• Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Onlangs verscheen Opperhuidmens – De biografie van Hans Warren, geschreven door zijn levensgezel Mario Molegraaf. Met zijn dagboeken was Warren een van de literaire sensaties van zijn tijd. Menigeen holde naar de boekhandel zo gauw er een nieuw deel verschenen was. Toen Geheim Dagboek deel 3 in 1983 uitkwam vroeg K.L. Poll aan Hans Vervoort een stuk te schrijven voor Hollands Maandblad over dagboeken in het algemeen en Geheim dagboek in het bijzonder. Het stuk verscheen meer dan veertig jaar geleden en geeft een mooie indruk van de receptie van Warrens dagboeken.



    Notities naar aanleiding van een dagboek

    Wie heeft er niet ooit wel eens een dagboek willen bijhouden, om al datgene vast te leggen wat hij beleeft en al die gedachten en gevoelens te conserveren die een mens op een dag zoal kan hebben. Ik persoonlijk loop de hele dag te denken en te voelen. Doodmoe ben ik er ’s avonds van en het is eigenlijk zonde dat er niets van overblijft. Nu ik vele jaren ouder ben dan ik zou willen zijn, merk ik bij terugblik dat er reeksen van jaren zijn waarvan ik me niets herinner. Blanco. Ongetwijfeld was ik in die jaren druk bezig en ongetwijfeld dacht ik dat ik leefde. Maar te bewijzen valt het niet meer.
    Oude agenda’s leveren voornamelijk afspraken-notities op met namen die ik vaak niet eens meer kan thuisbrengen.
    Waarover spraken wij? Wat hadden we gemeen? Welke plannen hadden we? De tijd heeft alles toegedekt. Soms tref ik tussen de afspraken een kleine notitie aan, kennelijk bedoeld om een briljante ingeving in steekwoorden vast te leggen.

    Het gevoel dat ik iets briljants bedacht heb dat onmiddellijk vastgelegd moet worden overkomt me alleen op zeer late tijdstippen in café’s en de notities zijn ernaar. Meestal volstrekt onleesbaar, soms een duidelijk maar onbegrijpelijk woord. ‘Strijkbout’ noteerde ik in april 1978 en ik plaatste er voor alle zekerheid een uitroepteken achter. ‘Strijkbout!’
    ‘Oesters zonder statiegeld’ moet op 15 mei van dat jaar een diepe betekenis voor me gehad hebben. Café-brille is nog merkbaar in de sloganvariant ’15 kappers schoren mij met dit éne mesje’ dat ik in september van dat jaar op papier zette. ‘Mensen die zeggen dat ze niet graag achterom kijken in hun leven, hebben daar meestal wel een reden voor’ (18 november 1978). Tja, zo ken ik er nog wel een paar. Meer perspectief biedt de notitie: ‘De 18de eeuwse kritikus die over Gullivers Travels schreef: ik kan er nauwelijks iets van geloven’. Maar een echt beeld van waar ik die dag mee bezig was, biedt ook deze opmerking niet.

    In de vlakte van die bijna herinneringsloze jaren staan enkele gedenktekens, de kennismaking met een beminde, de dood van een vriend, een heel aparte reis. Alles wat de sleur doorbreekt. En dat is achteraf juist zo ontmoedigend. Waarom zijn we zo geschapen dat alleen afwijkende momenten in de herinnering over blijven? Ik geef toe, er zijn veel saaie lelijke dagen in een leven en het hindert me niet die te vergeten. Maar er zijn ook dagen waarin alles onopvallend in evenwicht is. Je staat fit op, de zon schijnt, er is vers brood in huis, er is prettig werk te doen, je hebt met niemand ruzie, je hebt iemand om van te houden.
    Storingsvrije gelukkige dagen die zo gladjes verlopen dat ze geen aparte herinnering achterlaten. Sleur is de verzamelnaam waarin helaas ook die dagen belanden. Als ik ooit een dagboek zou bijhouden, dan zou het vooral zijn om dat alledaags geluk vast te leggen.

    Maar helaas, ik kan geen dagboek schrijven. Het geeft me een dwaas gevoel om iets aan mezelf mee te delen dat ik al weet. En welke ik moet ik aan het woord laten? De ironische? De driftige? De klager? De eerlijke (god verhoede)? Dat wordt een heel geknok. En tot wie moet ik me richten in zo’n dagboek, tot mezelf van nu, of tot mezelf van de toekomst? Of tot die onbekende persoon die na mijn dood het boek zal vinden? Is het eigenlijk wel mogelijk om een dagboek te schrijven zonder de gedachte aan die onbekende bekende die je boeltje op zal ruimen na het onverwachte hartinfarct? Verlammende vragen zijn dat. Het best kan ik nog de dagboekschrijvers begrijpen voor wie het dagboek een onpersoonlijke persoon geworden is, een blanco gesprekspartner die alleen maar luistert en knikt. Lief dagboek, wat me nú weer overkomen is…

    En dan maar pennen, want een dagboek hoort natuurlijk met de hand geschreven te worden. Zo’n dagboek is een zwijgende biechtvader achter het gordijntje, een stille maar begrijpende vriend, een troost in eenzaamheid en verdriet. Een teddybeer, eigenlijk. Helaas, voor mij blijft het altijd een pak nors papier, onwillig om beschreven te worden. Ik schrijf ook nooit met de pen, ik sla met kleine hamertjes de letters op papier. Nee, ik zal nooit een dagboekschrijver worden. En ik zal dus nooit weten of het wáár is wat ik wel eens denk, dat dagboekschrijvers zich in avonturen storten om iets te melden te hebben aan de stille papieren vriend.

    Soms wordt een dagboek gepubliceerd en soms heeft dat levensverhaal een literaire pretentie. In theorie kan dat eigenlijk niet. Van een literair produkt wordt verwacht dat het stilistisch perfect is, een reflectie heeft die verder reikt dan de dag zelf, en een structuur die door de schrijver bewust is aangebracht. Aan die eisen kan een levensverhaal in dagboekvorm eigenlijk nooit voldoen. Stilistisch niet omdat geen enkele schrijver in één keer perfect kan verwoorden wat hij wil zeggen, uitzonderlijke momenten daargelaten. Qua reflectie niet omdat er weinig afstand is van de beschreven ervaringen, dat is nu eenmaal de essentie van de dagboekvorm. En wat de structuur van het verhaal betreft, daar heeft de dagboekschrijver al héél weinig invloed op.
    Hij registreert gebeurtenissen, gevoelens en gedachten, maar weet niet hoe het verhaal verder zal gaan, want dat is in de toekomst verscholen. Op z’n best is de dagboekschrijver de denkende hoofdpersoon in een verhaal waarvan hij de afloop nog niet kent. Literair gezien kan een dagboek dan ook nooit meer zijn dan een ‘objet trouvé’, door toeval interessant omdat de schrijver een leven als een verhaal heeft geleid en daar een leesbaar verslag van heeft bijgehouden. Het beste compliment dat men aan een gepubliceerd dagboek kan geven is dat een schrijver het niet beter had kunnen bedenken.

    Hans Warren

    Onlangs verscheen het derde deel van het Geheim Dagboek van Hans Warren, de Zeeuwse dichter en prozaïst. Het bestrijkt de jaren 1949 tot en met 1951. Hij was toen rond 30 jaar, werkte als beambte op het gemeentehuis van een provinciestadje, woonde bij zijn ouders. Een eenzame gevoelige intellectueel met literaire aspiraties en homofiele geaardheid, gericht op jongens die hem fysiek boeiden maar met wie hij zelden gevoelscontact kon hebben, nog minder een partner kon vinden in zijn dooltocht door de wereldliteratuur. En ze werden onverbiddelijk ouder, die jongens, en dan onaantrekkelijk. In elke verliefdheid lag die onvolkomenheid en het bittere einde al besloten, de eenzaamheid maar tijdelijk verzoet door het genot. Het dagboek van Hans Warren onttrekt zich aan alle theoretische bedenkingen, want hij hanteert dit medium als een virtuoos en houdt rekening met de beperkingen. Het is merkbaar geschreven door de kritische lezer die hijzelf óók is, mogelijk is het achteraf wat geredigeerd, want de stilistische gaafheid is opvallend.

    Warren gebruikt zijn dagboek voor verschillende doeleinden. Soms is het een kladblok voor reisverslagen en natuur-ervaringen, gedetailleerde schetsen van wat voor later gebruik onthouden moet worden. Dat geldt ook voor de instant beschrijvingen van ontmoetingen, met schildersoog neergepend en voorzien van de kleine kanttekeningen van de ervaren pessimist. Een enkele keer wordt het dagboek gebruikt om vernederende ervaringen niet te vergeten:
    ‘In grote haast even de vriendelijke opmerkingen noteren die vader me naar het hoofd slingerde als afscheid toen ik naar Zwitserland vertrok. ‘Voor mijn bestwil’ nog wel, o, die zo vaak gehoorde woorden. Ik schrijf ze op om mogelijke vertedering in de toekomst wat te neutraliseren. ‘Het is een schánde dat je zo’n massa geld wegsmijt voor zo’n stuk strónt terwijl je váder en moeder gebrek lijden’. De hysterie waarmee het werd opgefokt, met dikke ogen van nijd.’
    Vaker dient het dagboek voor een terugblik op gebeurtenissen van de afgelopen weken of soms maanden, het is dan niet echt een dagboek maar een in retrospectie geschreven ‘waar verhaal’. Ook Hans Warren kan in zijn dagboek niet meer zijn dan de denkende hoofdpersoon in een onaf levensverhaal. Maar deze hoofdpersoon analyseert zo scherp wat er gebeurd is en probeert zo sterk te anticiperen op wat in de toekomst verscholen is, dat er vanzelf spanning ontstaat bij de lezer: zal hij gelijk krijgen of loopt het toch weer anders? Als boeiend verhaal heeft dit dagboek alleen het manco dat Warren sommige gebeurtenissen niet op papier kan krijgen zodat er nogal eens hiaten vallen. Soms moet de lezer het doen met een korte wrevelige opmerking: ‘nu dan, de vriendschap met Florus heb ik een week geleden beëindigd. Ook Robert zie ik nooit meer.’

    Warren vraagt zich in zijn notities geregeld af wat de oorzaak kan zijn dat hij gebeurtenissen die hem erg raken vaak niet in het dagboek kwijt kan. Ik denk dat het een gezond schrijversinstinct is dat een rasschrijver als Warren heeft belet om dingen op papier te zetten waar hij op dat moment niet de goede woorden voor had. Als dagboekschrijver faal je dan, maar als schrijver doe je de beste keus als je alleen datgene verwoordt waarvoor je de woorden hebt. En juist die woorden zijn belangrijk bij een schrijver als Warren, die lyrisch dichtersproza schrijft, ritmisch proza waarin elk woord het volgende oproept. Een genot om te lezen.

     

    Dit artikel verscheen in 1983 in Hollands Maandblad – 422/433

     

     

  • Vergeten woorden

    Vergeten woorden

    ‘”Oelewapper! Ben je belatafeld!  Je maakt me kierewiet met dat gemiereneuk.” riep ze nuffig.
    “Ja dat is de kift”, glunderde Jaap’. In deze twee zinnen zitten zeven woorden die veel millennials (geboren tussen 1985 en 2000) vermoedelijk niet meer kennen en de Z-generatie al helemaal niet. Ten minste naar de ervaring van tv- en filmscenario schrijver en radiomaker Rogier Proper, de bedenker van de eerste Nederlandse soapserie GTST. Hij merkte dat sommige woorden die voor hem gesneden koek waren (ook al zo’n verouderde uitdrukking) door jonge mensen niet meer begrepen werden, en begon daar een alfabetische lijst van aan te leggen. Die verscheen onlangs bij uitgeverij Balans onder de titel ‘Van Allegaartje tot Zeebenen – een niet zo gebruikelijk woordenboek.

    En inderdaad, wie weet bijvoorbeeld nog wat een bakvis is. Vishandel ‘De Bakvis’ in Hengelo verkoopt ze voor een habbekrats. Daar is de oude betekenis nog van kracht: (te) kleine visjes die je het best in twee- of drietallen kon bakken. Dat er tot in de jaren vijftig/zestig een meisje in de puberteit mee bedoeld werd, is achteraf eigenlijk wel vreemd en niet goed te verklaren, vindt Proper. Hij geeft van alle woorden de betekenis en koppelt daar van alles aan vast. Van kookadvies bij ‘bekokstoven’ (‘kool bijvoorbeeld, met wat verse gember, knoflook en bakolie is zeer aan te bevelen’)  tot mini-fantasie (‘Al dagenlang sjokte de mierenneuker mismoedig door het herfstbos (..) Geen mier te bekennen!’) tot – vele! – persoonlijke bekentenissen en herinneringen. Zoals bij het woord opkrassen.

    ‘Het is 1956. Russische tanks donderen Boedapest binnen om de opstand tegen het communistisch regime neer te slaan. Op het schoolplein van het gymnasium in Haarlem omringt een groepje leerlingen uit de hoogste klas een jongetje uit de tweede, wiens vader een bekende plaatselijke communist is.
    “Zo kereltje, en wat vind jij van de inval in Hongarije, hè?” Het jongetje is benauwd, maar fier. “Ik ben er ook tegen, meneer,” piept hij. Een lerares nadert, juffrouw Appeldoorn, bijgenaamd Appeltje, en roept: “Willen jullie wel ’s onmiddellijk opkrassen?!” Haastig maken ze zich uit de voeten.’

    Propers vader was mr. Michael Dirk Proper, hoofdbestuurslid van de CPN. Dan heb je het als klein uitgevallen zoontje lastig als je dertien bent en de Russen vallen Hongarije binnen. Deze herinnering roept trouwens de vraag op of de term ‘Hongaarse Opstand’ nog bekend zou zijn bij de millennials? Ik denk het niet. Dat is dan al één uitbreiding voor een tweede druk. Want daar ga je als lezer van dit woordenboek natuurlijk meteen naar op zoek. Welke woorden ontbreken en moeten er in een volgende druk worden toegevoegd. ‘Meesmuilend’ wordt node gemist, kon ik al snel constateren. Ook ontbreken er enkele van mijn literaire heimwee-woorden. 

    Woorden die mij doen denken aan de boeken die ik in mijn jeugd las. Boeken van schrijvers als Johan Kieviet of J.B. Schuil , die ik nu vermoedelijk niet meer kan lezen zonder te gruwen, maar destijds manna uit de hemel waren. Een woord als ‘subiet’, of ‘bruusk’ bijvoorbeeld. Of zelfs een eenvoudig woord als ’terstond’ (‘dat gaan we terstond doen!’). Maar dat is natuurlijk ‘muggenzifterij’. Laten we blij zijn met wat Proper bijeen heeft gebracht aan in onbruik geraakte woorden, ruim vijfhonderd. Als we ze gewoon weer vaak gebruiken, dan komen de goede oude tijden vanzelf terug!

     

     

    Van Allegaartje tot Zeebenen – een niet zo gebruikelijk woordenboek / Rogier Proper / 160 blz. / Uitgeverij Balans



    Hans Vervoort (1939) publiceerde tussen 1970 en 2020  vijfentwintig titels waaronder de verhalenbundel Heden Mosselen Morgen Gij en de trilogie Het Bedrijf.

  • Prettig nostalgisch

    Prettig nostalgisch

    Begin jaren tachtig haalde je elke vrijdag bij de sigarenboer een Vrij Nederland. Het ging je om de Boekenbijlage, onder redactie van Carel Peeters. Dat hij toentertijd de ‘president’ van de Boekenbijlage werd genoemd, lees je in Kleine (en iets grotere) herinneringen van Hans Vervoort. Ook dat de New York Review of Books tot voorbeeld had gediend voor de Boekenbijlage, lees je daarin. De New York Review bestaat nog steeds in zijn oorspronkelijke vorm, de Boekenbijlage van VN sneuvelde toen de krant een tijdschrift werd. Mooi is dat herinneringen veel over degene die het zich herinnert vertellen. Zo herinnert Hans (in het boek heet de verteller ‘Hans’) zich dat hij als boekrecensent bij VN een uitgesproken voorkeur had voor verhalende, goed leesbare lectuur. Ongevraagd besprak hij jaarlijks de nieuwe roman van Johan Fabricius. Hoewel Peeters vond dat boeken bij de lezer een andere kijk op de wereld moesten bewerkstelligen, plaatste hij de lovende besprekingen van Hans welwillend. Tot de redactie hem geen nieuwe titels meer gaf. ‘Dat was Carels ultieme uiting van zijn onvrede en Hans vertrok als recensent naar NRC Handelsblad.’, schrijft Vervoort.

    Vervoort werkte voor onder meer Vrij Nederland en Opzij. Vanaf 1970 zette hij zichzelf op de kaart als literair schrijver, werd ‘een van de beste jonge prozaïsten in Nederland’ genoemd. Uit deze herinneringen, waarin mooi geportretteerd wordt, komt een man naar voren die het liefst op de achtergrond bleef. Altijd opgelucht als een vergadering was afgelopen, bij feestjes aan de zijlijn stond. In drieënveertig stukjes worden ontmoetingen  bij de koffieautomaat, vergaderkamer of op bedrijfsfeestjes beschreven. Werkrelaties met Joop van Tijn, Rinus Ferdinandusse, Renate Rubinstein. Als Hans in 1988 net uitgever is geworden, een kamer vlak bij het koffiezetapparaat op de gang heeft, staat hij elke keer op als hij het apparaat hoort lopen. Zo treft hij Cisca Dresselhuys, hoofdredacteur van Opzij. Ze vraagt of zijn nieuwe functie bevalt. ‘Ja,’ antwoordde Hans, ‘ik merk dat ik elke keer als ik de automaat hoor, vanzelf opsta om een nieuwe beker koffie te tappen. Dit is al mijn vijfde kop.’
    ‘Maar zo heb je nog eens contact’, zei Dresselhuys. ‘Dat is inderdaad de bedoeling’ zei hij, ‘ik hou ook de deur open. Ik wil graag aanloop.’ ‘Benieuwd hoe lang je dat volhoudt.’, zei ze geamuseerd. En, ‘Kijk maar uit met al die kopjes koffie. Voor je het weet krijg je het aan je rikketik.’ Je ziet er direct een schets in van Peter van Straaten. De onwennige uitgever, omklemt de zoveelste beker koffie. Boven hem uittorenend de struise  hoofdredactrice, die hem stralend doch minzaam een voorland schetst.

    In 1984 was Hans op een jubileumfeest van de Haagse post dat gehouden werd in een verbouwde boerenschuur. Daar zag hij voor het eerst Henk Hofland. Zelf aan de kant staand, zag hij hoe Hofland richting uitgang liep, ‘met de voorzichtige tred van de aangeschotene.’ Maar Hofland kreeg de deur niet open. ‘Toen zag Hans hem een besluit nemen.’ Hofland wachtte tot er iemand aankwam die de deur opende en naar buiten liep, ‘op de voet gevolgd door de columnist.’ Zelf associeerde je Hofland steeds met Susan Sontag, om zijn columns in het NRC, die hij ondertekende met S. Montag.

    Sommige karakterschetsen zijn kleine odes aan collega’s die geen aansluiting vonden. Zoals een juridisch adviseur, die zich op zijn kamer verschanste achter stapels mappen. ‘Praatte je met Erik, dan bleek hij een gevoelig en erudiet mens, die geregeld in het gesprek kleine verbale grapjes maakte. Zo klein dat Hans altijd vergat om te lachten en dat later betreurde.’ Bij zijn pensioen eert Hans hem als notulist van redactievergaderingen, ‘Pas als ik Eriks notulen lees begrijp ik wat ik eigenlijk had willen zeggen.’ Zo’n man dus, die net als Hans Vervoort het menselijk bedrijf in ogenschouw nam, er uithaalde wat anders verloren zou gaan. Het stemt op een prettige manier nostalgisch.

     

     

    Kleine (en iets grotere) herinneringen aan deze en gene / Hans Vervoort / uitg. Brooklyn / blz. 174


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Ontroerende familiegeschiedenis

    Ontroerende familiegeschiedenis

    ‘Heimwee is de weg weten in een huis dat niet meer bestaat.’ Dat is een van de mooiste uitspraken van Rudy Kousbroek. Maar Otto de Kat (pseudoniem van Jan Geurt Gaarlandt) laat in zijn zojuist verschenen Autobiografie van een flat zien dat ook een huis dat nog wel bestaat een groot heimwee naar verloren tijden kan oproepen. Na de dood van zijn 93-jarige moeder Annie (of  Bill zoals haar man haar noemde) bezocht hij met zijn oudere broer Karel haar appartement om met hem te verdelen of op te ruimen wat daar aanwezig was aan bezittingen zoals boeken, brieven, foto’s, meubels, kleding en zo meer.

    Alles wat ze vinden roept herinneringen op die de Kat met grote weemoed vervullen. Vader overleed al langer geleden. Maar nu is ook moeder er niet meer. Al doende in de flat ziet hij hoe ook broer Karel al de verschijnselen toont van een naderend einde, hij heeft de diagnose Parkinson gekregen en dat is te zien.

    ‘We hadden mooi en lelijk verdeeld. We keken en zagen de flat als vanzelf leeg worden. In de stilte die ons bekroop vervaagden mooi en lelijk, de dag was bijna voorbij, het begon te schemeren. ”Ik ga maar eens,” zei Karel ten slotte. Hij leek ontheemd door de veiling van ons verleden. Ontheemd en vreselijk moe, ik moest hem aan zijn toegestoken handen omhoogtrekken. Even stond hij onbeweeglijk, licht voorovergebogen, de gedachte om te gaan lopen vertrok uit zijn hoofd naar zijn voeten, en dat duurde een paar tellen. Dan ging hij, z’n passen overdenkend, voorzichtig richting de voordeur.’

    Hoe je vader en moeder te kennen

    Vader Hans en Moeder Bill komen in 1941, in een gebombardeerd Rotterdam, in de flat wonen. De sleutel wordt hen aangereikt door de vorige bewoner Harm van Riel, later een VVD-prominent. Ze maken de oorlog mee en de heropbouw van de stad daarna. Ze krijgen er hun twee zoons en leven er hun hele verdere  leven. Vader Hans lijdt aan een nare huidziekte en overlijdt 59 jaar jong aan hartfalen. Terugkijkend bedenkt De Kat dat hij zijn vader nooit heeft horen klagen.

    ‘Maar wat weet een kind van de gedachten van zijn ouders. Ik geloof: bijna niets. Kinderen denken wel graag hun vader en moeder te kennen, maar dat is natuurlijk niet zo. Een snippertje van hun wereld, een mespuntje, meer niet. (…) Ik geloof: ik bezit niet meer dan een vaag vermoeden, een enkel inzichtje, een paar onthullende woorden ooit uitgesproken, dat is het wel ongeveer. Eerder nog zijn het de dingen die ze verzamelden, de kleur van de muren, hoe ze liepen, de jas die ze droegen, de boeken die ze lazen, daar zit hun leven in, daar kan je hun gedachten soms in vinden.’

    Een groot pak brieven die zijn vader in zijn prachtige handschrift aan zijn moeder schreef helpt iets om te doorgronden wat zij dachten, maar haar brieven aan hem zijn weg (heeft ze ze weggedaan omdat ze te intiem waren?). ‘Maar zelfs uit brieven is niet op te maken hoe iemand werkelijk is.’ Na de dood van haar man blijft moeder Bill eenzaam achter, een schoonheid die ooit werd bemind door Leo Vroman. ‘Annie ik had je zo lief. Leo’  staat op een enveloppe die hij ooit beschreef. Maar ze verkoos Hans.

    Sterven zonder gekend te zijn

    Otto de Kat vertelt in meeslepende stijl de geschiedenis van zijn familie in de flat. Je ziet de gezinsleden de decennia doorleven en ouder worden. Je beleeft mee hoe de twee zoons met elkaar optrekken en weer uit elkaar raken en hoe vriendschappen en liefdes hun levens vullen. Met onvergetelijke momenten zoals de eerste zoen. Ze heette Dietje.  

    ‘Midden in de kamer van haar huis ruimden we wat slingers op die waren blijven hangen na het verjaardagsfeestje dat ze had gegeven, ze was zestien geworden. We stonden vlak bij elkaar en plotseling zoende ze me, ik was totaal overvallen. Met slingers in mijn hand, doodstil stonden we daar, in een omhelzing die mijn wereld op z’n kop zette. Het is nooit meer overgegaan dat moment, er is nooit iets mooiers na gekomen. De tijd heeft er geen vat op gekregen, een ogenblik waarin alles ophield, alles begon, niets meer hetzelfde was, nooit meer af te nemen of te vergeten.’

    Het sterven dat onherroepelijk voor vader, moeder en twee jaar oudere broer volgt roert ook de lezer tot tranen toe. Want iedereen sterft zonder echt gekend te zijn door wie achterblijft, is de herhaalde en treurige boodschap van het verhaal. Het lezen van De autobiografie van een flat  geeft dan ook dezelfde ontroering als het beluisteren van dat prachtige lied ‘Het Dorp’ over lang vervlogen tijden: ‘Ik was een kind en wist niet beter / Dan dat ’t nooit voorbij zou gaan’.

     

     

  • Radioman en schrijver

    Radioman en schrijver

    Wim Noordhoek maakte een een keuze van honderdvijftig logs uit zijn Avondlog voor het onlangs verschenen boek Wat bleef, uit het avondlog. Het stemgeluid van Noordhoek is al jaren van de radio verdwenen. Een groot gemis, want als weinig anderen slaagde hij er in om schrijvers, musici en beeldend kunstenaars aan de praat te krijgen over wat hen bezielde. Hij begon zijn loopbaan ruim een halve eeuw geleden als redacteur van het studentenblad Propria Cures, en was – met Frits Boer – actief als oprichter van de stichting Jeugdsentiment De Jaren Vijftig en mede-samensteller van het Het Groot Gedenkboek van de Jaren Vijftig. Ook toen al werkte hij voor de radio.

    Al snel slokte de VPRO-radio hem vrijwel geheel op. In het begin veel muziekprogramma’s, later vooral uitzendingen met schrijvers, zoals Music Hall. En natuurlijk sinds 1995 het programma De Avonden. Daarnaast bleef hij wel schrijven, zij het korte stukjes. Columns in de VPRO-gids onder de schuilnaam Alex Mol en vanaf 2006 dagelijks een Weblog-tekst op de boekenpagina van de VPRO. Toen die werd opgeheven zette hij dat voort op zijn website Avondlog. 

    Vijfduizend stukjes

    Ruim vijfduizend stukjes moet hij geschreven hebben in de vijftien jaar dat hij dagelijks dat Avondlog bijhield. Hij maakte de lezer attent op oude of nieuwe kunst, architectuur, literatuur, mens en dier en alles wat hem verder interessant leek en waar hij iets zinnigs over kon melden. De logs werden gretig gelezen. Hij stopte er in 2021 mee, de benen wilden niet meer en die waren nodig voor het vele reizen waarvan het Avondlog getuigde. Veel van die stukjes waren tijdgebonden (tentoonstellingen, voorstellingen, boekverschijningen, films) maar hij heeft nu een keuze gemaakt van honderdvijftig logs die bleven.

    Het zijn ook de meest persoonlijke en inderdaad, ze blijven je bij, hoe klein ze ook zijn: zelden meer dan driehonderd woorden. Ze laten zien dat zijn werk als radio-journalist hem gemaakt heeft tot kenner van  literatuur, muziek en beeldende kunst. Noordhoek vertelt er met smaak over en kan bewonderen zonder idolaat te worden. Mooie staaltjes van beknopte vertelkunst en onderkoelde humor zijn het vaak. Een prachtig voorbeeld is dit stukje over Gerard Reve:

    Bellen met Gerard Reve

    ‘Als Gerard in Frankrijk bouwde aan z’n geheime landgoed verveelde hij zich ’s avonds en ging bellen. Joop was er niet, die sprak geen Frans en bleef in Schiedam. Zo praatte ik lang en veel met Gerard over werkelijk van alles. Een verhaal boeide hem bijzonder. Dat ik vertelde naar aanleiding van de twee legertentjes uit de dump op het Waterlooplein die ik voor hem had gekocht en die daar een zomer op de berg hebben gestaan. Ik had er eerst eentje gekocht en belde. “Niet duur,” zei ik, “35 gulden maar. Met echte legerletters erop.”

    “Koop er dan meteen nog een,” riep Gerard.
    “Waarom?”
    “Omdat ze zo goedkoop zijn natuurlijk!”

    Dit is Reve-logica. Emo Verkerk bracht ze naar Frankrijk.

    Naar aanleiding hiervan vertelde ik hem het verhaal van m’n vader over de officierscapes in het Nederlandse leger in de jaren ’30.
    Wanneer ze op oefening waren met het regiment Wielrijders, vanuit de Bredase Kloosterkazerne, en de nacht viel, konden twee officieren van hun capes een tweepersoons tentje maken. Er zaten extra knopen in die capes, waarmee je ze aan mekaar kon vastmaken. Ze hadden daartoe ook een tentstok bij zich. Gerard kreeg geen genoeg van die twee officieren in hun tentje. “Vertel nog eens…”.’

     

     

  • Mooi coming of age verhaal

    Mooi coming of age verhaal

    In de boeken van Monika Sauwer (pseudoniem van Yolande Noordhoek-Nusselder) speelt haar familie vaak een grote rol. Opa van moeders kant was arts in Maassluis en getrouwd met haar ononderbroken door pratende oma. Ze pasten eigenlijk niet goed bij elkaar leren we in Sauwers verhalen. Maar vroeger was dat geen reden om te scheiden. Haar vader, zoon van een jong gestorven militair, studeerde aan de kunstacademie en had kunstschilder willen worden, maar gaf die ambitie op toen zijn vriendin zwanger werd en Monika werd geboren. Hij werd een hardwerkende kantoorman, thuis bivakkerend achter de krant. Alleen op zondag schilderde hij nog. Haar moeder, ook al vervuld van kunstzinnige ambities, vormde zich om tot huismoeder van uiteindelijk drie kinderen. Die ouders kregen een liefdevol memoriaal van Sauwer in Een liefde in 1945  en Héloïse en het Inwonen 1947-1952De jeugd van haar vader beschreef ze in Vluchtpogingen 1934-1940.
    Alle drie zijn het bewonderenswaardig knappe reconstructies van gebeurtenissen uit vroeger tijden, geschreven in een soepele en precieze stijl.  

    En nu was het kennelijk tijd voor Monika Sauwer voor het beschrijven van haar eigen plek in dit gezin. Aan dat verslag gaf ze de titel Afwasgesprekken 1953 – 1964Een heel toepasselijke titel, want de gesprekken die zij tijdens de afwas met haar moeder had in haar jeugd zijn de rode draad in dit verhaal dat loopt vanaf 1953 toen Monika zeven was tot 1964 toen zij psychologie ging studeren in Amsterdam. Zij leerde de roodharige ‘Jim’ kennen (in wie radiomaker en schrijver Wim Noordhoek te herkennen is) met wie ze de rest van haar leven wil doorbrengen. 

    Lezenswaardige  herinneringen

    Het zijn zeer lezenswaardige  herinneringen die Sauwer trefzeker neerpent. Zo begint het boek: ‘Mijn moeder kon en wist alles. Zij, Wies, legde mij de wereld uit. Ik vroeg, zij antwoordde. Ze voerde me mee in haar beeldende verhalen. Vaak was het radionieuws de aanleiding. Tijdens mijn boterhammen, eerst een met kaas of pindakaas, dan pas die met hagelslag, vertelde ze die middag wat slachtoffers waren. Dat woord kende ik nog niet. Ik was nog geen zeven, februari 1953, de Watersnoodramp. Dagelijks werden de aantallen slachtoffers per Zeeuws en Zuid-Hollands dorp door de nieuwslezer omgeroepen. Vooral Oude Tonge was zwaar getroffen, driehonderdvijf slachtoffers. (…) De dagen na die rampnacht volgden we de radionieuws-berichten met wijd open oren. Overal gaten in de dijken. Het brullende zwarte water dat alles en iedereen verzwolg… Ik zag het voor me, wanhopig wuivende mensen op de daken, verdronken kinderen en koeien, maar deinsde terug voor de werkelijkheid. Dit mocht niet echt gebeurd zijn! “Drink je melk eens op,” zei Wies. “Hier, je stukjes appel.”’

    De jeugd van Monika zal geleken hebben op die van veel andere meisjes en jongens uit de babyboomers generatie. Geen oorlog meer maar nog wel zuinigheid. Vrijheid van denken en doen maar wel regels waaraan je je moest houden. Ambities maar geen hooggespannen verwachtingen. De botsingen en drama’s die vaak de basis zijn voor hedendaagse romans over opgroeien ontbreken geheel in Monika’s verhaal over haar jeugd. En dat is een verademing. De lezer kan onbekommerd genieten van de herinneringen die zij heeft aan haar jeugd in Bussum. De strijd op het schoolplein om duivenringen bijvoorbeeld: ‘Het was duivenringentijd. (…) Op het plein werd me een gesloten vuist voorgehouden. ‘On of eef?’ vroeg Marten Leander dreigend. Hij stond pal voor me, geen ontkomen aan. ‘Eef,’ zei ik. En ik had geluk, het wás eef. Een even aantal, zo was ik in een minuut veertien duivenringen rijker. Veertien!’ 

    Afwachten toe het leven begint

    Natuurlijk is ook een onbezorgde jeugd niet zonder problemen en tegenvallers. De dreiging van de koude oorlog en de  atoombom  is natuurlijk een onderwerp voor de afwasgesprekken, want vader is wijkhoofd van de plaatselijke BB en Monika weet: als de witte telefoon afgaat is het eind van de wereld nabij. ‘’s Avonds durfde ik niet te gaan slapen. Stel dat die blinde alarmtelefoon midden in de nacht zou gaan rinkelen, wat moest ik dan doen? Bij mijn oma beneden onder de dekens kruipen als ik eng gedroomd had was al jaren verboden. Mijn moeder vond het vies, “ín bed bij zo’n oud mens”.’ 

    Als Monika groter wordt en het Lyceum bezoekt is er de verliefdheid op haar leraar Frans (‘die Indisch bloed had en ribfluwelen jasjes droeg’). Het steeds maar uitblijvende grote moment van de eerste ongesteldheid, de dansles waar zij muurbloem is, de borsten die maar niet willen groeien, de eerste jongen die desondanks interesse toont. En later dan toch nog die eerste zoen. En ja, er is die vervelende pijn in de linker borststreek die ze steeds heeft en misschien duidt op een hartkwaal, maar die ze toch voor iedereen verzwijgt. 

    Het mooie van Afwasgesprekken is dat Monika Sauwer er in slaagt de lezer geboeid mee te nemen in een reeks gebeurtenissen die horen bij het opgroeien en eigenlijk alledaags zijn. Maar voor dit opgroeiende meisje zijn ze gloednieuw en zo vertelt Sauwer ze ook. Knap gedaan!

       

  • Met geduld en liefde worden resultaten bereikt

    Met geduld en liefde worden resultaten bereikt

    In 1950 verscheen The Child Who Never Grew, Pearl Buck’s verhaal over haar dochter Carol die verstandelijk gehandicapt was. Dat was vermoedelijk het eerste boek dat een ouder schreef over een kind met een beperking. Bert Natter volgt haar nu in Leven met Lidewij een even liefdevol als nauwkeurig verslag van de problemen maar ook de vreugden van ouders die een kind hebben dat kind blijft. De ontdekking van een geestelijke beperking van je kind heeft grote consequenties. Voor de ouders, maar ook voor de andere kinderen van het gezin, die moeten leren accepteren dat hun zus of broer  veel extra aandacht van vader en moeder vraagt en dat ze die zelf ook veel aandacht zullen moeten geven. Bert Natter, zijn vrouw Hester en hun dochter Rozemond lukte dat – zo te lezen – goed, geholpen door Lidewij’s blije natuur. Anders kon dat zijn bij vreemden die soms negatief reageerden op de moeite die ouders van zo’n kind doen om het iets te laten doen waar het geen zin in heeft.

    ‘Voor een buitenstaander is het moeilijk te begrijpen dat ouders van een kind met een beperking zich moeten aanpassen aan de onmogelijkheden van het kind – dat het onrealistisch en oneerlijk is te verwachten dat een kind met een lage intelligentie in staat is zich aan te passen. Het kost tijd en tranen om erachter te komen hoe laag het niveau van je kind is en goedbedoelde, maar in feite ronduit ongevoelige raad van derden, helpt hierbij zelden. Uiteindelijk was proberen te begrijpen hoe weinig Lidewij begrijpt de enige oplossing.’ Wie Leven met Lidewij  leest, begrijpt hoe dit uitgangspunt de ouders helpt bij de keuzes die zij dagelijks moeten maken in de omgang met het kind, maar dat het desondanks vaak moeilijk is te doorgronden hoe fundamenteel het gebrek aan bevattingsvermogen van het kind is, en te zorgen dat je niet toch je geduld verliest. 

    Aanpassen aan het kind

    Maar je leest ook hoeveel voldoening het geeft als het je op die manier lukt je kind een stap verder te helpen. Een mooi voorbeeld geeft Natter als hij vertelt hoe hij het voor elkaar kreeg Lidewij zich te laten behandelen door de tandarts. Zowel bij de gewone tandarts als bij een gespecialiseerde kon men niet het geduld opbrengen het meisje in haar eigen tempo te laten wennen en te wachten tot zij bereid was haar mond open te doen. Telkens werden vader en dochter geconfronteerd met maar twee mogelijkheden: vastbinden en forceren of narcose. Maar vader Natter nam daar geen genoegen mee en zocht net zo lang tot hij een ziekenhuis vond waar men het geduld wel had om zich aan het kind aan te passen.

    ‘Een medewerker van de afdeling psychologie stippelde een voorbereidingstraject uit, met bezoeken  aan de  afdeling, de receptie, de wachtkamer, de behandelkamer, kennismaking  met de tandarts, spelletjes, een boekje om thuis te oefenen, een spiegeltje waarmee we in Lidewijs mond konden kijken. Lidewij nam elke keer haar pop Sofie mee, haar brutale buikspreekpop, die rare dingen kan roepen  maar netjes haar mond opendoet als het moet. Het hele team, van de medewerkers achter de  balie tot de tandarts en de assistenten, was op de  hoogte van  het plan en werkte mee om het een  succes te maken, stuk voor stuk vriendelijke en professionele mensen. Sindsdien geniet Lidewij van het bezoek aan de tandarts. Lidewij begon de eerste controle bij mij op schoot terwijl zij Sofie  vasthield, maar tegenwoordig  huppelt ze zelf naar binnen en geeft ze Sofie aan mij, ploft in de stoel  en doet haar  mond open. In de auto terug vraagt ze:”Wanneer gaan we weer?”’ Waarmee na jaren een einde kwam aan  een halfjaarlijks terugkerende ellende.

    Natter neemt de lezer mee in wijdse omzwervingen door literatuur en wetenschap op zoek naar hoe men in de loop van de tijd keek naar  het geestelijk gehandicapte kind. Luther en zijn tijdgenoten meenden dat het ‘wisselkinderen’ betrof, door de duivel op aarde gedropt en niet echt mens! Maar zijn eigen ontdekkingen over die totaal andere wereld waarin Lidewij leeft zonder dat te beseffen, maken zijn boek tot een bijzonder geslaagd – en  in boeiende stijl geschreven –  werk.

     

     

  • Meeslepend verhaal met een meer dan goed gecomponeerd einde

    Meeslepend verhaal met een meer dan goed gecomponeerd einde

    Vanaf haar debuut Een moeder van niks (1980), heeft Annemarie Oster  bewezen een uitstekende schrijfster te zijn, vilein, openhartig en een stilistische topper. Ze laat dat opnieuw zien in haar laatst verschenen werk, MantelliefdeOster trekt de lezer met ferme hand mee in haar no-nonsense verhaal over de studentikoze zestiger die haar rond het jaar 2000 in de kunstenaarssociëteit De Kring aanspreekt, met wie ze vervolgens 20 jaar samen is en die ze ten slotte als mantelzorger in zijn laatste jaren verpleegt tot de dood erop volgt. Ze doet dat met  onverbloemd woordgebruik, veel spot maar ook veel zelfspot.

    De man op wie zij op haar zestigste verliefd werd was advocaat en in zijn uiterlijk, gedrag en woordgebruik een corpsbal. Als zij zijn eigenaardigheden beschrijft vraag je je als lezer wel af wat dit stel ooit bij elkaar bracht. Die vraag stelt Oster zichzelf gelukkig ook.

    Waarom ze bleef

    ‘In het begin van onze relatie vreesde ik weleens dat hij ze helemaal niet had: “gevoelentjes”zoals hij mijn emotionele belevingswereld tot mijn ongenoegen noemde.’ (…) ‘Waarom blijf je bij hem?’ vroegen mijn zonen en vriendinnen. Dat vroeg ik mezelf ook af. Meerdere malen heb ik op het punt gestaan mijn biezen te pakken en weer op mezelf te gaan wonen. Maar ik deed het niet. In eerste instantie was ik te verliefd, en daarna, toen deze verblindende gemoedstoestand was geluwd, kon ik maar niet aan de gedachte wennen dat hij was zoals hij was. Ik kon eenvoudigweg niet geloven dat iemand alleen maar een rare snijboon is. Hij bleef me intrigeren; ik wilde hem leren kennen, hem me eigen maken, hem geleidelijk schillen, ja, pellen als een artisjok, om wat er daarna overbleef, niet zozeer te verslinden, maar te proeven, begrijpen, en ten slotte te koesteren.(…) Waarom ik bij hem bleef? Omdat ik voelde dat deze snijboon diep vanbinnen een lieve gevoelige jongen was. Hij kon het alleen niet laten blijken. Het was hem thuis niet geleerd.’

    Als hij eens wat openhartiger over zichzelf is hoort ze hoe moeilijk hij het heeft gehad met de opvoeding – naast zijn drukke baan als advocaat – van twee puberzonen na de dood van zijn eerste vrouw. Een ervaring die zij zelf als gescheiden vrouw ook heeft beleefd. ‘Vanaf dat moment begin ik mijn man, van wie ik nog niet wist dat hij het ooit zou worden, beetje bij beetje in mijn hart te sluiten.’ De eerste vijftien jaar brengen ze samen aangenaam door met veel café-bezoek, theatervoorstellingen, culinaire uitjes. Dan besluiten ze te trouwen en al tijdens de huwelijksreis gaat het mis. Hij valt om, is in de war en blijkt bij onderzoek ‘vasculair parkinsonisme’ te hebben, het gevolg van herseninfarcten die het bewegen aantasten. Ook zijn denkvermogen en geheugen zijn minder geworden. Hij is, kortom, een invalide geworden die permanente zorg nodig heeft. Opvallend is dat de toch wat pesterige man die ze trouwde, een model-patiënt blijkt te zijn bij wie in de daarna volgende jaren geen klacht over de lippen komt.

    Zichzelf wegcijferen

    Voor Oster is het een enorme omslag in haar bestaan. Ze besluit haar man te verzorgen, en  twijfelt wel of ze het kan: ‘Maar… kan ik dit wel aan? Houd ik dit wel vol? Ben ik in staat mijzelf weg te cijferen? Hoe handhaaf ik me als verpleegster zonder opleiding? Ik die weinig geduld en zelfvertrouwen heb, en bovendien niet graag mijn eigenbelang uit het oog verlies. (…) Een mens is een vat vol  tegenstrijdigheden en ik ben veel vrouwen tegelijk: egocentrische zeurpiet, behaagziek uitgaanstype, schuldbewuste moeder, dito echtgenote.’ In het begin is het ook heel moeilijk.

    Echt Osteriaans is de beschrijving van een ziekenhuisbezoek per auto met de patiënt die als een geduldige vriendelijke zoutzak probeert zo min mogelijk tot last te zijn maar het toch onherroepelijk is als de auto even buiten moet staan, terwijl zij probeert een rolstoel te pakken te krijgen maar geen 2-euromunt heeft om die los te krijgen. Dan, ‘Naar de balie. “Nee, mevrouw”, zei de dame op haar plastic troon gespeend van elk inlevingsvermogen, het wasbleke gezicht glimmend van machtswellust, “we hebben hier geen cash.”’ Grote woede. Om dan tot tranen toe geroerd te worden als een willekeurige passant haar aan de 2-euromunt helpt en zelfs geen geld terug wil hebben als hij ziet hoe ze in gevecht is met haar tas op zoek naar wisselgeld..

    Ergernissen en kleine vreugden

    Hoofdstuk na hoofdstuk vertelt ze over de perikelen van de mantelzorg, de ergernis over hulpverleners die met een beroep op de Arbowet net niet de hulp bieden die nodig is. Het schuldgevoel dat haar overvalt telkens als ze even vrij neemt, de weerzin die ze heeft als haar man incontinent wordt. De obstakels die het grachtenpand oplevert bij de zorg voor een invalide, de goedbedoelde en nimmer eindigende ongevraagde  adviezen van vrienden en kennissen. Maar ook de kleine vreugden, zoals de komst van enkele altijd goed gehumeurde Surinaamse hulpen, en het tot bejaardenstand verhoogde toilet met reinigende straal:’ Overigens profiteert mantelzorgster-in-spe terdege mee van deze hygiënische innovatie. Want niet alleen wordt het achterdeel van het menselijk lichaam verwend met een trefzeker straal, ook de voorkant mag zich verheugen op doelgericht gesproei.”’De achterste knop is voor de bips, de voorste voor de poes,” wist Henk, loodgieter door de eeuwen heen, zonder blikken of blozen te melden.’

    De verkoop van het grachtenpand maakt het uiteindelijk mogelijk voor het echtpaar om twee kleine appartementen te kopen in een senioren-complex, de een – met verzorging – voor de invalide en de ander voor zijn vrouw. Zo kunnen ze toch nog veel samen zijn. Tot de laatste hersenbloeding er een eind aan maakt en Oster afscheid van haar man moet nemen. Die roerende slotscene laat een andere Annemarie Oster zien dan de vertelster van het verhaal zich tot dan toe toonde.

    Osters vertelstijl vol ironie en zelfspot leent zich niet goed voor het beschrijven van diep verdriet en zij volstaat dan ook met een enkel zinnetje her en der over de pijn die zij voelde bij de aftakeling van haar geliefde. Dat onvermijdelijke manco in haar verder zo meeslepende verhaal maakt zij meer dan goed in de slotscene en in haar vertaling van W.H. Auden’s ‘Funeral Blues’waar het boek mee eindigt. Daarin staan  deze vier overtuigende verdriet-regels: 

    ‘Hij was mijn Noord, mijn Zuid, mijn Oost, mijn West,
     Dag in dag uit was hij mijn thuis, mijn best,
     Mijn ochtendgloren, avondrood, mijn huid en haar;
     Voor altijd, dacht ik, maar dat is niet waar.’

     

     

  • Liefde en sterven in een mooi geschreven novelle

    Liefde en sterven in een mooi geschreven novelle

    Lezers die niet houden van indringende gedachtewisselingen over dood en leven, over trouw en ontrouw, over kunst en vliegwerk en al het andere dat er is tussen hemel en aarde, kunnen Theodor Holman’s novelle Als de liefde beter niet ter hand nemen. Tenzij men wil leren hoe dat moet, want Holman is daar een meester in, zoals lezers van zijn columns in Het Parool en De Groene Amsterdammer weten. In de loop van de jaren heeft Holman een indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschreven met Het blijft toch familie als vermoedelijk meest bekende roman. Dat verhaal gaat over zijn ouders die – getraumatiseerd door hun oorlogservaringen in Nederlands-Indië – in Nederland nooit hun leven goed op de rails konden krijgen en daardoor hun kinderen ook geen gelukkig gezinsleven konden bieden.

    Er nog iets van maken

    Dat onverwerkte Indische verleden is de rode draad in Holman’s werk, maar in Als de liefde koos hij voor een ander spoor: de verlangens van de ouderdom. Begrafenisondernemer Henk heeft jaren geleden het uitvaartcentrum van zijn vader overgenomen maar besluit als hij wat ouder wordt dat te verkopen.
    ‘Mijn vader en ik hadden beiden de naargeestige neiging op latere leeftijd het leven volkomen zinloos te vinden. Dat was ook de reden dat ik besloot om de zaak eerder van de hand te doen. Ik moest er nog wat van zien te maken.’
    Hij heeft een Volkswagen bus gekocht en omgebouwd tot een ‘gerieflijke maar zeer kleine eenkamerwoning. Ik wilde domweg wat rondrijden in de wereld. Musea bezoeken, boeken lezen bij een meer of met een bos als uitzicht en lekker eten.’ Behapbare wensen en het eerste ritje (naar Texel) belooft veel goeds: ‘ik sliep op een camping waar ik de wind als een vrouwenkoor rustgevend maar smekend om de auto hoorde suizen’. En dat maakt een andere behoefte wakker.

    Op zoek naar een vrouw

    Henk is twaalf jaar geleden gescheiden van zijn vrouw Inge toen die verliefd werd op een ander en met haar nieuwe man naar Frankrijk verhuisde. Een lieve dochter heeft hij aan dat huwelijk overgehouden, meer eigenlijk niet. Ex-vrouw Inge is inmiddels alweer zes jaar dood en Henk besluit het zoeken naar een nieuwe gade hoog op zijn bucket list te zetten. Hij wordt lid van een dating site, wat in eerste instantie weinig succes oplevert: ‘Niet één vrouw van 24 schreef namelijk: “Ik zoek een rustige ex-uitvaartondernemer van een jaar of zestig met een verbouwde Volkswagen.”’ 

    Maar na enige tijd krijgt hij langs deze weg toch contact met Carine, de weduwe van iemand die hij als begrafenisondernemer naar zijn laatste rustplaats heeft gebracht. Ze was onder de indruk van zijn medeleven bij die gelegenheid en wil hem graag ontmoeten. Er groeit verliefdheid tussen het tweetal. Maar dan brengt het lot Henk in contact met een oude vlam. Hij heeft ooit de kunstacademie doorlopen en is daar een randfiguur geweest in een groep jonge ambitieuze kunstenaars, van wie de mooie Esther het stralende middelpunt was. Tussen alle verhitte discussies over kunst door sliep ze met iedereen, dus ook met Henk, maar hij heeft nooit het gevoel gehad dat ze echt iets voor hem voelde. En omdat hij sterk twijfelde over zijn artistieke gaven koos hij er voor om zijn vader op te volgen en begroef zijn artistieke dromen.

    Trouwen en sterven

    Nu, veertig jaar later, is Esther een beroemde beeldend kunstenares. Maar ze lijdt aan ALS, zal binnen enkele maanden sterven en wil Honk (zoals ze Henk  noemt, omdat hij voor haar het symbool was en is voor ’thuis’) weer in haar leven hebben. Hun relatie herleeft alsof er geen veertig jaar voorbij gegaan zijn en Henk geniet – ondanks de nabije dood van zijn lief – weer van hun gesprekken over leven en dood, over trouw en ontrouw, over kunst- en vliegwerk en al het andere dat er kan zijn tussen hemel en aarde. 

    ‘”Ha, daar is mijn Honk weer. Jij houdt niet van dat kunstenaarsgelul, hè?”
    “Ik ben er nooit beter van geworden.”
    “Je hield wel van praten.”
    “Mondjesmaat.”
    “Woorden zijn goden! Woorden zijn placebo’s.”’

    Esther wil met hem trouwen op de dag dat zij ook – door euthanasie – uit het leven zal stappen. Gaat Honk daarin mee? Of kiest hij toch voor Carine? In het laatste deel van Als de liefde wordt die vraag beantwoord. Een mooie, goed geschreven, wat melancholieke novelle. Holman op zijn oude dag.

     

     

  • Liefde en standsverschillen in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling

    Liefde en standsverschillen in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling

    Dido Michielsen had veel succes (na een aantal biografische werken) met haar eerste roman Lichter dan ik, het verhaal van een Indonesische oermoeder (de ‘njai’) die haar kinderen, die zij had met een Hollandse man, moest laten opvoeden door anderen. Onlangs verscheen het vervolg, Engel en Kinnari, dat zich overigens ook separaat laat lezen. Misschien is dat zelfs beter, want wie haar eerste roman las, weet het antwoord op de vraag die de hoofdpersoon in deze tweede roman bezighoudt.
    Die hoofdpersoon, Louisa, en haar zus Pauline, zijn Indische meisjes van wie de Hollandse vader naar Nederland is vertrokken en hen heeft achtergelaten als pleegkinderen bij een hem bekend echtpaar. Hun Javaanse moeder kennen ze niet. Ze zijn schoolgegaan bij strenge nonnen en op hun dertiende en vijftiende jaar uitgehuwelijkt. 

    Verlangen naar de oermoeder

    Het verhaal begint in 1900 als Louisa met haar man J.A. (ze noemt hem naar zijn voorletters omdat haar dat doet denken aan het geluid van ezels) verhuisd is van Batavia naar Buitenzorg, de standplaats van de Gouverneur-Generaal. J.A. is Controleur 2e klas bij het Binnenlands bestuur en in die functie veel op pad. Louisa vindt het een saaie stad, vol statusbewuste ambtenarengezinnen. Zij is inmiddels moeder van drie tieners met wie het contact moeizaam is. Ze haat haar twintig jaar oudere Indische echtgenoot en verlangt naar haar Javaanse moeder die zij nooit gekend heeft.  Dat laatste begrijpt niemand in haar omgeving: Indische mensen willen hun oermoeder, meestal een inheemse ‘njai’, altijd zo snel mogelijk vergeten. Louisa heeft meermalen aan haar pleegouders, oom Arnold en tante Lot, gevraagd wie haar moeder was, maar die hebben dat nooit willen zeggen. Oom Arnold zelfs niet op zijn sterfbed, daar waakte tante Lot voor.
    Zus Pauline woont op Sumatra met haar man en kinderen en heeft geen problemen met haar bestaan als Indische vrouw. Aan haar kan Louisa haar onvrede wel per brief kwijt. En die onvrede is groot en knaagt aan haar. 

    Ontsnappen middels boeken

    In Buitenzorg treft Louisa Cato, een Indische vriendin uit de tijd dat ze op de nonnenkostschool zaten. Toen was Cato een brandal, een rakker, maar nu ze getrouwd is met een totok (blanke Hollander) die een hoge post in het gouvernement bekleedt, is ze een heel ander mens geworden, zeer klassenbewust en pijnlijk ondergeschikt aan haar horkerige man. Soms ziet Louisa tijdens gesprekken nog een glimp van haar oude vriendin terug, maar steeds vaker krijgt ze de indruk dat Cato zich boven haar verheven voelt door haar huwelijk met een totok.
    Om de Buitenzorgse verveling te verdrijven neemt Louisa een leestrommel en probeert met enkele Indische vrouwen uit de buurt een leesclub te beginnen. Om vervolgens te ontdekken dat die vrouwen niet geïnteresseerd zijn in literatuur. De één wijdt zich liever aan haar gezin, de ander ziet het lezen alleen als een middel om status te verwerven, de derde houdt zich overal buiten.

    Louisa komt pas tot leven als de al wat oudere en rijke Chinese vrouw Yoe Leng naast haar komt wonen, vergezeld door een knappe Javaanse secretaris die zij ‘Pang’ noemt (afkorting van Pangeran, een adellijke titel die hij mag dragen). Ondanks de waarschuwing van haar man dat zij niet moet omgaan met zo’n Chinese, want die hebben een lage status, bezoekt Louisa haar buurvrouw vaak. Als deze haar vraagt mee te gaan voor een bezoek aan Pekalongan op Midden-Java waar zij een batikbedrijf heeft, doet zij dat maar al te graag (J.A. is dan op reis en kan het niet verbieden). 

    Een affaire

    Hier verandert het verhaal van een opeenstapeling van ergernissen en onderdrukte woede van toon. Louisa wordt tijdens die reis van het ene moment op het andere verliefd op de mooie Javaanse secretaris die haar bekent liever niet bij zijn bijnaam Pang genoemd te willen worden en eigenlijk Dimas heet. Hij gedraagt zich als een echte heer, maar laat haar wel weten waar zijn slaapkamer is. En de betoverde Louisa gaat daar op een avond naar binnen en leert er de echte liefde kennen.
    ‘Dimas is man en vrouw tegelijk, hij streelt en masseert haar overal, maar schroomt niet om zijn eigen verlangens na te jagen en te tonen. Hij daagt haar uit hetzelfde te doen. Ze ontdekt dat haar plezier niet alleen in haar borsten en tepels te vinden is, maar evengoed in haar tenen en vingers. Haar nek, haar rug, billen en knieholten zijn onontdekte gebieden, elke centimeter tussen haar benen is vatbaar voor ongekende sensaties.’

    Na terugkeer in Buitenzorg bezoekt Louisa Dimas vaak clandestien in het buurhuis. Dat geluk duurt enige tijd, maar dan volgt de harde werkelijkheid: Dimas kondigt aan te vertrekken om lid te worden van een groep Indonesische intellectuelen die een betere behandeling van de inheemsen willen eisen bij de overheid. En Louisa wordt op het matje geroepen door Cato en haar man omdat bekend is geworden dat zij zich afgeeft met de Chinese Yoe Leng. 

    Als Yoe Leng en Dimas uit haar leven vertrokken zijn en Louisa weer moet wennen aan haar leven met haar man J.A. kantelt er iets in haar gevoelens voor hem. Uit het gesprek met Cato en haar man heeft ze begrepen dat die vanuit grote hoogte neerkijken op haar Indischman J.A., die wel goed is in zijn vak maar het toch nooit verder zal brengen dan Controleur 2e klas. Ze kijkt nu met  andere ogen naar hem, ziet hem als een ook in het leven teleurgestelde halfbloed. Als hij overlijdt, na als hartpatiënt enkele jaren door haar verzorgd te zijn, vertelt  een Javaan bij zijn overlijden dat J.A. één van de weinige ambtenaren was tegenover wie de inheemsen zich durfden te uiten. Dan krijgt zij spijt dat zij hem zo gehaat heeft: hij was meer een lotgenoot dan ze dacht.

    Haar bestemming

    De kennismaking met het boek Door Duisternis tot Licht van Raden Adjeng Kartini brengt nieuw leven in haar. Ze opent een kostgangersbedrijf in Batavia. Het contact met Yoe Leng en Dimas wordt hersteld. En ten slotte brengt het overlijden van tante Lot, haar pleegmoeder, het antwoord op de vraag die haar leven al zo lang beheerst: wie was mijn Javaanse moeder? Dat antwoord kan hier niet onthuld worden maar bepaalt wel de rest van Louisa’s leven. Het verhaal eindigt in 1942 als Japan de kolonie bezet heeft en iedereen met gemengd bloed min of meer zelf kan bepalen (want het is niet te controleren) of hij méér dan vijftig procent Nederlands bloed heeft, en dus als Nederlander de interneringskampen in moet, dan wel meer dan vijftig procent Indonesisch bloed en daar buiten mag blijven. Welke keuze Louisa maakt laat zich raden.

    Dido Michielsen heeft zich goed verdiept in de bijzonderheden van het leven in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling tot diep in de jaren dertig. Geen detail van kleding, gedrag of gewoonten in het Nederlands-Indië van die tijd blijft onvermeld en dat gaat wel eens ten koste van de vlotheid van het –  overigens goed geschreven – verhaal. Maar voor wie precies wil weten hoe het was in ‘Tempo Doeloe’ is dit natuurlijk eerder een voordeel dan een nadeel.

     

     

  • Prachtige ode aan havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta

    Prachtige ode aan havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta

    Dat Philip Dröge ooit als journalist is begonnen, daar profiteert hij nu als schrijver van. En de lezer ook, want zijn zoektocht naar het Indische verleden van zijn familie leest als een trein. Maar het is tegelijk een literaire traktatie, want weinig schrijvers slagen er zo goed in als Dröge om situaties en personen zo beeldend in enkele zinnen te schetsen. Moederstad, de familiegeschiedenis die hij schreef speelt vrijwel geheel in de Indonesische hoofdstad Jakarta. Ofwel ‘Batavia’ in de tijd dat Dröge’s voorouders er woonden. Zijn eigen DNA is voor tachtig procent Europees, negenenhalf procent Indonesisch, negenenhalf procent Chinees en een procent Papoea staat vermeld op het omslag van het boek. Hoe die mengeling tot stand is gekomen, daar is hij in Jakarta naar op zoek gegaan.

    Op de plek waar al eeuwenlang een klein havenplaatsje lag aan de rivier Ciliwung, ontstond onder gouverneur-generaal Coen in mei 1619 het VOC-bolwerk Batavia. De eerste voorvader die Dröge tijdens zijn stamboom-onderzoek vond stapte er al twaalf jaar later aan wal met vrouw en vier dochters. Hij heette David de Solemne, was kwartiermaker in het Hollandse opstandelingenleger dat oorlog voerde tegen Spanje en kreeg als beloning diezelfde functie bij de VOC. Een belangrijke functie want er moest stevig gepland en gebouwd worden in het snel groeiende Batavia en dat kon hij als de beste. Wel met hulp van duizenden geïmporteerde Chinezen, harde werkers.

    Rijkdom verzamelen

    In de archieven vond Dröge zijn naam veelvuldig terug, net als andere uit Holland overgekomen voorvaders. Zoals de man die in 1664 mee mag rijden in de trouwkoets van Gouverneur-generaal  Maetsuycker: ‘De mensen langs de straat zien een plompe man met een dikke neus en trieste ogen, gezet in vlezige kassen.(..) Naast hem zit een slanke, lange vrouw met opmerkelijk brede jukbeenderen. (..) Het zijn de 53-jarige Carel Hartsinck en zijn vrouw Sarah de Solemne, mijn voorouders.’
    Carel is volgens Dröge een ‘gewetenloze houwdegen’, zoon uit een rijke familie, overgestoken vanuit Europa met maar één doel: nog meer rijkdom verzamelen. Wat heel goed lukt. Hetzelfde motief hebben eigenlijk alle voorvaders uit de 17e en 18e eeuw, het zijn zakkenvullers. Pas later komen generaties die ook iets willen bijdragen aan het land dat na zo lange tijd ‘hun’ land is geworden en de stad die hun ibu kota (moederstad) is. 

    Dröge is steeds op pad in Jakarta om de Bataviase plekken terug te vinden waar zijn familieleden woonden en werkten. Ze zijn vaak moeilijk te vinden, maar hij houdt vol, ook in de hitte en de stank van de miljoenenstad die het nu is: ‘De geur die rond de markt hangt is het makkelijkst te omschrijven als ‘rotting’, maar ook dat is weer veel te fijnbesnaard. Alsof iemand een aangesneden galblaas zomers te lang buiten de koelkast heeft bewaard, dat komt meer in de buurt.’

    Geschiedenis van een uitgroeiende stad

    Tegelijk met de historie van de familie vertelt hij de geschiedenis van de steeds verder uitgroeiende stad en de problemen die er in de loop van de eeuwen waren. Zo lees je over de Chinezen die rond 1740 werkloos raakten toen de suikerrietplantages waar zij werkten door overproductie en dalende prijzen massaal de arbeiders ontsloegen. Daar stonden ze, meer dan drieduizend kilometer van huis en geen geld om terug te keren. Er ontstonden bendes die roofden en plunderden in de randgebieden van de stad om in leven te blijven. En dat leidde weer tot de Chinezenmoord op zondag 9 oktober 1740 toen in verschillende kerken een VOC-oproep was voorgelezen om ten strijde te trekken tegen de Chinese dreiging.
    ‘In plaats van een uitval te doen richting de vijanden rond de stad, storten de soldaten en zeelui zich op de Chinese inwoners van de stad. De mannen trekken moordend door de straten. Iedere Chinees die ze tegen komen, snijden ze de hals door. Het zijn families die vaak al veel langer in Batavia wonen dan zij. Mensen die die stad hebben helpen opbouwen.(…) Het is een klassiek voorbeeld van etnische zuivering.’

    Geregeld krijg je – al lezend – zin om eens een kijkje te nemen op de plekken die Dröge bezocht en dat kan tegenwoordig heel makkelijk dankzij Google Street View. Zo kan je bijvoorbeeld het grote landhuis zien dat Andries Hartsinck, één van Dröge’s voorouders en steenrijk geworden in de suiker, in de 18e eeuw buiten Batavia liet bouwen en dat nu als politiebureau nog in gebruik is, midden in Jakarta. Andries hield er een harem op na, maar daar weten de huidige bewoners natuurlijk niets van. ‘”Nederland,” vraagt een van de inspecteurs me, “zijn drugs daar echt legaal? En homoseksualiteit ook?” Als ik ja zeg, moeten de mannen lachen. Wat zijn we in het Westen toch van het padje. Op Sumatra zijn net nog een paar lesbische vrouwen opgepakt, vertelt hij tegelijk giechelig en trots. Wat moet ik daar nou op zeggen?’

    Ode aan havenstadje Batavia

    Na zijn Hollandse voorvaderen komen in Dröge’s familiegeschiedenis de Indonesische en Chinese oermoeders in beeld, het begin van de Indische familie waar hij toe behoort. Ze hebben minder sporen nagelaten, maar Dröge slaagt er toch goed in om ze te portretteren. Zoals Maria Burgemeestre (de vreemde spelling komt door een ambtelijke schrijffout), zijn Chinese over-oma met Nederlandse en Duitse wortels, die ook Tjang Mie genoemd wordt: ‘Dan schuifelt een kleine oude dame binnen, aan de arm van een jongere vrouw. Oma en kleindochter. De oude vrouw lijkt als twee druppels water op mijn moeder. Dezelfde ogen, dezelfde wat voorover gebogen houding, exact haar handen. Ze kijkt vriendelijk omhoog naar mij.’

    Dröge’s verhaal eindigt in de 20ste eeuw met de oorlogservaringen van zijn tante Hannie en haar pogingen om in Jakarta te overleven na de soevereiniteitsoverdracht. En het grote Indische zwijgen over die beroerde tijden dat zij tot haar dood volhield. Moederstad is een prachtige ode aan dat kleine havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta, de uit zijn voegende groeiende, op veel plekken bijna onleefbare maar toch indrukwekkende hoofdstad van Indonesië. En het is een evenzo indrukwekkende zoektocht naar de wortels van zijn familie. Mooi boek.

     

     

  • De onnodige wreedheden van het leger in Atjeh

    De onnodige wreedheden van het leger in Atjeh

    Oorlogstrauma’s zijn vermoedelijk van alle tijden, maar worden pas sinds ca 1920 erkend als ziektebeelden. Tijdens W.O.I werden bijvoorbeeld nog driehonderdzesenveertig Engelse soldaten ter dood veroordeeld wegens desertie, de laatste (Louis Harris) op 7 november 1918. Een groot deel van hen leed waarschijnlijk aan shellshock, tegenwoordig gezien als één van de vormen van PTSD. Goed dat vier dagen later de oorlog op hield, anders waren het er nog meer geweest.
    Post traumatic stress disorder (PTSD)  wordt tegenwoordig gelukkig herkend en erkend, maar was nog vrijwel onbekend in de tijd waarin Het uur van de olifant speelt, de nieuwste roman van Otto de Kat. Daarin wordt het verhaal verteld van Maxim van Oldenborgh, een jonge officier van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) die in een man-tot-man/vrouw gevecht in Atjeh een oog verliest en – afgekeurd voor de dienst – zijn leven als burgemeester van Texel voortzet.

    Herinneringen ophalen

    Van Oldenborgh woont daar met zijn jonge vrouw Roy als hij in 1909 bezoek krijgt van W.A.van Oorschot (‘W.A.’ voor zijn vrienden), een oude legervriend die vanuit Indië met verlof is in Nederland. Hij heeft net als Maxim de dienst verlaten en is nu werkzaam bij de Staats Spoorwegen op Java. Ze halen herinneringen op aan hun krijgservaringen in Atjeh en Maxim krijgt mede daardoor steeds meer last van de nachtmerries en depressies waar hij na zijn terugkeer in Nederland aan lijdt. W.A. blijkt namelijk Wekker te zijn, de schrijver van zeventien onthutsende artikelen in oktober en november 1907 in het blad De Avondpost over de wreedheden begaan door KNIL-militairen tijdens de pacificatie van Atjeh. Die artikelen hebben geleid tot grote commotie in de Tweede Kamer en tot – uiteindelijk – het vertrek van generaal van Daalen als gouverneur van Atjeh. Van Daalen was de keiharde militair die in 1904 met zijn maréchaussees de vesting (benteng) Koetoh Reh veroverde. Bij die slachting werden driehonderddertien mannen, honderdnegenentachtig vrouwen en negenenvijftig kinderen doodgeschoten. 

    De verovering van Atjeh die in 1904 al eenendertig jaar duurde was onder generaal Van Daalen steeds gewelddadiger geworden en steeds meer officieren hadden grote moeite met hun rol daarbij. Natuurlijk, voor het Atjehse verzet was de oorlog tegen de kafirs een djihad, een heilige oorlog die tot een triomfantelijke dood kon leiden, een gevecht waaraan ook vrouwen en kinderen met overgave deel namen. Was niet de belangrijkste verzetsstrijder een vrouw, Tjoet Nja Dinh? De doodsverachting van de aanstormende  Atjehers had veel soldaten ertoe gebracht om hun kogels af te vijlen, zodat het dum-dum-kogels werden, waarvan de inslag zo groot was dat de getroffene niet verder op je af kon rennen. Ook die – officieel verboden – vorm van munitie knaagde aan de gewetens van steeds meer officieren. 

    Humane oorlogsvoering onmogelijk

    Wekker vertolkte in zijn stukken met veel voorbeelden de onnodige wreedheid van het leger. Niet zozeer omdat hij tegen de verovering van dat laatste stukje van Sumatra was, maar omdat hij vond dat het geweld vooral veroorzaakt werd door de bezuinigingen op het aantal manschappen. Dat maakte een meer humane oorlogsvoering onmogelijk. Het nemen van gevangenen tijdens zo’n krijgstocht was bijvoorbeeld onwenselijk omdat dan een deel van de manschappen zou moeten vertrekken om ze af te voeren. Dan bleef een kleinere en dus meer kwetsbare eenheid over en dat kon niet. Er werden dus geen gevangenen genomen, men doodde domweg iedereen die zich overgaf. 

    Voordat Wekker zijn stukken publiceerde waren er meer protesten geweest tegen de wijze waarop de oorlog in Atjeh werd gevoerd, maar met zijn Multatuliaans heftige schrijfstijl had hij meer effect. Als W.A. hun bekent dat hij Wekker is, zijn Maxim en Roy verrast. Natuurlijk kennen zij de artikelenreeks en ze hebben die allebei met grote instemming gelezen. De onthulling dat W.A. de schrijver is opent de deur voor gesprekken en een groot deel van de roman is dan ook gevuld met – boeiende – gedachtewisselingen over de pacificatie en het schuldgevoel dat dat oproept. En over Indië, het land waar W.A. naar teruggaat omdat hij het niet meer missen kan, ook al is hij langzamerhand tot de conclusie gekomen dat Nederland daar niet thuis hoort. Het land waar ook Maxim naar terug verlangt, al komt hij in een gesprek met Roy tot en andere conclusie dan W.A.: ‘Nee, ik wil nooit meer terug, al ruik ik het land, al heb ik duizend beelden in mijn hoofd, al is er een onbegrijpelijk gevoel van gemis en heimwee.’ ‘Liever heimwee dan Indië?’ Hij lachte. ‘Van wie heb je die uitdrukking? Ja, hij is raak, precies wat ik bedoel.’ 

    Verdrongen scene komt boven

    Ook Roy wordt meegetrokken in hun overdenkingen, vooral omdat zij zich zorgen maakt over de gezondheid van haar man. Maar zij raakt tijdens zijn bezoek vooral gefascineerd door de open persoonlijkheid van W.A. die niet aarzelt haar persoonlijke vragen te stellen die haar bewegen hem zaken te vertellen die ze nooit met anderen gedeeld heeft. En omgekeerd is hij zeer gecharmeerd van haar. Het blijft platonisch, maar als W.A. weer op de boot terug naar Java is, dan reist zij in zijn gedachten met hem mee. Roy zelf wordt weer opgeslokt door haar liefde en zorg voor haar man en ze slaagt er in om hem ertoe te bewegen – op advies van W.A. – een zenuwarts te bezoeken, in die tijd een nog nieuw medisch specialisme. Bij één van die bijeenkomsten komt de scene boven die hij al die tijd verdrongen heeft en die zijn nachtmerries veroorzaakt. Wat hem dwars zat blijkt niet te gaan om iets dat hij zelf gedaan heeft, maar om iets gruwelijks dat zijn commandant deed waar hij passief bij was gebleven. Genezing is dan eindelijk op komst.
    De Kat slaagt er goed in om zijn vertellerstaal en conversatie-teksten precies de wat ouderwetse toon te geven die je als lezer in de sfeer van het begin van de vorige eeuw brengt. Het uur van de olifant is dan ook een mooie roman geworden, met een ongebruikelijk onderwerp: PTSD.

     

     


    Nawoord over de historische achtergrond:
    Wilhelmus Arnoldus (W.A.) van Oorschot heeft echt bestaan en werd er ooit inderdaad van verdacht de schrijver van de Wekker-verhalen te zijn. Maar wie de moeite neemt via het Delpher krantenarchief zijn levensloop op te diepen ziet dat men al snel terug kwam van die verdenking en dat hij daarom vervolgens toch een succesvolle loopbaan als chef van de Staats Spoorwegen kon hebben. Na zijn pensioen in 1927 keerde hij –jawel!-  naar Nederland terug en werd daar burgemeester van Ilpendam. In die plaats herinnert het Van Oorschot-plantsoen nog aan de dynamische burgervader die hij was. Hij stierf in 1948, zevenenzestig jaar oud. Of hij werkelijk Wekker was zal denkelijk altijd een vraag blijven.

    Het personage Maxim van Oldenborgh heeft de Kat (pseudoniem van J.G. Gaarlandt) gebaseerd op zijn grootvader E.G. Gaarlandt die inderdaad gewond uit Atjeh terugkeerde en daarna burgemeester van Texel werd. In zijn latere leven werd hij nog een geliefde burgemeester van Gouda in welke rol hij er bijna in slaagde om het vliegveld dat nu Schiphol heet, bij Gouda te laten bouwen. Hij overleed plotseling in 1938, achtenvijftig jaar oud.