• Verhalen zijn representaties van de wereld waarin we leven

    Verhalen zijn representaties van de wereld waarin we leven

     

    De in Buenos Aires geboren schrijver Hernan Diaz (1973) groeide op in Zweden en woont al geruime tijd in de Verenigde Staten waar hij werkt aan de Universiteit van Columbia. Op zijn twaalfde ontdekte hij de Argentijnse schrijver Julio Cortázar. ‘Ik vond het zo geweldig wat hij schreef, dat ik dacht: dat wil ik ook. Nadat ik zijn verhalen las, wilde ik jazz luisteren, roken.’ Later werd hij een groot liefhebber van de Amerikaanse literatuur uit de negentiende eeuw. In 2017 verscheen zijn debuut In de verte, een historische roman over een jongen, gevlucht uit Zweden en op zoek naar zijn broer ten tijde van de ‘goldrush’ in Amerika. 

    Zijn tweede boek, Vermogen, is eveneens een historische roman, geschreven door vier verschillende (fictieve) auteurs en speelt in de ‘roaring twenties’ van de vorige eeuw. Het eerste deel is de roman ‘Effecten’, zogenaamd geschreven door Harold Vanner. Het is gebaseerd op het leven van de legendarische Wall Street magnaat Benjamin Rask en zijn vrouw Helen Brevoort. Het tweede deel is het onaffe manuscript ‘Mijn leven’ van Andrew Bevel, die in ‘Effecten’ model stond voor Benjamin Rask. Bevel schrijft een autobiografie waarin hij zichzelf nogal op de borst klopt. Het derde deel, van deze vierdelige roman is ‘Een gedenkschrift, herinnerd’ van Ida Partenza, dochter van Italiaanse immigranten en secretaresse van Andrew Bevel. Daar begint de roman te kantelen; het blijkt dat Partenza de memoires van Andrew Bevel schreef. De roman die vooral over mannen ging, wordt vanaf hier een boek over vrouwen. Het laatste deel ‘Opties’, bevat dagboekaantekeningen van Mildred, de vrouw van Bevel, die in zijn gedicteerde autobiografie nauwelijks voorkomt. Wie dit boek tot de laatste bladzijde leest, blijft in verbijstering achter, niets blijkt wat het leek te zijn. Dat Diaz in Amerika wordt gezien als een van de origineelste en ambitieuze schrijvers van zijn tijd, is dan ook niet moeilijk te geloven.

    Op uitnodiging van het literair festival Crossing Border, was Diaz in november vorig jaar enkele dagen in Nederland. In de Cobra Lounge van het Ambassade hotel in Amsterdam vertelt Diaz, met een twinkeling in zijn ogen, hoe deze roman over de financiële wereld in Amerika zijn vorm vond. Hoe hij als schrijver in de voetsporen treedt van de traditionele roman, maar er tegelijkertijd een loopje mee neemt, er steekjes uit lostrekt, andere patronen maakt. 

    Nog voor we hebben plaatsgenomen, noemt Diaz de naam van Nabokov, daarbij kijkend naar de systeemkaarten met aantekeningen die ik uit mijn tas haalde. Diaz heeft een voorliefde voor ‘index cards’. En of ik weet dat Nabokov hele romans op deze ‘index cards’ schreef? Bij toeval weet ik dat, een jaar geleden vond ik in de opruiming het postuum uitgegeven Het origineel van Laura van Nabokov. Met op elke pagina een foto van de originele systeemkaarten waarop Nabokovs handgeschreven versie van het verhaal staat, daaronder de gedrukte tekst.


    Over moneymakers

    Vermogen gaat over geldstromen en over mannen die van geld altijd meer geld weten te maken. Tijdens de voorbereidingen voor zijn roman vond Diaz weinig boeken over moneymakers. ‘Dat is opmerkelijk want geld is waar het in de Amerikaanse samenleving om draait.’ En in wat hij daarover las, kwamen geen vrouwen voor. ‘In het begin zag ik een lineaire roman voor me, maar toen ik ontdekte dat vrouwen geen stem hadden in het narratief rondom kapitaal, bedacht ik hoe het zou zijn als de autobiografie van Bevel, geschreven bleek door een vrouw. Het zou oneerlijk zijn als we niets te weten zouden komen over hun rol in het leven van rijke en machtige mannen. In de literatuur hebben deze vrouwen geen substantie, ze zeggen niets, ze doen niets. Het laatste deel van het boek heb ik gebruikt om Mildred neer te zetten als een belangrijke vrouw met originele ideeën.’


    Authentieke vrouwenstemmen 

    De vrouwelijke vertellers, zoals Ida en Mildred klinken zeer authentiek, zeer vrouwelijk. Diaz las hiervoor alle dagboeken en manuscripten van vrouwelijke schrijvers die hij kon vinden. ‘Omdat ik als man een vrouwenstem wilde laten klinken, voelde het als een plicht dit goed te doen. Als hun stemmen niet vrouwelijk hadden geklonken, zoals jij zegt, dan zou het hele boek niet gewerkt hebben.’

    Diaz speelt met de lezer die de te verwachte loop van het verhaal steeds moet bijstellen. Bevel zegt aan het begin van zijn memoires: ‘Ik ben geen historicus, en het was niet mijn bedoeling om een geleerd overzicht te bieden van de ontwikkeling van de financiële sector van Amerika.’ Waarmee Diaz de lezer attendeert op wat het boek niet is. ‘Ik kom uit een humane wereld. Ik studeerde literatuur en wist niets van de financiële wereld. Ik realiseerde me dat het ook niet de bedoeling is dat wij, gewone mensen, begrijpen hoe de financiële wereld in elkaar zit. Het is zo complex. Daardoor kunnen deze mannen verkeerde dingen doen zonder zich zorgen te hoeven maken over wat er gezegd wordt.’


    Maakbaarheid van de wereld

    Van alle memoires die Diaz gelezen heeft, is hij overtuigd dat er in een paar de waarheid geweld wordt aangedaan. ‘Ik ben er vrij zeker van dat deze mannen publieke aangelegenheden hebben verbogen naar een versie die hen beter past. Niet allemaal, maar van een paar van hen ben ik zeker dat ze dat gedaan hebben. Het is interessant hoe iemand met macht de realiteit naar zijn hand kan zetten. Dat is ook de kern van het boek. Hoe het mogelijk is om waarheid zo te verbuigen en daarmee fictie te creëren die een stempel drukt op de werkelijkheid zelf.’

    Het verbuigen van de werkelijkheid gaat in het boek behoorlijk ver. De roman ‘Effecten’, waarover Bevel niet te spreken was, werden door hem allemaal opgekocht en vernietigd. Ook liet hij alle exemplaren uit de bibliotheken verwijderen. ‘De initialen van Howard Vanner zijn enkel te vinden in het dagboek van Mildred. Ik weet niet hoe dit vertaald is in de Nederlandse versie, maar er is een zin die Vanner gebruikt in de roman, die ook in het dagboek staat. Die zin heeft hij gestolen uit een brief van Mildred aan hem.’

    Als Ida tijdens het dicteren Bevel op een leugen betrapt en die wil corrigeren, zegt Bevel dat het zijn taak is altijd gelijk te hebben, altijd. ‘Hij zegt dat hij alles in het werk zal stellen om de fouten die hij maakt te verdoezelen. Dat hij het er zo uit zal laten zien dat het geen fout was. Maar verhalen zijn representaties van de wereld waarin we leven. Ze verdienen het naar waarheid verteld te worden want ze vormen de manier hoe we de realiteit accepteren.’


    Arbeidersklasse en middenklasse

    De financiële wereld was een echte mannenwereld, voor vrouwen was er geen plaats, er werd in die tijd sowieso niet gedacht dat vrouwen zakelijk konden zijn. ‘Het was voor het eerst dat vrouwen van die wereld deel uit gingen maken als secretaresses, wat een heel nieuwe functie was. Daarvoor waren er geen secretaressen in die zin van het woord. Interessant daarbij is, dat secretaresses een soort geheimhouder van hun baas werden. Dat vond ik fascinerend. Deze vrouwen kwamen uit de arbeidersklasse, werden opgeleid tot typiste en stenograaf en werden tegelijk de geheimhouders van hun welgestelde bazen.’ 

    Ida, die met haar vader in een klein appartement woont, is een verbindende factor tussen de arbeidersklasse en de middenklasse. ‘Wat deze twee werelden met elkaar gemeen hebben is het machismo want ook de arbeidersklasse onderdrukte hun vrouwen en dat trok mijn aandacht. Ik laat Ida vertrekken uit het huis van haar vader, dat was heel ongewoon in die tijd. Ze huurt een kamertje voor zichzelf, gaat schrijven.’ Zonder dat het benoemd wordt, komt hier A Room of One’s Own van Virginia Woolf bovendrijven. In het vierde deel leest Mildred Flush, van Woolf. Er komen meer vrouwelijke schrijvers in de roman voor, al zijn er enkele fictief. ‘De meeste schrijvers waarnaar ik verwijs, hebben echt bestaan, sommige heb ik verzonnen. Zo schreef ik zelf de gedichten die in het boek staan en verzon de auteursnamen.’


    De mannelijke weergave van intellect bij vrouwen

    In ‘Effecten’ is Helen Brevoort, een intelligente vrouw die zich, onder toezicht van haar man, bezighoudt met liefdadigheidswerk voor de literatuur en muziek. Zij zakt uiteindelijk weg in een stille vorm van gekte. Een klassieke weg voor vrouwen wiens talenten in die tijd miskent werden. Het was normaal dat vrouwen hysterisch werden. ‘Er werd niet gekeken naar de talenten van vrouwen, naar de waarde daarvan. Als Mildred in een andere tijd was geboren, was ze kunstenaar geworden. In haar tijd was het niet de bedoeling dat vrouwen iets werden, zeker geen kunstenaar. Het leven als bohemien werd bij vrouwen afgekeurd als iets minderwaardigs. Ik vond het schokkend in Edith Wharton’s memoires te lezen dat het haar als meisje verboden werd te schrijven, het werd haar niet toegestaan. Maar het is niet zo dat alle slimme vrouwen gek worden. Het is de mannelijke weergave van intellect bij vrouwen waardoor ze als gek gezien worden.’

    Toen het boek in Engeland werd uitgegeven, ontving Diaz een brief van zijn Engelse uitgever en allerlei mensen daaromheen die het boek hadden gelezen. Iedereen schreef wat ze van het boek vonden. ‘Er was een vrouw die toen ze las dat Helen werd opgesloten in een kliniek en daar sterft, zo kwaad werd dat ze het boek in een hoek wilde gooien. Ze was kwaad op mij omdat ik dat had laten gebeuren. Dus eerlijk gezegd, ben ik altijd een beetje bang als vrouwelijke lezers bij die passage van het boek komen.’

    Min of meer vermoordt hij haar

    Het is inderdaad schrikken dat Helen op deze wijze eindigt. Mildred, die model stond voor Helen wordt niet gek, maar wordt met kanker opgenomen in een kliniek in Zwitserland. Hier zegt Diaz, met die twinkeling in zijn ogen: Het is goed te onderschrijven dat ze niet gek is, het is een verhaal. Het is de mannelijke romanschrijver Vanner, die dit verzonnen heeft in zijn roman over Bevel.’ Daarmee negerend dat het hele boek ontsproten is aan de fantasie van Diaz zelf. 

    In ‘Effecten’ financiert Rask het onderzoek naar elektroshocks dat in die tijd in de kinderschoenen staat. Er wordt mee geëxperimenteerd op zijn vrouw Helen, waardoor ze sterft. In het laatste deel wordt Mildred met kanker opgenomen. Bevel trekt zijn aandelen terug uit een farmaceutisch bedrijf dat de medicijnen voor zijn vrouw produceert. Daardoor ontbeert Mildred de juiste behandeling en overlijdt ze. Bevel is daar schuldig aan. ‘Ja, knikt Diaz stellig, ‘Min of meer vermoordt hij haar.’

    Diaz speelt met de verwachtingen van de lezer, hij tornt aan aannames waarmee we allemaal behept zijn. Wie dit boek leest, kan rekenen op een geweldige leeservaring. ‘Ik heb wel geprobeerd de lezer steeds een hint te geven. Ik wilde niet dat het aan het eind tot een grote ontknoping zou komen.’ Waarvan gezegd kan worden dat Diaz in die opzet meer dan geslaagd is.

     

     

    Foto: Pascal Perich


     

     

     

     

     

     

     

    Vermogen / Hernan Diaz / vertaling Harm Damsma en Niek Miedema / 436 p. / Uitgeverij Atlas Contact

     

  • De donkere kantjes van een sympathieke meubelverkoper

    De donkere kantjes van een sympathieke meubelverkoper

    Colson Whitehead (1969) is geboren en getogen in New York. Na zijn studie aan Harvard ging hij aan het werk als recensent van boeken, televisie en muziek. In 1999 debuteerde hij met zijn roman De Intuïtionist en later werd hij in Nederland met name bekend door zijn romans De ondergrondse spoorweg en De jongens van Nickel. Beide romans werden bekroond met de Pulitzerprijs voor fictie. Colson kiest in zijn werk vooral voor thematiek rondom gelijkberechtiging van Afro-Amerikanen en plaatst zijn romans steevast treffend in een historische context. Al eerder schreef hij boeken die zich afspelen in zijn geboortestad: zijn essaybundel De Colossus van New York werd door de New York Times uitgeroepen als Notable Book of the Year; Sag Harbour situeert zich op Long Island en in het op de New York Times Bestseller lijst geplaatste Zone One beschrijft Colson een post-apocalyptische versie van zijn stad. En ook zijn laatste roman Harlem Shuffle (2021, vertaald door Harm Damsma) speelt zich af in het zwarte deel van New York, in de aanloop naar en tijdens de roerige Harlem riots van 1964.

    Hoofdpersonage Ray Carney is meubelverkoper. Hij is getrouwd met Elizabeth en vader van twee kinderen. Zijn schoonouders zijn nooit enthousiast geweest over de keuze van hun dochter; hun zwarte schoonzoon Ray is ten eerste afkomstig uit een gebroken gezin en er ten tweede voor verantwoordelijk dat de huidskleur van hun kleinkinderen helaas niet even licht is als die van hun lichtgetinte moeder. Zijn schoonvader is lid van de chique Dumas club die uitsluitend lichtgetinte mannen toelaat. Ray is daar vanwege zijn iets meer getinte uiterlijk niet welkom, zelfs niet na een forse steekpenning. Elizabeth werkt bij reisbureau Black Star Travel dat toeristische trips en zakenreizen aanbiedt aan zwarte mensen. Eind jaren vijftig was het vanwege rassenongelijkheid en raciaal geweld voor hen een uitdaging om veilig te reizen. Het bedrijf waar Elizabeth werkt specialiseert zich in het in kaart brengen van veilige hotels, publieksvriendelijke restaurants en winkels en adviseert welke racistische witte stadjes zwarte mensen maar beter kunnen vermijden als ze ellende willen voorkomen.

    Verborgen verleden

    Het inkomen van Ray en Elizabeth is ontoereikend voor de levensstandaard die Ray nastreeft voor zijn gezin. Hij wil er graag goed voor zorgen en het gezin verhuist in de loop van het verhaal een paar keer naar een andere woning die niet alleen groter is maar ook gesitueerd in een betere wijk van Harlem. Ray wil namelijk dat zijn kinderen een andere jeugd hebben dan hijzelf. Hij voert geen overleg met Elizabeth over zijn plannen; Elizabeth vindt het op haar beurt wel prima dat haar gezin stijgt op de maatschappelijke ladder. Ondertussen houdt Ray angstvallig geheim dat hij afkomstig is uit een geslacht van bendeleden en boeven. Zijn vader was een beruchte crimineel die tijdens een kraak werd doodgeschoten door de politie. Neef Freddie is degene die nog een lijntje vormt met zijn verborgen gehouden verleden. Freddie duikt steeds weer op in het verhaal, dan weer om een alibi af te spreken (niemand verdenkt Ray van leugens, hij komt op iedereen over als volstrekt eerlijk), dan weer om gestolen spullen of spullen die ‘van een vrachtwagen waren gevallen’ in bewaring te geven. Ray verkoopt die spullen ook door, maar ziet dat zelf niet als diefstal, eerder als een welkome bijverdienste op zijn ontoereikende inkomen.

    Keer op keer neemt Ray zich desalniettemin voor om zich niet meer in te laten met Freddie, want hij voelt wel aan tot welke problemen zijn duistere zaakjes zouden kunnen leiden. Whitehead weet deze ambivalente houding humoristisch onder woorden te brengen. Wanneer Ray bijvoorbeeld na de verkoop van een schitterende gestolen robijn geld opzij legt voor een beter appartement verzucht hij: ‘”Ik mag dan soms blut zijn, maar een schurk ben ik niet.” Hoewel hij moest toegeven dat hij het misschien toch was.’ 

    Dorvei

    Het middelste deel van het boek heeft als titel Dorvei, een in onbruik geraakt Frans woord waarmee een slapeloze tijd tussen middernacht en een tweede slaapfase bedoeld werd. Ray raakt steeds verder verstrikt in zaken die het daglicht niet kunnen verdragen en die hij daarom tijdens de dorvei uitvoert. Zijn vrouw heeft wonderlijk genoeg nooit enige argwaan waarom Ray ’s nachts regelmatig urenlang weg is en slikt de smoezen die hij daaromtrent ophangt voor zoete koek.

    Harlem Shuffle krijgt steeds meer het karakter van een misdaadroman: er worden kluizen opengebroken, er wordt geschoten en gestoken, mensen worden afgeperst en geïntimideerd, er zijn foute agenten en er wordt een bebloed lijk in een vloerkleed gedumpt in een park. Toch vormen deze elementen gelukkig niet het belangrijkste dat Whitehead de lezer wil meegeven. Ze blijken vooral het decor te vormen van het gesegregeerde New York van de jaren zestig, waarin er in hetzelfde jaar (1964) zowel de Harlem Riots (waarbij de zwarte bevolking in opstand kwam nadat een vijftienjarige door politiekogels om het leven kwam) als de Wereldtentoonstelling plaatsvonden. Segregatie en racisme vinden zowel tussen wit en zwart als tussen zwarten onderling plaats, ondervindt Ray wanneer hij probeert op te klimmen op de maatschappelijke ladder.

    In die zoektocht naar een plaats voor zichzelf en zijn gezin in deze wereld is het te begrijpen dat Ray iets beters wil voor zijn kinderen. Zijn gewetensontwikkeling is vanwege zijn criminele vader niet helemaal ideaal tot stand gekomen, maar de lezer hoopt toch dat hij niet in problemen komt wanneer hij zich voor de zoveelste keer inlaat met Freddie, wanneer die weer eens iets wil achterlaten in de kluis van Ray. Het geld hebben ze na verloop van tijd eigenlijk niet eens meer nodig: Elizabeth verdient inmiddels genoeg om in hun gewenste levensonderhoud te kunnen voorzien. Het is de vraag of Ray op het juiste moment zal weten te stoppen.

    Forrest Gump

    Zoals Forrest Gump in de gelijknamige film steeds zonder het zelf te beseffen opduikt bij tal van historische gebeurtenissen, zo heeft Colson Whitehead zijn protagonist Ray Carney eveneens knap in de Afro-Amerikaanse geschiedenis geplaatst. Je ziet hem als het ware rondrijden door Harlem in de oude bestelwagen van zijn vader. Whitehead weet precies de juiste couleur locale te schetsen door het bijvoorbeeld te hebben over het vluchten naar schuilkelders bij een luchtalarm vanwege de Koude Oorlog, of over een noviteit als een airconditioner in een privéwoning. De muziek, de meubels, de winkels, alles past in het New York van de jaren zestig. De historische gebeurtenissen passen daarnaast ook nog eens als een handschoen rondom de ondanks zijn duistere kantjes toch sympathieke Ray, alhoewel het naarmate het verhaal vordert steeds lastiger wordt om je als lezer met hem te identificeren. 

    De veelheid van namen en gebeurtenissen zorgen er soms wel voor dat de lezer de draad van het verhaal een beetje kwijtraakt; Whitehead heeft de neiging om enorm uit te weiden over details die later onbelangrijk blijken te zijn. De rauwe beschrijvingen van criminele handelingen ten slotte vormen een element waar niet iedere lezer even gecharmeerd van zal zijn. Het boek weet daarom minder te boeien dan de twee voorgaande boeken waarmee hij wereldwijd bekendheid kreeg, maar vormt desalniettemin een interessante inkijk in het New York van de jaren zestig.

     

  • Oogst week 44 – 2021

    Miniapolis

    Op een ochtend komt Jonathan zijn moeder tegen in de tram. Eén probleem: ze is al vier jaar dood. Toch gaan ze samen op zoek naar het landhuis waar zijn moeder is opgegroeid. Twee andere mannen verlaten de stad gelijktijdig. Het viertal ontmoet elkaar, letterlijk en figuurlijk, en leert dat de reis niet altijd belangrijker is dan de bestemming. Rob van Essen (1963) schreef meerdere romans. Met Visser werd hij genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en met De goede zoon won hij deze prijs zelfs in 2019. Zijn nieuwste roman Miniapolis bevat dezelfde humor en vervreemding als in zijn eerdere werk.

    Miniapolis
    Auteur: Rob van Essen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Dit soort kleinigheden

    De Ierse auteur Claire Keegan (1968) won verschillende prijzen voor haar romans en korte verhalen. Haar nieuwste roman Dit soort kleinigheden gaat absoluut niet over kleine thema’s. Het verhaal speelt zich af in de jaren tachtig, in het katholieke Ierland. Hoofdpersoon Bill heeft een bedrijf in hout en kolen. Hij is zelf de zoon van een tienermoeder die het huis werd uitgezet. Tijdens de feestdagen bezoekt hij vanwege zijn werk een klooster waar jonge vrouwen gedwongen worden om in de wasserette te werken onder de noemer ‘heropvoeding’. Deze roman is opgedragen aan de vrouwen en kinderen hebben geleden op de plaatsen waar ongetrouwde zwangere vrouwen werden weggestopt.

    Dit soort kleinigheden
    Auteur: Claire Keegan
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Kluger Hans #41 Gêne

    Kluger Hans is een platform voor nog onbekend literair talent, zowel in woord als in beeld, waarbij woord en beeld elkaar versterken. Twee keer per jaar komt er een nieuw nummer uit. Nummer #41 is net verschenen en heeft als thema ‘gêne’, en dan vooral in de literatuur. Is gêne iets wat overwonnen moet worden of juist iets wat je kunt vieren? Daan de Jager, Jonathan van der Horst, Bas Tuurder, Nic Wouters, Daan Kogelmans, Anna Wegloop, Anke Cuijpers, Hanne Craye, Nikki Dekker, Marloes van der Singel, Sixtine Bérard, Gaël van Heijst, Farīd ad-Dīn ʿAṭṭār in vertaling van Remi Hauman, Frederick Seidel in vertaling van Mattijs Deraedt en beeldend kunstenaars Corentin Grossman en Joëlle Dubois droegen bij aan dit nummer. Het nummer is hier te bestellen.

    Kluger Hans #41 Gêne
  • Oogst week 35 – 2021

    Wissel op de toekomst

    Wissel op de toekomst Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde, van Soetan Sjahrir. 

    Soetan Sjahrir (1909-1966) was oud premier van de Republiek Indonesie. Gedurende de dekolonisatie van Indonesië (1945–1949) was een belangrijke rol weggelegd voor deze kritische jongeling. Toen hij eind jaren twintig ging studeren in Amsterdam, ontmoette hij de Hollandse Maria Duchâteau. Zij werd Sjahrirs geliefde en strijdkameraad voor een vrij Indonesië. Zij volgde hem naar Indië, waar hij een politieke partij zou opzetten, maar werd teruggestuurd door het koloniale gouvernement. Vanuit die positie ontstond een briefwisseling. De brieven die Sjahrir aan Duchâteau schreef zijn zeer afwisselend, met een scherpe visie op de geopolitieke situatie en koloniale werkelijkheid, maar ook brieven vol verlangen en heimwee naar elkaar. In 1936 huwden zij ‘met de handschoen’, pas  in 1947, anderhalf jaar nadat Sjahrir was uitgeroepen tot premier van de Republiek Indonesië, zagen zij elkaar weer.

    Keuze uit de brieven is gemaakt en bezorgd door Kees Snoek, aangevuld met een biografische schets.
    Athenaeum Boekhandel publiceerde de eerste brief.

    Wissel op de toekomst
    Auteur: Bezorgd door Kees Snoek
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Toen ik klein was, was ik niet bang

    Gershwin Bonevacia (1992) is dichter, spoken word artiest en de huidige stadsdichter van Amsterdam. Kort geleden verscheen zijn nieuwe dichtbundel, Toen ik klein was, was ik niet bang. We maken kennis met Gush, de 10-jarige Gershwin Bonevacia die opgroeit in Rotterdam-Zuid. Een rebels en onbevangen kind, ondanks dat hij moeilijk meekomt op school en worstelt met dyslectie en racisme. Maar Gush is niet bang. Pas later vroeg Gershwin zich af: ‘Gush, waarom was je niet bang?’

    In deze bundel gaat Gershwin Bonevacia in dialoog met zijn 10-jarige ik middels een reeks zelfportretten en herinneringen over zijn worsteling met dyslectie, migratie, onveilig opgroeien en zijn droom om ooit astronaut te worden. Een onderzoek naar familiebanden, onverwerkte trauma’s, vergeten geschiedenis en kind-zijn. Toen ik klein was, was ik niet bang is een ode aan zijn jonge onbevreesde ik en een verwoede poging om die weer meer onderdeel van Gershwin Bonevacia te maken. Hier enkele strofen uit de bundel:

    ‘Tussen de middag’

    er zijn goede en slechte kinderen
    de slechte kinderen zijn verlaten door hun vader
    de goede kinderen gaan tussen de middag naar huis
    alle slechte kinderen worden opgehaald
    door een neef
    soms komt de neef niet
    de goede kinderen gaan naar de camping
    alle slechte kinderen worden gepest
    meisjes worden voorbereid op een cyclus
    zwarte kinderen worden profvoetballer
    ben je een gebroken kind
    dan word je gelijmd
    maar alleen als je ophoudt je te schamen
    (…)

    Toen ik klein was, was ik niet bang
    Auteur: Gershwin Bonevacia
    Uitgeverij: Das Mag

    Harlem Shuffle

    Colson Whitehead (1969) is een New Yorkse romanschrijver. Met De jongens van Nickel (2019) won hij de Pulitzerprijs.

    Zijn laatste roman, Harlem Shuffle, gaat over meubelverkoper Ray Carney, die een fatsoenlijk leven probeert te leiden. Zijn buren in 125th street in Harlem zien hem als beschaafd man, maar weten niet dat Ray afkomstig is uit een familie van bendeleden en boeven. Ray heeft er alles aan gedaan daar los van te komen. Hij heeft veel bereikt, zijn vrouw is in verwachting, beter kan het gewoon niet.

    Dan begint zijn brave burgermansbestaan barsten te vertonen. Barsten die steeds groter worden dankzij zijn louche, onfortuinlijke neef Freddy, die dankbaar gebruikmaakt van Rays keurige façade – en hem ondertussen de Harlemse onderwereld in sleurt. Terwijl Ray worstelt met zijn dubbelleven wordt het hem steeds duidelijker wie de touwtjes in handen heeft in Harlem. De vraag is of Ray hier zonder kleerscheuren vanaf komt, zijn burgermans leventje weer herpakken kan.

    Harlem Shuffle
    Auteur: Colson Whitehead
    Uitgeverij: AtlasContact
  • Buitenbeentje in een slaperig Engels kustplaatsje

    Buitenbeentje in een slaperig Engels kustplaatsje

    De in Den Haag geboren en in Schotland wonende schrijver Michel Faber (1960) is bekend van zijn monumentale roman Lelieblank, scharlakenrood van bijna 1000 bladzijden. Fabers oeuvre valt vooral op doordat hij thriller- sciencefiction en horrorelementen met filosofische beschouwingen combineert en nadrukt legt op uitgebreide sfeerbeschrijvingen. Nu is er Een geschiedenis van twee werelden, een jeugdboek met een sprookjesachtige setting. Het boek kent twee delen, die als volgt zijn aangeduid: ‘De eerste (iets kortere en aanzienlijk minder hachelijke) helft van het verhaal, die zich afspeelt in DEZE wereld’ en ‘De tweede (iets langere en aanzienlijk hachelijker) helft van het verhaal, die zich afspeelt in DIE wereld.’ Deze nogal archaïsch aandoende stijl hanteert Faber het hele boek. 

    Stel je een wereld voor waarin de letter d opeens is verdwenen. En stel je dan ook eens voor dat dit betekent dat alles waarin de letter ‘d’ voorkomt eveneens verdwijnt: drums, dromedarissen, dolfijnen, draaideuren en duffelse jassen. En stel je dan óók nog eens voor dat jij de enige bent die dit in de gaten lijkt te hebben en dat anderen je voor een zonderling uitmaken als je het ter sprake brengt. 

    Meisje uit Somaliland 

    Het overkomt de twaalfjarige Dhikilo. Dhikilo woont in het slaperige Engels kustplaatsje Cawber-on-Sands en is anders dan de andere kinderen in het plaatsje. Ze komt namelijk uit Somaliland. Dat maakt het leven van Dhikilo sowieso al ingewikkeld genoeg. Somaliland zou voor veel inwoners van Cawber-on-Sands best een sprookjesland kunnen zijn. De meesten hebben er nog nooit van gehoord of verwarren het met Somalië. Als ze besluit om op zoek te gaan naar de verdwenen letter d staat ze er dan ook aanvankelijk alleen voor totdat ze kennis maakt met een overleden professor en zijn huisgenoot mrs. Robertson. Mrs. Robertson is deels labrador deels sfinx. Samen met haar vertrekt ze naar de magische wereld Luminus waar ze het op moet nemen tegen de dictator Gamp.
    De eerste helft van het boek is genieten geblazen. Michel Faber leeft zich uit en het is te merken dat hij met veel plezier het verhaal vertelt. De wijze waarop Dhikilo als buitenbeentje wordt neergezet, de beschrijvingen van het schilderachtige Cawber-on-Sands dat betere tijden heeft gekend en de reacties van de overige inwoners op de waarnemingen van Dhikilo zijn ronduit sprankelend. 

    ‘De laatste plaats waar Dhikilo had gewoond voordat ze werd overgebracht naar de Engelse zuidkust was een stad die Laascaanood heette, wat klonk als een drankje op de menukaart van een oriëntaals restaurant dat je misschien wel wilde proberen, maar waar je van afzag omdat je bang was dat je het niet zou lusten, zodat je toch maar Pepsi nam.’

    Ontregelende leeservaring

    Michel Faber neemt de lezer op een mooie actieve manier mee in het verhaal. Op het moment dat je denkt dat er best veel personages voorbij komen, stelt hij de lezer gerust door op te merken dat de meesten van hen eigenlijk toch niet heel erg terzake doen. Zo serveert hij vlak nadat hij een pestend meisje ten tonele heeft gevoerd haar al snel weer af. De d-loze wereld waar Dhikilo in terecht is gekomen, is wonderlijk en onwennig, net als het lezen van dit boek. Want niet alleen ontbreekt de letter d in de nieuwe wereld van Dhikilo, maar laat de schrijver zelf ook consequent de letter d weg en dat is aanvankelijk wennen geblazen. Het is slechts één letter uit het alfabet, maar je krijgt als lezer voortdurend het gevoel dat er van alles in de tekst ontbreekt. Het is een behoorlijk ontregelende ervaring. In de tweede helft van het verhaal als Dhikilo via een magische deur de wereld Luminus betreedt, dreigt de vaart wat uit het verhaal te raken.

    Plotseling einde

    De door Faber aangekondigde aanzienlijk hachelijker tweede helft voelt nooit echt heel erg hachelijk. Het is een redelijk tam fantasy-achtig verhaal waarin de verwondering, die in de eerste helft nog aanwezig was, grotendeels uitblijft. Dhikilo en mrs. Robertson betreden een wereld die een kruising lijkt tussen De tovenaar van Oz en de Kronieken van Narnia en komen een keur aan vreemde volkeren en personages tegen die soms nieuwsgierig, soms afwijzend en soms ronduit vijandig tegenover hen staan. Zo zijn daar de Quilpen, een groep dwergachtige mannen die zowel vuil als dom zijn, de Magwitches, een stel kwaadaardige heksen en de Droods, een volk van lange elegante schepselen in elfengewaden.

    Dit klinkt allemaal erg interessant, maar écht spannend wordt het niet. Het land waar Dhikilo terechtkomt ontvouwt zich als een panorama waarin zij vooral een toeschouwer is.  Uiteindelijk komt ze de kwade dictator Gamp tegen, maar het blijft onduidelijk wat zijn motieven precies zijn. Het einde komt erg plotseling zonder dat Dhikilo daar een actieve bijdrage aan levert. Een personage dat even tevoren in de problemen was geraakt komt op onverklaarbare wijze terug in het verhaal en redt de dag. Dat voelt wat te makkelijk. Al met al is het een interessant jeugdboek met een bijzonder sterk begin, een geloofwaardiger einde had het in zijn geheel wel een stuk sterker gemaakt.

     

     

  • Oogst week 39 – 2020

    D

    Michel Faber, geboren in Den Haag, maar opgegroeid in Australië en nu wonend in Engeland, nam zich na de verschijning van Het boek van wonderlijke nieuwe dingen te stoppen als romancier. Tot zijn uitgever hem vroeg om een bijdrage voor de herdenking van de 150ste sterfdag van Dickens in 2020. Dat deed hem terugdenken aan een sprookje dat hij dertig jaar eerder had geschreven maar nooit had gepubliceerd. Het was een verhaal over het meisje Dhikilo dat door een professor wordt geholpen om de letter D terug te vinden die uit de taal was verdwenen. Ineens wist Faber dat die professor Dickens zou moeten zijn. Het is een boek geworden over problemen van onze tijd – onderdrukking, censuur en vrijheid – dat doet denken aan Alice in Wonderland.

    D
    Auteur: Michel Faber
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Mrs. Degas

    Arthur Japin heeft een grote belangstelling voor kunstenaarslevens. Na Vaslav (over Nijinski) en Kolja (over Tsjaikovski) is er nu Mrs. Degas. In deze roman leeft Japin zich in in het toenemende isolement van de schilder Degas in zijn laatste jaren toen hij blind was en nog met weinigen contact had. Met zijn familie had hij geen contact. De vrouw uit de titel is de Creoolse Estelle, zijn Amerikaanse nichtje dat blind werd. Als een jonge vrouw Degas helpt zijn archieven te ordenen komen bij de schilder herinneringen terug aan Estelle die hij vaak schilderde terwijl ze aan het bloemschikken was. Het blijken pijnlijke herinneringen te zijn.

    Mrs. Degas
    Auteur: Arthur Japin
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tirade 480

    De Sovjet-Unie is uiteengevallen. Julia Khusainova gaat met haar ouders eten in hun favoriete restaurant. Haar vader vertelt ‘na een paar wodka’s dat in hal drieëndertig al vijf jaar niets werd gemaakt, die stond leeg. Mijn moeder huilde, mijn vader schaterlachte. Ikzelf geloofde er niets van: mijn vader nam natuurlijk iedereen in de maling, net als elke dubbelspion.
    Ik was ontroerd, maar ook volkomen van streek, mijn hele wereld leek ineens een wankele constructie. Ik vroeg me af wat schadelijker was: de harde werkelijkheid of de schone schijn ophouden? Wanneer moest je lijden? Wanneer mocht je eraan ontsnappen? En wanneer verloor je de balans?’
    Het is een fragment uit ‘Tsarinakapsels en metershoge grafstenen’, één van de essays in het jongste nummer van Tirade 480. Het bevat verder gedichten van onder anderen Tonnus Oosterhof en Maria Barnas, een essay van Sander Kollaard en verhalen van Langston Hughes en Samira Elomari.

    Tirade 480
    Auteur: unknown
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Als de pasteitjes opraken wordt de val van Troje zichtbaar

    Als de pasteitjes opraken wordt de val van Troje zichtbaar

    Hendrik VIII is in de overlevering een vorst die er zijn hand niet voor omdraaide om mensen in zijn omgeving, waaronder twee van zijn vrouwen, het schavot op te sturen. Hij trok zich van de executies weinig aan en ontspande zich liever elders op het moment dat er weer een kop rolde. In de trilogie van Hilary Mantel over Thomas Cromwell is dat niet anders. In het slot ervan valt deze belangrijkste adviseur en vriend van de koning zelfs onder de hakbijl. Tijdens de verhoren en de voltrekking van het vonnis is Henry (de vertalers gebruiken de Engelse naam) opnieuw de grote afwezige. Compassie zijnerzijds lijkt te ontbreken. Daarom krijgt een klein zinnetje in het Nawoord van Mantel bij het derde deel van haar drieluik, De spiegel & het licht, toch ineens een diepere dimensie: ‘Toen Henry eenmaal de tijd had gehad om spijt te krijgen van Cromwells dood…’. Hij moet in zijn absentie toch in gedachten bij Cromwell zijn geweest.

    Thomas Cromwell is de van smidszoon tot vice-regent van Engeland opgeklommen politicus om wie Hillary Mantel in de drie delen Wolf Hall, Het boek Henry en De spiegel & het licht een groots monument heeft opgetrokken. Dat doet ze knap. En ter geruststelling voor degenen die er als een berg tegen opzien om de totale omvang van dik 2100 pagina’s te lijf te gaan, dit derde deel van 1241 pagina’s laat zich goed zelfstandig lezen. Dat is te danken aan de vele reflecties van Cromwell op zijn eigen verleden en afkomst die in deze roman zijn opgenomen.

    Maagdelijk

    De spiegel & het licht begint met de executie van Anna Boleyn, Henry’s tweede vrouw, en eindigt met de ontbinding van het huwelijk met zijn vierde, Anna van Kleef. Tussen hen in heeft Jane Seymour haar opwachting gemaakt; ze stierf twee weken nadat ze Henry zijn vurig gewenste zoon (Edward) had geschonken. Hoe belangrijk is uiteindelijk de komst van Anna van Kleef geweest voor de val van Cromwell? Henry had voor haar als zijn nieuwe gemalin gekozen op Cromwells advies maar ze bleek qua aantrekkelijkheid bitter tegen te vallen (Anna op haar beurt vond Henry trouwens evenmin een begeerlijke partij). Mantel laat min of meer in het midden of Henry en zij hun huwelijk zelfs wel consumeerden (hoogstwaarschijnlijk niet). In elk geval stuurde hij haar snel weer de laan uit, Cromwell af en toe verwijtend dat hij haar zonder nauwkeurig onderzoek had aanbevolen. Want het was niet alleen haar lelijkheid. Was ze nu maagd of niet? Lutheraans of niet? Had Cromwell achter ’s konings rug een politiek spel gespeeld? Was hij er op uit zelf de hoogste macht te grijpen?

    Peter Pispot

    Cromwell, geheimzegelbewaarder en vice-regent en pas nog begiftigd met het graafschap Essex, is volkomen verrast als hij ineens wordt gearresteerd. Alle hiervoor genoemde verdachtmakingen komen voorbij, maar veel meer: zijn aandeel in de executie van Anna Boleyn bijvoorbeeld en zijn rol in de keuzes van Mary, de dochter uit Henry’s eerste huwelijk met Catharina van Aragon. Een bij elkaar geraapte reeks beschuldigingen die Cromwell door zijn vijanden in zijn gezicht worden geslingerd zonder duidelijk bewijs en met niet de minste belangstelling voor zijn weerwoord. Cromwell beseft al langer dat niemand blijvend zeker is van de sympathie van zo’n grillige vorst als Henry, ook al lijkt die een rotsvast vertrouwen in hem te hebben. ‘Wie zal mij nog raad verschaffen als Lord Cromwell de laan wordt uitgestuurd? Dat zootje oproerkraaiers soms? Harry Hork en Peter Pispot? Opa Oen en zijn geit (…) Ik heb de eerste minister gemaakt tot wat hij is en bij God, ik laat hem niet vallen’, zo valt Henry uit als hem berichten worden overgebracht over rellen in het noorden, aangewakkerd door edelen en papisten.

    Cromwell was van lage komaf (zoon van de brute smid Walter, zoals we hem in Wolf Hall hebben leren kennen) en dat zette gedurende zijn hele carrière in delen van het rijk maar ook aan het hof kwaad bloed bij wie een lange adellijke lijn in het blazoen had staan. Maar voor de Schotten is hij bovendien de kwade genius achter de bestrijding van hun rechten en voor de bisschoppen en monniken de rover van hun kloosters en abdijen. Daarmee heb je voldoende vijanden die toe willen slaan als je positie verzwakt.

    Laatste snufjes

    Cromwell leefde van 1485 tot 1540. De spiegel & het licht bestrijkt zijn laatste jaren in dienst van Henry VIII vanaf 1536. Onder de handen van Hillary Mantel worden die beschreven in een taal die overloopt van speelsheid, spot, woede, achterdocht en cynisme. Ze slaagt er (opnieuw) in alle dramatis personae vlees en bloed te geven en een eigen stem. ‘Het gewone Engelse volk gedijt op liederen, verhalen en bierhuisgrappen’, laat ze Henry zeggen. En elders hoor je Cromwell denken hoe de kronieken van het koningschap pas echt zullen worden geschreven door ‘onze kleinkinderen of door schrijvers in een ander land’. Mantel voldoet aan beide: ze is een verhalenverteller in optima forma en is – al komt ze dan niet uit een ander land – de beste kroniekschrijver die Cromwell zich kon wensen. Het vertelplezier spat van de pagina’s. Dat is vooral te merken bij de talrijke humoristische beschrijvingen van gesprekken, gedachten (de roman bestaat grotendeels uit dialogen en monologues intérieurs van Cromwell), incidenten en het dagelijkse hofleven.

    Zoals in de weergave van een gesprek vol spot over de bemoeienis van de geestelijkheid met seksualiteit: ‘Incest plegen is zondig, daar zijn we het allemaal over eens, maar ja, dat is elk standje dat niet door priesters is goedgekeurd ook. Net als gemeenschap hebben op vrijdag (…) of op zondag, zaterdag en woensdag (…) Zodoende ligt er op meer dan de helft van het jaar een banvloek. In feite is het een wonder dat er nog mensen worden geboren’. Of zoals in: ‘De Howards zijn natuurlijk ook van de oude stempel. Die zouden niet willen sterven door middel van de laatste snufjes’. Bijna hilarisch zijn scènes als die waarin het koninklijke bed wordt opgemaakt (er komen vier slaapkamerlakeien en vier linnenkamerlakeien aan te pas die eerst de stromatras moeten beprikken en er vervolgens zelf over heen moeten rollen om de laatste scherpe stukjes plat te walsen).

    Onvoorspelbaar

    Mantel schept prachtige beelden. Zo laat ze het hofpersoneel na de dood van Anna Boleyn alle zalen, kleden, meubels enzovoort ontdoen van de symbolen met de letters H-A (Henry Rex – Anna Regina) als zij is onthoofd, om die later weer opnieuw te laten aanbrengen als Anna van Kleef – weer een A immers – de koninklijke sponde bezet. Prachtig is ook het beeld van de ontmoeting waarin Thomas Cromwell de kritiek op hem bespreekt met zijn zoon Gregory terwijl beiden zich te goed doen aan pasteitjes. Als ze bijna op zijn blijkt op de schaal waarop ze lagen een afbeelding van de val van Troje zichtbaar te worden – enkele weken later zal het vonnis worden geveld.

    Thomas Cromwell weet hoe lastig hij zelf in de omgang is. ‘Ik ben vol ontzag voor mezelf’ vertrouwt hij zijn Antwerpse dochter Jenneke (een door Mantel ingevoegde fictieve figuur) toe: ‘Ik vind mezelf volkomen onvoorspelbaar’. Het maakt hem blind en doof voor de signalen van zijn onontkoombare val. Of is het hoogmoed? Al in het begin van de roman – we zijn dan amper dertig pagina’s onderweg – is het Cromwell zelf die denkt: ‘Laat je niet in de luren leggen. Oompje Norfolk is niet onze kameraad, onze bondgenoot of onze vriend. Hij klopt ons enkel op de schouder om te zien hoe stevig we in elkaar zitten’. Het is dezelfde hertog van Norfolk (Thomas Howard) die in de verhoren één van zijn grootste kwelgeesten is.

    Toneelspeler

    Ooit heeft Cromwell in een brief de oordeelkundigheid en het strategisch inzicht van Henry geroemd, ‘de spiegel en het licht van alle koningen en andere vorsten der christenheid’, waarbij hij denkt dat, als Henry de spiegel is, hij, Cromwell, ‘de bleke toneelspeler [is] die zelf geen luister verspreidt, maar rondgaat in weerspiegeld licht. Zodra het licht zich verplaatst is hij verdwenen’. Dat werd sneller bewaarheid dan hij durfde vermoeden.

    Tegen gevangenbewaarder Martin in de Tower heeft Cromwell zelf al eens over Thomas Wyatt (één van zijn vrienden, maar ook één van de mannen die werden verdacht van overspel met Anna Boleyn) gezegd: ‘Als Wyatt je iets vertelt is het net of je er zelf bij bent geweest’. Hetzelfde geldt voor Hillary Mantel. Als je De spiegel & het licht dichtslaat heb je niet alleen de geschiedenis van Cromwell gelezen; je bent er zelf bij geweest.

     

     

  • Wilkerson Sexton vindt haar stem

    Wilkerson Sexton vindt haar stem

    Hoe is het om een donkergekleurde huid te hebben? In het kader van de racisme-, slavernij- en zwartepietendiscussie zeggen witte Nederlanders nogal eens dat het met de discriminatie van donkergekleurde mensen wel meevalt. Wat ze daarbij vergeten is dat zij die opvatting huldigen omdat ze er niets van merken.
    Bij het lezen van een roman als Een zekere vrijheid van de Amerikaanse Margaret Wilkerson Sexton bekruipt de witte lezer dan ook een zeker gevoel van vervreemding. Het boek laat zien hoe het leven van zwarte Amerikanen radicaal verschilt van dat van witte Amerikanen. Drie generaties van een familie in New Orleans trekken vanaf de jaren veertig tot in 2011 voorbij.

    Het verhaal begint met Evelyn, zus Ruby en ‘Broertje’. Hun vader is een gerespecteerd dokter in de zwarte gemeenschap en Evelyn en Ruby volgen achtenswaardige beroepsopleidingen. Evelyn raakt verliefd op Renard, die van lagere komaf is en wegens geldgebrek moest stoppen met zijn medicijnenstudie. Aanvankelijk is haar vader dan ook tegen het huwelijk, maar later draait hij bij en steunt hen zelfs met geld. ‘Daarom heb ik ook zo hard gewerkt, zodat mijn dochter het zo goed zou hebben als voor een zwarte vrouw maar mogelijk is, en jij kunt ook wel een ruggensteuntje gebruiken, lijkt me, misschien dat je je opleiding kunt afmaken.’ Evelyn is dan al zwanger en ervan overtuigd dat haar ongeboren dochter later dokter zal worden. ‘Wellicht waren er tegen die tijd al andere vrouwelijke artsen, misschien zelfs wel zwarte.’

    Problemen en obstakels

    Gaandeweg het verhaal komt er heel wat ongemakkelijks aan bod, zoals wanneer het over Evelyns dochter Jackie en Jackie’s zoon T.C. gaat. Jackie woont met echtgenoot Terry in een aardige buurt, maar moet later verhuizen naar een probleemwijk als Terry zijn baan als apotheker kwijtraakt en zijn toevlucht neemt tot drugs. Hij verdwijnt een paar keer uit haar leven en zij blijft achter met baby T.C., depressief en met uitzicht op patrouillerende politie die regelmatig zwarte jongetjes oppakt, schuldig of niet. T.C., aanvankelijk succesvol, vergaat het niet beter dan zijn ouders. Door een gebroken knieschijf en de orkaan Katrina belandt hij op een dieptepunt waar hij niet meer vandaan komt. De overheid vergoedt te weinig voor herstel en wederopbouw van zwarte wijken. T.C. is net als zijn vader in wezen een goed mens, maar niet opgewassen tegen de problemen en obstakels die zijn zwarte leven teisteren.

    Dromen van een respectabel leven

    Tegenover de heersende witten vormen de personages uit Een zekere vrijheid een groep die zich voortdurend bewust is van het anders-zijn, de achterstand en de mindere kansen, kortom van discriminatie en racisme. T.C. bezwijkt net als zijn vader voor het drugswereldje – voor zwarte jongeren vaak de enige manier om aan geld te komen – en belandt behalve in een uitzichtloze werkelijkheid in de gevangenis. Daar droomt hij van het respectabele leven dat hij na de straf zal gaan leiden om zijn inmiddels geboren zoon tot voorbeeld te kunnen dienen. Zijn tante Sybil, de zus van zijn moeder, is advocaat en had hem al ooit aan een baantje geholpen. Wie weet is zij, ondanks dat hij toen verpestte, wel weer bereid hem te helpen.

    De Fransen waren aardig

    De auteur springt tijdens het vertellen heen en weer in de tijd, wat de spanning ten goede komt. Die ontstaat ook door het op vrijwel iedere pagina aanwezige racisme, soms subtiel, vaak onverbloemd. Tegen het einde, als de verhalen van Evelyns dochters en kleinzoon zijn gepasseerd, maakt Wilkerson Sexton nog eens goed duidelijk hoe zwarte mensen werden (en worden) gediscrimineerd als ze Renard laat vertellen over zijn ervaringen in het Amerikaanse leger waarmee hij in de Tweede Wereldoorlog naar Europa werd gestuurd: ‘We waren gelegerd in een klein stadje in de buurt van Parijs. Naast ons lag een witte eenheid waarvan er zo nu en dan eentje kwam buurten. Dan riepen ze “nikker” en zo […] In het begin was het nauwelijks anders dan hier. De witten kregen hun eten op een bord, wij op een stuk blik. Wij kregen één prak, maar de witten mochten zo vaak nemen als ze wilden […] woonden in kamers met een gepolitoerde vloer en hadden een wasmachine, wij moesten het doen met betonnen vloeren en potkachteltjes. […] Op een avond was er ergens een feestje en wij maakten aanstalten ernaartoe te gaan. De Fransen hadden ons namelijk uitgenodigd om hun dankbaarheid aan ons zwarte militairen te tonen.’
    De commandant verbiedt de zwarte militairen erheen te gaan, sommige doen het toch en er ontstaan vechtpartijen. Renard vertelt verder: ‘De Fransen waren zo aardig, zo hartelijk. Als je met hen praatte, vergat je dat je zwart was, maar die andere Amerikaanse soldaten beukten op ons in alsof ze ons dood wilden slaan.’

    Grappig slang

    Het begin van het boek is enigszins onevenwichtig en binnen de hoofdstukken klopt het tijdsverloop zo nu en dan niet. Wat opvalt is een tussen de zussen Evelyn en Ruby (en later ook Jackie en Sybil) uit het niets opdoemende animositeit die verder lijkt te gaan dan een onschuldige wedijver. Dat wekt bevreemding omdat de zussen elkaar als het erop aankomt steunen. Wellicht staat de auteur in dit eerste boek nog niet helemaal boven haar personages. Wat ze wel in de hand heeft zijn de treffende situatiebeschrijvingen waarmee ze vooral witte lezers een onloochenbaar beeld geeft van het leven in een zwarte Amerikaanse gemeenschap. Het maakt de sympathie voor de VS er niet groter op.

    Hulde verdienen de vertalers Harm Damsma en Niek Miedema met hun woordkeuzes en de zinsbouw voor het taalgebruik van T.C. en zijn vrienden dat, behalve dat het slang is, ook grappig klinkt. De jongens spreken over en met elkaar als ‘nigga’ en ‘bro’, wat nog te begrijpen is, maar bij woorden als ‘mofo’ ‘bruya’ ‘no spang’ ‘ki welloe’ ‘jilla’ en ‘sjap’ voelt de niet-ingewijde zich een bewoner van een andere planeet.

    Eindelijk schrijfster

    Margaret Wilkerson Sexton studeerde rechten en creatief schrijven en werkte op een advocatenkantoor. Op publishersweekly.com beschrijft ze hoe zij na een worsteling van jaren, waarin ze aan een boek schreef dat steeds maar niet tot publicatie en tevredenheid van proeflezers leidde, eindelijk de schrijfster werd die ze wilde zijn. ‘Ik kon mijn eigen stem niet vinden,’ vertelt de voormalige advocate, altijd al vastbesloten om van het schrijven haar werk te maken. De kans deed zich voor en ze greep hem, toen ze samen met andere partners van het advocatenkantoor het aanbod tot uitkoop kreeg. Sindsdien schreef ze vele uren per dag, maar, meldt ze, ‘er ontstond een gevoel van paniek in mijn werk, een wanhopige behoefte om iets te bewijzen op elke koortsachtig geschreven pagina’. Een meelezer merkte op dat het leek alsof hij ‘iets las van een heel goede verhalenverteller die geen verhaal vertelde.’ Onder begeleiding van een docent literatuur begon Wilkerson Sexton aan een andere vertelling. Zo ontstond Een zekere vrijheid. In november van dit jaar verschijnt in de VS haar nieuwe boek The Revisioners.

     

  • Oogst week 14

    Asja en de astrologe

    Deze week in de oogst drie vertaalde romans en wel vanuit het Bulgaars, Amerikaans en Russisch en reisverhalen van een Nederlandse auteur.

    De Bulgaarse journaliste en schrijfster Ina Vălčanova, won met haar derde roman Asja en de Astrologe in 2017 de EU-Literatuurprijs. Een boek in twee (geestige) monologen van twee vrouwen wier levens elkaar voor korte tijd kruisen. Asja is slordig en impulsief vrouw. Al joggend breekt ze zich het hoofd over hoe ze haar leven een andere wending kan geven. Dan krijgt ze een raadselachtig telefoontje van een collega.

    De tweede brouw, Radost is net gescheiden en woont weer in een flat in Sofia waar ze opgroeide. Ook zij gooit haar leven om. Ze mediteert, loopt hard, maakt haar eigen beautyproducten en verdiept zich in de astrologie. Met haar collega Asja, zo blijkt, heeft ze een speciale astrale band. Asja hangt iets boven het hoofd en Radost moet ingrijpen.

     

    Asja en de astrologe
    Auteur: Ina Valcanova
    Uitgeverij: De Geus

    De zwijguren

    In De zwijguren. Vijftien literaire reisverhalen en een zeeslag volgt E. de Haan de voetsporen van wereldberoemde schrijvers en dichters. Aan de hand van briefwisselingen, notities en dagboeken traceert hij hun leven en sterven. Door tijdelijk dezelfde paden te bewandelen haalt hij het verleden naar zich toe. De ene keer betreft het Samuel Beckett in Hamburg, waar hij het Duits leerde spreken, of John Keats in Winchester, mijmerend over zijn geliefde Fanny Brawne. Lord Byron maken we in Genua, Venetië en Navarino mee. Joseph Brodsky, Ezra Pound en Frederick Rolfe treffen we aan op een Italiaans eiland. Maar ook minder grote goden als Trakl, Klopstock en Choukri of vergeten talenten als Mohr, Waggerl en Blecher komen aan bod. De Zwijguren rakelt geschiedenissen op die anders ongehoord zouden blijven. Elk verhaal wordt voorafgegaan door een foto van een historische plek, gemaakt door de schrijver zelf en door Judith Heinsohn. 

    E. de Haan (1957) is het pseudoniem van Peter de Rijk, redacteur en docent Creatief schrijven. De Haan debuteerde in 1996 met de novelle Vonk en schreef later ook gedichten. Ik belde mijn muze (2003) was zijn debuutbundel. De tweede, Scheren zonder spiegel verscheen in 2011. Gedichten dan hem werden opgenomen in De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, door Ilja Leonard Pfeiffer samengesteld.

    De zwijguren
    Auteur: E. de Haan
    Uitgeverij: Knipscheer,

    Een zekere vrijheid

    Margaret Wilkerson Sexton is geboren in New Orleans waar ook haar debuutroman Een zekere vrijheid speelt. Ze studeerde Creative writing en Rechten.

    Een verhaal over drie generaties te beginnen in de jaren veertig in New Orleans met Evelyn, oudste dochter uit een welgestelde familie, gaat met de zoon van een conciërge – wiens dromen groter zijn dan zijn mogelijkheden – in zee. Ze krijgen een dochter, Jackie, die eenmaal volwassen de carrière van haar man ziet ontsporen door de economische crisis in de jaren tachtig tijdens de Reagan-jaren. Haar man raakt verslaafd en Jackie staat alleen voor de opvoeding van hun zoon T.C.
    In 2011 worstelt New Orleans met de nasleep van orkaan Katrina en T.C. wil een nieuwe start maken. Maar dat blijkt zelfs in de eenentwintigste eeuw niet eenvoudig voor een zwarte jongeman in het zuiden van Amerika.

    ‘This luminous and assured first novel shines an unflinching, compassionate light on three generations of a black family in New Orleans, emphasizing endurance more than damage.’ Zegt de  New York Times Book Review.

    Een zekere vrijheid
    Auteur: Margaret Wilkerson Sexton
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Voorbij het geheugen

    Dichteres en schrijfster Maria Stepanova is een belangrijk persoon binnen de literaire scene in Rusland. Voorbij het geheugen is een familiegeschiedenis, over haar joods-Russische familie die bestond uit artsen, architecten, bibliothecarissen, accountants en ingenieurs. In de twintigste eeuw, waarin jodenvervolging, onderdrukking en moord schering en inslag waren, bleef haar hele familie ongedeerd. Haar voorouders overleefden alle verschrikkingen van de twintigste eeuw. Dit verbaasde haar en deed haar zich afvragen: Wie of wat getuigt van mensen en dingen die verdwijnen? Zijn herinneringen aan het verleden wel te bewaren? Hoe slaan de grote gebeurtenissen van de twintigste eeuw neer in het geheugen van de mensen van nu? Op welke manier moet Stepanova zichzelf verhouden tot de voorbije levens die ze bestudeert?

    Met Voorbij het geheugen schreef Maria Stepanova een bijzonder boek dat wel doet denken aan het werk van auteurs als Nabokov, Sebald en Sontag, maar vooral een zeer eigen stem heeft.

    Een mooie lijst met boeken waar we de komende week weer mee voort kunnen.

     

    Voorbij het geheugen
    Auteur: Maria Stepanova
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Naar adem snakken

    Naar adem snakken

    ‘Het kostte me jaren om alle vuil dat mij over mijzelf was ingeprent, enwat ik voor de helft geloofde, uit te kotsen, voordat ik in staat was om op aarde rond te lopen alsof ik er recht op had hier te zijn’, schrijft James Baldwin in 1960 in een artikel over het studentenprotest in Tallahassee, Florida, naar aanleiding van de rassenscheiding. Hetzelfde artikel opent met de vaststelling dat je als zwarte altijd op je hoede moet zijn in het contact met de blanken. Voor je het weet heb je een  onzichtbare grens overschreden met (vaak) catastrofale gevolgen.
    Die wetenschap komt je niet alleen van pas in het zuiden van de Verenigde Staten, maar ook in het noorden, bijvoorbeeld in Harlem, New York, waar Baldwin zijn roman Als Beale Street kon praten uit 1974 situeert en waar hij ook opgroeide.

    Een jaar nadien kwam de roman in Nederlandse vertaling uit. Nu is er een nieuwe vertaling van deze tamelijk onbekende roman van Baldwin. Afgelopen najaar kwam in de VS de gelijknamige film uit en als het aan de critici van The New York Times ligt, zou die voor een Oscar genomineerd moeten worden.
    De titel van de roman verwijst naar een regel uit Beale Street Blues van W.C. Handy uit 1917, een bitter-zoet nummer dat sindsdien door talrijke artiesten op de plaat is gezet, onder wie Louis Armstrong en Lena Horne, schitterende versies die bijvoorbeeld op YouTube zijn te beluisteren.
    Als Beale Street kon praten is een verhaal over de liefde tussen twee jonge mensen Tish en Fonny, dat zich afspeelt tegen de boven beschreven achtergrond. De ontwikkelingen worden in flashback beschreven vanuit het perspectief van de ik-verteller Tish, de vrouwelijke hoofdpersoon. Dat vertelperspectief is door Baldwin niet voor niets gekozen. Op deze manier drukt hij de lezer met de neus op de ontstellende feiten. Er is geen ontkomen aan. Daarmee zet hij de lezer op één lijn met de zwarte hoofdpersonages, voor wie er in een wereld waarin op elke hoek van de straat valstrikken worden gespannen, ook geen ontkomen aan is.

    Fonny belandt in de gevangenis omdat de buurtagent nog een rekening met hem heeft te vereffenen. Want als Tish bij een groentewinkel wordt betast door een blanke junk en Fonny deze vervolgens neerslaat, meent de buurtagent te moeten optreden en spreekt Fonny hierop aan. De Italiaanse groenteverkoopster springt als enige voor Fonny in de bres. De agent druipt af. Zijn ego heeft een gevoelige deuk opgelopen. En, zo weet iedere zwarte, dan wordt zo’n agent gevaarlijk.
    Later wordt Fonny beschuldigd van verkrachting. Fonny is onschuldig. Dat weet agent Bell net zo goed als Fonny zelf. Maar het systeem, waarin je als zwarte per definitie schuldig bent, heeft daar maling aan.
    Intussen is Tish zwanger van Fonny. We volgen de ontwikkelingen van de baby in de buik van Tish op de voet, net als de pogingen van de beide families om Fonny met behulp van een advocaat uit de gevangenis te krijgen.

    De werkelijkheid die Baldwin in zijn roman beschrijft en die hij in talrijke essays en artikelen heeft beklemtoond, maakt van Als Beale Street kon praten nog geen diep treurige roman. Integendeel, er is hoop, uit gesproken door de hoofdpersonages, met een prominente rol voor Sharon, de moeder van Tish: ‘zolang we het hoofd koel houden en ons voor ogen houden welke belangen er voor ons op het spel staan, niet in de laatste plaats de toekomst van de baby die op komst is’.
    Dan is er nog de ontmaagdingsscène van Tish. Zo huiveringwekkend mooi en liefdevol beschreven dat het je als lezer de adem beneemt.

    Kortom, een opzienbarende roman. Maar dat wisten de Nederlandstalige lezers in 1975 natuurlijk ook al. Desondanks is de heruitgave in een prachtige nieuwe vertaling van Harm Damsma – wat is levend Nederlands toch mooi – een bijzondere gebeurtenis, al was het maar vanwege de opmerkelijke ‘waarschuwing’ aan de lezer.

    ‘Uitgeverij De Geus heeft ervoor gekozen het woord ‘white’ te vertalen als ‘wit’ in plaats van ‘blank’. Het woord ‘nigger’ is onvertaald gelaten. Middels deze keuzes hebben we geprobeerd recht te doen aan de auteur in de taal van het Nederland van nu, met inclusiviteit als uitgangspunt. Dit ondanks nadrukkelijk protest van de vertaler.’
    Deze ‘belijdenis’ staat boven het colofon van het boek. Is dit nu een poging van de uitgeverij om de geschiedenis achteraf ‘wit’ te poetsen, om tegenstellingen van destijds in Amerika (en in Nederland) met terugwerkende kracht te verzachten?

    Als in het Amerikaans ‘black’ tegenover ‘white’ staat (‘for whites only’), is het Nederlandse equivalent ‘blank’ tegenover ‘zwart’. Slegs vir blanke’ kennen wij Nederlanders nog maar al te goed in de Afrikaanse zustertaal, de taal die ons en de rest van de wereld met het woord ‘apartheid’ heeft opgezadeld.
    Dus waarom ‘wit’ in plaats van ‘blank’? Vanuit het perspectief, we zijn nu beter geworden, we gaan op een humanere manier met elkaar om? Dat laatste is wat de heersende ‘witte’ ideologie graag iedereen wil doen geloven, waarmee echter een nieuwe valse mythe wordt gecreëerd.

    De zwarte Pietendiscussie in ons land wordt vooral belicht vanuit het perspectief van Nederlanders die het gevoel hebben dat hen hun ‘cultuur’ wordt afgepakt. Maar je zou de controverse ook kunnen benaderen vanuit het gegeven dat zwarte mensen in ons land zwarte Piet niet alleen associëren met het slavernijverleden en alledaags racisme, maar ook en vooral met het gegeven dat dit verleden en het racisme in de heersende ‘witte’ ideologie, hoegenaamd niet voorkomt. Het is altijd weggepoetst. Zwarte mensen die dit thema aanroeren worden weggezet als aanstellers. En dát is wat pijn doet.
    Zolang de heersende ‘witte’ gemeenschap niet in staat is om het slavernijverleden als onderdeel te zien van de ‘witte’ cultuur, hoe pijnlijk ook, kun je wel een woordje ‘blank’ vervangen door ‘wit’, maar daarmee is aan de werkelijke situatie niets veranderd. Die is ook met newspeakniet uitgewist.
    Zolang een zwarte of gekleurde Nederlander nog betiteld moet worden als Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse, Turkse of Ghanese Nederlander, in plaats van Nederlander, zo lang is er nog apartheid in dit land.

    In de documentaire I am not your negro uit 2016 heeft Baldwin zelf het laatste woord. Wat hij zegt zou evengoed op de Nederlandse verhoudingen kunnen slaan als op de situatie in de Verenigde Staten, in Baldwins tijd en in de huidige.
    ‘Wat blanke mensen moeten doen is proberen bij zichzelf te rade te gaan, waarom het überhaupt nodig is om een ‘nikker’ te hebben, want ik ben geen nikker. Ik ben een mens. (…) Als ik hier niet de nikker ben en jullie hebben hem uitgevonden, jullie blanken hebben hem uitgevonden, dan moet je proberen uit te zoeken waarom. En de toekomst van ons land hangt daarvan af, of het al dan niet in staat is zich die vraag te stellen.’

    De context waarin James Baldwin dit liefdesverhaal plaatst, gaat overigens verder dan de rassentegenstellingen van de jaren zestig en begin zeventig in Harlem en omgeving. Na terugkeer uit Puerto Rico waar Sharon, de moeder van Tish, heeft geprobeerd de vrouw die Fonny beschuldigde van verkrachting, over te halen haar verklaring in te trekken, schetst ze Tish hoeveel overeenkomsten er zijn tussen de Puertoricaanse zwarte bevolking en de Amerikaanse.
    ‘Ik had het nog nooit zo bekeken. Nog nooit. Ik spreek geen Spaans, en zij spreken geen Engels. Maar we leven op dezelfde vuilnisbelt. Om dezelfde reden. (…) Om dezelfde reden had ik er nog nooit eerder zo over nagedacht. Wie Amerika ook ontdekt heeft, ze hadden hem geketend en wel terug moeten sturen om in eigen land te creperen.’

    Baldwin sluit het manuscript af, zo staat aan het slot van de roman, met: ‘Saint-Paul-de Vence. Columbusdag, 12 oktober, 1973.’ In Spanje werd die dag traditioneel –Franco leefde nog – Día de la Raza gevierd, het superieure blanke ras, wel te verstaan.

     

     

  • Getuigenis van een sterven

    Getuigenis van een sterven

    Michel Faber (1960) is geboren in Nederland maar woont al sinds zijn kindertijd in landen waar Engels de voertaal is: eerst Australië, later Schotland. Sinds eind jaren 90 publiceert hij romans en verhalen, alle geschreven in het Engels. Meerdere van zijn boeken zijn vertaald in het Nederlands. Wereldwijd succes verwierf hij met The crimson petal and the white uit 2002 (vertaald als: Lelieblank, scharlakenrood), een omvangrijke roman over het leven van een 19-jarige prostituee in Londen tijdens de regeerperiode van koningin Victoria. Tot leven. Een liefdegeschiedenis is de eerste bundel gedichten van Faber.

    De reikwijdte van poëzie in onbegrensd. Gerrit Komrij merkte al eens op: de onderwerpen waarover gedicht wordt, variëren van God tot een eierslaatje. Nu is er dan de bundel Tot leven. Deze gedichten zijn geschreven naar aanleiding van de ziektegeschiedenis en het overlijden van Fabers vrouw Eva, gedichten over multipel myeloom, een ongeneeslijke vorm van beenmergkanker. Nu kan poëzie heel goed waarachtig zijn, en zelfs zuiver autobiografisch zonder terughoudendheid. Met pathetiek ligt het anders: dat kan gedichten gruwelijk ongenietbaar maken of in elk geval onpoëtisch. Het rustige, nuchter-informatieve voorwoord bij deze gedichtenbundel is in dat opzicht – klinkt gek in deze context misschien – geruststellend. Pathetiek staat de lezer niet te wachten. Hartverscheurend verdriet des te meer.

    […]

    Waar je ook komt kussen ze je op de wangen,
    betrekken ze je in hun toekomstplannen,
    vertellen ze je hun geheimen,
    delen ze je hun dromen mee,
    en beloven je van alles
    wat ze nooit zullen gaan doen.
    Alleen je beenmerg kan
    met zekerheid voorspellen
    wat je toekomst brengen zal.

    Dit zijn geen gedichten die je leest omdat je graag ‘een mooi gedicht’ wilt lezen. Deze gedichten zijn een getuigenis die in een andere vorm waarschijnlijk tenenkrommend zou zijn geweest vanwege de volkomen ongefilterde realiteit, de overbodige feitelijke details die het juist in poëzie zo goed doen.

    […]

    Na elk verlies en elke nieuwe zwakte
    verviel je verder aan mijn zorg.
    Bij elke nieuwe handeling besefte ik nog meer
    dat ik er was voor jou, en dat wij tot het laatst
    er samen voor zouden staan.
    Met elke nieuwe taak won
    ik meer je vertrouwen
    en leerde jou op mijn beurt
    dat je mij vertrouwen kon
    Mijn liefde was niet langer uit op je genezing,
    maar richtte zich op het verwarmen van je sokken,
    het kloppen van je custard, het prakken van tomaat,
    het lezen van verhalen, het masseren van je been,
    en op geliefde, vriend, verzorger zijn ineen.
    Kapot en weer hersteld was ik wat ik beweerd had
    nooit te kunnen zijn: je steun en toeverlaat.

    De bundel valt in twee delen uiteen. Het eerste deel gaat in op de ziekte en het aftakelingsproces. Het tweede deel op de periode na de dood van de geliefde vrouw. Het [moment van] overlijden zelf komt – overtuigend, net als in veel andere gedichten – onnadrukkelijk maar onverbiddelijk voorbij. Nog een treffend voorbeeld van deze krachtige gedichten:

    Je as
    Je as weegt zwaar, weegt
    zwaarder dan ik dacht.
    Ik wandel naar de trein
    met in mijn hand het plastic tasje met
    de asbus die de uitvaartleider meegaf,
    door de hoofdstraat met zijn cafetaria’s,
    winkelfilialen en moegslenterde toeristen
    met tasjes als het mijne, waarin flessen drank
    die minder wegen dan jouw overschot,
    en ik heb het gevoel dat ik
    te veel heb gekocht.

    Voor wie het weten wil: ‘Vraag het dan gerust’ is het mooiste (of beste?) gedicht in deze bundel. Zoek het maar op. Anderzijds … ‘mooiste’ of ‘beste’ zijn kwalificaties die slecht bruikbaar zijn in dit verband. Het criterium van vorm of traditie is hier ook al ruimschoots losgelaten. En toch is er iets ontstaan in dichtvorm dat – zoals altijd bij goede poëzie –  meer is dan de som der delen. Een bevrijding voor de schrijver, een memento voor de aanbeden overledene, een houvast voor wie dit is overkomen of te wachten staat. Kankerpoëzie die sterk is en onnadrukkelijk, die straalt, heelt en troost.

     

     

     

  • Literaire soap in het Victoriaans Londen van 1875

    Literaire soap  in het Victoriaans Londen van 1875

    Voor iedereen die wil voorkomen dat de zonovergoten dagen aan strand of zwembad in ledigheid voorbijgaan: neem dit boek mee. Het is meeslepend en het doet je regelmatig vergeten waar je eigenlijk bent: niet in je strandstoel tussen de badgasten, maar in het Victoriaans Londen van 1875, tussen de prostituees en de heren, tussen droom en daad. Rauw, humoristisch, sfeervol en vol verrassende personages.

    ‘Ik verzoek u om alstublieft, alstublieft, ALSTUBLIEFT een vervolg te schrijven.’ Aan het begin van ons millennium was dit geen ongewone smeekbede voor Michel Faber (1960), nadat hij zijn lezers verslaafd had gemaakt aan zijn The Crimson Petal and White (Lelieblank, Scharlaken Rood). Aanvankelijk verscheen het boek als een feuilleton, passend bij de tijd waarin het verhaal speelt. Immers, in de Victoriaanse periode vierde deze literaire vorm hoogtij. De verschillende episodes vormen gebundeld een fantastische roman van 950 pagina’s.

    Michel Faber (1960) emigreerde op zijn zevende naar Australië. Hij was een negentienjarige student Victoriaanse literatuur toen hij aan dit boek begon, om het twintig jaar later te publiceren. Geheel in de stijl van de klassieke werken die hij bestudeerde, voorzag hij zijn verhaal van een alwetende verteller aan wiens arm de lezer door de straten van het negentiende eeuwse Londen wordt geleid. ‘Kijk waar u loopt. Let goed op, u zult ogen en oren tekortkomen. De stad waarheen ik u voer is groot en verwarrend, en het is de eerste maal dat u hier bent.’ Zo begint het: een veelbelovende ontgroening. Al lezende voel je je bevoorrecht dat de verteller jou heeft uitgekozen om mee op pad te mogen.

    We duiken in het leven van de negentienjarige Sugar, een intelligente en ongewone prostituee uit Londen. Zij wordt de oogappel van William Rackham, een getrouwde jongeman, die een veelbelovende toekomst tegemoet gaat als directeur van Rackham Parfumerieën. William raakt verslaafd aan Sugar en koopt een huis voor haar, onder de voorwaarde dat haar liefde exclusief voor hem is. Zo ontstijgt Sugar het leven van een doorsnee prostituee, waardoor haar maatschappelijke positie aanzienlijk verbetert. Dit heeft overigens niets met toeval te maken; het lukt haar vanwege haar karakter. Sugar is slim, leergierig, bevallig, vastberaden, knap, zelfstandig en kritisch. En voor William niet te versmaden. Tegenover de losbandige relatie van William en Sugar staat de respectvolle en verlegen relatie tussen de broer van William, Henry, en Emmeline Fox. De bonte stoet aan overige personages en het Londense decor zorgen voor een vermakelijke en sfeervolle setting.

    Als in een emotionele rollercoaster, zo ga je door de verschillende verhaallijnen van het in vijf delen opgedeelde boek. Ben je het ene moment opgelucht dat je zelf een kansrijkere toekomst hebt dan Sugar, zo ben je het volgende moment teleurgesteld dat je niet bij haar op de koffie kunt. Om vervolgens hardop te moeten lachen om een hilarische scène in een pub of hoerenkast. Op een scherp observerende en licht cynische toon verhaalt Faber over de verschillende personages. Daarbij maakt hij gebruik van volkse dialecten, die in de Nederlandse vertaling zijn overgenomen. Dit boek heeft slechts één nadeel: aan het eind moet je abrupt afscheid nemen van je nieuwe vrienden. De wanhopige smeekbedes van lezers aan de schrijver zijn daarom begrijpelijk. We willen meer van deze literaire soap.

    Een kleine troost: in 2006 verscheen De appel. Nieuwe lelieblank-verhalen, met zeven verhalen over personages uit Lelieblank, Scharlaken Rood. Ook verscheen in 2011 de gelijknamige tv-serie in de vorm van een kostuumdrama. Of het kijken hiervan de moeite waard is, is natuurlijk de vraag. De intrigerende Sugar met haar ruwe huid gaat geheid een eigen leven leiden in het hoofd van de lezer. Faber zorgt er met zijn levendige vertelstijl voor dat we daar geen beeldmateriaal voor nodig hebben.

     

    Bronnen:

    • Lelieblank, Scharlaken Rood, Michel Faber, uitgeverij Podium Amsterdam, 16e druk, 2007, Harm Damsma en Niek Miedema
    • www.stinejensen.nl op 28 juni 2015
    • www.imdb.com