe het met de integriteit van Aad Nuis gesteld was valt moeilijk meer te achterhalen, maar enige geestelijke breeding kan hem niet worden ontzegd. Zijn oordeel over de correspondentie van Heeresma (1932-2011) lijkt niet overdreven–ook in Bleib gesund!, de zojuist verschenen selectie uit de correspondentie van Heeresma, valt het niet mee originele denkbeelden te vinden, ook al presenteert de auteur zich menigmaal als autoriteit op het gebied van Bijbelexegese en Jodendom. Zo tikt hij Renate Rubinstein op de vingers die het eerste gebod volgens hem ten onrechte omschrijft als Gij zult niet doden. Dat zou moorden moeten zijn–maar wat de hiervan de precieze consequentie is, blijft wat in het vage. Een paar dagen eerder heeft hij Marten Toonder trouwens hetzelfde geschreven naar aanleiding van een kranteninterview: Het door u aangehaalde woord spreekt niet over ‘doden’ maar over ‘moorden’ en dát is wat anders. Uw redenering zakt daarbij en passant door z’n  eigen bodem. Geen toelichting.

    Succesvol auteur
    Maar het merendeel van de brieven, die de periode van 1952 tot 2010 beslaan, betreft huis-tuin-en-keuken aangelegenheden over familie en vriendschap, schrijvers, uitgevers en recensenten. En vooral over zijn eigen schrijverschap. Wat je ook verder over de aard en kwaliteit daarvan zou mogen denken: hij was een buitengewoon succesvol auteur, zeker voor Nederlandse begrippen. Een dagje naar het strand; Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp; Geef die mok eens door, Jet!; Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming–het waren allemaal bestsellers die steeds maar weer herdrukt werden en voor een deel zijn verfilmd door vooraanstaande regisseurs. Een jongen uit plan Zuid (2005), gebaseerd op zijn (oorlogs-)jeugd in Amsterdam Zuid, behoort tot het mooiste wat er in het Nederlandse taalgebied verschenen is.

    Als schrijver stond Heeresma op eenzame hoogte, dat vond hij tenminste zelf. Vanaf het midden van de jaren zeventig kon hij van zijn pen leven en hij heeft er sindsdien een eer in geschept zich verre te houden van het ‘literaire wereldje’: hij vroeg geen subsidies of beurzen aan en accepteerde geen literaire prijzen–en had minachting voor collega-schrijvers die daar wél aan meededen. De Vereniging van Letterkundigen bestond volgens hem uit een verzameling koekebakkers, non-valeurs en staatsruifpikkers, zoals hij schreef aan de secretaris. Niet alleen schrijvers komen er slecht af in Heeresma’s brieven–er zijn maar enkele uitzonderingen, zoals Jan Arends en Laurie Langenbach–ook uitgevers, boekverkopers en, vooral, recensenten, de beoefenaren van de vaderlandse boekenschouwkunst. Met journalist Rudie Kagie maakt hij zich vrolijk over Kees Fens, die niet eens zijn eigen werk kan inschatten (…) En dat wordt losgelaten op het werk van anderen. Het lezend publiek wordt substantiële informatie onthouden omdat critici niet kunnen denken en niet kunnen schrijven. Er wordt zoveel oeverloos gewauwel over boeken losgelaten, dat het lezend publiek vermoeidheidsverschijnselen gaat vertonen wat zonder meer gevolgen heeft voor de verkopen in de boekhandel. Heeresma merkt desondanks op, de brief dateert uit 1986, dat hij een zware koffer vol knipsels heeft bewaard met recensies van zijn eigen werk: 1200 artikelen, waarvan 20 positief en 40 welwillend, de rest afwijzend op een vaak agressieve manier. Dit alles terwijl mijn oeuvre in de loop der decennia behoort tot het meest herdrukte in de geschiedenis der letteren.

    Boos
    De boosheid van de correspondentie is misschien te begrijpen, al wordt de voortdurende herhaling, in alle toonaarden, op den duur knap vermoeiend. Af en toe straalt er iets van humor door in de rancune. In 1975 wendt hij zich tot Pierre H. Dubois die Geef me die mok eens door, Jet! heeft besproken voor Het Vaderland. Dubois heeft blijkbaar laten doorschemeren dat hij de roman geen meesterwerk vindt. Dat valt verkeerd: de tijd zal wel uitmaken of iets een meesterwerk is en niet ene Pierre H. Dubois, zegt Heeresma in een brief aan de recensent. De neerbuigende toon van de criticus is niets meer of minder dan een brutaliteit, schrijft de auteur en hij vervolgt: Wie of wat bent u zelf eigenlijk? Een Haagse grootheid die met al zijn aktiviteiten nog niet bij de lezers heeft kunnen losslaan wat alleen hier genoemd boek al deed. Het wordt tijd dat mensen zoals u zich eens wat bescheidener, en vooral dienender gaan opstellen. De ijdele parmantigheid die uit uw bewering sprak is vandaag de dag niet goed mogelijk meer. 

    Heeresma heeft een ongelofelijke hoeveelheid brieven geschreven, hij liet in zijn boeken een postbusadres afdrukken en probeerde alle post te beantwoorden. Samensteller Hein Aalders heeft uit tienduizenden brieven, kisten en nog eens kisten vol, moeten selecteren. De vraag is: heeft al die moeite geloond? Het epistolaire personage van Heeresma is een wat knorrige betweter. Dat is soms amusant, maar de literaire of poëtische kwaliteiten van de schrijver blijven teveel verscholen achter polemiek en zelfbeklag. Ernstiger is het gebrek aan context: Heeresma windt zich over van alles en nog wat op, maar je weet niets van de omstandigheden: Bleib gesund!  bevat alléén de brieven van Heeresma, geen enkele reactie. Omstreeks pagina 100 staan achter elkaar brieven afgedrukt aan Thomas Rap, de moeder van de schrijver, uitgeverij Contact, Ab Visser, Propria Cures, Martin Ros, Bert Bakker, Willem Frederik Hermans, Geert Lubberhuizen, maar je komt niet te weten of de aangesneden kwesties verder worden besproken, opgelost of met een sisser eindigen.

    Ook tussen de brieven onderling bestaat geen enkel aantoonbaar verband. Naar de achtergrond van de keuze moet je raden, noch samensteller Aalders, noch inleider Anton de Goede maken er een woord aan vuil. Ruim 400 pagina’s schijnbaar willekeurige brieven–je moet wel een taaie bewonderaar zijn, wil je je daar doorheen lezen.