• Eens kijken hoe het met God gaat

    Eens kijken hoe het met God gaat

    God is al tijdenlang aan het verdwijnen in Nederland en daarom is het goed dat Toon Tellegen eens hier en daar gekeken heeft hoe het met hem gaat. Dat heeft, met als titel God onder de mensen een boekje met sprookjesachtige waarnemingen opgeleverd dat een mooie plek verdient in het oeuvre van Tellegen. God is in de beschrijvingen van Tellegen meestal een oude man, slecht gekleed, vaak niet best gehumeurd en teruggetrokken levend. Het is bekend dat hij macht heeft over alles en iedereen, maar hij doet daar eigenlijk niets mee en het kan hem ook duidelijk niet boeien dat hij er iets mee zou kunnen doen. Die macht is hem kennelijk komen aanwaaien, en van weinig belang voor hem, hoe groot dat belang ook is voor de mensen. 

    Exentrieke God

    God kan ook behoorlijk excentriek zijn, laat Tellegen overtuigend zien, als hij Hem bijvoorbeeld dwars door iemand heen laat wandelen. ‘Het lichaam van die man, met een gat er middenin, bleef op straat achter’, noteert Tellegen. God kan ook wrede dingen doen. Zo peutert hij de gehoorbeentjes uit de oren van iemand die naar Zijn idee hem niet wil horen. Dat zijn toch dingen waarvan je als lezer van het boek denkt: jeetje, dat wist ik niet van God. Goed dat Tellegen dat eens uit de doeken doet! Soms maakt God het te bont. Zoals op de dag dat hij op straat iemand jent met de mededeling: ‘Je vreest mij… verzoekt mij om de meest uiteenlopende en onmogelijke zaken, zoals genade, vergeving van zonden, erbarmen, deernis en nog meer van dat soort dingen… terwijl je mij helemaal niet kent, niets van mij afweet en mij van jouw kant niets te bieden hebt.’

    En zoiets gaat deze trouwe gelovige dan te ver: ‘Hij voelde een soort razernij in zich opkomen als een vuur uit een vuurpot diep binnen in hem, waarin zijn kindertijd nog lag te smeulen, zijn vader, zijn christelijke school, zijn huwelijk, zijn plichtsgetrouwheid als belijdend christen… De vlammen laaiden hoog op. (…) Het was een sterke man, hij had vroeger op gewichtheffen gezeten, was ooit districtskampioen in de lichtzwaargewichtklasse geweest, had een paar maal aan de nationale kampioenschappen deelgenomen en ook nog een jaar aan kogelslingeren gedaan op atletiek. Hij tilde God op, knelde hem tegen zich aan, draaide vier keer op zijn hakken rond en slingerde hem midden op straat. ‘Of ik u niet ken…!’ riep hij hem achterna. Hij liet zijn handen weer zakken. Het was zes uur, hij had honger, zijn vrouw wachtte op hem met het eten. Het begon te regenen. De straat was verlaten, er was nergens een levende ziel te bekennen, zelfs geen hond.’

    Tobben over zijn Godzijn

    Het werd wel eens tijd dat deze minder bekende kanten van God belicht werden en Toon Tellegen doet dat op zijn eigen wijze: eerlijk en onopgesmukt. God is ook eenzaam, dat wordt wel duidelijk. Zo mist hij – om maar iets te noemen – een godin. Misschien dat hij vanwege die eenzaamheid eens in het hoofd van een mens kroop (‘Op een dag ontdekte een man dat God zich schuilhield in zijn hoofd. Alsof het buiten zijn hoofd regende of gevaarlijk was voor hem’) of een ander mens van dichtbij voortdurend bleef aankijken (‘Een man zag voortdurend het gezicht van God voor zich.’) tot die er tureluurs van werd en God ging uitschelden.

    Dat God voortdurend aan het tobben is over zijn Godzijn, en wat hij daarmee aan moet, dat beschrijft Tellegen in meerdere van deze stukjes in deze bundel ZKV’s. Vooral zijn onsterfelijkheid is voor God een straf. In één van de verhalen looft hij 1000 euro uit voor wie hem dood kan maken. Maar dat lukt tot zijn spijt niemand. Als hij voor het raam van een liedjescomponist probeert zichzelf op te hangen aan de beuk in diens tuin gaat dat voortdurend mis, omdat hij de lus niet goed om zijn nek krijgt, of het touw breekt, of de stoel waarop hij staat wil niet omvallen. De liedjescomponist ziet het gebeuren: ‘Dit voorval herhaalde zich vervolgens gedurende lange tijd dagelijks voor zijn raam. Hij achtte het waarschijnlijk dat God om een of andere reden dood wilde gaan, maar daartoe niet in staat was. Alsof alleen mensen over hun leven konden beschikken en hij niet. Wij zijn gelijkzijdige driehoeken, zei hij tegen zichzelf. Hij vond dat een verontrustende gedachte, hij kon niet uitleggen waarom.’

    Behalve de boodschap dat God – áls hij al bestaat – méér mens is dan wij denken, lijkt dit wel de voornaamste conclusie van Tellegen’s onderzoek naar de relatie tussen ons en Hem: wij zijn gelijkzijdige driehoeken en dat is een verontrustende gedachte, zonder dat we weten waarom. Goed dat iemand dat nu eens opgeschreven heeft!

     

  • Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm

    Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm

    Arto Paasilinna (1942 – 2018) is een Finse schrijver wiens boeken in vele talen zijn vertaald. Hij schreef zo’n 40 romans waarin vaak iemand centraal staat die niet helemaal in de maatschappij past. Dat soort eenlingen wordt zonder pardon of begrip door de gemeenschap uitgestoten is de maatschappij-kritische boodschap die hij aan zijn lezers meegeeft, maar de precieze en vaak humoristische beschrijvingen van de wonderlijke avonturen van zijn protagonisten zorgen daarbij wel voor een pakkend verhaal. Dat geldt ook voor De huilende molenaar, een onlangs door de Wereldbibliotheek heruitgegeven vertaling van één van zijn romans.

    In het Engels luidt de titel The howling millner en niet The crying millner en dat voorkomt het misverstand dat het hier om een snikkende persoon zou gaan. Helaas heeft het Nederlands  – vermoedelijk omdat we weinig wolven kenden – nooit een woord bedacht voor het geluid dat wolven en honden bij volle maan maken. De huilende molenaar huilt namelijk niet, hij zet een keel op die doet denken aan wolvengehuil. 

    Huilen in de nacht

    De boomlange en zwijgzame Gunnar Huttunen komt op een dag aanzetten in een klein Fins dorpje. Hij maakt de in verval geraakte molen in orde en gaat daar ook wonen. Eindelijk kunnen de boeren van het dorp hun graan weer dichtbij laten malen. Daar zijn ze hem heel dankbaar voor. Huttunen lijkt een geaccepteerd lid van deze kleine gemeenschap te worden, ook al omdat hij af en toe kinderen en volwassenen kan vermaken met het imiteren van dieren. Er is één obstakel: geregeld barst hij ’s avonds in luidkeels wolvengehuil uit. De dorpshonden huilen mee en vele dorpelingen worden zo van hun slaap beroofd. Meermalen belooft Huttunen beterschap, maar als dat niet lukt, begint de stemming zich tegen hem te keren. Het geluk dient zich aan als een mooie tuinbouwconsulente op haar fiets de molen bezoekt en hem aanraadt een moestuintje te beginnen. Hij raakt ter plekke verliefd op haar.

    ‘Nog diezelfde avond ploegde Huttunen zijn moestuin om en bij het invallen van de nacht reed hij er een vracht mest op uit. (…) Vroeg in de ochtend besproeide hij zijn stukje grond nog met water en toen pas ging hij slapen. Gelukzalig ging Huttunen liggen. Hij had nu een moestuintje helemaal voor zichzelf. Dat betekende dat het niet lang zou duren of de lieftallige tuinbouwconsulente zou weer bij hem langs komen.’

    Naar het gekkenhuis

    Helaas is hun snel opbloeiende liefde weinig tijd gegund. Huttunen heeft de neiging niets over zijn kant te laten gaan en als er naar zijn smaak wat te veel geklaagd wordt over zijn wolvengehuil reageert hij met acties die de dorpelingen tegen hem in het geweer brengen. Hij gooit vijf zakken graan van boer Vittavaara in de rivier als die bij hem langs komt om ze te laten malen, en en passant klaagt dat het gehuil hem vele nachten wakker heeft gehouden. En van kruidenier Tervola pakt hij na een woordenwisseling de weegschaal af en laat die in de waterput zakken. Geen wonder dat dorpsagent Portimo, die Huttunen eigenlijk wel sympathiek vindt, de opdracht krijgt hem naar het gekkenhuis te brengen, met de diagnose ‘manisch depressief’ die de dorpsdokter hem opgeplakt heeft. Huttunen probeert er het beste van te maken maar na enige tijd is het verblijf in het gekkenhuis niet meer te harden en ontsnapt hij met behulp van een andere bewoner, de zakenman Happola. Deze heeft zich als gek voorgedaan om tijdens de oorlog aan dienst in het leger te ontkomen. Happola heeft een sleutel waarmee hij elke nacht de poort uit kan wandelen om zijn zaken af te handelen en heeft Huttunen herkent als iemand die niet echt gek is, of alleen maar een klein beetje.

    Huttunen schuilt een tijdlang in zijn molen en wordt daar betrapt door agent Portimo die hem aanraadt: ‘”Kunnari, zou je er niet gewoon verstandig aan doen om deze molen te verkopen en naar Amerika te gaan? Naar wat ik ervan gehoord heb, is gek zijn daar geen schande, daar lopen ze vrij rond.”’ Maar Huttunen spreekt geen Engels en besluit zich te verschuilen in de bossen bij het dorp. Daar vindt de romance met de tuinbouwconsulente voortgang: ze omarmen elkaar en hij streelt haar knie.

    Hij gaat ervandoor

    Verder mag hij niet gaan, want al vindt de tuinbouwconsulente hem lief, een kind krijgen van iemand die gek is, of in elk geval een béétje gek, dat durft ze niet aan. Al kan hij goed van het land leven, toch heeft Huttunen af en toe wel geld nodig. Als blijkt dat hij zijn spaargeld niet kan opnemen en zijn molen niet kan verkopen omdat hij ontoerekeningsvatbaar is verklaard slaat hij op tilt en besluit de dorpskerk in de fik te steken. Zodra er actie ondernomen moet worden is hij op zijn best en met toestemming van Jezus die het zelf altijd een lelijke kerk heeft gevonden, steekt hij het gebouw in brand. 

    Als de dorpelingen met emmers water komen aangerend moet hij snel weg: ‘Nu moest hij ervandoor; zo’n grote groep mensen kon hij niet aan, zelfs niet als hij met een wapen zwaaide. Huttunen ademde diep in en spurtte naar het voorportaal, sprong over de sissende brandhaard en daarvandaan in één ruk door naar de buitenlucht met het geweer op zijn rug en de handen voor zijn tranende ogen. De verbijsterde mensenmenigte maakte de weg vrij voor de molenaar. Al snel kon Huttunen weer zo goed zien dat hij het kerkhof over kon rennen. Hij denderde over de grafstenen, sprong over het hek achter de begraafplaats en verdween het bos in.’
    Hoe het verhaal afloopt zal hier niet verklapt worden. Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm, waar mensen en dieren zich met hoge snelheid in zevenmijlslaarzen kunnen voortbewegen en harde klappen kunnen oplopen waar zij binnen een seconde weer van herstellen. Dankzij deze voortvarende schrijfstijl is De huilende molenaar een boeiend sprookje geworden waarin de personages tekenfilmtypen zijn waar je met een glimlach naar kijkt.

     

     

  • Een literaire dwaaltocht

    Een literaire dwaaltocht

    ‘”Het is inderdaad een buitengewoon klein mannetje en hij zou beter op zijn plaats zijn in het Théâtre des Variétés”. “Zonder enige twijfel”, antwoordde ik werktuiglijk en ik liep zo te dromen dat ik op het eerste ogenblik niet besefte, hoe wonderlijk precies die opmerking van mijn vriend in mijn gedachtegang paste.’ Dit is een citaat uit het verhaal ‘De moorden in de Rue Morgue’ van Edgar Allan Poe. De ik-persoon en een vriend maken een wandeling en als de ik in gedachten verzinkt zwijgen ze een tijdlang allebei. Dan zegt de vriend ineens de hierboven geciteerde zin, die precies aansluit bij wat de ik-persoon op dat moment denkt over een acteur. Het blijkt dat de vriend de omstandigheden die zich tijdens hun wandeling voordoen en de signalen die de ik-figuur onbewust afgeeft, in een sluitend verhaal kon passen dat de gedachtegang van zijn vriend precies weergeeft.

    Dit verhaal van Edgar Alle Poe was het eerste waarin het idee van het kunnen volgen van iemands gedachtestroom werd gebruikt en Arthur Conan Doyle’s Sherlock Holmes-verhalen zouden mogelijk niet geschreven zijn zonder deze voorganger.

    Gedachtegangen volgen

    In Nu je het zegt, dat vanwege zijn leeftijd en lichamelijk conditie werd aangekondigd als zijn laatste ‘roman’, geeft K. Schippers de lezer de kans om zijn gedachtegangen te volgen tijdens een zoektocht in Londen. ‘Daar hoop ik voor een verhaal het vroegere huis van de Duitse schrijver Agust Bolte te vinden, naar Londen gevlucht, in het begin van de oorlog’. Schippers maakt het de lezer niet makkelijk, want in één opzicht had Edgar Allan Poe ongelijk: gedachtegangen volgen niet één logische lijn, maar kunnen onderweg dubbele sporen ontwikkelen en maken gebruik van beelden uit het geheugen van de denker, die de lezer vaak niet zal kennen en dus ook niet zal herkennen.

    Schippers zoektocht is dan ook vooral een literaire dwaaltocht met voor de lezer geregeld herkenningspunten, maar vaak ook niet. Een citaat: ‘Het station ligt nog net zo ver van het strand als in de negentiende eeuw. Zeelucht, zout op je hand als je eraan likt. Weggetjes, voren in het veld, strepen in kleur op eiken en berken. Rood tien mijl, geel en groen doen het bedeesder, komen niet eens tot vijf. Wat doet het ertoe, geen boswandeling. Het gezichtspunt van kinderen zoeken.’

    Spelen met taal

    De Duitse schrijver August Bolte naar wiens Londense adres Schippers op zoek is heeft nooit bestaan, maar is wel een figuur uit het werk van de door hem bewonderde Kurt Schwitters. En die woonde tijdens de oorlog inderdaad in Londen. Of de zoektocht naar het Londense adres van Bolte/Schwitters slaagt wordt in deze roman niet duidelijk, maar dat doet er niet toe. Die zoektocht  is voor Schippers de aanleiding voor het spelen met taal: ‘De taal is m’n zuurstof, als ik iets lees of beschrijf, ben ik er, een spitssnuitdolfijn kan z’n adem onder water twee uur inhouden. Soms dompel ik me in de taal tussen twee kaften, die in stilte op me wachten.’
    Deze recensent moet bekennen het geduld te missen dat het proza van Schippers van de lezer vergt. Maar hij kan wel zien dat lezers die dat geduld wél op kunnen brengen aan Nu je het zegt veel leesgenoegen zullen beleven.

     

     

  • Spannend is het niet, wel goed verteld

    Spannend is het niet, wel goed verteld

    In Vonne van der Meer’s vijftiende boek, Naar Lillehammer waagt de schrijfster zich op het pad van de thriller, al blijft het bij een paar kleine stappen. Hoofdpersoon Cecile is een 49-.jarige vrouw die – zojuist gescheiden – haar baan heeft opgezegd en is gaan wonen in een appartement aan de Sloterplas in Amsterdam. Als ze aan die plas bij een kinderspeelplaats op een bankje in de zon zit, vraagt een jonge zwarte moeder of ze even op haar dochtertje wil passen. Cecile, de goedheid zelve, vindt dat best, maar als de moeder niet terugkeert zit ze met een probleem: wat te doen? Zelf heeft ze nooit kinderen gehad omdat haar ex zich als jonge man had laten steriliseren. Ze besluit Faith, de kleuter die haar nu is toevertrouwd, mee te nemen naar haar flat en intussen overal het bericht te verspreiden waar het kind te vinden is.

    Verdwenen moeder

    Enkele dagen gaan voorbij, waarin Cecile merkt dat ze moederlijke gevoelens begint te ontwikkelen  en dankzij het kind ook contact krijgt met een andere flatbewoner, de weduwnaar Rogier, die haar gaat helpen en bij wie ze merkt dat hij gevoelens voor haar begint te krijgen. 

    Dan komt na enkele dagen Gladys, de jonge moeder, opdagen. Het blijkt dat zij eerder vanuit een andere flat Cecile heeft geobserveerd en geconcludeerd dat zij Faith zonder zorgen enkele dagen aan haar zou kunnen overlaten. Gladys is een Nigeriaans meisje dat naar Europa is gelokt met de belofte dat ze er een goede baan in de Horeca zou krijgen. Eenmaal aangekomen kwam ze in een prostitutie-netwerk terecht. Na jaren van gedwongen dienstbaarheid wil ze nu proberen zich los te maken van de macht van haar pooier. Maar ook met de hulp van Cecile lukt het haar niet het contact met hem te verbreken. Erger nog, de criminele godmother in Nigeria die haar het geld geleend heeft voor de overtocht naar Europa heeft een voodoo-vloek over haar afgesproken die pas opgeheven kan worden als de – inmiddels stevig opgelopen – schuld volledig afbetaald is. 

    De juiste keuze

    De zorg voor kleuter confronteert Cecile met het moederschap dat haar onthouden was door de voor-huwelijkse sterilisatie van haar man. Ze is nu te oud om zelf nog kinderen te krijgen. Maar wat als Gladys vermoord wordt door haar pooier of door de vloek van de madam in Nigeria? Die mogelijkheid komt dichterbij als een zwarte jonge vrouw dood gevonden wordt, met het hetzelfde brandmerk op haar been als Gladys heeft. De prostitutieketen is genadeloos voor wie zich wil los maken, is de boodschap. Cecile betrapt zich op de gedachte dat zij graag het kind zou opvoeden als moeder Gladys wegvalt.

    Grote emoties passen niet bij de nette, alles beredenerende en vooral goedwillende Cecile en haar gelijkmoedige nieuwe vriend Rogier. En deze egoïstische gedachte wordt dan ook snel weggewerkt: ze zal nooit meer dan een tante of oma voor het kind mogen en kunnen zijn. Ze besluit er alles aan te doen om Gladys en haar dochtertje vrij te maken van de vloek, zodat Gladys kan vertrekken naar het Noorse Lillehammer, waar haar Nigeriaanse broer woont.

    Naar Lillehammer is een onderhoudend verhaal en zonder literaire pretenties. Hooglopende emoties mag de lezer niet verwachten, daarvoor zijn de hoofdpersonen te braaf en te bedachtzaam. Ook de spanning van een echte thriller ontbreekt in dit wat traag lopende verhaal. Maar Vonne van der Meer kan vertellen, en dat maakt deze roman goed voor een paar uur leesgenoegen. 

     

     

  • Hij was een voortreffelijk schrijver

    Hij was een voortreffelijk schrijver

    Giuseppe Tomasi di Lampedusa (1896 – 1957) is vooral bekend van zijn postuum verschenen roman Il gattopardo, in het Nederlands vertaald met als titel De Tijgerkat. Tijdens zijn leven werd het manuscript door meerdere Italiaanse uitgeverijen geweigerd, maar toen het na zijn dood uiteindelijk toch verscheen werd het een groot succes en vele malen herdrukt en in 1963 verfilmd door Luchino Visconti. Het gaat over de teloorgang van de Siciliaanse adel tijdens en na de inval van Garibaldi in 1861 en de daarmee gepaard gaande opkomst van de nieuwe rijken, de burgerij. Lampedusa schreef behalve deze roman slechts enkele verhalen, die nu onder de titel ‘Mijn kindertijd en andere verhalen’ fraai zijn uitgegeven in de vertaling van Yond Boeke en Patty Krone en met illustraties van Charlotte Schrameijer. De inleiding is van Gioacchino Lanza Tomasi, de adoptiezoon van Lampedusa. 

    Waar ooit gewoond werd

    Het eerste verhaal, ‘Mijn kindertijd’ is een ode aan de Palazzo’s, de Italiaanse paleiswoningen waar  Lampedusa zijn jeugd doorbracht. Met grote precisie beschrijft hij kamer na kamer en salon na salon van het grote huis van zijn adelijke familie aan de Via Lampdusa 17 in Palermo. ‘Alles eraan bevalt me: de ongelijkvormigheid van de muren, de vele salons, het stucwerk op de plafonds, de vieze lucht in de keuken van mijn grootouders, het vleugje viooltjesparfum in het boudoir van mijn moeder, de bedompte hitte in de stallen, de lekkere geur van gepoetst leer in de zadelkamer, het mysterie van een aantal slechts half voltooide vertrekken op de tweede verdieping, het immense koetshuis waarin rijtuigen werden gestald – een wereld vol zoete geheimen en steeds weer nieuwe aangename verrassingen. Ik was daar heer en meester en doorkruiste onafgebroken op een holletje de enorme ruimtes.’

    Kousbroek schreef ooit ‘Heimwee is de weg kennen in een huis dat niet meer bestaat’. Het huis van Lampedusa werd op 5 april 1945 verwoest door Amerikaanse bommen en het heimwee dat Lampedua er naar had is te voelen in zijn liefdevolle beschrijvingen, verlucht met door hemzelf getekende plattegrondjes. Behalve het huis in Palermo had de familie nog vier dependances op het platteland, waarvan dat in het dorp Santa Margharita door Lampedusa ook in detail en met warmte wordt beschreven. Net als bij het paleis in Palermo wekken de beschrijvingen van de ruimte ook herinneringen bij hem op aan gebeurtenissen, familieleden en andere personen die er een rol bij speelden. 

    Drie nagelaten verhalen

    En zo geeft Mijn kindertijd een fraai beeld-in-aquareltinten van het leven van de adellijke Siciliaanse familie Lampedusa, waarvan hij de laatste prins was. In de bundel zijn ook drie fictie-verhalen opgenomen die in zijn nalatenschap werden gevonden.  ‘De vreugde en de wet’ vertelt in een mooie lakonieke stijl over de vreugdevolle tocht naar huis van een boekhouder die van zijn baas een bonus heeft gekregen en ook nog een panettone (kerstbrood) van liefst 7 kilo. Maar die – eenmaal thuis – merkt dat er weinig van die rijkdom overblijft. 

    Diezelfde precieze en lakonieke stijl is ook te bewonderen in ‘De Sirene’, waar de hoofdpersoon – een journalist – in zijn stamcafé een oude en wat kribbige man treft die een bekende senator en Hellenist blijkt te zijn. Deze vertelt hem over een jonge vrouw die hij als jongeman tijdens een boottochtje tegenkwam en met wie hij enkele weken verkeerde. ‘Met een verbazingwekkende kracht kwam ze tot haar middel uit het water omhoog, sloeg haar armen om mijn hals, omhulde me met een nooit geroken parfum en liet zich in de boot glijden: iets lager dan haar liezen, onder haar billen, had ze een vissenlichaam dat bezaaid was met piepkleine paarlemoeren en azuren schubbetjes en uitliep in een gevorkte staart die traag op de bodem van de bood sloeg. Het was een Sirene.’

    Een wonderlijk verhaal met een wonderlijke afloop, uiterst geloofwaardig beschreven. ‘De blinde katjes’, het vierde verhaal, gaat over een landeigenaar die langs slinkse weg zijn eigendom vergroot. Het had de aanzet moeten zijn voor een tweede roman van Lampedusa, maar het bleef bij dit begin. En dat is jammer. Want dat Lampedusa een voortreffelijk schrijver was, dat blijkt op elke pagina van deze bundel.

     

     

  • De dood van een bekend politicus in Palestina

    De dood van een bekend politicus in Palestina

    De laatste keer dat het er even op leek dat Israël en de Palestijnen elkaar zouden kunnen vinden in een twee-statenoplossing was op 13 september 1993 toen Yasser Arafat en Yitzhak Rabin elkaar onder de ogen van president Clinton de hand schudden. Daarna ging alles weer mis, zoals het vanaf het begin van de eeuw al mis was gegaan. Over dat begin gaat de uit 1932 daterende en in een voortreffelijke nieuwe vertaling opnieuw uitgebrachte roman De Vriendt keert terug van de Duits-joodse schrijver Arnold Zweig.

    Een vat vol tegenstellingen

    Na de eerste wereldoorlog werd het gebied Palestina onder Brits mandaat gebracht. De Britten hadden al in 1917 onder invloed van de zionistische beweging de Balfour-declaratie afgekondigd die joden een nationaal tehuis in Palestina beloofde. Dankzij deze belofte kwam een stroom van joodse emigranten op gang, weg van de pogroms en de jodenhaat. Maar Palestina was geen leeg land, er woonden Arabieren en ook een kleine groep Christenen. De joden die uit alle windstreken arriveerden, waren allerminst een eenheid. Ze verschilden van cultuur, afhankelijk van het land waar ze vandaan kwamen. Ze verschilden in de mate waarin ze de Joodse religie aanhingen en ook in het doel dat ze nastreefden: er waren zionisten die een eigen staat Israël wilden en anderen die een land wilden met plaats voor zowel joden als Arabieren. En zo werd Palestina al snel een vat vol tegenstellingen, joden tegen joden, joden tegen Arabieren, Arabieren tegen joden, waarbij de Engelse bewindvoerder probeerde zich zo min mogelijk te committeren aan welke subgroep dan ook: iedereen moest maar een plaats zien te vinden onder de koepel van hun mandaat.

    Wie vermoordde De Vriendt

    Arnold Zweig (1887 – 1968) bezocht voor deze roman in 1932 Palestina en maakte kennis met de vele groeperingen die elkaar daar het leven zuur maakten. Om die wirwar te beschrijven koos hij als centrale figuur de Nederlandse dichter, jurist en Thora-geleerde De Vriendt, die in de roman met twee pistoolschoten in Jeruzalem wordt gedood. Hij is als zionist naar Israel gekomen, maar veranderde daar van standpunt: als diepgelovige jood vond hij de zionisten te makkelijk omspringen met de joodse religie en ook te afwijzend tegenover samenleven met Arabieren. De Vriendt is een bekende politicus met vijanden en vrienden en zijn dood zorgt – na beschuldigingen over en weer – voor ernstige onlusten waarbij zowel aan Arabische als aan joodse kant veel doden vallen.

    Het is in deze roman aan de Brit Lolard B. Irmin, chef van de geheime dienst, om uit te zoeken wie de moord gepleegd heeft en waarom. De Vriendt was een getourmenteerde ziel die zijn liefde voor een Arabische jongen zag als in strijd met zijn geloof, maar er toch voor bezweek. Irmin’s eerste verdenking valt dan ook op de familie van de jongen die de relatie als ongewenst kon zien, maar uiteindelijk blijkt De Vriendt vermoord te zijn door een zionist die hem ziet als een verrader. Hij behoort tot de jonge, naïeve idealisten die in die tijd vanuit Oost-Europa naar Israel komen:

    ‘Zij zullen de pioniers van het land zijn, het al werkend opbouwen; op hen rusten de grondvesten van het nieuwe Palestina. Eigenlijk zijn ze geschoolde landarbeiders. Maar net als tienduizenden voor hen zullen ook zij malariamoerassen dempen, in de gloeiende zon wegen asfalteren, met ontblote armen stenen verbrijzelen, tijdens regenbuien in tenten slapen – en zielsgelukkig zijn. Ze hebben allemaal ginds, in het oude Europa, al Hebreeuws geleerd en zijn vastbesloten hier geen andere taal te gebruiken. Wat er vroeger was is verbrand en de as verwaaid; alleen wat voor hen ligt telt.’ 

    Jacob Israël de Haan

    Arnold Zweig heeft de romanfiguur De Vriendt losjes gebaseerd op de Nederlander Jacob Israël de Haan, die  in 1924 in Jeruzalem werd vermoord (naar later bleek in opdracht van de zionitische beweging), nadat ook in zijn geval eerst vermoed werd dat hij gestraft was voor zijn verhouding met een Arabische jongen.
    Zweig is een groot verteller die er goed in slaagt om de complexe situatie in het Jeruzalem van die tijd voor de lezer zichtbaar te maken en sympathie op te wekken voor alle partijen die in het land hun toekomst wilden realiseren en daar altijd meer ruimte voor nodig hadden dan de anderen konden en wilden geven. Van de personages komt die van de Brit Irmin het meest uit de verf, als de alles begrijpende en ter wille van de lieve vrede voortdurend compromissen zoekende vertegenwoordiger van de Britse mandaathouder. 

    Het verhalend proza van Zweig is een genot om te lezen, zijn royale volzinnen hebben een kalme cadans en eindigen pas als alles wat ze willen zeggen ook zorgvuldig is uitgesproken. Het mooist komt dat tot uitdrukking in zijn beschrijving van landschappen en stadsgezichten: ‘Als de lucht zwaar van vochtige hitte drukt op Haifa, de havenstad aan zee, waait er boven op de Karmel tussen half volgroeide dennen vaak een verkwikkende wind. Dan ligt de stad als in een ketel te smoren; haar smetteloze veelgeroemde baai omarmt de viooltjesblauwe zee met de gespreide armen van een witte reuzin; maar de steil oprijzende berg achter haar houdt de frisse bries tegen en maakt de mensen prikkelbaar, waardoor ze bij het minste of geringste in woede uitbarsten.’
    Het nawoord van Zweig bij de Nederlandse vertaling uit 1933 en een essay van Julia Bernhard over de ontstaansgeschiedenis van de roman maken de herdruk van deze indrukwekkende roman compleet. 

     

     

  • Met woorden alles mogelijk maken

    Met woorden alles mogelijk maken

    Het ligt natuurlijk niet voor de hand dat Ludwig van Beethoven in 1815 in Wenen in een lift stapte (toen nog een bezienswaardigheid) en terecht kwam in de stuurcabine van een 100 meter hoge hijskraan op een bouwplaats in Jeddah (Saoedi-Arabië , om daar een gesprek te voeren met de gesjeesde student Luuk Hefter die gekozen heeft voor een loopbaan als kraanmachinist. Beethoven heeft één boodschap voor hem: ‘doe maar alsof je mij bent’.

    Evenmin ligt het voor de hand dat Luuk vervolgens getroffen wordt door een geluidloze explosie van wit licht, waarna  hij enige tijd blind is en naar huis gezonden wordt voor herstel. Steeds piekerend over wat Beethoven hem ook nog heeft gezegd: ‘Laat de luisteraar weten hoe ik heb moeten worstelen om die muziek zo te krijgen. Laat ze weten hoe ik het bedoel. (…) Beschrijf de randen van het bewustzijn.’

    Goed verteller

    Tomas Lieske bewijst in zijn roman Honderd hoge dagen dat met woorden alles mogelijk gemaakt kan worden, ook deze onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Het is een kwestie van gewoon blijven vertellen dat het zo plaats vond en na enige tijd gelooft de lezer het. Je kan op deze manier zelfs president van de Verenigde Staten worden, bleek 4 jaar geleden. Maar: je moet wel een goede verteller zijn, kunnen strooien met details die het onwaarschijnlijke toch geloofwaardig maken. En dat kan Lieske.
    Na zo’n hoogstandje oogt het wat alledaags dat Luuk  – herstellend van de blindheid –  onstuitbaar verliefd raakt op Mira, de dochter van zijn pleegbroer,  die hij lang geleden verteld heeft over zijn passie voor Beethoven en die nu op diens muziek danst. ‘Mira die haar lichaam volkomen beheerste, die haar lijf kon opvouwen en uitvouwen en in de lucht kon werpen. Die haar voet zo aarzelend kon neerzetten en zo nauwkeurig op de muziek dat de tranen me in de ogen schoten.’

    Om de veel jongere Mira in te palmen met verhalen over de componist verdiept Luuk zich in de details van Beethovens leven, daarbij geholpen door  Jill Anklamer, ondanks deze meisjesnaam een man, en één van de vele gekken die in in Lieske’s alternatieve wereld rondlopen. Anklamer houdt dossiers met feitjes over Beethoven bij en leent ze mondjesmaat uit aan Luuk. En die maakt daar met Lieske’s pen mooie verhalen van, die Mira zó moeten bekoren dat zij zich aan hem geeft. Dat lukt maar deels en zijn voortdurende pogingen haar te veroveren behoren niet tot de meest geslaagde gedeelten van deze roman.

    De vorige eeuwwisseling

    De verhalen over Beethoven zijn het boeiendst. Lieske ontpopt zich daarin als een rasverteller die het Wenen en Bonn van rond de vorige eeuwwisseling volop tot leven brengt. In die wereld banjert Beethoven rond als een slonzige excentriek, wiens onsmakelijke eetgewoonten en ongewassen uiterlijk door de Weners uit zijn omgeving alleen getolereerd worden omdat hij bekend staat als een goede pianist en componist.
    ‘Tijd voor een maal. Hij gooit met geweld de deur van de brasserie open, doet één stap naar binnen, spreidt zijn armen uit en roept galmend door de ruimte: – Dag allemaal, hier komt Ludwig van Beethoven. Mensen die vlak bij de deur zitten, schrikken geweldig; sommigen verderop lachen, de obers kijken bezorgd.(…) Een gast die nogal bescheiden tegen de wand zit, staat op en applaudisseert  kort, Beethoven ziet het en het doet hem deugd. (..) – Foie gras en een glas Gneixendorfer, roept hij naar een ober die langsloopt met een stapel vuile borden. (…)’

    Als hij de bestelde foie gras krijgt, ‘kijkt hij triomfantelijk rond en begint te neuriën, wat de buren flink stoort. Dat word nog duidelijker als hij begint te eten en de foie gras met zijn vingers naar zijn mond brengt en luid smakkend en grommend de lekkernij verorbert.’

    Portret van Beethoven

    Niet dat de Weners enig idee hebben van de pijn en de moeite die hij over heeft voor het vangen van de ultieme muziek die hem steeds ontglipt. Dat hij daarvoor moedwillig de eenzaamheid kiest, steeds dover wordt, last heeft van zijn ogen en lijdt aan darmkrampen, dat weten ze niet. Maar als hij die muziek eindelijk kan vastleggen in het Kwartet in Bes – weten ze er wel afwijzend op te reageren: ‘Moordlustig zijn zijn gevoelens als hij verneemt hoe er in de bladen gereageerd wordt op zijn kwartet. (..) Onspeelbaar is een beschrijving die bij al zijn werk gebruikt wordt. Maar dit keer ‘scheldt men er lustiger op los. ‘Een orkest dat aan het stemmen is,’ zegt de een. En een ander oordeelt ‘net Chinees’. ‘Alleen begrijpbaar voor Marokkanen,’ zegt de lolbroek van de Allgemeine musikalische Zeitung.’

    Hoe het afloopt met de (uiteindelijk meerdere) ontmoetingen tussen Beethoven en de kraanmachinist Luuk Hefter kan hier niet verteld worden. Luuk en zijn Mira zullen na het lezen van Honderd hoge nachten de lezer niet lang bijblijven. Maar Lieske’s portret van Ludwig van Beethoven beslist wèl.

     

     

  • Ode aan een onverbeterlijke optimist

    Ode aan een onverbeterlijke optimist

    In 2009 – kort na zijn debuut als schrijver – kreeg  Thomas Heerma van Voss een telefoontje van zijn vriend Daniel van der Meer: of hij redacteur wilde worden bij de net opgerichte uitgeverij Babel & Voss. Het betaalde niet, maar het zou plezierig en zinvol werk zijn. De oprichters van de uitgeverij waren van plan alleen boeken uit te geven die ze zelf mooi vonden. Thomas ging graag in op het verzoek, zijn broer Daan was mede-oprichter en naast Daniel van der Meer was de andere vennoot Reinjan Mulder, de vader van een jeugdvriend. Mulder was lang werkzaam geweest als redacteur literatuur bij NRC en daarna tien jaar als uitgever bij uitgeverij De Geus.

    Vol enthousiasme meldde Thomas, 19 jaar en student Nederlands, zich op het kantoor van de uitgeverij. Dat zag er anders uit dan het imponerende pand van de uitgeverij van zijn debuut: ‘Het kantoor van Babel &Voss lag boven in een vervallen pand op de Wallen. Op de begane grond bevond zich een medisch hulpcentrum, waar achter een dikke glasplaat altijd een paar sjofel geklede jongvolwassenen, soms zachtjes kreunend, zaten te wachten op een dokter.’

    Incasseren van tegenslagen

    Het uitgeven viel tegen, de stapels manuscripten die andere uitgeverijen ontvingen, waren hier heel klein en uit de kwaliteit kon hij opmaken dat ze kennelijk al door die andere uitgeverijen geweigerd waren. Maar af en toe kwam er toch een manuscript langs dat publicabel was. En toen merkte Thomas dat er een groot tweede probleem was: kleine uitgeverijen blijken veel moeite te hebben hun boeken in de boekhandel te krijgen. En boeken die niet zichtbaar zijn bestaan eigenlijk niet en worden dus  niet gekocht. Ook enthousiaste deelname aan de jaarlijkse Beurs voor kleine uitgevers hielp niet. Maar het leek Reinjan Mulder niet te deren. ‘Hoe weinig we ook verkochten, hoe moeizaam een titel vaak ook liep, onze tweewekelijkse vergaderingen bleven goedmoedig, aangenaam. Dat was misschien wel een van de opvallendste eigenschappen van Reinjan, iets waar ik met verwondering en toenemende jaloezie naar keek: zijn vermogen om tegenslagen te incasseren met dezelfde glimlach waarmee hij weken eerder hardop droomde van een grootse gebeurtenis. Alsof in alles een positieve boodschap verscholen lag die hij als enige kon ontcijferen.’

    Thomas’ broer gaf het al na twee titels op. Reinjan die de onderneming financierde en alle tekorten blijmoedig aanvulde uit een blijkbaar ongelimiteerde voorraad geld, constateerde pas na vijf jaar dat het tijd werd te stoppen. Maar dat einde moest niet onopgemerkt plaats vinden, vond hij. Over hun vruchteloze pogingen de uitgeverij te laten slagen had Thomas een stuk geschreven voor  het blad Ons ErfdeelDat verslag moest in boekvorm de laatste uitgave van Babel & Voss zijn, vond Reinjan Mulder. Dat hij er in beschreven werd als een wat naïeve en onverbeterlijke optimist deerde hem niet. Onder de titel Onzichtbare boeken verscheen in 2015 de geschiedenis van hun mislukking. 

    Boekje ter afsluiting

    Thomas Heerma van Voss heeft er geen jammerverhaal van gemaakt. Integendeel, het is een ode aan de Ausdauer en het vaak onbegrijpelijke goede humeur van Reinjan Mulder. Zijn eigen ervaringen beschrijft hij met opgewekte gelatenheid. En er gebeurde een wonder: het boekje werd een succes. Zo groot zelfs dat Babel & Voss er nog vijf jaar mee voort kon. Weliswaar op een steeds zachter pitje, maar toch…

    Tot uiteindelijk Reinjan Mulder zijn Waterloo vond bij het uitbrengen van het boek Melancholicaman. Na het verschijnen van deze titel had de auteur enkele dozen exemplaren meegenomen en deze vervolgens bij veel boekhandels tegen betaling aan de man gebracht met recht van retour. En retour kwamen ze, zodat Reinjan zich blauw betaalde aan terugkerende exemplaren waarvan hij nooit het verkoopbedrag had kunnen innen. Dat was zelfs voor de eeuwige optimist niet te pruimen. Maar ook nu wilde hij dat het einde van de uitgeverij met enige tam-tam zou gebeuren. Thomas, vond hij, moest een vervolg schrijven op ‘Onzichtbare boeken’.  Hij bood aan een verblijf te betalen in het badplaatsje Dovercourt, waar – wist  hij – Thomas goede herinneringen aan had. Daar kon hij vast wel wat schrijven.

    Thomas hield de uitnodiging af. Maar toen zijn vriendin liet weten dat ze de relatie wilde beëindigen was voor hem het moment gekomen om toch maar op pad te gaan. Het resultaat is Verdwenen boeken, dit jaar inderdaad verschenen als laatste uitgave van Babel & Voss.

    Herinneringen aan gezamenlijke vakanties

    Het is een wat melancholisch relaas geworden over het bezoek van Thomas aan Dovercourt, in een poging de gelukkige zomervakanties te herbeleven die hij hier elk jaar met Reinjan en zijn gezin mocht doorbrengen. Want Reinjan’s zoon was zijn boezemvriend en hij mocht daarom elk jaar mee naar het appartement dat Reinjan had geërfd van zijn vader, de schilder Piet Mulder die hier de zee portretteerde. Maar Dovercourt is niet meer wat het was, het plaatsje is leeggelopen, het hotel waar hij zou logeren wordt net op dat moment gesloopt. Hij herinnert zich de snackbar  ‘waar Reinjan vroeger elke vakantie vier porties fish-and-chips haalde, die hij naar huis droeg als een trofee. ‘Nu ik hier sta zie ik zijn opgetogen gezicht weer, lopend over de boulevard, goed zichtbaar door de ramen van zijn vaders flat. Verwilderd grijs plukjeshaar, onbehouwen grijns, haastige bewegingen, precies zoals hij jaren later Babel & Voss bestierde.’

    Veel lezers van Onzichtbare boeken zullen zich hebben afgevraagd waar Mulder de hoeveelheden geld vandaan haalde die hij zonder enige bekommernis in de uitgeverij stak. Dat wordt in Verdwenen boeken onthuld. Reinjan was in 2009 op zijn 60ste een nieuw leven begonnen. ‘Hij ging weg bij de uitgeverij waar hij werkte, hing een FOR SALE-bordje op zijn Engelse appartement, ontfermde zich over de piepjonge  Milan Kundera, schreef met zijn nieuwe geliefde het filosofische boek Opnieuw beginnen en stortte zich bezield op een eigen uitgeverij waarmee hij alles veel beter zou aanpakken dan bij de uitgeverijen waar hij eerder werkte.’

    Een late midlife crisis en de verkoop van het Engelse appartement waren dus de basis voor het mislukte uitgeef avontuur dat uiteindelijk toch nog deze twee aardige, vlot geschreven boekjes heeft opgeleverd. Met een fraai portret van Reinjan Mulder en een kijkje in de ziel van de schrijver. Ze zijn nu in één band herdrukt door DAS MAG, de uitgeverij die Daniel van der Meer oprichtte toen hij vertrok bij Babel & Voss. En zo kwam de cirkel toch een beetje rond.

     

     

  • Aardig plot in een wat opsommerige stijl

    Aardig plot in een wat opsommerige stijl

    De negende roman van Thomas van Aalten, Een vrouw van de wereld, gaat over Leonie, een aantrekkelijk meisje uit een arbeiders-milieu dat in de jaren zestig – zonder eigenlijk van hem te houden – trouwt met Dick van Espen. Hij, telg uit een supermarkt-familie, is zelf een succesvol reisbureau begonnen met als grootste attractie goedkope reizen naar de Costa Brava. Thomas van Aalten legt het er in zijn beschrijvingen graag dik bovenop en Leonie’s man wordt dan ook stelselmatig beschreven als een nogal onsmakelijk ogend, ruikend, ronkend en snurkend stuk mensenvlees. Een pafferige Zaankanter die elke dag dezelfde routine volgt, niet verder kijkt dan zijn neus lang is, te veel drinkt en dan wel eens agressief wordt.

    Leonie begint al vrij snel na hun trouwen een hekel aan hem te krijgen. Het is dan ook een klein wonder dat zij na enige tijd toch zwanger wordt. Alhoewel.. ‘Dick had weinig oog voor Leonies lichaam, haar wensen en bij vlagen haar weerzin; hij kroop op haar als een dier en nam haar. Zijn witte billen dansten als puddingen tussen haar benen, vaak niet langer dan een minuut. Dan spoot hij in haar.’

    Meerdere invalshoeken

    Rond die tijd maakt zij ook kennis met de Surinaamse student Urvin die in een dansgroepje optrad tijdens een door Leonie georganiseerde cocktailparty. Dat opent haar ogen voor andere werelden dan de Hollandse gezapigheid waarin zij opgroeide en waarin Dick zich thuis voelt. Er groeit bijvoorbeeld  – laat schrijver van Aalten weten –  een wens in haar om nu eens verse basilicum te gebruiken in plaats van de gedroogde die de supermarkt van haar echtelijke familie in het schap had liggen: ‘Leonie had juist verlangd naar de sappige bladen die volgens het artikel uit de krant rijk aan calcium moesten zijn.’
    Ze begint er in haar eentje op uit te trekken, maakt zelfs stiekem een reisje naar Parijs als Dick een tijdje weg is om zijn Costa Brava-reisbestemming te inspecteren. Ze is op weg een vrouw van de wereld te worden.
    Uiteindelijk lopen de tegenstellingen tussen het duo zo hoog op dat er klappen vallen en Dick een apoplexie krijgt waaraan hij overlijdt. 

    Tot zover deel een van de roman. In deel twee krijgen dezelfde gebeurtenissen een andere belichting als blijkt dat Leonie van kinds-af-aan een bedriegster was die met leugens en fantasieën probeerde de zaken naar haar hand te zetten. Was Dick wel zo’n ongenietbare man of wilde Leonie gewoon haar vrijheid? En welke rol speelde de Surinaamse winti-magie waarmee Urvin haar in kennis had gebracht bij de dood van Dick? In het derde en laatste deel, waarin Leonie Suriname bezoekt, worden deze vragen min of meer beantwoord. 

    Opsommerige indruk

    Zo samengevat heeft Een vrouw van de wereld best een aardig plot en had het een lezenswaardig boek kunnen zijn. Maar helaas heeft Van Aalten het verhaal geschreven in een nogal onbeholpen stijl. Het proza maakt vaak een wat opsommerige indruk, alsof de schrijver zijn research naar het leven-in-de-jaren-zestig oplepelt, ‘Muziek klonk er zelden in het huis van de Espens, met uitzondering van de kerst- en paasmuziek tijdens de feestdagen. Af en toe draaide Dick een lp van Neil Diamond of Elton John op hun stereomeubel, maar verder kwam het echtpaar niet in aanraking met moderne muziekstromingen. Ze hielden sowieso veel op afstand.’ Dit doet denken aan acteurs-instructies in het script van een toneelstuk. Ook de beschrijvingen van conversaties en gedragingen maken de indruk een replica te zijn van wat de auteur denkt over de wijze waarop men in de jaren zestig met elkaar omging en sprak. 

    De hele roman heeft daardoor iets toneelmatigs, alsof de personages acteurs zijn die bedachte jaren-zestig-personages spelen. Als Leonie aan haar man bekent dat de baby in haar buik vermoedelijk niet van hem is maar van de Surinaamse student en danser Urvin zegt zij: ‘Ik liet me gaan, ik was door lust gedreven, ik kreeg voor het eerst warmbloedige aandacht toen hij hier aan de deur stond om zijn reiskosten te innen.’ En wat was hierop haar man Dick’s reactie? Hij ademde ‘gnuivend als een roofdier en ontstak in een stuurloze, woedende reeks kreten. Hij balde zijn vuist en timmerde die zo hard tegen de keukenmuur dat een tegel losliet en op de grond uiteenspatte.’
    Tja…

     

     

  • Detective over verlies en ouder worden

    Detective over verlies en ouder worden

    Wat weten partners eigenlijk van elkaar, zelfs als ze meer dan een halve eeuw in een gelukkig huwelijk bijeen zijn geweest? Die vraag stelt Hans Vervoort uitdrukkelijk in zijn jongste roman Zo tedere schade… Protagonist Hans Heijmenberg verliest zijn vrouw Melissa aan longkanker. Ze heeft nooit gerookt, maar hij wel. Ondanks het feit dat hij al jaren geleden is gestopt en dat Melissa niets van een schuldigheid wil horen, verwijt hij zichzelf haar dood. Kort voor ze overlijdt verschijnt een bericht in de krant dat het geraamte van een vrouw is gevonden vlakbij de legerplaats Walaardt-Sacré bij Huis ter Heide, waar Hans in 1959 en 1960 zijn diensttijd uitzat. De vrouw moet ongeveer vijftig jaar geleden zijn gestorven; ze heeft een schotwond in haar schedel. ‘Misschien is ze wel vermoord. Waarom ga jij dat nou niet eens uitzoeken?’, vraagt Melissa hem.

    Dit gegeven is het startpunt van de roman. Heijmenberg gaat inderdaad op zoek naar de identiteit van de gevonden vrouw. Dat gebeurt in een spannend verhaal dat uiteindelijk leidt tot de (mogelijke) verklaring van wat er gebeurd is. Maar dit verhaal is in feite de locomotief die de tekst voorttrekt waarover Zo tedere schade… in werkelijkheid gaat: de verwerking van de dood van je grote liefde, eenzaamheid en ouderdom, schuldgevoelens in je leven zonder haar, maar ook over de misleidingen van de herinnering.

    Onbereikbaar

    Aanvankelijk maakt Heijmenberg nauwelijks werk van het onderzoek. Hij verdrinkt zijn verdriet en gaat slecht eten (soms bestaat zijn ontbijt al uit wodka). Zijn zoon komt hem uit bezorgheid af en toe maaltijden brengen. Een mooi moment is er in de roman als hij na maanden in de vrieskist maaltijden aantreft die Melissa vlak voor haar dood heeft bereid. Ze voorvoelde al dat Heijmenberg niet in staat zou zijn zonder wat duwwerk te overleven. In dat kader ziet de lezer geleidelijk ook haar advies aan hem om op zoek te gaan naar de mogelijke moordzaak van vijftig jaar eerder.

    En dat helpt. Zijn rechercheerwerk komt pas echt op gang op als hij beseft dat ‘het de beste manier [was] om Melissa bij me te houden’. Wat wist hij eigenlijk van haar? Hij kon voorspellen hoe ze op TV-series zou reageren of op het eten dat hij voor haar maakte. ‘Maar binnendringen in iemands gedachten, dat lukt nooit bij een ander (…) Dat maakte het gemis eigenlijk nog groter: de wetenschap dat je iemand verloor die met zich meenam wat altijd onbereikbaar was gebleven, haar diepste wezen’. Op zijn Facebookpagina had hij na haar dood ‘het mooiste doodsgedicht dat ik kende’ gezet, het gedicht van Werumeus Buning waarvan de beginregels de titel van deze roman vormen.

    Butagas

    Zo tedere schade… is niet alleen meeslepend door zijn detective-achtige opzet, maar ook door het hoge gehalte aan verifieerbare gegevens dat Vervoort erin stopt. Hij geeft op tal van plaatsen exacte data en veel is te herleiden tot zijn persoonlijke leven. De naam Hans Heijmenberg is een samenvoeging van de voornaam van de auteur en de achternaam van Gerrit Heymenberg, die we ook al kunnen kennen als Vervoorts co-auteur van Het klein Nederlands soldatenboek uit 1970. Er zijn verder diverse verwijzingen naar eerdere boeken van Vervoort waaruit bovendien fragmenten zijn overgenomen. Tenslotte herkennen we de autobiografische elementen, zoals de diensttijd van de auteur, zijn latere carrière en de Indische achtergrond van zowel hem als zijn vrouw.

    De thema’s in Zo tedere schade… zouden gemakkelijk kunnen leiden tot sentimaliteit of geweeklaag. Maar Vervoort slaat de van hem bekende lichte toon aan. Er is de milde ironie zoals in de herinnering aan de tijd dat hij een kamer probeerde te verwarmen met een butagasfles waarvan de inhoud bevroren bleek, zodat hij die eerst een uur lang met zijn lichaamswarmte moest zien te ontdooien: ‘Het was zonder meer de treurigste dag uit mijn bestaan tot dan toe’. En er is de humor in subtiele woordspelingen als ‘Na alle geruchten over vechtpartijen en orgieën viel de Spit bar tegen’ (de Spitfire was een kroeg bij de legerbasis waar vooral Amerikanen kwamen) of in de avontuurijke tocht met een Solex.

    Net als in eerdere boeken, waaronder de korte verhaaltjes als in Olie is niet dom en Kleine stukjes om te lezen zijn er weer de vluchtige reminiscenties aan verdwenen voorwerpen of reclameleuzen, die oudere lezers een geamuseerd ‘O ja!’ ontlokken. En niet alleen ouderen: de zoenbutton van psycholoog Dolph Kohnstamm met de tekst ‘Ik zoen je 2 keer en ik begin rechts’ is pas van achttien jaar geleden.

    Zo tedere schade… is een detective over verlies en ouder worden en Vervoort weet hoe hij de lezer mee moet krijgen. Hij is een heerlijke verteller.

     

     

  • Oogst week 41 – 2020

    Zo tedere schade

    Hans Vervoort (1939) groeide op in Nederlands-Indië en kwam in 1953 naar Nederland. Vanaf 1970 publiceerde hij vele boeken, waaronder enkele jeugdboeken en Het bedrijf, een autobiografische trilogie over zijn tijd dat hij als marktonderzoeker en tijdschriften uitgever bij de Weekbladpers werkte.

    Zijn nieuwe boek Zo tedere schade…, is een kleine roman over Hans Heijmenberg die na een huwelijk van vierenvijftig jaar zijn vrouw verliest. Zij deelden hun Indisch verleden met elkaar en waren soulmates voor het leven. Zijn vrouw sterft aan longkanker, waarvoor hij zich schuldig voelt. Hij was een fervent roker en zij, als nietroker, rookte ongewild met hem mee. Na haar dood doet hij zijn best zichzelf dood te drinken. Dit lukt hem echter niet, hij kan meer alcohol verdragen dan hij dacht. Dan besluit hij een door zijn vrouw geuitte wens uit te voeren. Kort voor haar dood las ze een bericht over een onopgeloste moord op een jonge vrouw bij kamp Walaardt Sacré, waar haar man in 1960 zijn diensttijd doorbracht. Een jaar na haar overlijden begint hij de 60 jaar oude, onopgeloste moordzaak te onderzoeken.

     

    Zo tedere schade
    Auteur: Hans Vervoort
    Uitgeverij: Uitgeverij Brooklyn

    Voor permanente bewoning

    Anna de Bruyckere (1987) debuteert met de bundel Voor permanente bewoning.  Eerder werd haar werk gepubliceerd in onder andere Het Liegend Konijn, De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2018 en 2019 was ze stadsdichter van Middelburg.

    Haar gedichten kenmerken zich door verrassende wendingen, zo wordt regenen een vorm van prevelen. Ontpopt een warm bed zich als een plaats voor nietsontziende zelfreflectie. En uit het geel in een verder grijze polder wordt als een schuchter liefdesgedicht een warm blakend vest / precies jouw maat geweven.
    De Bruckere heeft duidelijk oog voor de kleine dingen, ze beschrijft dat, wat ons levenslang bezighoudt.  De uitgeverij  noemt, ‘Voor permanente bewoning […] een opvallend debuut dat formuleert wat ons in onze alledaagse hectiek vaak ontglipt, omdat we het niet zien of er nog geen woorden voor hadden.’

    Naast poëzie schrijft ze essays, verhalen en theater.

    Voor permanente bewoning
    Auteur: Anna de Bruyckere
    Uitgeverij: Cossee

    Het smartlappenkwartier

    Philip Snijder (1956) groeide op in de oude volksbuurt Bickerseiland in Amsterdam. Een stukje ingepolderd land dat in de 17e eeuw een bedrijvig toneel van de scheepvaart was, maar later veranderde in een volksbuurt met verkrotte huizen en bouwvallige loodsen.
    Snijder debuteerde als schrijver met verhalen over zijn jeugd op Bickerseiland in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde.

    Het smartlappenkwartier is zijn vijfde roman, even als zijn voorgaande romans speelt ook deze zich af in de volksbuurt waar hij opgroeide. In zijn vorige boeken wordt beschreven hoe een jongen zich probeert los te maken uit de benauwenis van zijn familie.
    In Het smartlappenkwartier staat de moeder centraal, een ongeschoolde, wereldvreemde vrouw. Op een zondagmiddag is ze opeens verdwenen. Als ze zich ’s avonds meldt, krijgt haar zestienjarige zoon het telefoonnummer waarop ze te bereiken zou zijn. Hij stapt op zijn Puch en verdwaalt in de herinneringen aan hun gezamenlijke verleden, waarin strijd, haat en schaamte de boventoon voeren.

    In een interview bij VPRO’s Nooit meer slapen vertelde de schrijver dat zijn moeder, hoewel ze verder niet echt naar haar kinderen omkeek, wel elke avond bij het naar bed gaan een kwartiertje bij hem op bed kwam liggen en daar de ene na de andere smartlap voor hem zong. Vandaar de titel, Het smartlappenkwartier.

    Het smartlappenkwartier
    Auteur: Philip Snijder
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Eva

    De roman Eva verscheen in 1927 en baarde gelijk veel opzien en werd vele malen herdrukt. Hij werd als de belangrijkste roman van Carry van Bruggen gezien. Van Bruggen werd in 1881 geboren als Carry de Haan, ze was de zuster van Jacob Israël de Haan, die in 1919 als zionist naar Palestina emigreerde. Daar werd hij op 30 juni 1924 vermoord tijdens een terroristische aanslag van een Joodse paramilitaire organisatie.

    Eva, de roman die bij het verschijnen in 1927 veel opzien baarde en sindsdien vele malen is herdrukt, is een openhartige zelfportret, een biecht waarin via een voortdurende dialoog met haar alter ego beleden wordt dat de zin van het bestaan gelegen is in strijd met de wereld, in zelfstrijd. Eva is de geschiedenis van een jonge vrouw die zich losmaakt uit het milieu waaruit ze komt en van het orthodoxe geloof waarmee ze opgroeide. De dood van haar broer speelt een belangrijke rol in deze roman. Kort na verschijning van Eva belandde Van Bruggen in een jarenlange depressie, die uitmondde in een zelfmoord in 1932.

    Vanaf haar debuut In de schaduw (1907) publiceerde Van Bruggen verhalen en romans. Onder meer het sterk autobiografische Het huisje aan de sloot (1921).

    Eva
    Auteur: Carry van Bruggen
    Uitgeverij: Querido
  • De vreemdeling in huis

    De vreemdeling in huis

    Het is een curieus verschijnsel van de laatste decennia dat in de Nederlandse literatuur verhalenbundels steeds minder populair zijn bij lezers, maar dikke romanpillen het juist goed doen. Het omgekeerde zou je verwachten in een tijd waarin alles sneller moet en ook sneller gaat dan vroeger.
    Ook novellen verschijnen minder dan vroeger, wat jammer is want deze vorm leent zich heel goed voor een verhaal dat vooral over één persoon gaat. Aan dat genre heeft Frida Vogels nu een juweeltje toegevoegd, De vader van Artenio, in de vorm van een portret van haar Italiaanse schoonvader, Salvatore de Matteis.

    La famiglia italiana

    Ze leerde hem en haar schoonfamilie kennen toen zij in de zomer van 1956 met haar Italiaanse verloofde Artenio (roepnaam Ennio) voor het eerst het plaatsje San Severo bezocht waar zij woonden.
    Dat bezoek had nogal wat voeten in de aarde omdat het in die tijd en in die familie onfatsoenlijk werd gevonden dat een nog ongehuwd stel zo’n visite aan het ouderlijk huis aflegde.
    Haar schoonvader hakte ten slotte de knoop door: het mocht.
    En zo maakte de Nederlandse Frida kennis met de familie van Artenio’s moeder, haar schoonmoeder. Een echte Italiaanse familie van ooms en tantes die allemaal in het familiehuis woonden.
    Frida werd hartelijk binnengehaald en overladen met attenties, maar was en bleef zich mede daardoor een vreemdeling in Jeruzalem voelen, een gevoel dat ook in de daarna volgende decennia nooit geheel verdween.

    Er was één andere vreemdeling in huis, en dat was Artenio’s vader. Hij ontbrak bij hun aankomst.
    ‘Toen we later allemaal aan tafel zaten, Ennio, ik, Ennio’s moeder en oom Mario en ook tante Flora (…) was Ennio’s vader er nog steeds niet, noch scheen iemand dat vreemd te vinden.’
    Hij werd door de familie van zijn vrouw maar node in het huis getolereerd, merkte Frida al snel.
    ‘Ennio’s vader, die maar een arme boer was, hoorde er niet en werd door zijn aangetrouwde familie behandeld met een verachting die mij razend maakte, maar hem zo te zien koud liet. Ik zag hem trouwens weinig. Door de week ging hij ’s morgens vroeg de deur uit om in zijn wijngaard te werken en kwam ’s avonds bij zonsondergang weer terug, moe en hongerig; hij waste zich dan een beetje en at vervolgens meteen, uit een diepe schaal twee keer zo groot als een gewoon bord en met een verbazende snelheid. Daarna ging hij soms de straat op en soms meteen naar bed, en dan hoorden we hem na enige tijd snurken.’

    Wijnboer

    Hun beider uitzonderingspositie in het huis maakt Frida nieuwsgierig naar haar aanstaande schoonvader Salvatore. Ze leert hem 7 jaar later beter kennen als hij met haar en Ennio een reis onderneemt om op zijn oude dag nog enkele Italiaanse steden te bezoeken. Frida Vogels is een dagboek-schrijver (10 van de in totaal 16 delen zijn intussen verschenen bij Van Oorschot) en ongetwijfeld heeft ze destijds notities gemaakt die ze nu kon gebruiken voor een ontroerend en bij wijlen ook hilarisch verslag van deze reis. Salvatore moest na de dood van zijn vader al op 12-jarige leeftijd stoppen met school en als wijnbouwer aan de slag gaan om het gezin te onderhouden. Die zware arbeid maakte het moeilijk om zijn drang naar kennis te kunnen bevredigen en alhoewel hij zoveel mogelijk bleef lezen en door dat lezen ook Marxist werd, gaf hij de gedachte op om zelf méér te worden dan een eenvoudige hardwerkende wijnboer. Wel besloot hij, eenmaal getrouwd, slechts één kind te willen, omdat hij maar voor één nakomeling de studie zou kunnen betalen.
    De zoon die hij kreeg noemde hij Artenio een samentrekking van arte en genio, kunst en genie.
    De vaak wat kribbige conversaties tussen deze universitair geschoolde zoon en zijn vader – voor wie hij zich op deze reis vaak geneerde – zijn heerlijke leesstof. Maar dat geldt goedbeschouwd eigenlijk voor de hele novelle.