• Granta – Another way of seeing, reactie op de NRC bespreking

    Soms schiet een krantenartikel in een verkeerd keelgat. Dat van Toef Jaeger bijvoorbeeld in NRC- Handelsblad over Indiase literatuur. Kun je je er zo makkelijk van afmaken als Jaeger deed?  Lodewijk Brunt vindt van niet.

    Zojuist verscheen een speciaal Indianummer van het onvolprezen Granta, tijdschrift voor nieuwe literatuur: Another Way of Seeing. Bijna twintig jaar na een ander Indianummer: The Golden Jubilee, naar aanleiding van de vijftigjarige onafhankelijkheid. Er is enige continuïteit te bespeuren – beide nummers zijn geredigeerd door Ian Jack, destijds in 1997 hoofdredacteur van het blad, nu gastredacteur. In beide nummers ook een bijdrage over de ‘Grote Ziel’ van de natie, Mahatma Gandhi. In het jubileumnummer over zijn bijdrage aan de onafhankelijkheid, nu over zijn studietijd in Londen. Symbolisch: de man is een onuitputtelijke bron van inspiratie, ook voor de literatuur. Hoewel? Beide bijdragen werden geschreven door buitenlandse India-correspondenten, respectievelijk Trevor Fishlock en Sam Miller. Zou er geen enkele interessante bijdrage van Indiase hand te vinden zijn geweest? Je zou denken dat er na de recente biografie van Ramachandra Guha en de controverse over Joseph Lelyvelds Great Soul materiaal voor het oprapen lag.

    Er zijn ook verschillen. Is de Indiase literatuur van karakter veranderd? Eind jaren 1990 was een booming periode voor Indiase romanschrijvers, je kreeg de indruk dat er iedere maand wel een nieuw meesterwerk verscheen – zeker nadat Arundhati Roy de Booker Prize in de wacht sleepte met haar debuut: The God of Small Things. Amerikaanse en Britse uitgevers betaalden exorbitante voorschotten aan auteurs als Hari Kunzru (The Impressionist), Aravind Adiga (The White Tiger), Kiran Desai (The Inheritance of Loss), Jhumpa Lahiri (The Interpreter of Maladies), literaire prijzen daalden op hun hoofd neer als sneeuwvlokken. De soms bijna hysterische opwinding lijkt voorbij, sommige schrijvers zijn gevestigde namen geworden, van anderen hoor je nooit meer iets. Dit alles betreft overigens de Engelstalige literatuur. Van gedichten of proza die in een van de talrijke inheemse talen worden geschreven, dringt zelden of nooit iets in de buitenwereld door, toen niet, nu nog niet – met sweeping statements over ‘de’ Indiase literatuur kun je maar beter terughoudend zijn.

    Van enige bescheidenheid is geen sprake bij NRC Handelsblad, dat bij monde van Toef Jaeger het verschijnen van Granta aangreep om de Indiase literatuur in z’n geheel door te lichten, in heden, verleden en toekomst, onder de titel Geen traditie, geen curry, alleen wanhoop (3 april 2015), maar liefst over twee volle pagina’s. Het verschil tussen de twee themanummers van Granta is ‘groot’, aldus Jaeger. Allicht, zou je zeggen, twintig jaar geleden ging het om de viering van de onafhankelijkheid, nu over – letterlijk – manieren van kijken. Another Way of Seeing is de titel van het themanummer, maar het is ontleend aan een bijdrage waarin Gauri Gill in haar landschapsfoto’s de schilderijen en persoon van de tribale kunstenaar Rajesh Vangad tot leven probeert te brengen. Jaeger ziet dat over het hoofd, voor haar is het nummer een middel om ‘grip te krijgen op de recente Indiase literatuur’. Haar stelling is dat meer welvaart leidt tot meer reflectie – de bloeiende Indiase economie heeft een nieuwe literatuur voortgebracht: de literaire non-fictie. Waar ze dit op baseert, afgezien van een paar slordig geciteerde opmerkingen uit de inleiding van Ian Jack, is niet helemaal duidelijk. Ze noemt één voorbeeld, de bijdrage van Aman Sethi over de zogenaamde ‘liefdeskruistocht’ (love jihad) die zou plaatsvinden in India: islamitische jongens die als een soort lover boys hindoemeisjes meelokken naar Pakistan om daar de kinderen te fokken die later als soldaten zullen terugkeren om India te vernietigen. Een aardige, maar niet bijzonder goed geschreven journalistieke reportage over een fanatieke volgeling van premier Narendra Modi die beweert dat hij het verschijnsel ‘ontdekt’ heeft. Jaeger spreekt eerbiedig over deze reportage-dialoog als nieuw literair genre, maar stukken van dit kaliber kun je vrijwel dagelijks in Nederlandse kranten vinden – alledaagse journalistiek, verdienstelijk, maar niets bijzonders. Uit haar weergave van het stuk kun je trouwens opmaken dat ze geen flauw idee heeft waar het eigenlijk over gaat.

    De hedendaagse Indiase literatuur zou volgens Jaeger ook minder dan voorheen zuchten onder een ‘dieet van curry, grote families en mythologieën verpakt in historische tragedies’. Meer ‘menselijke verhalen die hun kracht ontlenen aan het drama, niet aan de locatie’. Alsjeblieft! Ze bespreekt een nieuw boek van Akhil Sharma als voorbeeld van die richting – maar waar zet ze zich tegen af? Ze typeert heel India en de Indiase literatuur in het bijzonder als ‘narcistisch’ en ontleent dat aan V.S. Naipaul. Curieus, want ze had in de bijdrage van Sam Miller een vernietigend oordeel over die uitlating van Naipaul kunnen vinden; bovendien had ze ook kunnen zien dat Naipaul India niet ‘narcistisch’ noemde, maar sprak over Gandhi’s ‘navelstaarderij’.

    Was de Indiase literatuur twintig jaar geleden eigenlijk zo in zichzelf gekeerd? Zo aan ‘locatie’ gebonden? Zo weinig ‘dramatisch’? Je zou lijsten van schrijvers kunnen noemen – vooraanstaand, invloedrijk, baanbrekend – die je met een dergelijke karakterisering onherkenbaar zou verminken: Anita Desai, Sashi Deshpande, Rohinton Mistry, Anita Nair, Rushira Mukerjee, Akhil Sharma, Chughtai Ismat, Thrity Umrigar, Shauna Singh Baldwin. En werd er twintig jaar geleden geen literaire non-fictie geschreven? Een klap in het gezicht van Sankarshan Thakur (The Making of Laloo Yadav), Kalpana Sharma (Rediscovering Dharavi), Pinki Virani (Once Was Bombay; Aruna’s Story) of Husain Zaidi (Black Friday). Indiase auteurs, zegt Jaeger parmantig, hoeven niet meer te schrijven over samosas, door de toegenomen welvaart hebben ze meer Indiase lezers. Ze citeert Jack, maar opnieuw met ongehoorde slordigheid. Jack zelf baseert zich op Amitava Kumar die schreef dat Engelstalige Indiase auteurs voorheen teveel geneigd waren om te ‘vertalen’ ten behoeve van een Westers lezerspubliek – niet alleen woorden als samosa, ook verhalen en plots. Het klinkt reuze interessant, maar het is onwaarschijnlijk. De grote Indiase schrijvers, Rushdie en Desai voorop, hebben aan die neiging nooit toegegeven, maar ook in het werk van veel anderen is er geen spoor van te vinden.

    Heeft Jaeger dan toch tenminste gelijk als ze zegt dat non-fictie een veel belangrijker plaats inneemt tegenover fictie dan twintig jaar geleden? Dat zou moeten blijken uit de bijdragen aan de Granta-nummers 57 en 130. In de recente aflevering staat inderdaad relatief veel non-fictie: acht van de twintig bijdragen, tegenover negen fictie en drie gedichten. Maar hoe was het twintig jaar geleden? Je zou – afgaande op de stelling van Jaeger – aanzienlijk meer fictie verwachten, de nieuwe genres waren volgens haar immers nog niet ontwikkeld. Nee, dus. In het jubileumnummer vind je slechts vier bijdragen fictie tegenover maar liefst vijftien non-fictie stukken en twee gedichten.

    Op basis van haar eigen waarnemingen valt er dus een duidelijke conclusie te trekken over de Indiase literatuurgeschiedenis zoals NRC Handelsblad deze presenteert: flauwekul. Wat Jaeger blijkbaar eveneens totaal is ontgaan, betreft een ander verschijnsel. In 1997 was bijna de helft van alle bijdragen afkomstig van Engelsen en Amerikanen, het nummer van 2015 is vrijwel voor honderd procent volgeschreven door Indiase auteurs. Het is duidelijk wat zich in de afgelopen twintig jaar voltrokken heeft: de redactie van Granta heeft eindelijk ontdekt dat je een portret van India gerust aan Indiase schrijvers kunt overlaten.

     

    Lodewijk Brunt is emeritus hoogleraar Stedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft gerecenseerd in o.a. VN, HP, NRC, Parool. De laatste jaren is hij met vertaalwerk bezig, met name uit het Hindi.  Door zijn kennis van India (en het Hindi/Urdu), waar hij vele jaren onderzoek heeft verricht, is hij goed op de hoogte van het werk van Indiase auteurs.

     

  • Vreemde verhalen en buitenmaatschappelijke figuren

     

    Hari Kunzru (1969) ontving voor zijn eerste roman, De poseur, de prestigieuze John Llewellyn Rhys Prize. Ook Coyote werd door de buitenlandse pers met lof overladen.

    Kunzru behoort volgens insiders tot de ‘beste aanstormende Britse auteurs.’ Reden om dit boek, zijn vierde roman, maar eens onder de loep te nemen. Zijn vader was afkomstig uit Kashmir en zijn moeder uit Engeland.

    Kunzru vertelt het verhaal van Jaz, een wiskundespecialist, en zijn vrouw Lisa, die van Joodse afkomst is. Jaz werkt voor de beurs in New York op het moment dat the sky the limit is en allerlei vreemde figuren onzinnige doldwaze theorieën uitstorten over de hoofden van de onwetende, naïeve beleggers. Jaz en Lisa krijgen een zoontje, Raj, die autistisch blijkt te zijn.

    Kunzru laat ons allerminst achterover leunen. Hij weeft een tapijt aan vreemde verhalen waarin vooral buitenmaatschappelijke figuren de hoofdlaag vormen. Zo is er de geflipte Capaldi (er was in de jaren ’60 een echte Capaldi, van de groep Traffic), die plaatopnames maakt, maar tijdens de sessies wegloopt omdat hij gebrek aan inspiratie heeft. Hij gebruikt peyote, LSD, mescaline en doet aan groepsseks, maar vindt er al lang niets meer aan. We krijgen een kijkje in de keuken van de Ashtars, de zogenaamde afstammelingen van vliegende schotelwezens, die een commune hebben gesticht in de woestijn bij een plateau. Hun leider is verbrand toen hij een stalen kist onder stroom liet zetten om contact met de Ufo’s te leggen. Een nabijgelegen dorpje in de Californische woestijn voert een harde strijd om de commune weg te krijgen. Tevens circuleren er geruchten dat de communeleden nevenactiviteiten hebben in de prostitutie en de drugshandel.

    De verknipte beursgoeroe’s doen inmiddels Jaz de das om. Omdat hij kritische vraagtekens gaat zetten verliest hij z’n baan. Zijn vrouw Lisa drijft steeds meer af naar orthodox Joodse kringen, die de Kabbala lezen en zichzelf ook als een voorpost van een Nieuwe Wereldregering zien. En rond zoon Raj, die veel ernstiger autistisch blijkt te zijn dan iedereen dacht, is een wirwar van zorgverleners opgedoken, therapeuten en andere vreemde figuren, die Raj willen helpen.

    Het meesterlijke aan het boek is dat de doldrieste vreemde freaks uiteindelijk minder gek blijken te zijn dan we denken. Omgekeerd blijkt het establishment echt krankzinnig en ook nog eens gevaarlijk.

    Nadat Jaz is ontslagen bij zijn beursbedrijf besluit het echtpaar er met zoon Raj maar eens even uit te gaan. Ze moeten reizen van motel naar motel omdat Raj teveel huilt en de andere gasten wakker maakt. Uiteindelijk belanden ze in de woestijn vlakbij de commune van Ashtar, maar dat weet alleen de lezer.

    Lisa gaat een avond stappen en Jaz leert Capaldi kennen die in hetzelfde afgesleten motel logeert en op de vlucht is voor pers en fans. Plotseling is zoon Raj verdwenen. En er ontstaat een klopjacht op de eventuele ontvoerders. De geheimzinnige figuur Coyote, heeft zich in een grot verstopt onder de rotsen nabij de commune van Ashtar. Heeft hij wat met de ontvoering te maken? En er is de legende uit de 18e eeuw van een kind dat verdwijnt en na een maand half verlicht terugkeert. Allemaal in de buurt van de rotspartij in de woestijn, waar iedereen koortsachtig zoekt naar Raj. Het huwelijk staat op scherp, de echtelieden verwijten elkaar van alles en de politie tast in het duister en neemt de arme Capaldi maar mee omdat ze een verdachte willen. Hij heeft met de zaak niets te maken. En we krijgen ook nog te maken met de praktijken van een Franciscaner ontdekkingsreiziger, die al in de 18e eeuw de geheimen van het stukje woestijngrond zou hebben opgelost.

    Wanneer Raj plotseling weer opduikt zijn de rapen pas goed gaar. Wat is er met hem gebeurd? Wie heeft hem ontvoerd?

    De lezer blijft in vertwijfeling achter? Of ook weer niet? Kunzru vraagt of diezelfde lezer als een echte Sherlock Holmes met hem mee wil denken en dat maakt dit boek tot een meesterlijk – maar niet eenvoudige-  leeservaring.