• Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    In september verscheen de biografie Een gat in het hoofd, Leven en werk van Heere Heeresma van de hand van radiomaker, presentator en voorheen boekverkoper Anton de Goede. Het is een dik boek geworden dat uitvoerig ingaat op werk en leven van deze schrijver, voor zover dat mogelijk was. Want Heeresma hield zijn privéleven zorgvuldig afgeschermd voor buitenstaanders, pottenkijkers en overheidsdienaren. Daarentegen is Heeresma’s werk – romans, verhalen, gedichten, brieven, ‘porno-persiflages’ en beschouwingen op de radio – zeer toegankelijk. Er verschenen van Heeresma tientallen boekuitgaven, verzamelbundels en herdrukken. Bovendien werd een flink aantal van zijn werken verfilmd en is zijn markante stemgeluid te horen op talrijke geluidsopnamen van gesproken columns voor de radio. Ook sprak hij zelf de luisterversie van een van zijn bekendste boeken in: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp.

    Heere Heeresma (1932-2011) werd geboren als zoon van een godsdienstonderwijzer, kennelijk minstens zo eigenwijs als zijn zoon. Heeresma senior overleed toen de jonge Heere elf jaar oud was. De dood van de vader, midden in de Tweede Wereldoorlog, was uiteraard een ingrijpende gebeurtenis voor het gezin, dat naast Heere zelf en zijn moeder inmiddels uit nog twee jongetjes bestond. Bovendien hadden de oorlogsomstandigheden onvermijdelijke gevolgen voor de Heeresma’s.

    Een wonderlijk mens

    Van enige schoolcarrière is in het leven van de schrijver in de dop nauwelijks sprake. Hij bracht jaren door op een internaat waar hem praktisch onderwijs werd geboden. Daarna begon een loopbaan van allerlei verschillende betrekkingen die korter of langer duurden, maar meestal korter. Vanaf het begin van de jaren zestig begon Heeresma duchtig te publiceren en met succes. Met name Een dagje naar het strand (1962) maakte veel indruk. Bij de presentatie van deze biografie zei auteur Anton de Goede: ‘Je kunt veel van Heeresma zeggen, maar hij bracht wel leven in de brouwerij’ en ‘Wanneer de naam Heeresma valt, is een schaterlach nooit ver weg’. Dat moge zo zijn, maar uit het boek rijst toch vooral het beeld op van een wonderlijk mens, met wie de omgang vaak zeer moeilijk tot onmogelijk moet worden genoemd. Berucht was Heeresma om het dwingende beslag dat hij op zijn gezelschap wist te leggen, vaak ongevraagd en soms tot diep in de nacht. Hij bouwde ook een reputatie op wegens zijn veeleisende omgang met uitgevers, die hij geld afhandig maakte door voorschotten te eisen voor boeken die vervolgens nooit verschenen. Dit alles combineerde hij met een onafzienbare reeks sterke verhalen over woonplaatsen, vervoermiddelen, belevenissen en zakelijke successen. Wat ervan waar was wist hij alleen – en waarschijnlijk was dat eigenlijk maar heel weinig. Juist omdat Heeresma met name in de jaren zeventig een aantal sterke en goedverkopende boeken schreef, werd hem veel vergeven. En ja, er viel vaak wat te lachen.

    De schrijver en publicist

    De Goede schrijft overtuigend en goed gestructureerd. In het boek wordt Heeresma behandeld als schrijver en publicist, maar ook als (ontrouwe) echtgenoot en vader, als onverzoenlijke broer, als man van het Bijbels taaleigen, als filosemiet. De auteur bewonderde Heeresma als adolescent, leerde hem in zijn tijd als boekverkoper bij boekhandel Athenaeum persoonlijk kennen en werkte later met hem samen bij de VPRO. Hij stond dus betrekkelijk dicht bij zijn onderwerp en is verfrissend oprecht wanneer hij soms ook gewoon toegeeft niet zeker te weten hoe sommige feiten zich hebben voltrokken. Uit veel verschillende bronnen heeft de biograaf zijn informatie betrokken en heeft daaruit een krachtig en coherent beeld gecreëerd van Heeresma, die desondanks zijn raadselachtigheid volstrekt behoudt.

    Treurig is Heeresma’s persoonlijke lot geweest. Aan het eind van zijn leven wendden zelfs zijn allernaasten zich van hem af. Zoals zijn vrouw, met wie hij meer dan veertig jaar gehuwd was geweest, en zijn zoon Heere Heeresma jr., die tot dan toe kennelijk symbiotisch met zijn vader had geleefd en gewerkt. Senior heeft het ernaar gemaakt, denkt de lezer. Hij stierf uiteindelijk schamel behuisd, armelijk en eenzaam. Daar staat tegenover dat Heere Heeresma iets flikte wat maar weinig schrijvers lukt: in de nadagen van zijn loopbaan schreef hij ‘opeens’ nog een paar boeken die door de pers zeer verrast en met groot enthousiasme werden onthaald, met name Een jongen uit plan Zuid ’38 – ’46, dat zelfs nog in het Duits werd vertaald.

    Toch ook onaangenaam

    Een gat in het hoofd is een smakelijk en met vaart geschreven boek over een wonderlijk, markant en ten slotte toch ook onaangenaam mens, die niettemin een volstrekt eigen plaats inneemt in de Nederlandse literatuur, en deze met enkele onverwoestbare titels heeft verrijkt. Verbluffend is het aantal rake typeringen dat Anton de Goede van Heeresma heeft opgeduikeld, van hen die met hem omgingen of van bewonderaars op afstand. De quote van criticus Wim Zaal, die Heeresma tientallen jaren had gekend, moet wel een van de meest treffende zijn.

    ‘En wat was hij begaafd, zij het slordig van beheer! Bij sommige verhalen denk je: Wat zou dit een meesterwerkje zijn geworden als de schrijver er meer zorg aan had besteed. Maar ik heb geleerd, schrijvers te nemen zoals ze zijn. Heere was een flamboyante melancholicus, een religieuze woningzoekende, een pathologische jongleur, een geldbeluste provo, steeds geteisterd en getroost door de gave van het woord.’

     

    In 2024 stelde biograaf Anton de Goede een bloemlezing samen uit Heeresma’s oeuvre, In 2024 verscheen Heeresma houdbaar / samenstelling Anton de Goed/ (Gedundrukt) bij Van Oorschot. Een signalement daarvan vindt u hier.

     

     

  • Een eenpersoons fanfareorkest

    Een eenpersoons fanfareorkest

    In 2013 verscheen bij uitgeverij Van Oorschot het boek Gedundrukt van S. Carmiggelt. Deze uitgave viel op door de gedistingeerde uitvoering: smal en hoog, netjes in linnen band, echt in katernen genaaid gebonden, uitgevoerd met leeslint, stofomslag en buikbandje. Het omslag prijkt met rustige en klassieke typografie, wat verwijst naar het werk van Helmut Salden, eertijds de befaamde huisboekverzorger van Van Oorschot. Na het Carmiggelt-boek verschenen in deze aansprekende uitvoering méér uitgaven van Nederlandse auteurs, mannen en vrouwen, levend en ‘reeds aan de overzijde’. Denk daarbij aan namen als Theo Thijssen, Annie M.G. Schmidt, Mensje van Keulen, Kees van Kooten, Marga Minco en Godfried Bomans. 

    In april van dit jaar verscheen in deze reeks een uitgave met proza van Heere Heeresma (1932-2011), onder de titel Houdbaar. Heere Heeresma was een productief en veelzijdig auteur. Tussen 1954 en 2006 pende hij een omvangrijk oeuvre bij elkaar, dat bestond uit verhalen, romans, gedichten en al dan niet autobiografisch getinte opstellen, schimpscheuten, radiocolumns en boutades, alsmede enkele brievenboeken. Sommige van zijn titels verwierven een klassieke status, zoals Een dagje naar het strand (1962), Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (1973). Meermalen zijn er verfilmingen van zijn werk gemaakt en Heeresma’s boeken werden regelmatig herdrukt. Toen zijn schrijverscarrière wel zo ongeveer voorbij leek te zijn, verraste Heeresma vriend en vijand met de gestileerde herinneringen aan zijn jeugdjaren tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de titel: een jongen uit plan Zuid, dat verscheen in 2005. Een literaire prijs van enig belang kreeg Heeresma nooit; en hoe vaak zijn werk tijdens zijn leven ook werd gedrukt, herdrukt, verzameld en opnieuw uitgegeven, vrijwel zijn gehele oeuvre is thans alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. 

    Onmogelijke man

    Heere Heeresma was ‘een onmogelijke man’. Iemand met een uitgesproken reputatie van dwarse eigenzinnigheid, over wie talrijke anekdotes bestaan. Hij was een volstrekte eenling die vaak met zijn omgeving overhoop lag. Heeresma had geen telefoon, gaf zijn adres aan niemand, correspondeerde via zijn postbusnummer en wenste alleen contant betaald te worden voor het werk dat hij leverde. Omdat hij zich niet kon verenigen met het Nederlandse onderwijssysteem nam hij zijn zoon van school en onderwees hem zelf, thuis. Heeresma’s weerbarstigheid blijkt ook uit het grote aantal uitgevers met wie hij zijn boeken maakte. Telkens vertrok hij met ruzie of bedong hij ergens anders betere voorwaarden. Hij stichtte met kennelijk plezier verwarring met verhalen over zijn inkomsten uit exploitatie van een keten wasserettes in Frankrijk of over het manuscript ‘Kaddish voor een buurt’, een meermalen aangekondigd boek dat desondanks onder die titel tijdens Heeresma’s leven niet verscheen.        

    Houdbaar bevat een dertigtal verhalen, opstellen en romanfragmenten. De langste beslaat 24 bladzijden, de kortste en niet toevallig (?) laatste bijdrage is slechts anderhalve pagina lang. Daarin noemt Heeresma zichzelf een ‘eenpersoons fanfareorkest’ en de literatuur ‘een nering in de kleren van de keizer’. De lezer is dus terdege gewaarschuwd, zij het helemaal aan het eind van het boek. Deze dundruk is vintage Heeresma, zoveel is duidelijk. Scherpe observaties, verhalen met opvallend oog voor detail, en een kenmerkende mengeling van weerbarstigheid en melancholie. Een mooi en kernachtig voorbeeld van dit laatste is te vinden in de afdeling ‘Dronken deuren uit een verzopen verleden’. Daarin krijgen we korte, dagboekachtige notities te lezen over te veel drankgebruik – en de gevolgen. 

    Dagcafé Koninck

    ‘Fietsenrek niet meer aanwezig. Twaalf halve litertjes Dommelsch bier; flesje cola, kop koffie; vleesstang; 9 vieux. Niets hielp. Door ruit achterkamer gevallen maar geen letsel van betekenis. Ter ontnuchtering opgesloten hoofdbureau gemeentepolitie ’s-Hertogenbosch. Schone cel. Betonnen vloer die cementstof afgeeft. Geen slaapgelegenheid. Een kruk aan de muur. Om half zes vrijgelaten. Koffie gekregen van oude adjudant die begrip toonde. Gehuild.’    

    Teksten die worden gemist

    Houdbaar is samengesteld door radioprogrammamaker en Heeresma-biograaf Anton de Goede, die veel met de auteur heeft samengewerkt. De meeste bijdragen in Houdbaar (zes in totaal, 17 blz.) komen uit Zacht gelag, een bundeling radio-voordrachten die verscheen in 1996. Uit de befaamde bundel Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming uit 1973 werden vier van de in totaal vijf verhalen overgenomen (in totaal meer dan 80 blz. in Houdbaar), waarmee deze bundel dus nagenoeg integraal is herdrukt; alleen het verhaal ‘Anna’ ontbreekt. Juist uit twee van Heeresma’s bekendste boeken, Een dagje naar het strand uit 1962 en Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) werd geen enkel fragment geselecteerd. De verantwoording van de keuze uit Heeresma’s oeuvre had wel wat uitgebreider gemogen. Zo is bijvoorbeeld niet vermeld waarom  er geen poëzie is opgenomen.

    Volgens welke volgorde de fragmenten en verhalen worden gepresenteerd is onduidelijk. Chronologisch in elk geval niet – integendeel, zoals blijkt uit de inhoudsopgave. Ook is niet vermeld aan welke edities de teksten zijn ontleend, wat toch relevant is bij een auteur wiens boeken zo dikwijls werden herdrukt. Er zijn ook verschillen tussen de teksten in de eerste uitgaven van Heeresma’s boeken en de verhalen in Houdbaar, wat de vraag om opheldering qua precieze tekstkeuze enkel groter maakt.

    Dit alles laat onverlet dat Houdbaar – prachtig vormgegeven en smaakvol uitgevoerd – een uitgelezen kans is tot kennismaking met het werk van een auteur die de aandacht ten volle waard is. Om zijn pronte stijl, zijn stroeve troost en om zijn volstrekt eigen en bij vlagen uitzinnige humor.            

     

     

  • Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    In de eerste uitgave van De Parelduiker van dit jaar een herdenkingsstuk van Daan Cartens over Inez van Dullemen (1925-1921). In de rubriek ‘De laatste pagina’, schrijft Cartens over Dullemen als de vrouw die wars was ‘van clichés, vooroordelen, vastgeroeste meningen’. Cartens ontmoette de schrijfster in 1981 voor een interview in Het Vaderland, een Haagse krant die in 1982 ophield te bestaan (ook dat zijn prettige zaken om notie van te nemen). Het werd een openhartig interview waaruit een levenslange vriendschap ontstond. Over haar ontmoeting en leven met Erik Vos, oprichter van het Haagse toneelgezelschap De Appel, schrijft hij dat ze een twee eenheid vormden, ‘de één de muze van de ander, samen reizend door het labyrint van het leven’. Haar roman Het gevorkte beest noemt hij haar kernboek en ‘misschien ook wel haar beste’. Waardoor je deze roman opnieuw zou willen lezen om te herplaatsen binnen haar oeuvre.

    Omgevallen schaap of muizenplaag

    Lodewijk Verduin schreef  een mooi stuk over Anton Koolhaas (1912-1092), schrijver van absurdistische boeken als, Een punaise in de voet, Vanwege een tere huid, Corsetten voor een libel. Het artikel, ‘Dierenmens A. Koolhaas, zijn literaire ontwikkeling in drie en enige keerpunten’, wordt geleid door de vraag waarom Koolhaas als veertiger de stap het schrijverschap in wilde. Verduin herleid zijn vraag naar enkele schrijvers en hun keerpunt, naar ‘een zeker moment dat de inspiratie voor het eerste gedicht schonk, een gebeurtenis die de druk om te (…) publiceren opvoerde.’ Zo zette Gerard Reve zich tot het schrijven van zijn debuutroman, na te zijn aangemoedigd door zijn psychiater, schrijft Verduin. En was het ‘de zaak-Lebak die Eduard Douwes Dekker in Multatuli veranderde’. Ook bij Koolhaas is er een ‘oerscene’, door hemzelf aangehaald tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van de Frans Erensprijs in 1989. Hoe hij als tienerjongen een op de rug liggend schaap ziet: ‘Het was mijn eerste confrontatie met sterven. En in wezen de eerste confrontatie met het verschijnsel LEVEN, dat op het punt staat op te houden.’ Later vertelde hij in interviews dat zijn schrijversschap terug te voeren is op een muizenplaag in zijn kamer in Rotterdam. Met deze geweldige omkering van zaken: ‘Ik was niet de hoofdbewoner die last had van muizen, maar zij vormden de hoofdbewoners die last hadden van een man.’ Verduin haalt ook de relatie met uitgever Geert van Oorschot aan, echt boteren deed het niet tussen die twee. Wel geweldig om te lezen, de duiding van een schrijversschap aan de hand van zijn relaties.

    Singer-songwriter J.H. Speenhoff

    Van Jacques Klöters de bijdrage ‘Koos Speenhoff, voordat hij de heer J.H. Speenhoff werd’. Speenhoff (1869-1945) was de eerste Nederlandse singer-songwriter schrijft Klöters, daarbij was hij een begenadigd tekenaar en publiceerde in beide kunstvormen. Jan Greshoff en Carmiggelt waren liefhebbers van zijn werk, noemden hem ‘een superieure stilist’. Wie kent niet het liedje De schutterij (Daar komen de schutters) en Het broekie van Jantje, of Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit, die zijn dus van Speenhoff. Klöters beschrijft hoe Speenhoff zich een weg zocht uit de verplichtingen die zijn vooraanstaande familie waaruit hij uit voortkwam, hem oplegde. Zijn hang naar- en vertoeven in de Rotterdamse kunstenaarskringen van die tijd. 

    Marco Entrop schreef over de dichter Andries de Hoghe die ooit één dichtbundel publiceerde, Strofen, die inmiddels tot de canon van de homo-erotische poëzie behoort. Een bundel die in homokringen werd gekoesterd en bewonderd en navolging vond. Zo schreef Het Nederlandsch Wetenschappelijk  Humanitair Komitee in een recensie over de bundel, ‘een bundeltje zuiver homosexueele poëzie, die tot het beste behoort, wat op dit gebied verschenen is’. En schreef dichter Jac. van Hattum een verhaal waarin de bundel het offer voor een mannenvriendschap is. Entrop onderzoekt of Andries de hoghe een poet’s poet was. Omdat de gedichten door P.C. Boutens bezorgd waren en er verder geen sporen van De Hoghe te achterhalen waren, moest het Boutens zelf wel zijn geweest die deze gedichten geschreven had. En was hij dat ook?

    Aankomend biografie Hans Keilson

    Van Jos Versteegen,  dichter en biograaf die op dit moment werkt aan een biografie van Hans Keilson die in 2023 zal verschijnen, het stuk, ‘De feesten en nachtmerries van Hans Keilson’. Keilson was een getormenteerd man, door de oorlogsjaren voor zijn verdere leven onderuit gehaald. Hoewel hij bekend werd in Amerika en ook in Europa succes had als schrijver over zijn leven, maakte dit hem niet gelukkig. “‘Mijn leven is mislukt,’ zei Hans Keilson als bijna honderdjarige tegen een collega-psychotherapeut. ‘Ik heb niets gepresteerd, ik ben niet eens professor geworden.’” Keilson leed aan depressies, en hoewel hij genoot van ‘de aandacht en belangstelling die hij kreeg, kon tegelijkertijd zijn droefenis niet groter zijn.’, schrijft Versteegen. De onvermoede krachten van een mens en hoe daar mee om te gaan. Naar de biografie wordt uitgekeken.

    Verder een ingezonden brief over een kritiek punt in de biografie van Louis Lehmann en een weerwoord daarop van biograaf Jaap van der Bent, zelf. In de rubriek Schoon&Haaks – over publicaties van privé-drukker en marginale uitgevers – bespreekt Jan Paul Hinrichs verschillende uitgaven waaronder een boekje over de laatste levensmaanden van H. Marman, die met zijn vrouw, zwervend door Zuid-Europa, omkwam op volle zee.
    Van Nico Keuning in de rubriek Laagwater ‘Een buurjongen uit plan Zuid’. Over hoe er wordt omgegaan met feit en fictie in een feitelijk verslag van Heere Heeresma in Kaddish voor een buurt, radiogesprekken die Anton de Goede met Heeresma voerde. Keuning biedt hier een inkijkje die verder reikt dan de neus lang is. Het credo wie schrijft die blijft, geldt hier volop, al zijn er derden voor nodig die schrijvers naar voren te halen. Gelukkig is daar De Parelduiker, die van elke lezer een literatuurvorser maakt.

     

     

  • Knorrige betweter

    Knorrige betweter

    Als Heere Heeresma het Nederlandse recensentenvolkje eind jaren zeventig een gebrek aan geestelijke breeding en integriteit verwijt, kaatst criticus Aad Nuis de bal onmiddellijk terug: Ja, als er in de Verzamelde Brieven van Heeresma een greintje inzicht te bespeuren viel, een spoortje, hoe klein ook, van een oorspronkelijke gedachte (…). Maar deze koude kliek van alles wat kwaaie schrijvers door de eeuwen heen over critici hebben bedacht? Nee, hoor. De schrijver ontploft en geeft zijn uitgever opdracht nooit meer een recensie-exemplaar te versturen.

    Hoe het met de integriteit van Aad Nuis gesteld was valt moeilijk meer te achterhalen, maar enige geestelijke breeding kan hem niet worden ontzegd. Zijn oordeel over de correspondentie van Heeresma (1932-2011) lijkt niet overdreven–ook in Bleib gesund!, de zojuist verschenen selectie uit de correspondentie van Heeresma, valt het niet mee originele denkbeelden te vinden, ook al presenteert de auteur zich menigmaal als autoriteit op het gebied van Bijbelexegese en Jodendom. Zo tikt hij Renate Rubinstein op de vingers die het eerste gebod volgens hem ten onrechte omschrijft als Gij zult niet doden. Dat zou moorden moeten zijn–maar wat de hiervan de precieze consequentie is, blijft wat in het vage. Een paar dagen eerder heeft hij Marten Toonder trouwens hetzelfde geschreven naar aanleiding van een kranteninterview: Het door u aangehaalde woord spreekt niet over ‘doden’ maar over ‘moorden’ en dát is wat anders. Uw redenering zakt daarbij en passant door z’n  eigen bodem. Geen toelichting.

    Succesvol auteur
    Maar het merendeel van de brieven, die de periode van 1952 tot 2010 beslaan, betreft huis-tuin-en-keuken aangelegenheden over familie en vriendschap, schrijvers, uitgevers en recensenten. En vooral over zijn eigen schrijverschap. Wat je ook verder over de aard en kwaliteit daarvan zou mogen denken: hij was een buitengewoon succesvol auteur, zeker voor Nederlandse begrippen. Een dagje naar het strand; Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp; Geef die mok eens door, Jet!; Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming–het waren allemaal bestsellers die steeds maar weer herdrukt werden en voor een deel zijn verfilmd door vooraanstaande regisseurs. Een jongen uit plan Zuid (2005), gebaseerd op zijn (oorlogs-)jeugd in Amsterdam Zuid, behoort tot het mooiste wat er in het Nederlandse taalgebied verschenen is.

    Als schrijver stond Heeresma op eenzame hoogte, dat vond hij tenminste zelf. Vanaf het midden van de jaren zeventig kon hij van zijn pen leven en hij heeft er sindsdien een eer in geschept zich verre te houden van het ‘literaire wereldje’: hij vroeg geen subsidies of beurzen aan en accepteerde geen literaire prijzen–en had minachting voor collega-schrijvers die daar wél aan meededen. De Vereniging van Letterkundigen bestond volgens hem uit een verzameling koekebakkers, non-valeurs en staatsruifpikkers, zoals hij schreef aan de secretaris. Niet alleen schrijvers komen er slecht af in Heeresma’s brieven–er zijn maar enkele uitzonderingen, zoals Jan Arends en Laurie Langenbach–ook uitgevers, boekverkopers en, vooral, recensenten, de beoefenaren van de vaderlandse boekenschouwkunst. Met journalist Rudie Kagie maakt hij zich vrolijk over Kees Fens, die niet eens zijn eigen werk kan inschatten (…) En dat wordt losgelaten op het werk van anderen. Het lezend publiek wordt substantiële informatie onthouden omdat critici niet kunnen denken en niet kunnen schrijven. Er wordt zoveel oeverloos gewauwel over boeken losgelaten, dat het lezend publiek vermoeidheidsverschijnselen gaat vertonen wat zonder meer gevolgen heeft voor de verkopen in de boekhandel. Heeresma merkt desondanks op, de brief dateert uit 1986, dat hij een zware koffer vol knipsels heeft bewaard met recensies van zijn eigen werk: 1200 artikelen, waarvan 20 positief en 40 welwillend, de rest afwijzend op een vaak agressieve manier. Dit alles terwijl mijn oeuvre in de loop der decennia behoort tot het meest herdrukte in de geschiedenis der letteren.

    Boos
    De boosheid van de correspondentie is misschien te begrijpen, al wordt de voortdurende herhaling, in alle toonaarden, op den duur knap vermoeiend. Af en toe straalt er iets van humor door in de rancune. In 1975 wendt hij zich tot Pierre H. Dubois die Geef me die mok eens door, Jet! heeft besproken voor Het Vaderland. Dubois heeft blijkbaar laten doorschemeren dat hij de roman geen meesterwerk vindt. Dat valt verkeerd: de tijd zal wel uitmaken of iets een meesterwerk is en niet ene Pierre H. Dubois, zegt Heeresma in een brief aan de recensent. De neerbuigende toon van de criticus is niets meer of minder dan een brutaliteit, schrijft de auteur en hij vervolgt: Wie of wat bent u zelf eigenlijk? Een Haagse grootheid die met al zijn aktiviteiten nog niet bij de lezers heeft kunnen losslaan wat alleen hier genoemd boek al deed. Het wordt tijd dat mensen zoals u zich eens wat bescheidener, en vooral dienender gaan opstellen. De ijdele parmantigheid die uit uw bewering sprak is vandaag de dag niet goed mogelijk meer. 

    Heeresma heeft een ongelofelijke hoeveelheid brieven geschreven, hij liet in zijn boeken een postbusadres afdrukken en probeerde alle post te beantwoorden. Samensteller Hein Aalders heeft uit tienduizenden brieven, kisten en nog eens kisten vol, moeten selecteren. De vraag is: heeft al die moeite geloond? Het epistolaire personage van Heeresma is een wat knorrige betweter. Dat is soms amusant, maar de literaire of poëtische kwaliteiten van de schrijver blijven teveel verscholen achter polemiek en zelfbeklag. Ernstiger is het gebrek aan context: Heeresma windt zich over van alles en nog wat op, maar je weet niets van de omstandigheden: Bleib gesund!  bevat alléén de brieven van Heeresma, geen enkele reactie. Omstreeks pagina 100 staan achter elkaar brieven afgedrukt aan Thomas Rap, de moeder van de schrijver, uitgeverij Contact, Ab Visser, Propria Cures, Martin Ros, Bert Bakker, Willem Frederik Hermans, Geert Lubberhuizen, maar je komt niet te weten of de aangesneden kwesties verder worden besproken, opgelost of met een sisser eindigen.

    Ook tussen de brieven onderling bestaat geen enkel aantoonbaar verband. Naar de achtergrond van de keuze moet je raden, noch samensteller Aalders, noch inleider Anton de Goede maken er een woord aan vuil. Ruim 400 pagina’s schijnbaar willekeurige brieven–je moet wel een taaie bewonderaar zijn, wil je je daar doorheen lezen.

  • Recensie ‘Gerardje, notities van een Reve-liefhebber’ – Theodor Holman

    Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve. Holman ontmoette Reve eenmaal en zag hem nog een aantal malen optreden. Dat is jammer, want de ontmoeting waar het boek mee begint is op z’n zachtst curieus. Er wordt veel gezopen zoals bijna altijd in het gezelschap van Reve maar er worden ook stevige noten gekraakt. Over politiek wordt gesproken, literatuur, pornografie en Schopenhauer. De volgende ochtend vertelt ome Gerard aan Theodoortje een heus sprookje, terwijl ze samen in de slaapkamer op bed liggen. Joop Schafthuizen, de laatste levensgezel van Reve houdt een oogje in het zeil.

    Vlak voor het afscheid dreigt het dan toch nog mis te gaan, wanneer Holman zegt: “Tegen mij heeft Karel gezegd dat hij nog van je houdt.” Gedoeld wordt op Karel van de Reve, de broer van Gerard, waarmee de markies al jarenlang in onvrede leeft. Reve antwoordt: “Nou zeg dan maar tegen hem dat ik hem haat. En dat ik bid voor zijn dood. Misschien knapt hij daarvan op! En als hij niet voortmaakt, dan kom ik met een ijzeren knuppel en dan sla ik zijn kop in, al moet ik er levenslang voor naar de gevangenis…Hij is erger dan mijn vader was. Mijn vader was een bruut.” Of Holman de boodschap daadwerkelijk heeft overgebracht wordt niet vermeld. Ik betwijfel het. Het is meteen het meest interessante gedeelte van het boek.

    Holman werpt in dit boek een aantal werkvragen op: Waarom werd Reve katholiek, terwijl hij toch op dat geloof zat te schelden? Was hij eigenlijk al homo toen hij getrouwd was? Hoe heeft hij zijn stijl ontwikkeld? Heeft de oorlog invloed op Gerardje gehad? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn? Had hij ook vriendinnetjes? Wat was de invloed van zijn vader, die ook schrijver was? En van zijn moeder? Is het niet ironisch, dat Mulisch hem zijn ironie verweet?

    Om bij de laatste vraag te beginnen: Reve had een onwaarschijnlijke hekel aan Mulisch. In een van zijn (gefingeerde-) gesprekken met de Majesteit (Juliana?) stelt Reve: “Het werk van Mullis is vullis, majesteit, maar dat van Reve is het echte leven.” Minder leuk is de passage: “Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jeminitische water & vuur vrouw verwekt. Bij vermenigvuldiging komen de slechtste eigenschappen van de paarders op de voorgrond, dat is bekend. Het muildier is onvruchtbaar.” De ‘bastaard’ (een term direct geleend van nazi-propagandaleider Julius Streicher) is Harry Mulisch.

    Mulisch komt met een weloverwogen antwoord ? door Holman niet begrepen ? waarin hij stelt dat de ironie van Reve verhult wat hij eigenlijk wil zeggen, en dat uiteindelijk na het wegnemen van het masker van diezelfde ironie, de naakte waarheid overblijft. Reve gebruikt zijn ironie dus gewoon als dekmantel. Het grootste gevaar van ironie! Dat is overigens ook een stelling van de door Reve zo bewonderde Schopenhauer (Of had hij hem nooit gelezen?). Achter de dekmantel loert in Reve’s geval: racisme. Reve heeft zich in die tijd op niet mis te verstane manier denigrerend uitgelaten over ‘zwarten’ maar neemt dat later terug. “Alle koffiebonen in de Jumbojet en opblazen de boel!”

    Wat verder opvalt, is dat hij eigenlijk met de grote schrijvers uit zijn tijd in een voortdurende staat van oorlog en nijd leeft. Met Hermans raakt hij na een bloedeloze correspondentie gebrouilleerd. (…) “Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W.F.Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

    Jan Wolkers scheldt hij uit en Mulisch haat hij. Over Simon Vinkenoog meldt hij: “Ik had hem moeten doodslaan, want hij heeft tienduizenden drugsdoden op zijn geweten.” (Dat citaat is uit het boek weggelaten). En ook ex-vriend en tijdelijk uitgever Johan Polak is in ongenade gevallen. “Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.” Ironie? Ook Josine Meijer, waarmee hij zijn diepe zielenroerselen deelde kan later geen goed meer doen, daarover schrijft hij later: “Zo’n Josine Meijer bijvoorbeeld, dat vond ik altijd een klein etterwijfie, daar hoeft geen correspondentie van te worden bewaard.”

    Geert van Oorschot, die ook een optrekje heeft in de buurt van Poet Laval in Frankrijk waar Reve resideert, ontwijkt hij. Hij weet dat Van Oorschot hem groot heeft gemaakt en dat hij hem nu in de steek laat voor een andere uitgever. En over Joop den Uyl zou Reve gezegd hebben, volgens Paul van ’t Veer in Het Parool: “Een vieze kale uilebal!” “Dat vieze verzint hij,”schrijft Reve later, “ik heb de door God over ons gestelde minister-president nimmer vies genoemd.” De lijst van vijanden groeit, vrienden blijven er weinig meer over.

    En zo heeft hij uiteindelijk alleen nog Carmiggelt over, een alcoholist in ruste ? Reve probeerde dat te worden ? een burgerman, maar vooral erg ongevaarlijk in z’n meningen over politiek en maatschappij. Bovendien een middelmatig schrijver. We komen ze tegen in een nummer van het blad Hollands Diep waarin de heren in de tuin van Carmiggelt gezeten een ‘bammetje’ eten. Niets aan de handa dus, zoals Reve wel eens uitriep. Gezapigheid van het ergste soort. De vraag van Holman of Gerard eigenlijk niet te burgerlijk was om decadent-romantisch te kunnen zijn, wordt hiermee positief beantwoord. Gerard was een versluierde burgerturf.

    Het moge inmiddels duidelijk zijn dat deze recensent niet erg gecharmeerd is geraakt van het ‘ karakter Reve.’ Dat is waarschijnlijk nooit de bedoeling van Theodor Holman geweest. Maar hij schildert Reve als een rabiate verslaafde aan drank en pillen, een onvermoeibare op seks beluste frustraat (Tijgertje, Jakhalsje, Woelrat, Reptiel Rogier, Matroos Vos, Schafthuizen, ze passeren de revue) en een wankelbeen op het gebied van politiek, godsdienst en homovrijmaking.
    Interessant is overigens dat de psychiater C.J.Schuurman door Reve wordt bewonderd. Deze Schuurman zou hem weer op de been hebben geholpen na een van zijn zoveelste instortingen. Holman drijft de spot met Schuurman omdat deze zijn penis heeft laten opereren en aan dezelfde ‘kwaal’ zou hebben geleden als Gerardje destijds in zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Voor Hanny Michaelis blijft de deur van huize Reve overigens ook geopend.

    Of Reve al tijdens zijn huwelijk met Michaelis homo was, staat als een paal (sorry!) boven water. De schrijver Hans Plomp bezocht het echtpaar. Tijdens dat bezoek rukt Reve zich onder de tafel af omdat hij Hans zo’n ‘Adonis’ vindt. (niet opgenomen!). Het was in die tijd niets bijzonders wanneer homo’s getrouwd waren met een vrouw. Holman komt aan met vriendinnetjes van Reve, maar echt overtuigend klinkt dat niet.

    Een en ander wil echter niet zeggen dat Holman geen interessant en leesbaar boek heeft geschreven. Het leest als een trein en staat vol grappen en grollen, want gevoel voor humor had Gerardje zeker. Zijn onvermoeibare drang om te choqueren (de Ezel-affaire o.a.) komt voort uit een hang naar publiciteit. Reve was naast gefrustreerd ook nog ijdel. Dat hij zijn tijdsgewricht kon bespelen wordt ook duidelijk, maar een en ander doet nu af en toe hopeloos gedateerd en puberiel aan.

    Interessant is het hoofdstuk waarin Holman probeert te achterhalen waarom Reve zo’n persoonlijke stijl had ontwikkeld. Een stukje tekstanalyse waar we van smullen. Dat Carmiggelt een soort literaire leermeester is geweest van Reve durf ik echter te betwijfelen. Reve schreef wel eens een Kronkel als Simon Carmiggelt geen zin had. Kees van Kooten overigens ook. Zou Carmiggelt in de stijl van Reve hebben kunnen schrijven? Wel waren in de jaren ’60 en ’70 de epigonen van Reve talrijk. Zijn stijl werd met graagte nagedaan. Was uniek. Zo schrijft auteur Bob den Uyl later: “Het heeft me jaren gekost om van de Reve-stijl los te komen!” En Heere Heeresma schrijft met zijn Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp een antwoord op De avonden.

    De gedachte dringt zich op dat de schrijfstijl en droge humor van Reve meer sporen hebben achtergelaten dan zijn daden. Denk aan de programma’s van Wim T. Schippers of Jiskefet. Is zijn leven daarentegen wel zo interessant geweest? Gelukkig wordt ook het toneelwerk van Reve door Holman kort belicht en dat is nodig omdat het in de vergetelheid was geraakt. Verder zien we Reve in de oorlog aan de gang gaan (met trieste gevolgen!) en komen erachter dat het meesterwerk De avonden maar zeer gedeeltelijk autobiografisch was. Zijn Engelse avontuur wordt een deceptie.
    Het maakt het boek van Holman tot een prachtige opwarmer voor het echte werk en hij heeft ook nooit de pretentie gehad een volwaardige biografie te schrijven. Mooi voor scholieren om kennis te maken met de volksschrijver. Deze recensent heeft inmiddels een hekel aan hem gekregen.