• Oogst week 51 – 2019

    23 seconden

    In de laatste oogst van dit jaar het nieuwste boek van proza- en scenarioschrijver Kees van Beijnum, een memoir van De Amerikaanse schrijfster Vivian Gornick en het enige prozawerk van de dichter Hans Tentije herdrukt.

    Kees van Beijnum debuteerde in 1991 met Over het IJ, vier jaar later brak hij door naar het grote publiek met het semi-autobiografische boek Dichter op de Zeedijk, wat hem een nominatie voor de AKO Literatuurprijs opleverde. De oesters van Nam Kee werd in 2000 een bestseller. De meeste van zijn boeken spelen zich af in Amsterdam, zo ook zijn nieuwste roman 23 seconden. Over de geruchtmakende ‘hamermoord’ op een Amsterdamse raamprostituee, de moeder van een jonge schrijfster, Anne. Tijdens een zoektocht naar de wortels van haar bestaan, ontstaan er steeds meer vragen over de moord op haar moeder. Om het mysterie te ontrafelen, daalt ze steeds dieper af in de duistere wereld van haar verleden. Als ze contact zoekt met de moordenaar, zijn de gevolgen niet meer te overzien. Een mysterieus verhaal, dat verweven is met het aangrijpende verhaal over de fotograaf Hayo, Annes te jong gestorven jeugdliefde.

    In de nieuwe literaire talkshow van Het Parool, SPUI25 en het Nederlands Letterenfonds, Letteren Live, werd Kees van Beijnum geinterviewd.

    23 seconden
    Auteur: Kees van Beijnum
    Uitgeverij: Bezige Bij

    Een vrouw apart en de stad

    Vivian Gornick (1935) is een van de beste denkers die Amerika heeft voortgebracht. Zij is scherp in het oproepen van beelden van het leven in de grote stad. Een vrouw apart en de stad zijn notities van een bewust alleenstaande vrouw met een strijdbaar feministisch verleden. Haar metgezellen zijn de stad en de literatuur. Gornick beschrijft toevallige ontmoetingen, de steeds veranderende vriendschappen. De rode draad in het boek zijn de gesprekken met Leonard, een homoseksuele vriend die op zijn eigen ongelukkige leven reflecteert. Deze vriendschap heeft ‘meer licht geworpen op de raadselachtige aard van intermenselijke relaties’ dan welke intieme band in haar leven ook. Volgens de uitgever zijn de gesprekken tussen Leonard en Vivian ‘als een Grieks koor bij de stroom van ontmoetingen met portiers, groentemannen, travestieten, kennissen en buren’.

    Een vrouw apart en de stad
    Auteur: Vivian Gornick
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De innerlijke bioscoop

    Hans Tentije (1944) is een dichter waarvan weinigen weten dat hij ook proza schreef. Zijn in 1990 uitgebrachte bundel met lyrisch proza, De innerlijke bioscoop werd toen ter tijd lovend besproken maar weinig opgemerkt.

    Het is dan ook goed dat dit beslist tot zijn oeuvre behorende werk van Tentije door uitgeverij De Harmaonie herdrukt is. En werd uitgebreid met dertien nieuwe teksten met etsen van Peter Bes. De innerlijke bioscoop bevat verhalen van ervaringen en gebeurtenissen van de schrijver.  ‘filmpjes’ van wat de schrijver zoal heeft meegemaakt, in woorden geprojecteerd. Het boek zet na dertig jaar nog  tot nadenken aan.
    Sinds zijn debuut, Alles is er (1975), heeft Hans Tentije aan een uniek oeuvre gewerkt van inmiddels zeventien dichtbundels. Eerder werd Tentijes werk bekroond met onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Herman Gorterprijs en de Karel van de Woestijneprijs en in 2017 met de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre.

    De innerlijke bioscoop
    Auteur: Hans Tentije
    Uitgeverij: De Harmonie
  • Het verleden ‘dargestelt’ in woorden en zinnen die knisperend fris zijn

    Het verleden ‘dargestelt’ in woorden en zinnen die knisperend fris zijn

    Hans Tentije publiceert al 40 jaar poëzie. In die tijd evolueerde zijn thematiek van ontgoocheling (omdat de jaren zestig voorbij gingen) in montere melancholie (want alles gaat voorbij, maar herinneringen blijven). In Gissingen, gebeurtenissen worden verdwenen werelden en voorbije gebeurtenissen weer tot leven gewekt in de taal van toen.

    In Tentije’s laatste bundel wordt veel opgeroepen en weinig gemijmerd. Het verleden wordt dargestelt, in woorden en zinnen die knisperend fris zijn, maar stammen van minstens veertig jaar geleden. Nog geen pc of tv in zicht, maar wel archiefkasten, uitgelopen inkt, kleiputten, tichelovens, bediendenknoppen, rijstvloei, fondantkleurige neonreclame en een penetrante melange van Oost-Europese tabak en dieselolie. Regels waarin verrassend gewone woorden opduiken, waarvan we vergeten zijn dat we ze niet meer gebruiken. En zinswendingen en volzinnen die archaïsch zouden zijn als ze niet zo vitaal waren. Fonkelende taal die de wonderbare sensatie oproept van een actueel gemaakt verleden.

    Schaars worden geografische aanduidingen verstrekt. In ‘Noorderlicht’ wordt rondgezworven in Duitsland (Glückstadt, ‘Lungenheilstätte für Frauen‘) in ‘Ergens onderweg’ in het Oostblok, gezien de Roemeense plaatsen Putna en Suceava, en in West Somerset. De afdeling ‘Gissingen, gebeurtenissen’ speelt zich af in Duits Oostenrijk kort voor de Tweede Wereldoorlog– vermoed je op grond van ‘postzegels van 60 Heller’ en ‘Het Prater’, terwijl het laatste gedicht zich mogelijk in België afspeelt, gezien de zes ‘Belze paarden’ die er in optreden. Maar daarover later meer.

    Crime passionel

    In het titelloze eerste gedicht van de bundel vertelt Tentije een verhaal, bijna geheel opgetrokken uit dingen en de woorden daarvoor. Een opeenstapeling van beschrijvingen zoals (we doen een willekeurige greep): ‘doods aandoende buitenwijken, vervuilde berichten en tegenstrijdige geruchten, de uitgelopen inkt van de systeemkaarten, de telefooncel een uur ervoor’ enzovoorts. Rijke evocatieve regels, die het kantoorleven van minstens een halve eeuw geleden oproepen, en van alles suggereren: verval en onheil bijvoorbeeld, maar ook een moment waarop iets gebeurde, gezien die telefooncel ‘een uur ervoor’. Aan het eind (na te zijn gestruikeld over ‘vrijgegeven lichamen´ en ‘de plastic handschoenen bij de visitatie’) blijk je in een moordverhaal beland. Misschien wel een crime passionel (‘het gebons op de voordeur als het orgasme bijna bereikt is’), misschien wel op kantoor (‘de op straat gesmeten, opengesprongen archiefkast’). Uiteindelijk blijf je achter met ‘de vragen, de vragen’.

    In de cyclus ‘Biliard Palace Hotel’ wordt tussen begin en einde van een telefoongesprek met een oude geliefde een vroeger rendez-vous beschreven (in het hotel uit de titel), dat uitloopt op een kroegentocht en mislukte liefdesnacht. En op clandestien biljarten in de vroege ochtend. Maar in het telefoongesprek wordt die mislukking verdrongen door ‘haar lijfgeur’ die uit de telefoonhoorn komt, met alle gevolgen van dien: ‘aanzwellend geruis, bloed dat kolkte, vlagen als van een windhoos / die mijn, onze zinnen overhoop gooiden, beloften / verbraken maar de boel daarop gewoon weer herstelden – // nasmaak en voorspel, nogmaals bijna, het ontzegde / vroeger of later.’ De spanning tussen het oproepen en het voelen, de eigenmachtigheid van de herinnering en het onvermogen die ongedaan te maken, daar gaat het over in deze bundel.

    Dieper wortelende schaduwen

    Een aantal gedichten onthutst. In de afsluitende cyclus ´Gissingen, gebeurtenissen´ bijvoorbeeld, die zich afspeelt in Oostenrijk. Op een koude ochtend ziet een oudere vrouw haar tuinman in de weer met mollenklemmen, tegen de achtergond van een mistige rivier. Ze herinnert zich dan weer hoe haar geheime geliefde daar door twee mannen in vale regenjassen werd afgevoerd in een ‘hooggerugde zwarte limousine. ‘Ik kan nergens / navraag doen zonder argwaan te wekken’ bedenkt ze. Joods of communist, denk je dan. De nieuwe orde slaat terug. De tragiek wordt klemmend als de vrouw zich realiseert dat ze zou moeten liegen als ze haar ook oppakken, ‘want het weinige dat ik van hem weet / is voor zulk soort mensen onmogelijk te bevatten’. Of in ‘Prater’ (een amusementspark in Wenen), waar een oude vrouw in een vestje ‘met sleetse ellebogen’ bezeten notities maakt in een kapotgeschreven notitieboekje. Ze wordt met rust gelaten door de terrasbezoekers, gerespecteerd door de kelners. ‘Het leek wel of ze haar leven / herschrijven wilde – maar dieper wortelende / schaduwen verliezen nooit in het echt, hoogstens // in illusies soms hun greep – ‘.

    Onuitwisbaar opgeroepen

    Die dieper wortelende schaduwen heersen in meer gedichten, vooral ook in het laatste, ‘Eerdaags’. Te lang om te citeren en te complex om in al zijn details te duiden, maar o wat is het goed, mooi en triest. Over een oudere dame en een eekhoorn die op de vlucht slaat voor ‘ijzer beslagen voetstappen’, over een miskraam aan de Franse Riviera, en de paarden van de brouwerij van haar vader, die ooit door ‘een verreisde ordonnans’ werden gevorderd voor het leger: ‘daar stond ze, haar wang tegen een van de stalwarme flanken gedrukt / en hoorde hem, terwijl hij zijn linkerbeen over het zadel / van zijn motorfiets zwaaide, nog zeggen dat hun witte manen / hem aan net getapt, schuimend bier deden denken // of hun voerman hem werkelijk ter plekke naar de strot / had willen vliegen, kon ze zich niet meer heugen, maar wel / hoe er pis door haar gebreide wollen / onderbroek drong en op het net ververste / dwarse stro sijpelde’.

    Witte manen en bierschuim, vluchtende eekhoorn en aanvliegende voerman, een miskraam boven de bidet en sijpelende pis – het mechaniek van de associaties, de schaamte en de rouw waarmee we ons leven herbeleven zijn onuitwisbaar opgeroepen.

    Tentije ontving in april in Belgie de Karel van de Woestijneprijs voor zijn gedicht ‘In het merengebied’ uit deze bundel. Nederlandse jury’s opgelet. Meesterschap is dun gezaaid.

     

     

  • Hans Tentije

    Oh, als ik iets af heb ben ik altijd diep tevreden. Als het echt goed is, goed in elkaar zit, hecht dichtgetimmerd is, ja, dan ben ik tevreden en kort daarna lees ik het nog heel vaak door. Later zie ik het niet zo vaak meer. Maar ik denk nóóit: dit onthult mijn hele kijk op het leven. Het is nooit meer dan een aspect ervan. 

    Bovenstaand citaat komt uit de mond van Hans Tentije, niet de bekendste dichter van Nederland, maar enkele van zijn bundels zijn inmiddels al moderne klassiekers geworden. Het werk van Tentije wordt voornamelijk gekenmerkt door een sterk beeldend en anekdotisch karakter.

    Hans Tentije wordt op 23 december 1944 geboren te Beverwijk onder de naam Johann Krämer. Hij groeit op in Wijk aan Zee en leest al vroeg poëzie van Slauerhoff, Achterberg en de Vijftigers. Na zijn opleiding wordt hij leraar Nederlands en richt zich op een schrijverscarrière.

    Aanvankelijk lijkt het erop of Tentije een prozaïst wordt: in 1970 publiceert hij enkele romanfragmenten in De Gids. Vijf jaar later echter, als de roman voltooid is, geeft Tentije aan dat deze zo experimenteel is van karakter dat hij de enige is die hem kan lezen. De roman blijft dan ook ongepubliceerd.

    In 1975 debuteert Tentije met de poëziebundel Alles is er en andere gedichten. De bundel is sterk anekdotisch en beeldend van karakter en getuigt van een sterke politieke betrokkenheid. Alles is er en andere gedichten wordt zeer goed ontvangen en wordt bekroond met zowel de Van der Hoogtprijs als de Herman Gorterprijs.

    De tweede bundel van Tentije, Wat ze zei en andere gedichten (1978), was lyrischer en minder vertellend en beschrijvend. Als hoofdthema van deze bundel kan herinneren en het voorbijgaan van de tijd genoemd worden. Ook deze bundel werd goed ontvangen in de pers.

    De volgende bundels echter, waaronder Nachtwit (1982) en Schemeringen (1987) worden een stuk minder goed ontvangen. De humoristische ondertoon van de vorige bundels maakt plaats voor een meer melancholische inslag. Tentije stelt zich als dichter afstandelijker op: als commentator en beschouwer.

    In 1990 debuteert hij toch nog als prozaïst met zijn roman De innerlijke bioscoop. De bundel krijgt enkele positieve besprekingen, maar wordt verder weinig opgemerkt. Tentije blijft toch hoofdzakelijk een dichter. In 1994 verscheen er, buiten de bloemlezing Drenkplaatsen: gedichten 1975-1987, ook de bundel Van liefde en sterfte. Rogi Wieg in Het Parool over Van liefde en sterfte: ‘Dit is poëzie. Poëzie van de hoogste orde: transparant, raadselachtig, teder, formeel uitzonderlijk, ingenieus gecomponeerd en muzikaal.’

    In de voorlaatste bundel van Tentije, Verloren speelgoed (2001), keert het verhalende, epische karakter van zijn gedichten weer terug, wat ook in zijn meest recente bundel Wat het licht doet (2003) het geval is. Piet Gerbrandy op 28 februari 2003 in De Volkskrant:

    Als er één Nederlandstalige dichter is die in staat zou zijn een episch gedicht van grote omvang te schrijven, is het Tentije. Als weinig anderen verstaat hij de kunst een verhaal te vertellen dat raadselachtig blijft zonder vaag te zijn, in een taal met diepgang die toch niet te veel van de concentratie van de lezer vraagt. De poëzie van Tentije is niet moeilijk, maar ook verre van oppervlakkig. Zijn gedichten stromen kalm voort als de rivieren die hem inspireren.

     

    Het werk van Hans Tentije wordt uitgegeven bij De Harmonie.
    Bronnen: http://www.boekenwereld.com/ & http://www.volkskrant.nl/