• Zomerboeken 2018 – Reizen zonder landsgrenzen te overschrijden

     

     

     

    Het genre van het reisboek verbinden we meesttijds aan verre landen. Reizen dichtbij huis zonder de Hollandse grens te overschrijden en daarover schrijven, dat deed de in 2015 overleden dichter Hans van de Waarsenburg (1943 – 2015).

    Vaak verwisselde hij zijn woonplaats Maastricht voor zowel Europese landen als voor Amerika, Macao, Puerto Rica en Indonesië. Tussendoor zocht hij Zeeland op. Het strand bij Domburg is het vertrekpunt geweest voor één van zijn mooiste bundels zeepoëzie in de Nederlandse literatuur: Avondlandschappen (1982). Hierin strijden doodsgedachten en drang om te (over)leven met elkaar om voorrang. Het zijn hoofdmotieven in Van de Waarsenburgs werk die in de openingsstrofe van de tweede afdeling in de bundel duidelijk herkenbaar zijn:

    In een Zeeuwse stilte
    daalde de tijd van regen neer.
    Scheef hij eb en vloed
    soms huiverend, maar altijd
    starend, de getijden voorbij

    De vierde en laatste afdeling van Avondlandschappen heet ‘(Sardijns) Avondlandschap’ en eindigt met een catharsis: dood en leven verenigen zich, lopen in elkaar over. De zintuigen van de dichter ‘zijn de zee geworden’ en daarmee krijgt het aardse bestaan een grenzeloze en onsterfelijke aanblik.

    De bundel Avondlandschappen kan vanwege het eigen geluid waarin telkens een niet-Hollandse melancholie doorklinkt als van een fado, in kwaliteit wedijveren met de zeegedichten van Hans Lodeizen en zelfs van A. Roland Holst.

    Van Sardinië dat Van de Waarsenburg aandeed, naar andere eilanden in Italië en zijn vasteland is een kleine stap. Deze gebieden zijn het tweede vaderland geweest van Bertus Aafjes (1914 – 1993), de misschien wel meest reislustige in de Nederlandse literatuur. Behalve een veelbesproken voetreis naar Rome ondernam de eens zo beroemde poëet een tocht in de voetsporen van Odysseus zoals zich die in Homeros’ heldendicht aftekenen.

    Evenals Van de Waarsenburg in zijn reisgedichten blijft Aafjes niet in een oppervlakkige waarneming steken in zijn verslag van het nareizen van Odysseus door Italië. Landschappen, steden en ruïnes inspireerden tot het maken van een ‘papieren’ reis, een reis binnen een reis, een tocht in zijn geest. Aafjes roept in Odysseus in Italië (1962) het klassieke verleden op dat bij alle verschillen met het heden in wezen eenzelfde mens te zien geeft. Betrad Odysseus als zeereiziger aardse gebieden die onbekend en onbemind waren, in 1960 overschrijden astronauten uiterste grenzen in het heelal. Zulke universaliteit staat in Aafjes’ werk centraal. Zij verleent de mens de allure van onsterfelijkheid: zijn leven is in het verleden al vele malen geleid en naar het zich laat aanzien zal het zich na zijn dood blijven herhalen.

    Net zo pregnant komt deze gedachte van de tot boeddhisme neigende katholiek Aafjes (in zijn latere leven bezocht hij vaak Japan) in Goden en eilanden (1959) naar voren. Hierin volgt hij de sporen van Odysseus over land en vooral over zee in Griekenland. Op een van de schepen waarmee hij naar een van de eilanden met sporen van zijn held vaart, wordt Aafjes omringd door eenzelfde slag zeelieden als de mannen van Odysseus. Gefascineerd is hij door het verhaal van een bootsman over het vissen op zee. Het is zó beeldend, schrijft Aafjes,  ‘of het was dat ik luisterde naar verzen uit de Odyssee.’

    De in 1981 verschenen bundel Reisbeschrijvingen van J. Slauerhoff bevat een ruime keuze aan kranten uit bijdragen die tot dan toe ongepubliceerd waren gebleven. Als scheepsarts bevoer hij Zuid-Amerika en het Verre Oosten, gebieden die voor talloze lezers in de jaren dertig van Nederlandse dagbladen en zelfs voor die van Nederlands-Indische uit eigen aanschouwing onbekend waren. Slauerhoff heeft hen deelgenoot gemaakt van het bonte en mysterieuze leven dat hij aantrof als hij zijn ‘varend eiland’ verliet en aan land ging. Niet ontsnapt aan zijn blik het verleden van de vaak veel oudere Europese cultuur. Hoe glorieus en eeuwig de bloeiperiodes in den vreemde ook leken, ze hebben het veld geruimd voor barre, vaak koloniale leefomstandigheden. Een heel andere kijk dus dan Aafjes met zijn ‘vereeuwiging’ van het menselijk bestaan door de verbinding van gemeenschappelijkheden in voorbije levens.

    In korzelige en beeldende zinnen weet Slauerhoff de eigenaardigheden ten voeten uit te schilderen van de bewoners in de vaak exotische gebieden. Zo hebben zich ‘enige kooplieden als amfibieën ontpopt. ‘Zij duiken alles na: sigarettendoosjes, spiegeltjes etc.’ Of: ‘Plotseling komen twintig, dertig, veertig boten, donkergroen of zwart met brullende naakte negers bemand van ’t strand af en in een ogenblik is de zee zwart en rumoerig van kano’s en roeiers.’ En ze slaan zich door de branding met hun boten, ‘korte pagaaien, die uit de verte grote witte handen lijken of drietanden.’

    Slauerhoffs visie in zijn reisverslagen uit de jaren dertig beperken zich overigens niet tot heden en verleden. ‘Misschien komt er een tijd,’ merkt hij zijdelings op, ‘dat iedere toerist zwijgend en zwetend bezig is met eigen filmtoestellen, geluidopnemers en reproductietoestellen […] En misschien komt het nog zover dat men geen toerist meer hoeft te zijn en alles thuis kan zien.’

  • Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt

    Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt

    De bundel Schaduwgrens van Hans van de Waarsenburg opent met de reeks ’Consul’, waarin onmiskenbaar de hoofdpersoon uit Malcolm Lowry’s roman Under the vulcano wordt geportretteerd. Een consul, inderdaad, met eeuwigdurende dorst, die zich voortsleept van delirium naar kater, en hoopt dat zijn geliefde ooit terugkeert en alles goed zal komen. De toon van de bundel is gezet: melancholisch verlangen en hopen, in de zekerheid verloren te hebben. Heel veel vrolijker wordt het niet, maar uiteindelijk triomfeert de taal van de dichter over de treurnis van zijn lot.

    Waterpokken en waaiende wieren
    Ook in de tweede reeks van de bundel wordt de ‘schaduwgrens’ tussen waan en werkelijkheid in beide richtingen overschreden. ´Ik was nog niet wakker´ omvat 11 gedichten waarin een ik-figuur worstelt met het ontwaken uit een deliriumachtige slaap. Een zware kater, luidt de diagnose: veel snot, koppijn en onverdraaglijke herrie, en regels als ‘de uppercut op de kin, de doffe leverslag’. Dat alles samengevat tot ‘Ik hoestte zwaar in het slijm van de begeleidende kotsmuziek’. Dat lichamelijk ongemak wordt doorsneden door macabere droombeelden van een gestorven geliefde (wellicht verhangen, gezien een ‘henneptouw’, maar veel is onzeker hier), gehangen misdadigers, ‘doden op de rug’ en een verdronkene in een scheepswrak: ‘Ik vond een hoofd vol waterpokken en waaiende wieren.’ De gedichten ogen strak, drie maal vier regels elk, en in ieder gedicht duikt de titel wel ergens op, als een stokregel. Maar onder dat pantser van taal woelen surrealistische angstvisioenen en wraakgedachten (‘ik verlangde naar […] een moordwapen / om aan het talentloos geblaat te ontkomen.’). Het laatste gedicht in de reeks brengt geen verlossing, geen ontwaken en geen verzoening. Vier gedichten eerder bekent de dichter al: ‘Ik huiver / Als de tijd mij aanraakt’ en spreekt hij over ‘Dagelijks bezoek aan de Hades / En glaskoorts, wonden die niet heelbaar zijn.’

    De wijn ontkurkt
    In Schaduwgrens is een dichter op leeftijd aan het woord, die zich kwetsbaar voelt tegenover – jawel – het verstrijken van de tijd. Maar hij verwoordt die kwetsbaarheid in vitale beelden, rake woorden en regels die blijven hangen. De overige gedichten in Schaduwgrens zijn minder surrealistisch dan ‘Ik was nog niet wakker’. Zo beschrijft ‘IN’ een doorweekte wandeling door regenachtig Dublin, waar de dichter een meisje ziet dansen ‘Solo. Of ze niet te stoppen was. Of er leven / Te winnen viel na de dood.’ ‘Dreischor’ (gehucht op Schouwen-Duiveland), is een reeks kwatrijnen over een winter aan zee waarin veel Adriaan Roland-Holst meeklinkt, inclusief ballingschap, stemmen van overzee en ‘woeden tegen de tijd’. In 1980 zei Van de Waarsenburg in een interview: ‘Misschien ben ik wel een reïncarnatie van Roland Holst aan het worden.’ Daarvoor is zijn toon te nuchter, maar toch: zeker is dat de geest van Holst hier rondwaart. De reeks eindigt overigens voorzichtig optimistisch met de komst van de lente: ‘In het jonge riet wordt schoorvoetend de wijn ontkurkt.’

    Er zijn meer literaire verwijzingen te traceren: naar Percy’s song van Bob Dylan (Turn, turn, to the rain and the wind’), bij voorbeeld, en naar Dylan Thomas Under milkwood: ‘Call em Dolores, like they do in the stories’). Hugh Lane is wat lastiger thuis te brengen; het is de galerie in Dublin waar het atelier van de schilder Francis Bacon is tentoongesteld en tot op de snipper is gedocumenteerd. Niet tot genoegen van de dichter, die het heeft over ‘het atelier dat zielloos /Een dode voorstelt. Waanruimte.’ Andere reeksen zijn gewijd aan kunstenaars, wat het risico oproept van het mijmerdichten bij een schilderij, zoals in de reeks ‘Korenveld’, over de schilder Theo Kuijpers. En ook aan die andere valkuil van de virtuoze dichter ontkomt Van de Waarsenburg niet altijd: de woordspeling die al snel stijlbreuk wordt. ‘Ik […] schonk geen vermogen aan al die werelden die met een drie beginnen’, bijvoorbeeld. Of: ‘De dood / Zong in B. met een Z. ervoor.’ – in een gedicht over de componist Matty Niël.

    Wat taal wel en niet vermag
    Van de Waarsenburgs poëzie is onverkort romantisch, maar dan niet van de weemakende soort. Hij schrijft strofische gedichten, maar zonder eindrijm of metrum (maar des te meer ritme) en valt zeker niet in te delen bij de ‘klassieke’ sonnettenmakers als Rawie of Kal. Een ‘rijpe’ dichter, zoals dat heet, die in een halve eeuw (hij debuteerde in 1963) heeft geleerd wat taal wel en niet vermag: geen overwinning op de dood, maar sterke beelden en vitaal verzet. De Schaduwgrens verwijst naar de overgang tussen dag en nacht,  leven en dood (ergens wordt de dood aangeduid als ‘Een schaduwman in een tranende ooghoek’). Het laatste gedicht heet ´Schaduwgrens´ en beschrijft een vrouw en onderwaterlandschap tegelijk. Bevreemdend maar trefzeker. Moet vaak worden genoten en gebloemleesd. Vooruit dan, de laatste regels, op voorwaarde dat je de rest ook gaat lezen:

    […] Mijn lief,

    Ik wil niets meer dan dit uitzicht vol mooie, naar mij

    Zwaaiende vissen. De sluier van je haren en heuvels

    Die glooien. Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt.