• Het best op dreef in verhalen die tegen het absurde aanleunen

    Het best op dreef in verhalen die tegen het absurde aanleunen

    In 2000 verscheen Margriet de Moor’s Verzamelde verhalen. Daarna schreef zij tien romans en nu publiceert de Bezige Bij van haar de verhalenbundel Meneer en mevrouw GodToch nog nieuw verhalen na de verzamelde? Vermoedelijk niet echt. ‘Deze uitgave bevat verhalen die niet eerder in boekvorm zijn verschenen’, meldt de uitgeverij. En als lezer merk je ook al snel dat de bundel enigszins een ratjetoe is van verhalen die ooit voor verschillende gelegenheden en publicaties geschreven zijn en nu bij elkaar gebundeld. Negatief hoeft dat overigens niet te zijn, want het komt de variatie wel ten goede.

    De muzikale achtergrond van de schrijfster heeft twee mooie verhalen opgeleverd: ‘Joseph Haydn sterft’ waarin de bejaarde componist op zijn sterfbed geabsorbeerd wordt door zijn laatste gedachten en herinneringen, terwijl de kanonnen van Napoleon bulderen tijdens de verovering van Wenen. Hier, en ook in ‘Woferl’ (een verhaal over de doodzieke Mozart tijdens zijn bezoek aan Nederland als wonderkind) kan de lezer genieten van de lichtvoetige impressionistische stijl die de schrijfster in haar palet heeft: tastenderwijs met woorden  een adequate beschrijving geven van wat er gebeurt.

    Joodse bruidje aan het woord

    Van die mooie stijl is ook te genieten in twee verhalen over schilders: De vrouw die Rembrandt met haar man portretteerde in het bekende schilderij ‘Het joodse bruidje’ komt aan het woord in ‘De rode jurk. En in het verhaal ‘Judith’ schrijft Margriet de Moor over Judith Leyster, de door haar bewonderde schilderes uit de 17e eeuw: `Zeker, ze kijkt naar de ronding van haar wangen, de glim op haar neus, de vorm en kleur van haar lippen, het wit van haar tanden, het netjes naar achteren gekamde haar en terwijl ze kijkt en ook al heeft besloten daar vol goede moed bij te glimlachen, vol goed humeur, dus terwijl ze naar dat alles kijkt, denkt ze aan niets anders dan aan de pigmenten op haar palet en de penselen in haar hand’.

    Op een heel andere, wat kwebbelende manier, zijn de stukken geschreven die spelen in Noordwijk, de stad van de Moor’s jeugd. ‘De tram kwam eraan, scheef hangend in de bocht van de Oude Zeestraat, en stopte met de deuren al open. Onze achterneef sprong regelrecht van de treeplank de zoute wind van de badplaats in. Zo, dat was niet mis, man, echt niet! Ons verre familielid was niet zo’n klein beetje gegroeid en erg breed in de schouders. Zijn haar droeg hij boven de oren opgeschoren – we besloten daar begrip voor te hebben – met nog een rest van de zwarte krullen daar hoog bovenop’. 

    Absurdistische verhalen

    De Noordwijk-verhalen ogen het meest als gelegenheids vertelsels en zijn de minste in de bundel. Het best is De Moor op dreef in de korte verhalen die tegen het absurde aanleunen. Zoals dat van de dorpsburgemeester die een zeventien meter lange afgedankte Mig-straaljager cadeau krijgt op z’n verjaardag. Of het slagersverhaal over de op hol geslagen koe. Het titelverhaal ‘Meneer en mevrouw God’ behoort ook tot die categorie: ‘Laat op de avond toen het leeslampje uit was, sprak God tegen zijn vrouw: ‘’t bevalt me niet.’ Ze draaide zich op haar zij, legde haar hand op zijn buik, dacht: o nee hè, niet weer, en suste: ‘Ga nou maar slapen.’
    Het allerbeste verhaal is ‘Ach! Hoe’, een met perfecte timing geschreven en dieptreurig eindigend verhaal over Harmke Louise, die alles mee heeft in het leven, totdat het noodlot toch toeslaat. Al met al een mooie bundel.

     

  • Beeldend geschreven maar enig verband is ver te zoeken

    Beeldend geschreven maar enig verband is ver te zoeken

    Katja is een operazangeres die tijdens één van haar optredens heeft besloten dat zij niet meer op het toneel wil staan en in plaats daarvan op straat haar kunst wil vertonen in verkorte versies van opera’s. Met dat straattoneel heeft ze veel succes, maar één toeschouwer ontbreekt: haar hartsvriendin Emmy, die helaas weinig interesse voor opera heeft. Katja is een vlot persoon die makkelijk contacten legt, maar die contacten graag oppervlakkig houdt. Emmy is een onderwijzeres, serieus van aard en begaan met het lot van dieren en planten op onze slecht onderhouden aarde. Met andere vogelbeschermers maakt zij zich sterk voor het behoud van een natuurgebied, de plas van Wely, die teloor dreigt te gaan.

    Katja heeft daar niets mee, net zo min als Emmy van opera houdt. Maar sinds ze elkaar hebben leren kennen en in een platonische verhouding zijn beland, is zij geïntrigeerd door de vraag wie Emmy is en waarom ze haar zo aantrekt. Wie is die slecht geklede persoon met dat warrige haar en glanzende ogen, ‘groot als die van een nachtdier’?

    Dode vogels tot leven wekken

    Als Emmy met haar actiegroep op pad gaat om vogels te tellen op de plas van Wely, gaat Katja een keer mee en maakt kennis met iemand die haar vriendin ingepalmd lijkt te hebben: Tido, de zoon van de beroemde schrijver Bleichrodt, die volgens geruchten contacten zou hebben onderhouden met leden van de Rote Armee Fraktion en zich met veel bombarie achter het trotskisme had geschaard. Bleichrodt is inmiddels bejaard en zit in een verpleeghuis, zijn romans worden niet meer gelezen maar zijn nog wel populair vanwege een serie boekjes over vogels. Zoon Tido maakt diepe indruk op Emmy, omdat ze heeft gezien – of zich dat inbeeldt – dat hij kan praten met vogels en zelfs dode vogels weer tot leven kan brengen. Katja gelooft daar niets van maar gaat er niet met haar vriendin over in discussie. Ze doet een keer mee met de actiegroep maar beseft al snel dat het haar niet boeit:  

    ‘Ik merkte dat ikzelf alweer ongedurig werd en terug wilde van die plas en zijn vogels, die, nu ik ze van dichtbij zag, ook iets akeligs bleken te hebben, met die koude ogen en stakerige poten; ik wilde weer zingen, repeteren, optreden, afbreken, over de snelweg jakkeren en ergens afzakken, iemand mee naar huis nemen of met iemand meegaan, een jongen, een man, een vrouw voor mijn part.’

    Maar als zij probeert een vogel te bevrijden die in een net verstrikt is geraakt gebeurt er toch iets met haar: ‘Met een gitzwart oog keek het terug, het zag mij zoals ik het zag, we zagen elkaar en begrepen elkaar, al was het me een raadsel wat we van elkaar begrepen, misschien niet meer dan dat we allebei ernaar verlangden er te zijn.’ En ook Tido maakt indruk op haar: ‘Alles aan hem was lang, zelfs zijn gelaat, dat net als bij zijn vader met de jaren strakker over de botstructuur zou trekken.(…) Tido hield zich afzijdig en tuurde over het riet. Zoals hij daar stond maakte hij een verloren indruk, er was het riet en zijn gestalte aan de rand ervan.’ 

    Katja maakt mee dat Tido een vogel tot leven brengt, of dat zo laat lijken: ‘Zijn hoofd had hij in zijn nek, zijn armen hield hij recht omhoog en hij verroerde zich niet, alsof hij erin was uitgesneden tekende hij haarscherp af in de heiigheid. Juist toen ik me begon af te vragen hoe lang hij die houding nog zou volhouden, vloog er iets uit zijn handen op, niet meer dan een stipje, althans zo leek het. Maar over het water vlogen wel meer stipjes.

    Beeldende schrijfstijl

    Edzark Mik heeft – zo blijkt wel uit deze citaten – een aansprekende en beeldende schrijfstijl en gebruikt die om – gezien vanuit Katja – de relatie tussen haar en Emmy af te tasten: wat betekenen ze voor elkaar? Als Emmy een relatie met Tido krijgt (niet lichamelijk, daar heeft hij een jonge vriendin voor) houdt dat ook Katja bezig.
    De actiegroep gaat op een dag in de ogen van de politie te ver in de verdediging van de plas van Wely. Emmy behoort tot de gearresteerden en brengt enkele dagen in een politiecel door. In die periode trekt Katja met Tido op en dat veroorzaakt een breuk tussen de twee vrouwen.
    Tot dat moment is Waarom vogels een samenhangend en goed te volgen verhaal. Niet over vogels, al wordt er veel kennis gespuid over met uitsterven bedreigde soorten. Maar over twee vrouwen die met elkaar en met een raadselachtige man omgaan in relaties die nog geen vorm hebben. Boeiende stof. Maar in het tweede deel van de roman raakt Mik het spoor van zijn verhaal bijster.

    Het spoor bijster

    Emmy blijkt onverhoeds naar Spanje te zijn gegaan, mogelijk om bij te komen van haar gevangenschap, mogelijk uit boosheid over het contact tussen Katja en Tido. Ze is gaan wandelen in de Alpujarras, een bergachtig gebied bij de Sierra Nevada waar zij en Katja vaker zijn geweest. Katja besluit haar daar op te zoeken en vliegt naar Spanje met in haar gezelschap tienermeisje Robin, een leerlinge die door Emmy onder haar hoede is genomen.
    Robin speelt geen enkele rol in Mik’s verhaal, maar Katja kan niet tegen alleen zijn, vandaar dat ze toegevoegd is aan de personages. Daar komt in Spanje dan ook nog de boswachter Mateo bij met wie Katja een verhouding heeft gehad en nog heeft. Emmy blijkt zoekgeraakt te zijn in de bergen en in de laatste hoofdstukken van Waarom vogels probeert Katja haar te vinden, samen met Mateo en Robin die tussendoor nog een avontuurtje beleeft met een zwartharige ‘paardenjongen’. Tijdens die zoektocht raakt Katja haar tochtgenoten kwijt en of ze uiteindelijk Emmy vindt of dat hallucineert wordt in het laatste hoofdstuk niet duidelijk.

    Al met al is Waarom vogels een overvolle roman geworden met gebeurtenissen die nauwelijks  verband met elkaar hebben en met personages voor wie eigenlijk hetzelfde geldt. De roman is beeldend geschreven, dat wel.

     

     

  • Het plezier spat er vanaf

    Het plezier spat er vanaf

    Wim Daniëls verzamelde als kind woorden die alleen als verkleinwoord voorkomen: akkefietje, beetje, ijsje, meisje, ommetje. onderonsje, poffertjes, wissewasje en watje. De nieuwsgierigheid naar bijzondere woorden en uitdrukkingen in de Nederlandse taal zat er dus al vroeg in. Later werd hij leraar Nederlands en Duits, maar sinds zijn veertigste is hij schrijver, theatermaker en radio/tv-medewerker. Van zijn hand verscheen het ontzagwekkende aantal van honderdtwinitg boektitels, merendeels over taalkwesties en  de eigenaardigheden van de Nederlandse taal. Onlangs verscheen De Dikke Daniëls, een titel die even doet denken dat dit het finale, alles samenvattende slotstuk van zijn schrijversloopbaan zou zijn. Maar was dat ook niet zo bij Van Dale toen deze ‘Dik’ werd, en bij de culinaire guru Johannes Van Dam met De Dikke Van Dam? Voor wie het boek leest weet meteen: er zullen nog vele Daniëlsen volgen, dikke en dunne. 

    Koekhappen en kunstrijden

    Het plezier dat hij beleeft aan de hoeken en gaten, de kelders en de zolders, de ins en outs van het Nederlands spat er vanaf. En als dat je drijfveer is komt er altijd iets nieuws op je pad. De ruim zestig stukken en stukjes die het boek bevat, geven daarvan vele voorbeelden. Wist u – om maar iets te noemen –  dat er meer dan duizend woorden in het Nederlands zijn die alleen in de onbepaalde wijs voor komen? Koekhappen, kunstrijden, leerlooien, neuspeuteren, parelduiken, klootschieten en veel meer. Neem bijvoorbeeld buikspreken: “‘Ze sprak buik”, of “ze buiksprak” is geen gangbaar Nederlands, net zomin als “ze heeft buikgesproken”. Het is enkel en alleen “buikspreken”. Nog een ander voorbeeld is “hoerenlopen”. Hij “hoerenliep” of “hij liep hoer” hoort niet te worden gezegd en geschreven. En wie naar de hoeren is geweest, is wezen hoerenlopen en heeft niet “gehoerenloopt” of “hoerengelopen.”‘

    Een ander stuk in De Dikke behandelt het fenomeen ‘duowoorden’, woorden die altijd in combinatie voor komen: ja en amen, nou en of, willens en wetens. Iedereen kent ze. Maar wat bepaalt de volgorde van de duo’s? Daniels zocht uit hoe dat zat en schrijft: ‘Er spelen veel verschillende factoren een rol:

    – de chronologie, het ene is er in de tijd eerder dan het andere: oorzaak en gevolg, Oud en Nieuw, Adam en Eva.
    – kort gaat vooraf aan lang: eb en vloed, op en top, wis en waarachtig.
    – het positieve komt eerst, daarna het negatieve: lief en leed, plussen en minnen, vriend en vijand..
    – belangrijk, bekend of succesvol gaat vooraf: Sint en Piet, John en Yoko.
    – wat dichterbij is, wordt als eerste genoemd: hier en daar, ditjes en datjes.’

    Huppelnederlands

    Hij noemt maar liefst negen(!) andere factoren die de volgorde van de duo’s bepalen. De laatste:
    ‘- mannen worden belangrijker gevonden dan vrouwen: ooms en tantes, Suske en Wiske, Ot en Sien.’

    Voor het bestrijden van de Corona-blues verzamelde Daniëls voor zijn lezers woorden die een mens vrolijk maken. Zoals: flierefluiten, hoeperdepoep, hatsiekiedee, kwinkeleren en sapperdeflap. Huppelnederlands noemt hij dat. Het aantrekkelijke van De Dikke Daniëls is het duidelijke plezier dat de schrijver heeft in zijn taalontdekkingen. Mede daardoor zijn de stukken zeer genietbaar. Het is wel aan te raden ze niet te snel achter elkaar te lezen, maar ze in gepast tempo tot zich te nemen. Anders wordt men van al die taalvondsten misschien snel kierewiet (herkomst onbekend, mogelijk een samenhang vertonend met kierebus ‘een dwaas, een gek, een zot’ en met kierewier ‘kronkelig, knullerig figuur’). Waarvan akte! 

     

  • Mooie scènes maar verhaal is lastig te volgen

    Mooie scènes maar verhaal is lastig te volgen

    Schrijver en journalist Thomas van Aalten bewijst in zijn tiende roman Voorstad dat hij gewend is goed om zich heen te kijken en naar zijn omgeving te luisteren. Het verhaal speelt zich af in een bekende stedelijke tweedeling van een witte vooroorlogse villawijk (hier Bomenwijk geheten) en een nabije volkswijk Oud Babylon, tegenwoordig vooral bewoond door mensen met een migratie achtergrond. De wijken liggen naast elkaar gescheiden door een viaduct. In korte hoofdstukken wordt telkens vanuit één van de personages diens leven geschetst. Dat zijn in de Bomenwijk Arthur, een vijftigjarige uitgebluste planoloog en zijn vrouw Selma die evenmin plezier in het leven heeft en parttime werkt als docent Franse moderne letterkunde. Hun 18-jarige dochter Claire weet niet wat ze na de middelbare school moet beginnen met haar leven en gaat uit lamlendigheid werken bij de supermarkt in Oud Babylon. 

    Met trots gedragen bijnamen

    Daar woont de Marokkaanse jongen Anwar en zijn vriend Zohair die gebrutaliseeerd worden door de buurtgenoten Scheerkop, Bamiblok en Kankerkapper. Deze met trots gedragen bijnamen danken ze aan respectievelijk de haardos, de snackbar van pa en de pruikenhandel van ma. ‘Kankerkapper stapte nu ook van zijn scooter af en kwam met zijn voorhoofd vlak voor het voorhoofd van Zohair. “Kat of hond, gebeten word je toch, aap. Wij regelen hier de straat, begrepen?”
    “Waar is je oranje hesje, zwerver?”
    Zohair snoof diep, “hoe is de operatie gegaan?”
    “Operatie, wat klets jij?”
    “Toen ze de kont op je gezicht naaiden, gek.”
    Scheerkop ging tegenover Anwar staan, “Alleen wij doen de speed en de pillen, begrepen? We willen geen ratten in de drogist.”
    “Is goed, jongen,”zei Anwar zo kalm mogelijk terwijl hij voor zich uitkeek.
    “Als ik je gore kankerkop hier nog een keer zie, kun je je tanden op de straat tellen.”
    “Omdat jij het niet kan, zeker.”
    “Wat praat je?”
    “Jij kunt zelf niet tellen, junk.” (…) Scheerkop haalde uit en stootte met zijn volle vuist in het gezicht van Anwar.’

    In de aan Arthur gewijde hoofdstukjes leren we dat zijn voornaamste genoegen in het leven bestaat uit het periodiek bezoeken van een bordeel waar hij zich laat verwennen door de Thaise ‘shemale’ Ling. ‘Ze had weliswaar kleine pronte tietjes, maar ook een kleine stevige piemel die soms fier naar voren stak (…) Ze stond op, pakte uit een toilettas een flesje met Monogatari en een tube Coke Life en smeerde haar stijve penis in met de middelen. Daarna smeerde ze met haar vingers zachtjes Arthurs anus in. Arthur trok routineus zijn knieën op en liet haar toe.’ 

    Planoloog Arthur

    In zijn beroep als planoloog heeft Arthur ook te maken met de planning van een voor de elite te bouwen woontoren Nieuw-Babylon die het uitzicht van de bewoners van de volkswijk zal bederven en dan ook leidt tot een steeds agressiever NEE-beweging. Waar natuurlijk de gemeentelijke beslissers zich niets van aantrekken. De bouw van deze woontoren, een zomerse wespenplaag van ongekende omvang en de drugscriminaliteit in de wijk bepalen de verdere loop van vaak nogal hevige gebeurtenissen in ‘Voorstad’, waardoor de twee wijken nog verder uit elkaar groeien.

    Arthur raakt dankzij een wespenaanval in een coma waaruit hij maar half ontwaakt en verder leeft in een droomstad. Anwar en Claire – die elkaar vinden in een Westend-romance – worden ongewild betrokken bij de activiteiten van een Algerijnse drugsbende. Met Kankerkapper loopt het slecht af als hij in de gevangenis belandt. Als Selma en de invalide Arthur in de splinternieuwe  woontoren Nieuw-Babylon zijn gaan wonen, deze door de Nee-beweging wordt bezet en een nieuwe wespenplaag op gang komt, start een volgende reeks rampen. Het riool werkt niet en er sijpelt stront door het plafond van hun badkamer.

    Geen binding met personages

    Als ze een verdieping hoger gaan om de oorzaak te zoeken meldt de buurvrouw: ‘Ik ben bang voor alles wat er boven me gebeurt. De maffia, het riool, een nieuwe plaag. Alles’ (..) ‘In de liftschacht hebben ze wespen gezien ter grootte van een vuist….’ Wegwezen dus. En dan vindt de schrijver het welletjes en beëindigt na 381 pagina’s het verhaal. Van Aalten’s schrijfstijl is filmisch en precies en je beleeft als lezer elke scène mee. Door de voortdurende wisseling van personages is het wel lastig het verhaal goed te kunnen volgen en dat is jammer. Een consequentie van die benadering is ook dat je als lezer nooit een binding krijgt met één of meer van de personen in het verhaal. Je herkent ze als personen die je dagelijks om je heen ziet, maar daar blijft het bij. En dat is helaas toch een gemiste kans.

     

     

  • Het paradijs heet voortaan Selvear

    Het paradijs heet voortaan Selvear

    Bij de term ‘idyllisch’ zal men niet gauw denken aan een Noors Pooleiland. Toch lukt het redacteur, vertaler en fotograaf Irwan Droog om de lezers van Het huis aan het einde het eiland Selvaer te laten zien als een idyllische plek. Want dat is het voor hem heel duidelijk geweest tijdens zijn verblijf van een half jaar in 2021. Droog kende Noorwegen al van eerdere bezoeken: ‘Elk bezoek aan Noorwegen is overweldigend: de immense bergen, diepe ravijnen, rotsen, bossen, kolkende watervallen en wild stromende glasheldere rivieren maken elke keer opnieuw indruk. Alles in Nederland lijkt door anderen op maat gemaakt, op mijn maat, waardoor ik soms geen idee meer lijk te hebben van hoe de wereld er ook alweer eigenlijk uitziet. Zet me in Noorwegen neer en ik weet het weer: de wereld is enorm, wild, ruw en spectaculair. Daar zijn is een verademing, een bevrijding.’

    Onthaasting niet nodig

    Hij vat met zijn vriendin Kim het plan op om een tijdlang in Noorwegen te gaan wonen. Vooralsnog niet voorgoed, maar wie weet. Zijn werk als redacteur en vertaler kan hij dankzij internet meenemen, dat is dus geen probleem. Ze kiezen voor een klein eiland, Selvaer, dat iets ten noorden van de poolcirkel ligt. Het telt nog geen vijftig inwoners, je kunt het in een half uur rondlopen. En het bestaat van de visserij, wat voor veganist Irwan eigenlijk geen aanbeveling is. Maar hij is er al eens op proef geweest en heeft daar de rust gevonden die hem in Nederland niet meer gegeven was. En zo trekken Kim en hij midden in de corona-pandemie naar het Noorse eiland en komen in een wereld terecht waar onthaasting niet nodig is omdat haast er niet bestaat. Het leven gaat er zijn dagelijkse gangetje, de mensen zijn gastvrij en lopen ook makkelijk elkaars huis binnen voor een kop koffie of om een stuk gereedschap te lenen.

    Vreemden worden hartelijk ontvangen en meteen in de gemeenschap opgenomen. Dat komt – merkt Irwan – ook omdat iedereen op Selvaer er zich van bewust is dat de bevolking van eiland aan het verouderen is, en dat er nieuw bloed binnen gehaald moet worden. De school is bij gebrek aan kinderen al lang gesloten en het eiland heeft eigenlijk geen werk te bieden, behalve voor de enkele visser die er nog is. Dus probeert men al enige tijd Nederlanders naar Selvaer te lokken. Want Nederland heeft veel mensen en weinig ruimte, terwijl hier veel ruimte is en weinig mensen. En er is enig succes want behalve Irwan en Kim die hun eigen werk mee brengen is er nu ook Thijs die probeert met zijn vrouw Marlieke een oude boerderij nieuw leven in te blazen. 

    Noorderlicht

    Met Irwan, Kim en Zorro, hun Spaanse zwerfhond beleven we de koude witte winter van Selvaer, de lente die bijna ongemerkt komt totdat hij ineens een bloemetje uit de grond ziet steken, de start van de zomer waarbij de zon steeds langer schijnt totdat hij maar een uurtje ondergaat alvorens weer op te komen. We beleven het wonder van het Noorderlicht en de komst van ganzen en eidereenden die het eiland gebruiken om hun eieren te leggen en uit te broeden. En in de loop van het verhaal leren we bijna alle bewoners van het eiland kennen, elk met zijn of haar eigen verhaal. Zoals de oude vrouw Gerd, de enige en vermoedelijk laatste persoon die van het dons dat eidereenden achterlaten in hun nesten een deken kan maken. Ze zit daarvoor maandenlang in een schuurtje heel voorzichtig al het vuil uit dat dons te halen voordat het tot deken geweven kan worden. Een deken zó licht dat het een wonder is dat hij kan bestaan.

    Weg of thuis

    Ondanks hun gelukkige bestaan op Selvaer besluiten Irwan en Kim om na een half jaar weer terug te keren naar Nederland. Ze zijn er niet uit of dat tijdelijk zal zijn of dat ze uiteindelijk toch zullen kiezen voor een permanent verblijf op Selvaer. Het is lastig. Irwan wordt ‘heen en weer geslingerd tussen het verlangen naar een rustig, afgelegen bestaan in een kleine warme gemeenschap, zoals op dit eiland, en vlagen heimwee naar Amsterdam, waar je anoniem kunt zijn, opgaan in de massa waar zich honderdduizenden mensen in een straal van enkele kilometers bevinden.’ Een Noors spreekwoord luidt: Borte bra, men hjemme best (weg zijn is goed, maar thuis zijn het beste). 

    Irwan realiseert zich na een half jaar Selvaer: ‘Waar ik eigenlijk achter probeer te komen: ben ik weg, of ben ik thuis?’ Het werd in juli 2021 dus weer Amsterdam, al blijft Selvaer vermoedelijk lonken. Irwan Droog schreef met Het huis aan het einde een mooi reis-en-verblijf-verhaal in een soepele stijl en met treffende beschrijvingen van natuur, mensen en dieren. Als lezer vraag je je wel eens af of hem nu echt helemaal niets tegenviel tijdens het verblijf op dit eiland, want hij heeft uitsluitend goede ervaringen te melden. Maar uiteindelijk zal elke lezer zich gewonnen geven: het paradijs, dat heet voortaan Selvaer.

     

  • Uitzondering op nooit uitgelezen woordenboeken

    Uitzondering op nooit uitgelezen woordenboeken

    Woordenboeken en encyclopedieën worden nooit uitgelezen. Je zoekt er iets in op, je leest er wat in en zet ze dan weer weg. In die zin is het Guus Middag’s Verklarend zakwoordenboekje van rare woorden een uitzondering want ik denk dat er heel wat lezers zijn die dit boekje in z’n geheel tot zich zullen nemen. Niet achter elkaar, want elk stukje stemt wel even tot nadenken, en dat maakt snel moe.

    De ‘rare woorden’ van Guus Middag zijn niet de vreemde uitdrukkingen zoals ‘een uiltje knappen’, waarbij iedereen zich wel eens heeft afvraagt waar dat vandaan komt. Daar geeft het etymologisch woordenboek al antwoord op. Middags ‘rare woorden’ komen vaak maar één keer in geschreven vorm voor (dodemansbrief, allesdier) of maar één keer op televisie gebruikte woorden (behangenees). Of het woord bestaat helemaal niet (droomsteen). Wat ze gemeen hebben is dat ze Guus Middag tot nadenken aanzetten of zijn fantasie kittelden en tot een aardig  stukje tekst aanleiding gaven. In totaal honderdvijfenzeventig stuks, van ‘Aire’ tot ‘Zwouten’. En zo leidt de ziekte ‘pseumonoultramicroscopicsilicovolcanokoniosis’ (een in puzzelkringen bekende variant van de ziekte silicose) als vanzelf tot een partijtje schelden met als winnaar: ‘krijg de kankertyfusteringpokkenpest!’

    Wie dat te veel is kan op verhaal komen bij een uitleg van wat Nescio bedoelde toen hij in 1955 noteerde ‘Elly, panklaar’. Of mee-treuren bij de dood van de laatste man die het Oebychs sprak en het ook had kunnen verstaan als er nog een andere Oebych in leven was. Om daarna wat te neuzen in de nasotheek, een plek in Kopenhagen waar een uitstalling te zien is van neuzen die oorspronkelijk gediend hebben om de afgevallen neuzen van historische beelden te vervangen (tot archeologen tegen die restauratie in opstand kwamen en de plaatsvervangende neuzen weer verwijderd werden).

    Voor elk wat wils dus in dit bijzondere woordenboekje op zakformaat, met kennelijk genoegen en grote vaardigheid geschreven door Guus Middag. Over wiens naam Wikipedia meldt: ‘De naam Middag is een verbastering van “Midage”, dat is de Oudfriese vorm van “mid-oog”, met de betekenis “middelste (schier)eiland”.’ Het is maar een weet!

     

     

  • Eerste Nederlandse duivenmelkersroman

    Eerste Nederlandse duivenmelkersroman

    ‘Stel, je wilde een duif op aangepikte eieren krijgen, dan werkte dat zo: na het koppelen in tien dagen eieren, dan achttien dagen broeden, kortom: achtentwintig dagen voor inkorven bij elkaar. Soms zat je er een dag naast en was het ei nog niet aangepikt. Geen nood. Je pakte een hol nep-ei en stopte daar een vlieg in. Door het gebrom en getol dacht de aankomende moeder dat het zover was. Vol moraal ging ze de mand in.’ Als lezer verwacht je niet dat je pagina’s zou willen lezen met in duivenmelkerstaal beschreven passages over de beste manier van fokken, de beste voorbereiding voor een vlucht of het lange wachten op de met een val naar beneden terugkerende duif.

    Maar in  Dorus de Doffer, van Rense Sinkgrave, de eerste Nederlandse duivenmelkersroman werkt het, je raakt snel betrokken bij het wel en wee van hoofdpersoon Wicher, zijn tegenpool Lambert, en de andere melkers uit de buurt. Het is een mannenwereld en de duivensport neemt hen zo in beslag dat de schrijver niet eens de moeite neemt te vermelden of- en welk beroep ze hebben.

    Duif tegen duif

    De roman gaat over de strijd tussen Dorus de duif van hoofdpersoon Wicher en 59, duif van concurrent Lambert. ‘Dorus was van de goede soort, er stroomde Horemans- en Stichelbaut-bloed door zijn aderen, hij was nog verwant aan de beroemde Kleine Crayonné van Descamps-Van Hasten die het ras voor de ondergang behoed had. Dorus was dus bij uitstek geschikt voor de fond, hij was een klassieke langeafstandsvlieger. ‘
    Maar 59 van concurrent Lambert geeft in capaciteit aan Dorus niets toe: ‘Haar neststand was perfect, want ze was ingekorfd op kleine jongen. Hij had haar nauwelijks van de schotel kunnen krijgen, zo fanatiek zat ze erop. Een kleine tijgerin’.

    De beide duivenmelkers verschillen in hun aanpak: ‘Wicher wilde een plek waar de duiven gelukkig waren, een hok in balans. Ze vrijheid geven. Lambert daarentegen vond dat orde en regelmaat de pijlers van een bevredigend bestaan waren, ook voor duiven. Zonder dat kreeg je wanorde en ongeluk.’ De grote race waar beide duivenmelkers hun kampioenen klaar voor maken is de St Vincent, een afstand van zo’n 1200 km. Een gevaarlijke vlucht voor duiven, een fors deel haalt het niet. En die kant van de duivensport heeft Koene, Wichers beste vriend en een intellectueel buitenbeentje in de melkersgemeenschap er toe gebracht te stoppen. Meer en meer zondert hij zich af en verdiept zich in het leven en de natuur-filosofie van Indianen.

    Eenzame wereld

    Zo vereenzaamt Wicher, ook al omdat zijn vrouw Cilia hem verlaten heeft. ‘Ze maakte zich vaak zorgen als hij mee was op de vlucht. ‘Waarom stop je niet met de duiven?’ zei ze tegen hem. ‘Ik vind het maar wreed. Die rotvluchten. En als ze niet goed genoeg zijn, worden ze doodgemaakt. Het slaat echt nergens op! Het zijn beestjes met gevoel. Die willen ook gewoon leven.’ Zij  begreep, zoals zoveel anderen, de duivenmelkerij niet. ‘Een vroege duif gaf een adrenalinestoot, een geluksmoment. Even stak je boven de grauwe middelmaat uit. Zoals een topruiter die met zijn volbloed de barrage won. Je keek naar de lucht en plots, vanuit het niets: pats, een duif! Het leek een soort tovertruc, een wit konijn uit de hoge hoed. De dag kon niet meer stuk.’

    De afloop van de St Vincent vlucht verandert uiteindelijk alles voor Wicher, maar kan hier niet verteld worden. Dorus de Doffer, Sinkgrave’s debuut, is een boeiende roman over een onbekende wereld, met personages waar je omheen kunt lopen dankzij het talent van de schrijver om in enkele woorden mensen en situaties te typeren. Een geslaagd debuut.

     

  • Dit smaakt naar meer

    Dit smaakt naar meer

    De titel De verlossing van Jacob Smallegange was niet wat hij bedoelde, liet schrijver Rinus Spruit in een interview weten. Hij had het De verlossingen van Jacob Smallegange willen noemen, maar toen zijn uitgeverij het enkelvoud voorstelde had hij daarmee ingestemd. Om daar later toch wat spijt van te krijgen. Want de titel gaat over een vroedmeester en de al dan niet moeilijke verlossingen die hij doet. En dat zijn er heel wat meer dan één. Het akkoord gaan met zo’n wijziging typeert de bescheidenheid van Rinus Spruit die pas op zijn drieënzestigste, in 2009, debuteerde met de roman De rietdekker, over het leven van zijn vader.

    De verlossing is inmiddels zijn vierde roman en de Zeeuwse schrijver blijft steeds dicht bij huis in zijn onderwerpen. Want ook deze roman speelt zich af in Zeeland, en de hoofdpersoon heeft veel kenmerken van de schrijver zelf. De gelijkenis gaat zo ver dat de hoofdpersoon ook een verhaal gaat schrijven, waardoor deze roman een verhaal-in-een-verhaal wordt.

    Twee glazen wijn

    Gerard Strobrand is een alleenstaande zestiger die leeft volgens een vaste regelmaat.  Drie keer per week rijdt hij  naar een wegrestaurant waar hij twee glazen wijn drinkt, met de rug tegen de vlammenwand, uitzicht op het parkeerterrein en een grasvlakte waar geregeld een ooievaar te zien is. Hij drinkt twee glazen wijn, verlangt sterk naar een derde, maar gaat toch altijd braaf weer terug naar huis zonder dat derde glas te bestellen. Dat uurtje in het wegrestaurant gebruikt hij om na te denken over zijn leven en plannen te maken om iets te schrijven. Dat laatste wordt een studie naar de wereld waarin zijn grootmoeder leefde. Zij was geboren in 1874 en vierennegentig jaar oud geworden. Gerard had haar nog gekend toen ze – dementerend – door zijn vader in huis was gehaald en neergeplant in de voorkamer.

    ‘Haar geheugen had ze achtergelaten in haar oude huisje. Ze was blijmoedig, lachte veel en breide. Lezen deed ze graag, ze las steeds hetzelfde boek, want na één regel was ze de vorige alweer vergeten. (..) Bij grootmoeder was het altijd genoeglijk en gezellig. Grootmoeder had een hoge aaibaarheidsfactor. Maar je moest voorzichtig zijn, haar gerimpelde en doorleefde huid was breekbaar, want dunner dan papier.’ 

    Als Gerard een artikel leest over de hoge zuigelingensterfte in de tijd die zijn grootmoeder had overleefd, komt bij hem het plan om een boek te schrijven over de dood die toen al dreigde bij de geboorte van zuigelingen, en in hun eerste levensmaanden. Hij koos voor een studie van het werk van de vroedmeesters die destijds de moeilijke bevallingen deden na een studie van vier jaar. Dit in tegenstelling tot de vroedvrouwen die na twee jaar studie de bevallingen deden waar geen problemen te verwachten vielen. Het waren zware tijden voor de vroedmeesters, die eigenlijk alleen een verlostang als hulpmiddel hadden, moesten werken in moeilijke omstandigheden, vaak met de zwangere vrouw in een alkoof met weinig licht en soms zelfs onder de deken. Ze moesten 24 uur per etmaal bereikbaar zijn. Veel vroedmeesters begonnen te drinken, wat hun werk niet ten goede kwam. 

    Vroedmeester van de goede soort

    Na veel studie en het raadplegen van een aantal dagboekjournaals die de vroedmeesters bij hielden over hun werkzaamheden, besluit Gerard Stroband een verhaal te schrijven over het leven van Jacob Smallegange, een fictieve Zeeuwse vroedmeester van de goede soort. Jacob werkt hard, drinkt geen alcohol maar melk en slaagt er in veel geboorten goed te laten verlopen, mede dankzij de hulp van zijn vrouw die thuis fungeert als crisiscentrum. Hij heeft één zonde, hij merkt in de loop van de tijd dat hij zijn vrouw niet meer liefheeft, misschien nooit heeft liefgehad. Hij heeft haar nodig en ze doet geweldig werk, maar hij vindt haar niet aantrekkelijk. Dan wordt zij ziek en overlijdt. Pas dán beseft Jacob hoe belangrijk ze voor hem was en begint met terugwerkende kracht van haar te houden. Hij mist haar erg en begint zijn werk te verwaarlozen. Ook raakt hij aan de drank, en dan gebeurt er iets moois… 

    Als Gerard dit verhaal af heeft huurt hij een al wat oudere typiste in om zijn handschrift uit te typen. Hij dicteert haar de tekst en begint al doende gevoelens voor haar te krijgen. ‘Hij dacht aan zijn vader. Die had jaren geleden met lede ogen aangezien dat Gerard geen vrouw kon vinden. “Jongen, jongen,” had hij vaak wanhopig geroepen, “jongen, jongen, maak er toch werk van. Pak toch eens door!” Gerard voelde dat het nu zover gekomen was.’ Maar als hij dan eindelijk wil doorpakken stuit hij op een probleem… 

    Doeltreffend vertellersproza

    Spruit is een verteller die zijn lezers bijna zonder dat ze het merken mee neemt in zijn wereld. Dat komt door de eenvoud van zijn schrijfstijl waarin geen woord te veel wordt gebruikt. Omdat dat ook niet nodig is. Groots en meeslepend leven is er niet bij in Spruit’s wereld. Het leven is wat het is en men probeert er het beste van te maken. De dagen verstrijken in een rustig ritme. Er wordt nagedacht, er wordt herinnerd, er worden voornemens gemaakt om het leven meer inhoud te geven. En die voornemens worden in kalm tempo uitgevoerd. Er is lichte weemoed om vervlogen tijden. Er is vooral ook eenzaamheid die zonder pathos wordt gedragen. 

    De onopvallende voortreffelijkheid van simpel maar doeltreffend vertellersproza zoals Spruit dat schrijft, is zeldzaam in de Nederlandse letteren. Het smaakt naar meer.

     

  • Geschreven met een scherp oog voor details

    Geschreven met een scherp oog voor details

    Wie het werk van Monika Sauwer (pseudoniem van Yolande Nusselder) kent, weet dat familieleden er vaak een rol in spelen. Haar actieve opa Boet (arts in Maassluis) was in Huis en hemel (1986) prominent en de laatste levensjaren van haar vader waren de basis voor haar roman Het raadsel vader (2011). Na de dood van haar ouders kwam ze in het bezit van een groot aantal brieven die haar moeder aan haar vader schreef in hun verlovingstijd en in de eerste jaren van hun huwelijk, tijdens en na de oorlog. Die brieven en andere documentatie werden het materiaal voor Een liefde in 1945 (2014) en ook voor Héloïse en het inwonen 1947-1952.

    In het zojuist verschenen Vluchtpogingen 1934 – 1940 is de vader van Sauwers, Simon de hoofdpersoon. Op het omslag staat een foto van het legendarische KLM-vliegtuig De Uiver dat – deelnemend aan de race London- Melbourne – in 1934 boven Australië in een storm terecht kwam en een noodlanding kon maken dankzij de bevolking van het dorp Albury die een weiland met autolampen verlichtte. De foto komt uit de vliegboeken die Simon als kind met zijn vader maakte en na diens vroege overlijden aan tbc, in zijn eentje volschreef en volplakte met krantenfoto’s en verhalen over vliegtochten. Want hij zou later piloot worden.

    Oorlogsdreiging

    De roman speelt in de jaren 1934 – 1940 en Simon is dan in de leeftijd van twaalf tot achtien jaar, een eenzame jongen in het door vrouwen (oma, moeder, zus) overheerste gezin. Nederland was in de Tweede Wereldoorlog neutraal en wilde dat ook blijven. Toch begint het besef door te dringen dat het ditmaal mogelijk niet zal lukken. Alhoewel zijn vader hem op het hart heeft gedrukt dat hij ‘de man in huis’ moet zijn na zijn overlijden, voelt Simon zich dat bepaald niet. Naast de vliegtuigen-passie heeft hij maar één hobby: zijn marionettentheater en het maken van de poppen voor dat spel.

    Simon leert pas uit zijn schulp te kruipen als hij verliefd is geraakt op Petra, de dochter van een KLM-piloot. Zij is wat zijn moeder noemt ‘een wilde meid’, en dat zij ook op hem valt, verbaast en verblijdt Simon zeer. Als de oorlogsdreiging groter wordt vat zij het plan op om naar Italië te reizen, waar haar vader gestationeerd is. En ze wil dat Simon met haar mee gaat. Hij twijfelt, de ‘man in huis’ kan toch niet zo maar vertrekken? En hij heeft ook net een oproep voor het leger gehad. Sauwer heeft zich grondig verdiept en ingeleefd in de werkelijkheid van de jaren dertig bleek al bij haar vorige romans die gebaseerd waren op het leven van haar ouders. Zij brengt die periode perfect tot leven.

    De vluchtpoging

    Aan Sauwers tekentalent (te zien in enkele jeugdboeken die zij zelf illustreerde) is het mogelijk te danken dat zij een scherp oog en geheugen heeft voor kleine details en aan haar schrijftalent dat ze die ook perfect weet te verwoorden. Aan het slot van de roman staan Simon en Petra klaar om aan hun vluchtpoging te beginnen. ‘Op het eerste perron van station Utrecht stond hun trein al klaar, de machtige loc van de Reichsbahn onder stoom, sissend van opgekropte spanning, het zwart op gele embleem van de Duitse adelaar op elke wagon’ ‘Sissend van opgekropte spanning.’ Wie zo kan schrijven verdient veel lezers. Of Simon ook echt instapt zullen zij dan te weten komen.

     

     

  • De beste hoofdstukken zijn die over herinneringen aan de doden

    De beste hoofdstukken zijn die over herinneringen aan de doden

    Jo Komkommer (Wilrijk, België, 1966) schrijft sinds 2011 een blog getiteld ‘Komkommerdagen’ en publiceerde in eigen beheer 2 titels met een selectie van de stukken die hij schreef. De bundels werden opgemerkt en uitgeverij Manteau besloot tot een commerciële uitgave. En zo verscheen in 2021 Opkomst en ondergang van de Citroën Berlingo, een royale keuze uit beide eerdere bundels. De achterflap vermeldt, ‘Een bundeling bitterzoete verhalen uit het leven van een geboren lanterfanter. Soms geestig, soms weemoedig, maar altijd autobiografisch.’ En dat klopt wel. 

    Monument voor opa

    De bundel begint met de mooie zin, ‘Als kind duurt het leven geruststellend lang’. Dan volgen de herinneringen die Jo heeft aan zijn grootvader. ‘Al is in de ogen van een kind elke grootouder imposant, opa Komkommer was een indrukwekkende verschijning. Torenhoog en kamerbreed. Mijn vroegste herinnering aan hem was dat we samen op de achterbank van zijn Citroen DS zaten. Hij – zoals steeds – gekleed in handgemaakt driedelig pak, zwarte hoed op de kalende kruin, zegelring rond de robuuste vinger: een geboren president-directeur.’

    Opa Josef Komkommer werd als jonge man door zijn vader Isaac, Antwerpse diamantair, naar Indonesië gestuurd om diamanten te verkopen en bracht daar de oorlog door als Japans krijgsgevangene, werkend aan de Birma spoorweg. Door het verblijf en de gevangenschap in Azië was hij één van de weinige (joodse) Komkommers die de oorlog overleefden. Hij slaagde er daarna in om in Antwerpen weer een groot diamantair te worden. ‘De gouden jaren braken aan. Het geld dat binnenstroomde werd royaal weer uitgegeven aan verre reizen, restaurantbezoek, kunst, sportwagens voor zijn enige zoon, goede doelen voor de rest van de mensheid en steeds mooiere en grotere woningen.’ Dit eerste hoofdstuk is een mooi monument voor zijn opa.

    Anekdotes over collega’s

    Jo Komkommer blinkt  uit in het herdenken van overleden jeugdvrienden en jeugdhelden en dat zijn de beste hoofdstukken uit het boek. Zelf werd hij geen diamantair, zoals zijn grootvader en zijn vader. Hij was als jonge man een tijdlang reisleider in de Dominicaanse republiek, Haiti en Mexico en daarna in Californië. Daar ontmoette hij de liefde van zijn leven Jolanda en keerde op zijn dertigste terug naar België, waar hij – halverwege de jaren negentig – met haar een gezin stichtte en receptionist werd in het Antwerpse boetiekhotel ’t Sandt, een rol die hij de daarop volgende vijfentwintig jaar vervulde. Al met al een leven dat voldoende stof voor verhalen zou kunnen geven.

    Maar dat valt toch een beetje tegen. De jaren als reisleider in verschillende landen komen uitvoerig aan bod, maar eigenlijk alleen in de vorm van herinneringen aan luie dagen, drankfestijnen, mooie meiden en collega’s die opvielen door eigenschappen die hij zelf niet meende te hebben, daadkracht bijvoorbeeld. Als reisleider was enige interesse voor het land en zijn bevolking kennelijk niet nodig en Jo Komkommer deed naar eigen zeggen nooit meer dan strikt noodzakelijk was. Ook de jaren als receptionist hebben al met al weinig méér opgeleverd dan wat anekdotes over bijzondere collega’s. En de Citroën Berlingo uit de mooie titel van de bundel is eigenlijk niet meer dan een eenvoudige familie-auto waar Jo met zijn gezin 12 jaar in rondreed tot hij het begaf.

    Te grage verteller

    Aan de schrijfstijl van Komkommer is te merken dat hij een grage verteller is, die wat nu op papier staat vermoedelijk ook al vaker aan de tap of de hotelbalie heeft verteld. Hij heeft een voorkeur voor een wat oubollige en omslachtige verteltrant. Zo gaat het bestellen van een latte macchiato op Kreta in het leven van Jo Komkommer:

    ‘In mijn gezichtsveld stond een jonge vrouw met zwarte krullen, donkere ogen, een scherpe neus en ook de rest van haar verschijning – gekleed in een zomerkleedje waar de loden Kretenzische zon niet zo snel een antwoord op wist – mocht er wezen. Haar verschijning had de grote dichters uit de klassieke oudheid vast geïnspireerd tot het schrijven van epische sonnetten, maar ze was drieduizend jaar te laat geboren en diende het met mij te stellen. Niet alleen besloot ik geen sonnet te schrijven, in de algemene consternatie vergat ik bijna te proeven van haar verbazingwekkend lekkere koffie. Wat me nog meer verbaasde was haar ogenschijnlijke interesse in mij. Ze vlijde zich naast me neer en knoopte een gesprek aan waar een goede verstaander een flirterige ondertoon in zou kunnen ontwaren. Niets in mijn achtenveertig voorgaande jaren had me op deze schok voorbereid. Ik heb al talloze latte macchiato’s besteld in alle uithoeken van de wereld en steeds verdwijn ik, nadat de koffie is gebracht, in de achtergrond, om samen met de muzak te vervagen tot een onopgemerkte maar niet storende aanwezigheid. Behangpapierman. Maar zij keek mij aan met een wulpse blik die ik voorheen alleen van films kende. Zij gaf mij het gevoel een rockzanger van een Australische groep uit de jaren tachtig te zijn.’

    Een omslachtig en iets te komisch bedoeld proza waar een goede redacteur gehakt van gemaakt zou hebben. Zo worden sonnetten pas sinds de 13e eeuw geschreven en een onopgemerkte aanwezigheid kan per definitie niet storend zijn. Maar dit is Jo Komkommers manier van vertellen en als je niet van de stijl-politie bent is dit best een aardige en bij tijd en wijle amusante bundel.

     

  • Een boek waar niemand ongevoelig voor kan blijven

    Een boek waar niemand ongevoelig voor kan blijven

    Schrijfster Neel Doff (1858-1942) werd geboren in een dorp bij Roermond maar groeide op als derde kind in een gezin van negen kinderen, in de 19e-eeuwse armoede-straatjes in het centrum van Amsterdam. Haar vader, een blonde Fries, had haar moeder leren kennen toen hij als soldaat gelegerd was in Limburg. Als paardenknecht en aapjeskoetsier verdiende hij voor het jaarlijks groeiende gezin een magere boterham, maar verloor de moed en raakte aan de drank. Op zoek naar beter kwam het gezin in Amsterdam terecht, waar het van het ene armoedige krot naar het volgende verhuisde. Met als eindpunt dit: 

    ‘We woonden in één enkele kamer in een slijmerig slop in Amsterdam. De zon sijpelde er nooit binnen. En als de vochtige kou in de winter het er ijselijk maakte, sloopte de zomerse klamme warmte ons. Er was slechts een alkoof bovenaan, zoals in de vissersschuiten maar dan afgesloten. Het was alsof we in een kast vertoefden. Mijn ouders sliepen in de nis onderaan; enkele van de kinderen in een hoger compartiment. De anderen op een strozak op de grond. In de hoek deed een kleine ton dienst als kakstoel van de familie. In een andere lagen de vuile luiers van de kinderen. Vervolgens afval van alles en nog wat van een miserabel huishouden. De geur van de pijp van mijn vader en de uitwasemingen van tien armelui veroorzaakten een ‘adem-benemende’ atmosfeer. Ik hoorde de luizen wandelen.’ Uit: Jours de famine et de détresse (Dagen van hongersnood en ellende)

    Schrijven in het Frans

    Het gezin verhuist als Neel 15 is naar Brussel, waar zij – een opvallend mooi meisje – op aandringen van haar moeder leert haar lichaam te verkopen om het gezin, en vooral haar broertjes en zusjes aan voedsel te helpen. Ze wordt later model voor schilders en beeldhouwers en leert in dat kunstenaarsmilieu Fernand Brouez kenen, zoon van een gefortuneerde Waalse notaris en de oprichter van het tijdschrift La Société Nouvelle (De Nieuwe Maatschappij). Neel, die vanaf haar vroegste jeugd alles las wat zij te pakken kon krijgen, wordt zijn Pygmalion. Ze schrijft in het blad en publiceert er een vertaling in het Frans in van Multatuli’s Woutertje Pieterse. 

    Maar pas jaren later, als zij de vijftig al gepasseerd is, komt zij er toe haar jeugdervaringen op papier te zetten. Dat doet ze in het Frans, de taal van het milieu waarin ze dan al decennia verkeert. In kleine fragmentarische hoofdstukjes beschrijft zij scenes uit de kindertijd van Keetje Oldema, zoals ze haar hoofdpersoon noemt. Het boek komt uit onder de titel, Jours de famine et de détresse (1911). Het wordt goed ontvangen en dingt zelfs mee naar de prestigieuze Prix Goncourt, die ze net niet wint. Met twee latere titels (Keetje in 1919) en Keetje trottin in 1921) voltooit ze de trilogie over haar leven. 

    Als weduwe van de jong overleden Brouez kan ze zonder geldzorgen leven. Ze hertrouwt, leidt een burgerlijk bestaan in Brussel en brengt de zomers door in een tweede huis in Genk (België). Ze schrijft nog wat losse stukken met herinneringen aan haar broers en zussen en enkele verhalen over het leven van een gezin in Genk. In 1942 overlijdt ze, 84 jaar oud.

    Nederland en Neel Doff

    In Nederland verschijnt in 1915 bij de Wereldbibliotheek onder de titel Dagen van honger en ellende een vertaling van het eerste deel van de trilogie, met een inleiding van de Amsterdamse socialistische wethouderr Wibaut. Maar Neel Doff blijft in de Nederlandse letteren onopgemerkt, ook al proberen literatoren als Jan Greshoff  (die haar kent) daar verandering in te brengen.
    In de jaren zestig herontdekt Wim Zaal haar trilogie. Hij had in 1969 het boek Nooit van gehoord: Stiefkinderen van de Nederlandse beschaving gepubliceerd, over vergeten schrijvers en andere mislukkelingen. Hij was het werk van Neel Doff tegen gekomen en erdoor gegrepen. In 1970 publiceert hij een nieuwe vertaling van de Dagen van honger en ellende, dat door critici als Wam de Moor en Kees Fens wordt geprezen als indrukwekkende weergave van een jeugd als pauper in het 19e-eeuwse Amsterdam.

    Fens schrijft: ‘Het boek is opgebouwd uit kleine hoofdstukjes, waarin meestal één voorval behandeld wordt. Die hoofdstukjes doen denken aan korte filmpjes, die dan meestal wat abrupt worden afgebroken, waarna een nieuw kort filmpje begint. Er is geen totaalbeeld; het boek is een verzameling soms uitstekend geschreven kleinbeelden, die door de altijd gelijke nood toch tot een eenheid worden gemaakt; (Volkskrant 17-11-1970).

    Openhartig proza

    En dat is een goede karakterisering van de wijze waarop Doff haar herinneringen op papier zette: kort door de bocht, zonder enige omhaal van woorden. Zo beschrijft ze haar ontmaagding door de hoedenmaker waar zij als loopmeisje voor werkte: ‘Een ogenblik later was hij terug, spiernaakt, en wierp zich in zijn volle lengte bovenop me. Schreeuwen kon ik niet, hij perste zijn mond op de mijne; ik voelde hoe zijn wroetende handen mijn benen van elkaar schoven… Hij drukte zich bij mij binnen… Ik dacht dat ik vermoord werd, zo’n pijn deed het. Hij gromde als een uitgehongerde hond die een bot verscheurt.’ Romans uit het begin van de vorige eeuw waren heel wat langdradiger en aanzienlijk minder openhartig dan dit proza, zeker in Nederland.

    Voor een complete vertaling van de trilogie vond Wim Zaal geen uitgever, maar toen hij de boeken Keetje en Keetje trottin  in elkaar schoof en er een ingekorte versie van maakt verscheen het als Keetje Tippel.  En dát werd een succes, vooral dankzij de verfilming door Paul Verhoeven in 1975 met Monique van der Ven in de hoofdrol. In 2013, maakte Zaal een nieuwe vertaling, liet een paar stukken weg en voegde andere stukken toe. Zijn argument voor deze redactionele ingrepen: de herinneringen van Doff waren door haar achter elkaar opgetekend en ze deed dat vaak niet in de chronologische volgorde van de gebeurtenissen. Ook herhaalde ze zichzelf geregeld in de trilogie en sommige stukken hoorden naar zijn idee thuis in de categorie ‘wat mij nog meer te binnen schiet’. 

    Twee vertalingen 

    Voor wie dat geen goede argumenten vindt voor inkortingen verscheen onlangs de integrale vertaling van het derde deel van de trilogie Keetje trottin onder de titel Keetje op straat.

    Dat Wim Zaal de delen twee (Keetje) en drie (Keetje Trottin) in elkaar schoof was vertaalster Anna Geurts een doorn in het oog, zoals ze uitvoerig uitlegt in dertig pagina’s verantwoording. Vooral ook omdat zijn inkortingen en volgorde-wijzigingen naar haar idee afbreuk doen aan ‘de spanningsboog die Doff construeerde’. Het blijkt vooral te gaan om de stukken waarin Keetje  Multatuli’s Wouter Pieterse ontdekt en in gedachten met hem in discussie gaat over beider leven, Ook verwijt ze Zaal dat zijn versie van Doff’s boeken de mannenmaatschappij dient omdat hij de meer filosofisch getinte stukken schrapte en het geweld en de seksscenes liet staan.

    Wim Zaal overleed op 11 oktober jl en zal dus nog net kennis genomen hebben van haar kritiek. Het is inderdaad te prijzen dat Keetje trottin nu integraal in het Nederlands te lezen is. Dit deel bevat de teksten die gaan over haar leven als jong loopmeisje (=trottin), dat hongerig en vervuild over straat zwerft en kleine baantjes heeft en het eindigt met haar ontmaagding. Maar wie de compilatie leest die Zaal maakte van beide delen leest ook het vervolg van haar leven, de beroerde tijden in Brussel als haar ouders haar dwingen om ter wille van het gezin zichzelf te prostitueren. En uiteindelijk de wijze waarop ze zichzelf aan haar haren uit de ellende trekt. En dat maakt het beeld compleet. Zo is er voor beide benaderingen iets te zeggen.

    De allereerste vertaling van haar werk (Dagen van honger en ellende, vertaald door Anna van Gogh-Kaulbach) werd in de Arnhemse courant van 8/7-1915 lovend besproken met deze woorden: ‘Dit boek kan niet zonder ontroering gelezen worden; het is een boek van zoo diep-ingaand leed, van zoo sterken weemoed, dat niemand er ongevoelig voor kan blijven.’ En dat klopt na ruim een eeuw nog steeds.

     

  • Fascinatie voor afbeelding leidt tot boeiende teksten

    Fascinatie voor afbeelding leidt tot boeiende teksten

    Rudy Kousbroek was een meester in het associatief filosoferen over foto’s die hem intrigeerden, en hij liet dat zien in drie boeken met zwartwit-foto’s die hij voorzag van een korte of langere mijmering. Zoals over het gevoel dat hem bekroop bij het kijken naar de foto van een voort sjokkend paard: hij vond dat het liep en keek alsof het naar zijn executie op weg was. En als de lezer goed keek, zag hij dat Kousbroek gelijk had. Fotosynthese is de naam die Kousbroek gaf aan deze combinatie van foto en tekst. De  fotosyntheseboeken die Kousbroek maakte (Opgespoorde wonderen, 2003, Verborgen verwantschappen, 2005 en Het raadsel der herkenning, 2007) zijn moeilijk te overtreffen. Maar Maarten Asscher komt een heel eind in zijn fotosyntheseboek De meteroriet en het middagdutje.

    Persoonlijke benadering

    Natuurlijk is de benadering van zo’n fotosynthese persoonlijk. Terwijl Kousbroek vooral de neiging had zijn fantasie los te laten op de afbeelding en primair lette op het gevoel dat hij bij het kijken kreeg, is Asscher meer bezig de merkwaardigheden te ontdekken die in de foto schuilgaan of die er de achtergrond van vormen. Een goed voorbeeld is de foto van een Amerikaanse vrouwelijke Siamese tweeling waarvan er één in het huwelijk wil treden en de ander wat sip terzijde staat, onlosmakelijk met haar zus verbonden dankzij een gemeenschappelijke bloedstroom. Asscher zoekt uit hoe de treurige levensloop van dit tweetal eindigde met het op 60-jarige leeftijd (vrij oud voor een Siamese tweeling) overlijden van de een en pas enkele dagen later de ander. Hij eindigt het relaas met de zin:’Die paar dagen verschil, toen de een al overleden was en de ander nog niet, daar probeer je niet aan te denken, wanneer je naar deze foto kijkt.’

    Asscher legde zichzelf bij het schrijven de beperking op dat de tekst 800 woorden moest zijn, een lengte waarmee hij goed uit de voeten kan, al zal het soms een beperking geweest zijn en soms toch een te royaal jasje voor het onderwerp.

    Meteoriet door het plafond

    Het omslag toont zes in pak gestoken heren, waaronder Asschers overgrootvader en kunsthandelaar Benjamin Asscher die een onbekende Rembrandt ontdekte en met deze vijf collega’s tijdens WO I naar de Verenigde Staten voer (geen ongevaarlijk onderneming) om daar voor veel geld het doek te verkopen. De heren poseren met een speelgoedboot en een teddybeer en Asscher verdiept zich in de vraag waarom zij deze attributen in de afbeelding toonden.

    De titel van het boek, De meteoriet en het middagdutje is gebaseerd op een minder raadselachtige foto dan die van de zes heren, want daar staat de vrouw op die op 30 november 1954 een middagdutje deed toen een ruim vier kilo wegende meteoriet door haar plafond viel en haar een blauwe plek in haar linkerzij bezorgde. Voor zover bekend de enige keer ooit dat een meteoriet een mens raakte.

    Asscher verzamelde 40 jaar lang foto’s die hem intrigeerden, uit de keuze die hij maakte voor deze vijftig syntheses is af te leiden dat niets hem te gek of te gewoon is, als het maar een aspect heeft waar hij als kijker gefascineerd door kan raken. Van honderd koks op het dak van een hotel in New York tot een foto van het rommelige bureau van Einstein, een dag na zijn overlijden genomen. En die fascinatie leidt dan telkens tot boeiende teksten. Mooie bundel.