• Een spannend en goed geschreven verhaal

    Een spannend en goed geschreven verhaal

    Dagdromen en nachtmerries zijn vaak het materiaal voor verhalen en romans. Laura van der Haar’s roman Een week of vier behoort tot de categorie nachtmerries. Een bange droom over de jonge alleenstaande Nederlandse moeder Ida die haar vriend is gevolgd naar Barcelona, daar door hem in de steek wordt gelaten en vervolgens ontdekt dat zij het Corona-virus heeft opgelopen. Ze belt het Spaanse alarm-nummer en dat zet een snelle reeks van gebeurtenissen in werking die haar overvallen. Ze moet direct opgenomen worden en haar baby van 3 maanden achterlaten in de handen van, ja van wie?

    Als schrijver is Van der Haar (ze schreef deze roman kort na haar eigen bevalling) helemaal in Ida gekropen, we volgen minuut na minuut de paniek die de jonge moeder overvalt als er van Spaanse overheidswege een auto onderweg is om haar op te halen en ze nog geen oppas heeft voor de baby. Want aan de aangeboden overheidsopvang wil ze haar dochtertje, haar kleine Joanes niet overdragen. ‘De kleine Joanes op die gigantische zaal (…) waar de zusters alleen maar bezig zijn met vinkjes zetten – die moet nog eten, vink, die hoeft niet meer vink vink vink. Op journaalbeelden had ze gezien hoe een van de zusters een speentje in een baby probeerde te proppen zonder zelfs maar naar het kind te kijken. Immuun geworden voor het gekrijs manoeuvreren ze zich tussen alle bedjes door.’

    In arren moede

    Ida kent in Barcelona maar twee personen en die contacten komen voort uit de postnatale yogaklas die ze volgt. Het zijn de yoga-instructrice en een andere moeder, Nellie geheten, die nogal nonchalant met het al wat oudere zoontje om gaat die zij meeneemt naar yoga. Maar Ida weet dat ook zij post-nataal is, alleen heeft haar dochtertje Cataleya de geboorte niet overleefd. Ida heeft maar 3 kwartier voordat de wagen van het ziekenhuis haar komt ophalen. In arren moede kiest ze voor Nellie maar kan haar niet bereiken en zendt  haar ten slotte maar een bericht met de dringende bede of zij enkele weken op Joanes wil passen. 

    En dan wordt ze opgehaald en in het ziekenhuis in slaap gebracht. Drie weken verstrijken, dan wordt Ida wakker en in de week die ze nodig heeft om weer enigszins bij kennis te komen probeert ze contact te leggen met Nellie om te weten te komen hoe het met Joanes is, haar lieve baby die gegroeid zal zijn en misschien al vervreemd van haar. 

    ‘Hoe groot zou Joanes nu zijn? Drie weken verschil. Een vijfde deel van haar hele leven. Weer wordt het een beetje grijs voor Ida’s ogen omdat Joanes inderdaad vijftien weken was toen ze hier aankwam, maar inmiddels dus achttien. Door heel hard haar oogleden dicht te knijpen en haar vuisten te ballen weet ze zichzelf wakker te maken, wakker te houden, wakkerder wakkerder wakkerder als kwik in een thermometer stijgt haar bewustzijn heel langzaam omhoog.’

    Onwaarschijnlijk verloop

    Hoe het verhaal van Een week of vier verder loopt is aan de lezer om te ontdekken. Natuurlijk is het nogal onwaarschijnlijk dat een moeder haar 4 maanden oude baby alleen in een flat achterlaat als de oppas-kandidaat niet direct bereikbaar is. Juist omdat Ida beschreven wordt als iemand die geheel in de zorg om haar kind op gaat zou het logischer zijn dat ze dan weigert mee te gaan met de ziekenhuiswagen totdat er een oplossing is gevonden voor haar baby. Geen chauffeur die zou weigeren te wachten. Ook lijkt het niet erg waarschijnlijk dat – tijdens het begin van de Coronacrisis – iemand die pas een dag de eerste verschijnselen van  Corona-infectie vertoont, meteen naar het ziekenhuis wordt overgebracht en daar direct voor 3 weken in coma wordt gehouden. 

    Laura van der Haar lijkt hier de geloofwaardigheid van het verhaal geofferd te hebben aan de begrijpelijke schrijversbehoefte spanning op te wekken. Spannend is het verhaal zeker, goed geschreven ook. En ontroerend waar het de troetelzorg van Ida voor haar kind betreft en de paniek die haar overvalt als ze Joanes in de steek moet laten. 

    Dat de Corona-crisis vroeg of laat literaire kinderen zou baren, daar kon men gif op innemen (niet dat dat ooit aan te raden is). En hier is dan – na Wim Daniëls Quarantaine en de Coronakronieken van Daan Heerma van Voss- de derde.

     

     

  • In memoriam Abraham Louis Schneiders 1925-2020

    In memoriam Abraham Louis Schneiders 1925-2020

    Elke keer als ik de naam van ZKV-schrijver A.L. Snijders zie moet ik denken aan een andere auteur: A.L. (Bram) Schneiders. Deze overleed op 2 juli jl op 94 jarige leeftijd en was de schrijver van een klein maar mooi oeuvre van zes bundels korte verhalen. De eerste Langs het schrikdraad (1961) en de laatste Het verbrokkeld paradijs verscheen in 1991 bij uitgeverij Querido. Schneiders was diplomaat, net als zijn bijna-naamgenoot Carel Jan Schneider, die schreef onder de schuilnaam F. Springer. En net als bij Springer vormden de ervaringen die Schneiders had tijdens zijn verblijf op diplomatieke posten vaak de basis voor zijn verhalen die zich merendeels afspelen in tropische landen.

    A.L. Schneiders werkte in Nigeria, Lagos, Indonesië, Kameroen, Equatoriaal-Guinea, Centraal-Afrikaanse Republiek, Gabon, Tsjaad, Zimbabwe en ten slotte in Nieuw Zeeland. Hij schreef in een stijl die ooit door Aad Nuis de term ‘ironisch realisme’ kreeg opgeplakt. Een term die niet helemaal klopte, want bij het ‘ironisch’ beschrijven van mensen en situaties denk je aan een schrijver die van bovenaf met enige ironie neerkijkt op wat mensen zichzelf en anderen aandoen. Marijke Höweler schreef ironisch realistisch. Maar Schneiders niet, eerder het omgekeerde: ‘zelf-ironisch realisme’ zou een betere term zijn geweest voor wat hij schreef. De hoofd- (meestal ik-) persoon in zijn verhalen zag zichzelf voortmodderen in het leven en moeizaam zijn altijd licht belachelijke plicht vervullen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden. Het schrijven moet voor hem een manier geweest zijn om wat hij overdag vermoedelijk met grote ijver en inzet deed achteraf toch wat te relativeren. En dat leverde prachtige, vaak ook zeer humoristische verhalen op.

    Moge zijn werk ooit weer wat aandacht krijgen! Zijn verhalenbundels zijn enkel nog antiquarisch te verkrijgen, maar zijn bijdragen aan het Hollands Weekblad (later Hollands Maandblad) staan op de site van DBNL.
    Hierbij het slot van één van zijn latere stukken (1989), over het piepkleine eiland Tuvalu, waar in 2011 Foppe de Haan nog enkele maanden ontwikkelingswerk deed als trainer van het voetbalelftal. Foppe wist van niets toen hij er heen ging. Had A.L. Schneiders natuurlijk niet gelezen. Maar ook Foppe viel de zangkunst van de Tuvaluanen op. Scneiders schreef erover:

    ‘Te onzer ere was een avond georganiseerd in het paviljoen van de Niue-eilanders. Ieder van de outer islands heeft op Funafuti z’n eigen paviljoen en z’n eigen zangen dansgenootschap. Zelfs binnen dat kluitje van in de oceaan verstrooide atolvlekken bestaan nog grote verschillen in tradities en taal. Met precies in acht nemen van het protocol gingen we naar binnen, het laatste de heer Puapua en ik.
    Het Genootschap stond al klaar, ongeveer vijftig mannen recht in de houding en wat vrouwen op de achtergrond. Dit was niet maar een lolletje maar een ernstig ritueel met mogelijke gevolgen voor alle betrokkenen. De heer Puapua had mij ingefluisterd wat ik moest zeggen, een korte toverformule, die tot mijn opluchting inderdaad werkte: het dreigende blok half ontblote mannen vlak voor mij gromde instemmend en ging als één man door de knieën. Verschillende gezichten herkende ik, maar met hun blote borst, labalaba en bloemen om hals en hoofd waren het andere mensen geworden uit een andere tijd en een andere wereld. Dat gold zeker toen ze zongen, nadat een van hen op een groot gedeukt biscuitblik een ritme had aangegeven. Veelstemmig en van een ongekende kracht was dat zingen, verdrietig en klagend aan het begin maar geleidelijk opzwiepend naar grote hoogten van uitdaging en triomf. Instrumenten hadden ze er niet bij nodig, alleen dat oude biscuitblik en een paar planken waar ze op roffelden met hun vuisten of zelfs onderarmen totdat ze er blauw van moesten zijn geworden. Dicht op elkaar als ze waren gepakt, feilloos op elkaar ingespeeld en met die woest golvende stemmen, leken ze wel met elkander onderweg in een oorlogskano op hoge zee. Hoeveel dieper wortelden deze mensen in de tijd, met hun collectief geheugen aan voorwerelden waar ik nooit en te nimmer het geheim van zou kennen.’

     


    A.L. Schneiders debuteerde in 1951 met het korte verhaal De kanonnen, gepubliceerd in literair magazine Libertinage. Daarna volgden korte verhalen in het latere Hollands Maandblad en De Gids. Hierna schreef hij verschillende bundels voor uitgeverij Querido. Rond 1965 verscheen van zijn hand een wekelijkse column in het NRC-Handelsblad onder de naam Drievoeter, ook schreef hij nog onder het pseudoniem van A. van Anders.

     

     

  • Het leven op een koffieplantage in Suriname

    Het leven op een koffieplantage in Suriname

    Plantage Wildlust is de vierde roman van Tessa Leuwsha, die naast haar werk als schrijfster en documentairemaker ook cultureel attaché is bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Ze beschrijft in deze roman hoe de jonge Oscar Brouwer en zijn vrouw Janna begin 20ste eeuw vanuit Middelburg naar Suriname gaan waar hij een baan krijgt als directeur van een koffieplantage. Voor hen beiden is deze verhuizing een bevrijding uit het stijve milieu en de strenge opvoeding in hun jeugd. Janna hoopt een gezin te starten en wil een schooltje beginnen bij de plantage, Oscar hoopt zich voor de Nederlandse Handel-Maatschappij die plantage Wildlust bezit te kunnen bewijzen als goede bestuurder van de onderneming.

    Leuwsha geeft een minutieuze beschrijving van de reis van het tweetal, hun ontvangst in de betere (uiteraard blanke) kringen van Paramaribo, hun aankomst op de plantage, hun kennismaking met het vervallen huis en de stugge Indiase huishoudster Alma. Ze vervolgt met een soms wel erg volledige beschrijving van de koffieteelt en de inrichting van de onderneming. Daar werken nu – de slavernij is een halve eeuw eerder afgeschaft –  vooral Indiase contractarbeiders, maar de zwarte opzichter Creebsburg drijft ze nog steeds als slaven. 

    Verlangens en raadselen

    In traag tempo begint de roman. Lukt het Oscar Brouwer de touwtjes in handen te krijgen in een onderneming waar mensen werken van wie hij de taal niet spreekt en waar een opzichter rondloopt die hem – de zoveelste blanke directeur – niet respecteert? Kan Janna een goede relatie opbouwen met huishoudster Alma, een gezin stichten en een schooltje beginnen? De beantwoording van die vragen zou best een goede roman kunnen opleveren. Op de één of andere manier lukt het Leuwsha niet haar personages tot leven te brengen. Oscar blijft de wat stijve hark die hij vanaf het begin al is, Janna blijft verlangen naar het eindelijk beginnen van het goede leven en het krijgen van een kind, huishoudster Alma blijft een raadsel, en van opzichter Creebsburg blijft de schrijfster herhalen hoe lelijk hij – getekend door acné – wel niet is en welke nare geuren hij met zich meedraagt. Drie van de honderden Indiase contractarbeiders krijgen een naam en een rolletje in het verhaal, de rest blijft een vage massa. Veel gebeurt er niet op zo’n plantage lijkt het in de eerste 150 pagina’s. 

    Ingrijpende gebeurtenis wordt genegeerd

    Maar dan is er de middag waarin Janna een – deels mislukt – picknick-feest heeft georganiseerd voor gasten uit Paramaribo en na afloop wat rondloopt. Ze ziet opzichter Creebsburg die erg zijn best heeft gedaan bij de voedselbereiding en voor haar en Oscar nog twee volle borden klaar heeft staan. En dan geschiedt dit:

    ‘Haar vingers beroerden de zijne. De aanraking kwam volstrekt onverwacht, zijn huid voelde droog als schuurpapier. Diep in haar ontwaakte iets. De opzichter leek die verandering in haar te bespeuren, hij hield zijn hoofd wat opzij. Zijn adem ruiste luid. Hij nam het ene bord van haar terug, zette beide maaltijden weg en tilde haar met één beweging op tafel. Zijn reuk van tabak, zwavel en aarde drong zich aan haar op. Het droge van zijn handen schuurde ook over haar dijen, haar picknickjurk raakte verfrommeld. Ze steunde op haar ellebogen, voelde het ruwe hout. Hij leunde over haar heen, zijn geur kwam nog dichterbij en ook zijn getekende gezicht. Hij bewoog zich soepel, lenig. Het duurde kort, lang. Toen ze onder hem vandaan schoof, schikte ze haar jurk en streek haarlokken achter haar oren. Hun blik kruiste elkaar. Leeg.’

    Uit niets in het verhaal is af te lezen of Janna als gevolg van deze ontmoeting misschien – je weet maar nooit – boze of juist warme gevoelens heeft ontwikkeld ten opzichte van de opzichter. Wel blijkt ze enige tijd later zwanger te zijn. Maar of ze zich er ongerust over maakt dat het kind misschien niet van Oscar is, wordt niet gemeld. Het leven en de roman gaan na dat vreemde moment weer een tijdlang z’n gangetje.

    Vlam in de pan

    Dan, alsof iemand tegen de schrijfster heeft gezegd ‘wanneer gebeurt er nou weer eens wat?’ slaat ineens de vlam in de pan. De over het algemeen humane Oscar heeft – om redenen die niet uitgelegd worden – een Indiase jonge arbeider nogal straf behandeld en die pleegt zelfmoord. Dat brengt de Indiase contractarbeiders tot muiterij en bijna wordt Oscar vermoord. Even later wordt de plantage in brand gezet, verdwijnt Creebsburg met de Noorderzon en wordt Oscar teruggeroepen naar Nederland, wegens gebrek aan succes.

    Te midden van deze gebeurtenissen brengt Janna een kind ter wereld dat niet blank is en vervolgens zonder enige omhaal van woorden wordt weggegeven aan huishoudster Alma. Want die wilde ook wel een kind. Daarna gaat het echtpaar tamelijk onbekommerd weer de boot op, terug naar Nederland. En laat de lezer ontredderd achter. Die had graag iets meer willen weten over de reden van het direct afstaan van dat gekleurde kind, de gevoelens die zo’n gebeurtenis achterlaat en het gevolg dat dat heeft voor een huwelijk. Plantage Wildlust geeft de lezer een goed beeld van het reilen en zeilen van een koffieplantage in Suriname aan het begin van de 20ste eeuw. Maar een  overtuigende beschrijving van de mensen op die plantage is Tessa Leuwsha helaas niet gelukt.

     

     

  • Herinneringen van een kunstliefhebber

    Herinneringen van een kunstliefhebber

    Toen K. Schippers in 1995 de P.C. Hooftprijs kreeg stond in het juryrapport: ‘Schippers demonstreert door de jaren heen een oorspronkelijke manier van kijken. Het verrassende van zijn essayistiek is, dat hij door zijn omcirkelende wijze van schrijven de lezer verleidt tot zijn blik’. Dat omcirkelende proza is ook te vinden in Schippers laatste bundel Andermans wegen. Het zijn deels beschrijvingen van de wijze waarop hij films (met name van Billy Wilder), beeldende kunst, muziek en gedichten beleeft. En deels zijn het anekdotische herinneringen aan schrijvers, dichters en kunstenaars als Jan Roeland die niet in één categorie te vangen zijn. Zelfs met omcirkelend proza niet.

    Gefascineerd door kunst

    Schippers is altijd gefascineerd geweest door kunst waarin de kijker, luisteraar of lezer op het verkeerde been wordt gezet. Hij haalt herinneringen op aan Jan Hanlo die dat deed. Of haalt Stanley Brown aan, die aan passanten de weg vroeg naar de straat waar hij al stond. Thom Mercuur, Hans Faverey, Jan Roeland deden het ieder op hun eigen manier. En dat gold ook voor Hans Scholze, René Knip, J.J.Schoonhoven, Annaleen Louwes, György Ligeti om er nog een paar te noemen over wie Schippers anekdotes vertelt in Andermans wegen.

    De anekdotes zijn de moeite waard en zijn bewondering voor de beschreven personen is oprecht. Maar Schippers is zó gericht op wat zij aan kunst produceren dat de mens die zij ook zijn, nauwelijks contouren krijgt. Hij beschrijft hoe zij zich willen laten zien. Toch is het evident dat Schippers probeert wat dieper te graven. Het duidelijkst is dat het geval in de hoofdstukken die gaan over Hans Faverey en zijn vroege overlijden in 1990, hij is dan zesenvijftig jaar. Het hoofdstuk ‘De toetssteen’ dat gaat over de maanden voorafgaand aan Faverey’s dood begint als volgt:

    ’10 oktober 1989.
    E en ik bij Hans. 5 uur. Hans legt het uit.
    Roken, drinken, geen primaire kanker op lever.
    Indien…protest. Een vrouw was ook genezen.
    Vraag aan Lela, later, “speelt hij clavecimbel?”
    Nee, nu niet. Ze zal bellen.’

    Zo gaat het 8 pagina’s door tot eindelijk:

    ‘8.7.90
    Rob A., Erica, Bianca.
    Duitsland – Engel
    ½ 9 u. Lela – Hans ¼ over 4 gestorven.
    R.A.E. en ik erheen – regenjas – lange stappen-
    Hans in pak; sokken;
    donker overhemd.
    Egyptische koning.
    Kaars, boekje; gele roos –‘

    Dagboekaantekeningen

    De bedoeling is duidelijk: via kleine dagboekaantekeningen het stervensproces van Faverey schetsen. Maar de gebruikte steekwoorden roepen alleen voor Schippers zelf een levendige herinnering op aan die momenten, de gemiddelde lezer zal er geen touw aan kunnen vast knopen. Zeker niet als hem onbekend is dat Lela (Zeckovic) Faverey’s Joegoslavische echtgenote was naar wie hij als jonge man jarenlang elke zomervakantie heen reisde tot zij eindelijk mee kwam naar Amsterdam. Het is jammer dat Schippers ervoor gekozen heeft deze aantekeningen niet uit te werken tot begrijpelijke herinneringen. Is het gemakzucht? Dat gevoel ontstaat wel bij het al even onbegrijpelijk begin van het hoofdstuk ‘Zoek’ over de schilder Kees Nieuwenhuijzen.

    ‘Van een schaker kun je een partij naspelen. In een huis kun je wonen en dan maak je de ruimte die het heeft gediend dagelijks mee. Muziek, gedichten, bloedworst met appelschijfjes, een Haagse voetstap van Marianne Hilarides of een schijnbeweging uit de zeventiende eeuw, bewaard op een stilleven met een haring, een vlinder en gepelde druiven. Het is helder in de buurt en zo vult het je bestaan.’
    ‘Gooi maar in mijn pet,’ zal menig lezer geneigd zijn uit te roepen. Maar bij K. Schippers weet je het nooit: misschien was dat wel zijn bedoeling.

     

     

     

  • Een roman zoals enkel Maarten ’t Hart die schrijven kan

    Een roman zoals enkel Maarten ’t Hart die schrijven kan

    Het kan als aanmatigend worden beschouwd om Maarten ’t Hart een ras-ouwehoer te noemen, maar het is hier wel degelijk als compliment bedoeld. In De nachtstemmer doet ’t Hart deze naam eer aan. Zijn verhaal mag niet geïnterrumpeerd worden, moet doorgelezen worden tot het volgende hoofdstuk, pas dan mag er even gepauzeerd worden. En je weet: vroeg of laat, soms na vele omzwervingen keert de verteller terug naar het verhaal waar het uiteindelijk om gaat. Die manier van vertellen, met vele (vermakelijke, leerzame, stichtende) terzijdes maar tegelijk ook het in detail volgen van  elke stap van de hoofdpersoon waarbij onderweg elke vogel, vis of kruid op zijn pad vermeld moet worden, is zijn handelsmerk. Dat is even wennen, maar al snel voert
    ’t Hart de lezer mee in zijn bijzondere wereld.

    De kerkorgelstemmer

    In De nachtstemmer gaat het om Gabriel (roepnaam Gabe) Pottjewijd die kerkorgels stemt en wel – om precies te zijn – Schnitger en Garrelsorgels. Hij is vijftig jaar, was eens getrouwd met een Duits meisje dat omkwam bij een treinongeluk en leeft sindsdien voor zijn beroep. Meestal werkt hij in Duitsland maar in dit verhaal is hij ingehuurd om een orgel te stemmen in een klein Zuid-Hollands havenplaatsje waarin Maassluis valt te herkennen, de plaats waar’t Hart opgroeide. Na een lange treinreis vanuit zijn woonplaats Heiligerlee (Groningen) komt Pottjewijd er aan en ziet dat iedereen die uit de trein stapt zich hollenderwijs uit de voeten maakt. Het blijkt één van de vele eigenaardigheden van deze plek en zijn inwoners.

    Waar hij in Duitsland gewend is voorkomend behandeld te worden, heeft men in het Calvinistisch georiënteerde plaatsje een rechttoe-rechtaan aanpak die grenst aan het onbeschofte. Hotels kent men niet, hij komt na een zoektocht door straten met vreemde namen als Het Wijde Slop – ‘Zoiets noemde men toch deftig een contradictio in terminis, per definitie was een slop nauw, dus een wijd slop, dat kon helemaal niet, en het was een zijstraat van normale breedte. Dus wat nou, Wijd Slop?’ – terecht in het Zeemanshuis. Een café met enkele huurkamers en een stuurse waard die Boetekees heet en een grote bril zonder glazen draagt. Daar maakt hij meteen kennis met leden van de mannenvereniging Schrift en Belijdenis. Zij vergaderen over het waarheidsgehalte van het verhaal in Numeri 21 over de ezelin die, nadat zij driemaal door Bileam geslagen was, had gezegd: ‘Wat heb ik u gedaan dat gij mij driemaal geslagen hebt?’

    Kenner van de Schrift

    Maarten ‘t Hart zou Maarten ’t Hart niet zijn als hij zijn kerkorgelstemmer niet had voorzien van een zeer degelijke kennis van de Schrift. En in de kortste keren legt Pottjewijd dan ook aan de belijders uit waarom dit verhaal onzin is. Een dier dat niet alleen kan tellen maar ook praten, dat is toch niet geloofwaardig?
    ‘Ik keek naar al die ernstige mannenbroeders, ik dacht: hoe is het toch mogelijk dat al deze kerels die zotte, onwaarschijnlijke bijbelsprookjes zo moeiteloos accepteren als waargebeurd, hoe kan dat nou, pratende slangen, muren van water, drijvende bijlen, sprekende ezels, klokken die opeens achteruitlopen, Jona drie dagen in de buik van een vis, raven die je ontbijt aandragen, ja, het hele heelal plotseling stilgezet alsof het maar niks is, wonderbare spijziging, wandelen op water, opstanding uit de doden, mensenlief, zo’n hele Bijbel zotternij en apekool, en toch wordt het klakkeloos geloofd.’
    De aanwezigheid van deze ongelovige bijbelkenner deert de mannenbroeders niet, want voor zo’n discussie zijn ze bijeen en hij weet kennelijk waar hij het over heeft.
    ’t Hart trakteert de lezer ruimhartig op psalmen en bijbelteksten en ook is het hoofd van Gabe Pottjewijd gevuld met talloze muzikale herinneringen, van Bach tot Vivaldi, die hij royaal in het verhaal rondstrooit.

    De Braziliaanse weduwe

    Bij het stemmen krijgt Pottjewijd hulp van Lanna, de dochter van de bloedmooie Braziliaanse weduwe van een scheepskapitein. Het meisje wordt beschouwd als achterlijk, maar blijkt van onschatbare waarde voor de orgelstemmer. Toch gaat er al snel iets ernstig mis: ‘Want toen ik op woensdag echt aanstalten wilde maken om de stemming van het hoofdwerk af te ronden, en het meisje had gevraagd eerst eens even achter elkaar alle toetsen van het middenklavier in te drukken om een indruk te krijgen van de klankverhoudingen en de staat van die Dulciaan 16 voet, was er, terwijl ze nog maar drie toetsen had ingedrukt, en nadat de klok van de kerk plechtig negen slagen had laten horen, een verbijsterend lawaai losgebarsten – gerinkel van ankerkettingen, het gierend geluid van pneumatische boren, en nog allerhande andere daverdreunen – tot aan klinkhamers toe die zo te horen neerkwamen op ijzeren scheepsrompen.’

    Het orgelstemmen blijkt overdag onmogelijk te zijn door het lawaai van de nabijgelegen scheepswerf. Pottjewijd moet uitwijken naar de vroege ochtend, de avond en het weekend om aan het orgel te werken. De Braziliaanse 45-jarige weduwe neemt hem onder haar hoede. Over haar gaat het verhaal dat zij ‘(…) op een stralende zomerdag poedelnaakt midden in de Vliet, voorbij de Weverskade, door agent Kippenek werd aangetroffen en op de bon werd geslingerd. Met een speer in haar hand.’
    Niet dat de dominee  die Gabe dit verhaal vertelt het echt gelooft. Maar toch. De weduwe heet Gracinha en omdat zij ziet dat Gabe haar dochter serieus neemt en niet als achterlijk beschouwt, mag hij elke dag bij haar eten in plaats van een VGA-tje (vlees, groente, aardappels) te nuttigen in het Zeemanshuis.
    In ruil daarvoor leert hij haar beter Nederlands te spreken en stort zich daar met overgave op. De weduwe heeft moeite met het woordje ‘er’ en zegt zinnetjes als ‘heb nu wel vrede mee.’ 

    Een zeer ’t Hartiaans slot

    Waar de lezer van De nachtstemmer wel genoeg van kan krijgen, is het onophoudelijke corrigeren van de weduwe van haar Nederlands door Gabe in de tweede helft van de roman. Maar die ergernis wordt ruimschoots gecompenseerd door de steeds terugkerende herinneringen van Gabe aan Drieke, een reusachtige witte geit die in zijn kinderjaren verliefd op hem was en die telkens wegliep van de boerderij waar de geit woonde om bij hem te zijn. Toen Gabe als kind eens onaangekondigd de geit opzocht, zag hij hoe boer Ai Stront de geit bereed op een manier die Wim Kan ooit beschreef als ‘dat ene hondje heeft zand in z’n oogjes gekregen en dat andere duwt hem nou naar huis.’
    Deze herinnering is een van de vele zijsporen in de roman die breeduit worden uitgeschreven. Maar uiteindelijk draait het verhaal om de relatie tussen Gabe Pottjewijd en Gracinha die in het kleine plaatsje niet onopgemerkt blijft en de woede oproept bij een anonieme bewonderaar van de weduwe. Gabe ontvangt een dreigbrief en wordt achtervolgd en zelfs aangevallen. Hij maakt zich ernstig ongerust en wie zou dat niet zijn in zijn geval? De afloop van dit alles kan hier niet verraden worden. Maar het is een zeer ’t Hartiaans slot van dit fraaie en met kennelijk plezier geschreven ouwehoerverhaal.

     

  • Verhaal van woede in een impulsief bestaan

    Verhaal van woede in een impulsief bestaan

    Wat moet je als lezer in het hoofd van een onhandelbaar kind? Dat is de vraag die Coco Schrijber’s tweede roman Ola en de dingen oproept wanneer je een pagina of veertig onderweg bent en, net als Ola zelf, behoorlijk in de war bent geraakt.
    Ola is een pubermeisje dat opgroeit in een rustig gezin met een vader die fotograaf is maar ook wel filmt, een moeder die neurowetenschapper is en een broertje dat zij graag plaagt en die dan boos wordt. Als vader plotseling sterft verandert er iets fundamenteels in haar leven. Als daarna ook moeder ziek wordt en haar vraagt euthanasie te plegen begint de psychotische trip die haar leven daarna wordt.

    Dood door stenen schildpad

    De euthanasie mislukt en Ola ontkomt er niet aan haar moeder uit haar lijden te verlossen: ‘Ik pak de fruitschaal die op de grond staat voor als ze moet overgeven, een stenen schildpad die nu op zijn rug ligt. Met een kracht die ik later nooit meer heb gevoeld, sla ik mijn moeder dood’.  Deze laatste zin verraadt een stilistisch probleem in de weergave van Ola’s gedachtegang die in de tegenwoordige tijd is geschreven. De Ola in wiens hoofd we zitten en die we op de voet volgen kán nog niet weten dat ze op ditzelfde moment een kracht gebruikt die ze later nooit meer zal voelen. Ook in de rest van de roman treedt dit probleem op, vooral als Ola’s gedachtegang meningen vertolkt over de wereld en de mensheid die men pas na lange ervaring kan krijgen en die niet bij een puber passen. Maar wie daarover valt is een kniesoor. In elk geval in Ola’s gedachtewereld die sterk lijkt op een LSD-trip waarin niets te gek is.

    Onbeheersbare woede

    Nadat zij haar moeder heeft doodgeslagen knijpt zij in een aanval van pure affectie haar broertje Noah dood en gaat dan – het gezin bestaat immers niet meer – op pad, de wereld in met niet veel meer dan de zilveren  ‘autofocussuperCanoneenschatinjehand-camera’ van haar vader. De wereld bestaat uit slechtheid, weet ze. En dat is precies wat Ola wil, slechte dingen doen. Onderweg in stad, bos en veld wordt ze soms lastig gevallen door een man die iets van haar wil wat zij niet wil. Een enkele keer wil zij iets van een man die dat niet wil. En in alle gevallen levert dat geweld op. Het is een impulsief bestaan met vooral woede als bron van actie.
    ‘Hoe het altijd gebeurt weet ik niet. Ergens in me begint iets te prikken, steeds vinniger, een vuurtje wordt gestookt, opgepookt in mijn ingewanden, aanhechtingen worden doorgesneden, losgesneden. Ongeveer zoals mijn fantasie soms op hol slaat, zo golft mijn woede naar buiten als een kolkende modderstroom uit de bergen.’

    Van kwaad tot erger

    Een enkele keer ontmoet zij een andere straatbewoner waar zij mee optrekt. Zoals de Liberiaanse oud-kindsoldaat Chidi die op stations mannen aftrekt en ze dan chanteert met het plaatsen van Ola’s camera-opnamen op youtube als dreiging. Maar ook die relatie loopt spaak als ze met het verdiende geld schoenen willen kopen.
    ‘De verkoper verspert ons de doorgang: “Ik wist het wel. Ordinaire diefjes.” Die toon, die druipende minachting. In mijn zwarte drift haal ik uit met mijn zakmes, iemand gilt. Ik zie in mijn ooghoek Chidi ervandoor gaan, de verkoper weert me af met zijn hand, waarom, ik doe niks, maar dan doe ik het toch. Ik steek mijn zakmes er dwars doorheen. Druppels sprietsen op mijn jasje. Godver. Alles beweegt ineens heel traag, ik hoor de verkoper krijsen maar ook weer niet, bijna kan ik horen hoe mijn mes door zijn vlees gaat als ik terugtrek. Dat geluid. Zuigend.’ Chidi ziet zij niet meer terug.

    Nachtmerrie met uitgesteld einde

    Coco Schrijber is naast schrijver ook filmmaker en dat is aan de stijl van deze roman af te lezen. En aan de onbedwingbare behoefte van Ola om alles te filmen met de camera die haar vader haar heeft nagelaten. Na Chidi en de vele gebeurtenissen die de politie zou omschrijven als ‘incidenten’ ontmoet zij in een woud een al wat oudere stroper, een Servische ex-soldaat, die haar tweede tijdelijke vriend wordt. Met hem zet ze de nachtmerrie voort die haar leven is. De lezer begrijpt dat Ola eigenlijk al die tijd op de vlucht is voor iets wat ze heeft gedaan en vermoedelijk haar overleden vader betreft. De man van wie zij hield en die van haar hield en van wie zij de camera-obsessie heeft geërfd.

    Maar het duurt lang voordat in de roman iets van Ola’s geheim wordt opgehelderd. Te lang eigenlijk. Het verhaal doet sterk  denken aan een nachtmerrie waarvan je als dromer zo verlangt naar beëindiging dat je besluit wakker te worden. De ene lezer zal dat eerder doen dan de andere, maar de behoefte aan een sneller eind van deze 253 pagina’s tellende angstdroom zal – vrees ik – iedereen krijgen.  Jammer toch wel.

     

  • Groepskenmerken houdt ongelijkheid in stand

    Groepskenmerken houdt ongelijkheid in stand

    Elma Drayer, oud-redacteur van Vrij Nederland en Trouw en huidig columnist bij de Volkskrant schreef een essaybundel onder de titel Witte schuld. De ondertitel luidt ‘Over identiteitspolitiek’ maar zou net zo goed hebben kunnen luiden:’tegen identiteitspolitiek’. Want daar gaat het in elk essay over. Drayer laat met talloze voorbeelden zien hoe het racisme-debat en andere identiteitskwesties (sexuele voorkeuren, man/vrouw-relatie) eerder leiden tot hokjesgeest en afkeer van ander-soortigen dan tot begrip en acceptatie. Ze belicht deze kwesties van alle kanten en laat duidelijk weten wat haar standpunt is: die van de redelijkheid.

    Wie hoort waar bij

    De vraag: hoe een essaybundel te bespreken waar je als blanke (correctie: witte ) man (dus vrouwonvriendelijk) telkens geneigd bent te denken: zeer juist – goed gezien – behartigenswaardig! Te vertrouwen is een wit en mannelijk recensenten-oordeel waarschijnlijk niet. Misschien helpt een citaat uit de bundel: ‘Identiteit, schreef de (..) Britse historicus Tony Judd in 2010 is een “gevaarlijk woord” zeker in de politiek. De term verwijst immers per definitie niet alleen naar wie jij zelf bent, ook naar wie daar níet bij hoort.’

    In elk essay laat Elma Drayer zien hoe slecht en zinloos het is als een groep mensen de wereld gaat onderverdelen in wij en zij (en niet behoren tot een ‘ons’). Tot welke merkwaardige taalconstructies het leidt als degenen die tot de zij-groep behoren, proberen in een goed blaadje bij de wij-groep te komen. Bijvoorbeeld door als beledigend ervaren benamingen te vervangen door andere, die vervolgens ook weer als beledigend ervaren worden omdat zij uiteindelijk – hoe je het ook draait of keert – hetzelfde benoemen.  Zo werd ‘blank’ vervangen door ‘wit’ en ‘neger’ door ‘zwarte’. Want ‘blank’ had positieve connotaties en ‘neger’ negatieve. Maar, redeneert Drayer, zo’n naamsverandering werkt alleen tijdelijk en is dus zinloos: ‘De verondersteld positieve connotatie van “blank” springt over naar wit. De veronderstelde negatieve van het n-woord naar “zwart’”.

    Daar is geen speld tussen te krijgen en te verwachten is dus dat ‘wit’ en ‘zwart’ als identiteitsbenaming hun langste tijd al hebben gehad. En, meldt Elma Drayer: ‘Onopgelost is ook nog de terminologie voor Nederlanders wier (voor)ouders kwamen uit landen als Marokko of Turkije. De handleiding Woorden doen er toe, in 2018 verschenen bij het Nationaal Museum van Wereldculturen (samenwerkingsverband Tropenmuseum, Afrika Museum, Rijksmuseum Volkenkunde en Wereldmuseum) opperde de intrigerende term “niet-zwarte mensen van kleur”. Die suggestie slaat voor zover ik kan overzien nog niet aan.’

    Toevoeging na toevoeging

    In het essay ‘Taalzuiveringen’ laat Drayer aan de hand van deze handleiding zien hoe een steeds verdere precisering en erkenning van seksuele identiteit tot onzinnige oplossingen leidt. ‘Nadat eerst “homofiel” en later “homoseksueel” uit de mode raakte, volstond aanvankelijk “lgb” – de beginletters van lesbisch, gay en biseksueel (…). Toen vroegen transpersonen om erkenning en werd het “lgbt”. Weer later wilden queers meedoen, ofwel “personen met seksuele interesses en identiteiten die maatschappelijke normen voor seksueel gedrag uitdagen”. Daarna “personen met een interseksconditie”. Zo werd het “lgbtqi”. Waarna de aseksuelen lobbyden voor toevoeging van de letter A. Laatste nieuws: ook “lgbtqia” krijgt kritiek “vanwege de westerse oriëntatie, en vanwege het gebruik van concepten die verbonden zijn aan de imperialistische en koloniale geschiedenis. Daarom moet “2S” erbij, afkorting van Two Spirit, de overkoepelende term voor “inheemse, seksuele tradities die lange tijd miskend waren binnen het antropologisch onderzoek”. Lgbtqia2s verdient volgens de handleiding de voorkeur.’

    Kleurenblindheid

    Wat wil Drayer zelf? ‘Kleurenblindheid (…) zou het streven moeten zijn. Precies de houding die antiracisme-ideologen van nu zo hartstochtelijk beschimpen. (…) Zo’n kleurenblinde samenleving komt er alleen als wij elkaar leren beoordelen op individuele talenten, kwaliteiten en verdiensten. Want het tamboereren op groepskenmerken houdt de ongelijkheid alleen maar in stand.’ Waarvan akte!

     

  • Lege plek in de stamboom van Indische mensen

    Lege plek in de stamboom van Indische mensen

    Dido Michielsen is schrijfster van enkele biografische werken, waaronder het verhaal van Derk Sauer en zijn vrouw in Moskou en (samen met haar man Auke Kok) het leven van de Joodse familie Van Cleeff voor, tijdens en na de oorlog. De zeer goede documentatie en voorbereiding viel recensenten bij deze non-fictie-boeken op. Ook in haar eerste roman Lichter dan ik is op elke pagina te merken dat Michielsen een zeer grondige studie heeft gemaakt van haar onderwerp. Wat het verhaal, de geschiedenis van een njai, zeer overtuigend maakt.

    Huishoudster en bedgenoot

    Nederlanders die in de tropen verbleven als militair, koopman of ambtenaar, lieten in de 19e eeuw zelden een vrouw overkomen uit het moederland om hun leven mee te delen. Meestal kozen zij voor een njai, een concubine, een vrouw van het land. Zij werd zijn huishoudster en bedgenoot en niet zelden baarde zij zijn kinderen. In de stamboom van Indische mensen is altijd de oermoeder een njai, vaak een lege plek omdat zij naamloos in de geschiedenis is verdwenen. Het kon ook anders gaan. Dat de blanke trouwde met zijn njai kwam heel weinig voor, maar een langdurige relatie tot de dood was mogelijk. Zeker als de blanke zelf sterk verindischt was. Meestal eindigde de relatie als de man terugkeerde naar Nederland. De njai ging dan weer naar de kampong, al dan niet met haar kinderen. In de kampong werd ze geminacht omdat ze zich verkocht had aan een blanke. Haar kinderen hadden vanwege hun lichtere huidskleur geen leven. Soms erkende de man de kinderen als de zijne en nam ze mee naar Nederland, daar had de njai niets over te zeggen. Over deze wereld gaat Lichter dan ik.

    Zij mogen meer

    Michielsen heeft het verhaal de vorm van een gesproken autobiografie gegeven. De inmiddels zestigjarige Isah vertelt over haar leven als njai aan Tjanting Wiggers, een njai van een latere generatie. De man van Tjanting Wiggers behoort tot de uitzonderingen die met hun njai getrouwd zijn en heeft haar leren lezen en schrijven. Als zij Isah ontmoet, moedigt haar man haar aan om Isah’s verhaal op te schrijven. Isah wil graag haar verhaal vertellen om toch iets na te laten aan haar verre kinderen en kleinkinderen. Isah, geboren in 1850, groeit op in de kraton van de sultan van Jogya, waar haar moeder kleermaakster is. Als kind maakt zij kennis met de standsverschillen en strikte gedragscodes aan dat hof. Als haar speelkameraadje Karsinah haar lievelingsaapje Soeko, dat ze van haar oom heeft gekregen, wil hebben, haalt een hofbediende het op en kan zij daar niets tegen doen: Karsinah is een prinsesje, want directe en erkende dochter van één van de zonen van de sultan, en zij niet. Haar moeder legt het haar uit: ‘Zij mogen meer dan anderen. Ze mogen meer dan jij, omdat jij geen prinses bent. Karsinah mag zeggen dat ze Soeko wil hebben, omdat ze boven jou staat. Er is nog veel meer dat zij kan besluiten, zul je ontdekken. Daar kun jij niets tegen doen.’

    Uiteindelijk afgedankt

    Iedereen aan het hof had zijn eigen plek: ‘Een dun, onzichtbaar web van rangen en standen liep door alles heen, en naarmate je ouder werd, openbaarde dit zich aan je. En dan besefte je als volwassene dat je gevangen zat tussen de verstarde lijnen en niets meer kon bewegen, tenzij je jezelf er met geweld van bevrijdde.’ Als Isah zestien is en haar moeder haar wil uithuwen, neemt zij het besluit zich te bevrijden uit de starre wereld van de kraton. Ze maakt kennis met een Nederlandse militair en wordt zijn njai. Ze is zijn geliefde en leert ook het huishouden te bestieren. Alhoewel zij zich moet gedragen als een bediende zodra haar man gasten heeft, vindt zij dit leven toch veruit te verkiezen boven een gedwongen huwelijk in de kraton. Zij beseft steeds meer dat het bestaan van een njai eigenlijk geheel afhangt van de luimen van haar meester. Als ze hem twee dochters baart, verdwijnt die vrees. Ten onrechte, blijkt later. Haar militair trouwt alsnog met een Nederlands meisje en dankt haar en de kinderen af.

    Hiërarchie in huidskleur

    Méér over Isah’s bittere leven onthullen zou zonde zijn, want Isah is een geboren verteller die met grote precisie het beschermde, maar aan strikte regels gebonden leven in de kraton schildert, en de lokkende koloniale wereld daar buiten. De blanke barbaren waar men in de kraton op neer kijkt zijn daar de baas. Dat ook deze wereld aan strikte regels gebonden is zal Isah door schade en schande leren. Dat haar huidskleur haar in de onderlaag van deze koloniale hiërarchie plaatst, merkt ze al snel. Dido Michielsen, zelf nazaat van een njai, heeft in Isah een geloofwaardig slachtoffer geportretteerd van zowel de koloniale als de autochtone Javaanse maatschappij. Daarmee vult zij knap de lege plek in die njai’s vaak in de stambomen van Indische families hebben. Haar fictie-debuut is een indrukwekkende en ontroerende roman.

     

  • Van roofovervaller tot heilige

    Van roofovervaller tot heilige

    De heilige, een schelmenroman van Martin Michael Driessen is precies wat de titel aangeeft, het levensverhaal van een schelm die er in slaagt om na zijn dood heilig verklaard te worden. Donatien, geboren in Frankrijk in het revolutiejaar 1789 laat in de loop van zijn vrij korte bestaan (hij wordt vijftig) een spoor van bedrog en geweld achter. Het begint met het stelen van een meisjesportret en liefdesbrief uit de tuniek van een gevallen Duitse soldaat als hij, uiteraard pas ná de veldslag, het slagveld van Craonne bezoekt op zoek naar buit. Hij besluit het mooie en rijke meisje te bezoeken, zich voor te doen als de beste vriend van de gevallen Duitser en haar het hof te maken en te huwen. Dat lukt en hij maakt zich op voor een lang en tevreden bestaan als notabele in een Duits dorp. Tot hij wordt ontmaskerd en moet vluchten voor de woede van de mooie Liselotte, die inmiddels zwanger is van zijn kind.

    Roofovervaller wordt goed mens

    Hij wordt een succesvol postkoets-overvaller tot hem dat begint te vervelen, papt aan met Francis Beaufort als die bezig is met het ontwikkelen van de Beaufortschaal voor windsnelheden, maakt als matroos een aantal zeereizen en belandt na nog een aantal avonturen in de gevangenis. Want schelmen ontlopen uiteindelijk hun straf niet en als hij geïdentificeerd wordt als degene die jaren eerder een aantal gewelddadige roofovervallen op postkoetsen heeft gepleegd krijgt hij levenslang in de gevangenis te Metz.
    En dán begint zijn finale schelmenstreek, want hij besluit een goed mens te worden en daardoor speciale privileges te krijgen van de gevangenis-directeur. Dit ultieme bedrog lukt zó voortreffelijk dat hij – naar eigen zeggen – na zijn dood zelfs heilig wordt verklaard: de heilige Dieudonné van Metz. ‘Naar eigen zeggen’ is op zijn plaats bij de bespreking van deze schelmenroman, omdat Donatien zelf duidelijk maakt dat niets van wat hij vertelt per sé op werkelijkheid berust.

    Ironie en zelfspot

    De pen die Martin Michael Driessen hem leent voor het vertellen van zijn levensverhaal is licht ironisch en bij tijd en wijle vervuld van zelfspot: ‘Ik stond waardig op. Waardig opstaan is een van mijn specialiteiten. De kunst bestaat erin dat men de ander beschaamd achterlaat door het gesprek zelf te beëindigen. Men trekt zich terug maar behaalt de morele zege. Dat is, zoals ik u kan verzekeren, niet eenvoudig, want als het misgaat wordt men al gauw van lafheid beticht. Ook mag men de ander niet al te zeer kwetsen, dat kan weer nieuwe problemen veroorzaken. Ik heb het vaak voor elkaar gekregen, met name als er verder toch niets te halen viel.’

    De heilige zit vol boeiend vertelde avonturen en anekdotes. Toch mis je als lezer iets en op den duur krijg je het gevoel dat Donatien begint te vervelen met zijn opgesmukte verhalen. Dan besef je dat een hoofdpersoon die zonder geweten door het leven gaat eigenlijk weinig interessant is. Zo’n Teflon-persoonlijkheid maakt identificatie van de lezer met de hoofdpersoon ook bijna onmogelijk. Hopelijk was het de bedoeling van Martin Michael Driessen om ons dat duidelijk te maken. In dat geval is De heilige een geslaagde roman.

     

  • In memoriam schrijver R.A. Basart (1946-2019)

    Dinsdag 25 juni jongstleden is R.A. Basart overleden. Basart was schrijver van een intrigerend maar bescheiden oeuvre dat met grote tussenpozen tot stand kwam. Zijn werk werd wel gekwalificeerd als literair hoogstandje.
    Op achtentwintig jarige leeftijd debuteerde Basart  als ironisch dichter met Oranjebal waarvoor hij uit handen van de juryleden Gerrit Komrij, Mensje van Keulen en Guus Luijters, de Fontijn-aanmoedigingsprijs ontving. Op dat moment beschouwd als beloftevol schrijver, koos Basart er niet voor zijn docentschap op te geven voor de literatuur.

    Twee bundels

    In 1977 verscheen een tweede bundel, De gezonde apotheek. Daarna trad er een stilte in die zo lang duurde, dat zijn naam haast uit het literaire geheugen verdwenen was. Pas twintig jaar later, in 1997 verscheen er dan een roman van zijn hand, De laatste lach, over een verliteratuurde leraar die in een identiteitscrisis belandt, ontslagen wordt en worstelt met de dood van zijn op jonge leeftijd overleden Joodse vader. Een roman waarin dagelijkse besognes en de zwaarte van het familieleven stijlvol en met aangrijpende humor beschreven wordt.

    Jaren van stilte

    Waarna er weer bijna twintig jaar voorbij gingen, met onderbreking van een enkele prozapublicatie in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort in 2010, wat een voorpublicatie bleek te zijn van De verzoening, die in 2016 bij Lebowski verschijnt. Een roman over de drieënzestig jarige gewezen leraar en zelfbenoemde natuurgeneeskundige arts, Inni Pardijs. Over De verzoening schreef recensent Hans Vervoort:

    ‘Het dadaisme heeft in Nederland nooit veel aanhang gehad. Met Paul van Ostaaijen en later het tijdschrift Babarber (van Bernlef en K. Schippers) hebben we het zo ongeveer wel gehad. Maar met R.A. Basart krijg het een nieuwe representant. Zijn roman is één en al chaos maar op elke pagina trakteert hij de lezer op woord vernuftigheden die geregeld de lachspieren kittelen…’

    Gestage schrijver

    In 2016, het jaar van de verschijning van zijn tweede roman, werd Basart getroffen door een hersenbloeding. Toch bleef hij, zoals het hem gewoon was, langzaam en gestaag doorschrijven aan een nieuwe roman die de titel Bork zou krijgen maar niet tot een afronding is gekomen.

    In 2017 gaf zijn uitgever Lebowski een bloemlezing uit van Basarts eerste twee bundels, aangevuld met enkele nieuwe gedichten, Zingend naar huis. Binnenkort zal Lebowski de debuutroman van Basart, De laatste lach in een nieuwe editie uitbrengen. Daarmee is dan al zijn werk weer beschikbaar. Alleen de schrijver, die wordt node gemist.

     

    Lees hier over zijn laatste boek, De verzoening.

    Foto: via uitgever

     

  • Verdriet als stijlvorm

    Verdriet als stijlvorm

    Per Petterson is zonder twijfel een van de beste Noorse auteurs van deze tijd. Wie Mannen in mijn situatie openslaat wordt vanaf de eerste pagina meegezogen in het verdriet van Arvid Jansen, 38 jaar oud, schrijver van enkele romans en vader van drie dochters, de oudste Vigdis is twaalf.  Zijn vrouw Turid besloot een jaar geleden dat ze niet meer van hem hield. Ze vertrok en nam de dochters mee. Arvid vermoedt dat ze liever optrekt met wat hij de kleurrijken noemt, de bourgeois die weten hoe je voortvarend moet leven. Zelf is hij een binnenvetter met een communistische achtergrond en hij heeft – voordat hij schrijver werd – uit solidariteit als arbeider gewerkt. Dat Turid hem niet meer wil accepteert hij als een onontkoombaar gegeven.

    Zwarte gat

    Bij Arvis Jansen zien we niet de woede en het zelfverwijt die bij echtscheidingen zo vaak voor komt. Hij is wel blij dat zijn dochters af en toe bij hem mogen zijn en probeert dan met hen iets te doen wat ze leuk vinden. Maar als hij ze een keer ophaalt en door onhandigheid en aangeschotenheid een auto-ongelukje veroorzaakt willen ze niet meer bij hem zijn.
    Hij aanvaardt ook dát lot, maar belandt wel in een onpeilbaar verdriet en eenzaamheid. In zijn oude Mazda maakt hij lange tochten om zichzelf bezig te houden. ’s Avonds trekt hij Oslo in om dronken te worden en hopelijk een vrouw te ontmoeten die hem Turid laat vergeten. Soms komt hij in de buurt van dat doel, maar als het dan toch weer niets wordt valt hij opnieuw in dat grote zwarte gat.

    Onstuitbaar proza

    Arvid Jansen is Per Petterson’s alter ego, en zijn leven verloopt in grote trekken net zoals dat van de schrijver zelf. Na Kielzog en Ik vervloek de rivier des tijds is Mannen in mijn situatie de derde roman waarin Petterson de lezer meevoert in Arvid’s leven. Ditmaal met zijn echtscheiding. Het proza waarmee dat gebeurt is tomeloos verdrietig, de lezer zij gewaarschuwd.

    ‘Maar het was waar dat de dagen en nachten het laatste jaar dat we samenwoonden zo langzaam in elkaar waren overgegaan dat ze helemaal tot stilstand waren gekomen en alles in de wacht stond, en het gebeurde steeds vaker dat ik het ’s avonds niet op kon brengen om in het bed te gaan liggen waar zij al een uur of langer daarvoor in was gaan liggen. We waren magneten geworden met gelijke polen naar elkaar gericht, plus naar plus, min naar min, het gebeurde dat ik naar haar toe wilde en op het moment dat ik een voet over de drempel zette de slaapkamer uit werd geslingerd en door een krachtige slag tegen mijn borst ruggelings weer de woonkamer in schoot, over de grond gleed en tegen de muur aan de andere kant knalde, en dat keer op keer, en uiteindelijk bleef ik liever op de bank platen zitten draaien, waarvan ze door de muur heel goed kon horen welke het waren. Het was muziek van toen we net bij elkaar waren en ik nog niet wist wie zij was, wie er in haar lichaam school, en zij niet wie er in het mijne school, wie ik was, en het enige wat we wilden was het ontdekken, want ik werd er totaal door opgeslokt, ik sneed mezelf af van degene die ik was geweest, ik was verliefd, vandaar, en die platen draaide ik.’

    Verborgen droefheid

    Dit onstuitbare proza, prachtig vertaald door Marin Mars, laat de lezer tot het einde van de roman niet meer los. Behalve de scheiding van vrouw en kinderen wordt Arvid achtervolgd door de naweeën van een scheepsramp van twee jaar geleden waarbij hij zijn ouders en twee van zijn drie broers verloor. Deze ramp trof ook Petterson zelf. Zijn eigen ouders en broers kwamen in 1990 om het leven tijdens de brand op de ‘Scandinavian Star’. Als Arvid voor het eerst na de begrafenis het graf van zijn ouders en broers bezoekt komt hij op de begraafplaats een jonge vrouw tegen die hem – opkomend schrijver – herkent.

    ‘Ik heb je boeken gelezen, zei ze. Ik vind ze mooi. Maar waarom zijn ze zo droevig. Dat weet ik niet, zei ik, ze worden gewoon zo, dat doe ik dus niet bewust, eigenlijk. Dat is merkwaardig, zei ze. Ja, zei ik, dat is een beetje merkwaardig. En toen knikte ze naar de graven, naar dat van haar en naar dat van mij. Is dat van het afgebrande schip. Ze noemde de naam van het schip. Het was een beetje moeilijk om iemand die naam te horen uitspreken. Ja, zei ik. Zijn je boeken daarom zo droevig. Dat weet ik zo net nog niet, zei ik, waarschijnlijk was het daarvoor al begonnen, dat de boot is afgebrand is immers nog niet zo lang geleden, twee jaar, iets langer. Dat is waar, zei ze, daar had ik niet aan gedacht. En ik draaide me om en keek dezelfde kant op als zij, over de rij grafstenen heen.’

    Als aan het eind van de roman zijn oudste dochter Vignis psychische problemen krijgt en hem nodig heeft, ziet het er naar uit dat Arvid zich ter wille van haar uit zijn depressie kan trekken. Desondanks heeft de roman een open einde en men moet niet vreemd opkijken als in Petterson’s volgende roman toch weer het verdriet zal overheersen. Het zij hem vergeven, want het levert prachtig proza op. En, zoals hij zelf zegt: ik doe het niet bewust, eigenlijk.

     

  • Feel good verhaal over vrienden

    Feel good verhaal over vrienden

    De dankbetuiging van de auteur op de laatste pagina van Bert Wagendorps roman Ferrara leest als de eindeloze aftiteling van een film: een kleine dertig personen hebben bijgedragen tot de totstandkoming van het boek. 
Misschien was dat al met al te veel bemoeienis, want het is nogal lastig de inhoud van de roman te benoemen. Deels Italie-reisgids, deels culinaire drank- en hapjesgids, deels literaire zoektocht naar een schrijver uit de oudheid, deels teksten die het goed zouden doen op een filosofische scheurkalender. En dat alles binnen een voortkabbelend verhaal.

    Vervolg op Ventoux

    Bert Wagendorp had zes jaar geleden succes met Ventoux, een verhaal over vriendschap en wielrennen dat door het DWDD boekenpanel verkozen werd tot boek van de maand. Meer dan 200.000 exemplaren verkocht staat trots op het omslag van Ferrara, dat wordt aangekondigd als het vervolg op die bestseller. 
De vier Zutphense wieler- en jeugdvrienden uit Ventoux zijn vijftigers geworden en drie van hen beginnen in hun diverse loopbanen op hun lauweren te rusten. Coke-dealer André is steenrijk geworden door zijn handel en probeert nu of nietsdoen iets voor hem is. David, de Surinaamse eigenaar van café De Vriendschap laat zijn nering steeds vaker over aan de barman en neemt de tijd om ’s middags een dutje te doen: hij is vaak moe.

    Bart Hoffman, de verteller van het verhaal is – net zoals Bert Wagendorp zelf – van journalist een succesvolle romanschrijver geworden en na zijn scheiding in rustig vaarwater beland. Hoffman laat niet na geregeld zijn schrijfsucces te melden en de roman bevat dan ook voor schrijvers-in-spe vele tips en inzichten. Zoals deze: 

’Schrijvers proberen in de wirwar van gebeurtenissen een lijn te ontdekken, een keten van voorvallen die samen een verhaal blijken te vormen. Ze laten afleidende kwesties weg, voegen andere toe en zo ontstaat iets dat in weinig lijkt op het leven van alledag maar er toch een weerslag van is. Een verhaal dat gebeurtenissen betekenis geeft, meer dan we er gewoonlijk aan toekennen.’
    Hier valt W.F. Hermans’ mus van het dak, maar krabbelt ook meteen weer op om toch meer betekenis aan die gebeurtenis te geven dan mensen er gewoonlijk aan toekennen!

    Diepgevoelde vriendschap

    De vierde van het kwartet, Joost, heeft als wetenschapper gerommeld met gegevens en is nadat dat uitkwam nergens meer aan de slag gekomen. 
Hij heeft besloten een oude en vervallen palazzo in het pittoreske en eeuwenoude Italiaanse stadje Ferrara te kopen en dat om te bouwen tot design hotel. Als hij dat zijn vrienden bericht besluiten ze de zomer in Italië door te brengen en de onhandige Joost te helpen. Wanneer blijkt dat ze hem door hun eigen gebrek aan doe-het-zelf-ervaring van de wal in de sloot werken schakelt de rijke André architecte Bianca in, die de verbouwing met succes ter hand neemt. 
Het viertal heeft nu alle tijd om rond te hangen, zich met elkaar bezig te houden en de al uit Ventoux bekende feelgood-teksten te wisselen. De vriendschap die zij voor elkaar voelen wordt helaas door Wagendorp zo breed uitgemeten en leidt zo vaak tot diep in elkaars ogen kijken, dat de lezer enige gêne voelt opkomen.

    Rondzwerven met vrienden

    Daarnaast begint de neiging van Wagendorp om elke maaltijd en elke genoten drankje te vermelden na enige tijd wat vermoeiend te worden. Ook lijkt er lang op dat Ferrara niet verder zal komen dan een verslag van de reünie en van de tochtjes door Italië die ze maken, zoals deze in Venetie:
    ‘De waterbus legde aan bij het San Marcoplein. We liepen over de Riva degli Schiavoni langs het huis waar Petrarca had gewoond, over een paar bruggen naar de buurt rond het Arsenaal waar het minder druk was. Daarna zwierven we twee uur door de stad. Op een terrasje in de Joodse wijk zei David: ‘Nu begrijp ik beter wat Wagner, Nietsche, Thomas Mann, Hemingway, Truman Capote en al die anderen hier zochten. Fijn dat je me hierheen hebt meegenomen.’ 
’My Pleasure.’ ‘

    Feelgood – lectuur lijkt het te zijn. Maar dan beginnen er toch wat spannender verhalen te ontstaan. Bart start een affaire met architecte Bianca en raakt van streek als blijkt dat zij het ziet als niet meer dan een vriendschap-met-extra’s.

    Inlevingsvermogen

    Zijn dochter Anna – journaliste – is correspondent in het Midden-Oosten geworden en als zij in Syrië zoek raakt en mogelijk gekidnapt is, wordt Bart wanhopig en heeft hij de steun van de anderen hard nodig. Elke lezer kan zich in zo’n situatie inleven. Maar omdat Wagendorp geen emotie onbeschreven laat heeft dat helaas tot gevolg dat de lezer zelf geen enkele moeite hoeft te doen om zich voor te stellen wat Bart voelt.

    Het kan Wagendorps journalistieke verleden zijn die hem er toe brengt de lezer alles zo precies mogelijk voor te schotelen en uit te leggen. Het voorkomt dat die lezer een binding krijgt met het verhaal en van meelevende lezer verandert hij dan ook in toeschouwer-op-afstand. 
Wagendorp is beter in vorm als blijkt dat David kanker heeft en nog maar enkele maanden te leven. De emoties van de vrienden hierover worden redelijk ingehouden beschreven. Het mooiste stukje proza bewaarde Wagendorp voor de laatste regels van het boek:
    ‘David overleed op 20 oktober. We stonden rond zijn bed, in het appartement boven De Vriendschap. We hielden hem vast, tot hij ons losliet. Anna was de enige die niet huilde.’ 

Dat Wagendorp indringend kan schrijven bewijzen deze paar zinnen. De voorafgaande 252 pagina’s zijn op z’n best onderhoudende zomerlectuur. Geschikt voor elke vakantie, maar in het bijzonder een vakantie naar Italië.