• Fotosynthese 9 – Het dak op

    Fotosynthese 9 – Het dak op

    Het is geen sneeuw, maar folie om het dak te beschermen tegen lekkages, denk ik. De vrouw staat vaak op het dak in de wijk Manhattan, meestal in de ochtend. Ze oefent een tekst, die ze in haar hand heeft. Het papier verdwijnt bijna in de witte achtergrond. Na een kwartier verandert ze van houding. Ze recht haar rug, aan de beweging van haar armen is te zien dat ze zingt.
    Haar buurman had er genoeg van, vermoed ik.  Al die oefeningen met aaa’s, oe’s en eee’s in een appartement met bordkartonnen muren. Je kan het dak op, zal hij gedacht hebben. Ik verblijf ook ik zo’n gebouw. Een kamer van vijf bij vijf met kitchenette, die van de buren grenst aan het hoofdeinde van mijn bed. Elke ochtend om 6.30 uur hoor ik boter sissen in een koekenpan, in het appartement naast mij begint de dag met ham and eggs.

    Bijzonder die armgebaren bij het spreken en het zingen. Lichaamsbewegingen en gebaren waren er eerder dan de spraak. Een angstige uitdrukking op het gezicht en met gestrekte arm wijzen naar de rand van het bos was voldoende. Pas later kwam daar de taal bij: pas op, daar is een beer.
    ‘Waarom zingt mijn vrouw in een koor?’ vraagt Steven Mithen in The singing Neanderthals (2005) zich af. Is zingen en muziek iets van de moderne mens of oeroud? En wat voor geluid maakten de Neanderthalers? Ze zaten toch niet alleen maar te zwijgen of te grommen en te brommen. In zijn onderzoek ontdekte hij dat klanken niet alleen een functionele bedoeling hadden, geef mij dat stuk vlees eens door, maar ook bedoeld zijn om emoties op te wekken en daarmee groepsgenoten aan je te binden. En met die klanken ontstond zingen en muziek om met de goden te communiceren.
    Heel veel later, rond de 17e eeuw, meende de Rooms Katholieke kerk dat gesprekken met  God een mannenzaak was. Vrouwen – immers een verleidelijk object – mochten niet meer op het theaterpodium staan, laat staan bij het altaar in de kerk.

    De castraatzanger kwam op in die tijd. De man met de borstkas en de longen van een man, maar door de afwezigheid van het hormoon testeron met het strottenhoofd van een vrouw. Gasparo Conti was er zo een. ‘Als hij zingt, houdt iedereen op met ademhalen. Tijdens een optreden in Covent Garden in Londen stopt zelfs het orkest met spelen, zo zeer zijn de musici onder de indruk van zijn kunsten. Een altviolist loopt tenslotte snikkend het podium op om de zanger langdurig te omhelzen. ‘Toen zweeg als laatste het klavecimbel’, lezen we in De virtuoos (1993) van Margriet de Moor, “Het orkest huilde. En het hele publiek huilde ook.”‘

    Zijn er veel zangers onder de romanschrijvers? 

    Ik vermoed dat de hersenen van een klassieke zanger geheel anders functioneren in vergelijking met die van een romanschrijver zoals bijvoorbeeld A.F.Th. van der Heijden. Die overigens qua uiterlijk wel op een operapodium zou passen. Hersenen die muzikaal getraind zijn kunnen beter luisteren, dat is wel aangetoond. Maar of (roman)schrijvers goede luisteraars zijn – ik zag onlangs een interview met Peter Buwalda – betwijfel ik.

    Het komt wél eens voor dat een zanger ruzie met een schrijver krijgt. Zoals in 2013 zanger Peter Koelewijn een rectificatie eiste in de nog onverkochte exemplaren van de roman De helleveeg, een deel van A.F.Th. van der Heijdens romancyclus De Tandeloze Tijd. Zijn familie werd in dat verhaal als een stelletje losers neergezet en zijn moeder beticht van ‘aborteuse praktijken’.

    Koelewijn trok aan het kortste eind. Het zou kunnen dat de rechter hem gewezen heeft op het verschil tussen literatuur en werkelijkheid. Ik zie de rechter voor me, hoe hij over zijn leesbril heen in de richting van Koelewijn kijkt en zegt: ‘Meneer Koelewijn, een vraag, toen u schreef aan de tekst ‘Kom van dat dak af’, stond er toen werkelijk iemand op het dak?’

    Foto: Hans Muiderman


    Dit was een bijdrage over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

     

  • Man in rood jack

    Man in rood jack

    Eemshaven

    Hoe kan het dat ik van de provincie Groningen nog het rijtje ken en niet alleen de plaatsnamen maar ook de landkaart heb onthouden. De groene kleur van boven, geel daaronder en die vreemde punt rechts naar beneden, die eindigt bij Ter Apel. Rodeschool, hoog in het niemandsland aan het einde van een spoorlijn. Daar was het afgelopen.
    De provincie Groningen was de eerste landkaart die ik leerde, stampen was het. En doordat het de eerste was, heb ik die het meest herhaald, denk ik. Herhalen was dé voorwaarde voor onthouden.
    Sinds kort kan je nog noordelijker met de trein: van Groningen naar Eemshaven. Maar net op de dag dat ik dit wil uitproberen worden bussen ingezet. Ik neem de camper.
    Ik ben geen fan van fabrieken en steenkolencentrales maar ik wil naar de monding van de Eems. De boot naar Borkum vertrekt daar, niet dat ik al plannen heb in die richting maar ik hou van veerboothavens. Net als van vliegvelden. De wachtruimten, de tijd die vertraagd lijkt en de leegte die, ver weg nog, een verwachting in zich draagt. Haastige mensen met rolkoffers als contrast.

    En uur later zie ik het vervreemdende beeld van Eemshaven, zo’n plek waar je niets te zoeken hebt. Een mens komt hier niet voor zijn plezier. Alles wat gewoon is  – drie fietsers met bepakking – lijkt te worden opgeslokt door windturbines en enorme bergen waddenslib. De kolencentrale voor me en vrachtwagens in mijn achteruitkijkspiegel. Bij de eerste afslag kan ik naar rechts, bij Google op bezoek, maar ik vind houvast bij de wegwijzer naar Borkum. Er is maar één weg, lijkt het, die zich in lussen door dit gebied slingert.
    Ineens is daar de rails. Ik rijd er langs en zet bij het nieuwe stationnetje mijn camper neer. Op het gele stootblok staat de naam ‘Rawie’. Op het station van Groningen had ik de trein naar Eemshaven zien staan, Nienke van Hichtum stond erop. Ik herinner me hoe  prachtig Monic Hendrickx de rol van Nienke speelde in de gelijknamige film van Pieter Verhoeff.

     

     

    Naast het station is een trap naar boven met een hek ervoor. Ik trek eraan, onhandig, het klemt, ik ruk, als het zo tegenzit moet ik de Eemsmonding ongezien vaarwel zeggen. Een man met een fluoriscerend jack aan, helpt me. Da’s nieuwigheid, zegt hij. Na een paar treden sta ik boven op de dijk.
    Wat een enorme ruimte, wat een rust. Het waait nauwelijks, de golfslag lijkt getekend met gebogen lijnen als op een houtskoolschets.
    In de verte de kust van Ostfriesland waar ik al was. Af en toe vaart een boot uit. Op de punt van het havenhoofd staat een man in een rood jack. Even later loopt hij mijn kant uit. Zijn schouders wat naar voren, hij is gewend aan tegenwind. Op het moment dat we elkaar passeren groeten we met ‘moin’, net als aan de overkant.
    Als ik naar het water kijk zie ik de rust, als ik me omdraai naar het land heeft alles haast.
    Een boot vaart uit. De man in het rode jack staat stil en kijkt ernaar. Wanneer de boot het havenhoofd voorbij is, loopt hij weer door.
    We passeren elkaar voor de tweede keer.
    ‘Mooi schip,’ zegt hij.
    ‘Ja, ‘n mooi schip,’ zeg ik.
    Als ik weer op de dijk sta, zie ik hem lopen in de verte, en stilstaan als er een boot uit vaart. Hij kijkt. Ik kijk naar hem. Voor het eerst van mijn leven ben ik in Eemshaven. Waarschijnlijk staat hij hier elke dag.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde maar heen en weer springend.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Emil Nolde

    Emil Nolde

    Seebüll


    Je hebt tijdens het reizen soms het gevoel dat je ergens dichtbij bent. Niet zozeer in letterlijke zin, een plek of plaats, maar alsof een verwachting die sluimert elk moment kan worden ingelost.
    Tijdens deze reis door Sleeswijk Holstein lees ik Duitse les van Siegfried Lenz. Het speelt zich af aan het noordelijk gedeelte van de Duitse waddenkust, de afgelopen dagen fietste ik door dat gebied.*) Ik dacht plaatsen uit het boek te herkennen en hoopte dat die herkenning leidde tot een dieper, of onverwacht ander inzicht in het verhaal dat Lenz vertelde.
    Op het pad naar het Nolde-museum in Seebüll wordt dat gevoel versterkt. Het leven van de kunstenaar Emil Nolde – geboren in Nolde in Denemarken onder de naam Emil Hansen – heeft de schrijver geïnspireerd tot de figuur Max Hansen, die zijn woning en atelier had op deze terp aan de waddenkust. De ik-figuur Sigi uit het verhaal kwam daar vaak.
    In de verte, uitstekend boven de boomtoppen, zie ik de bovenkant van het huis, dat het woonhuis/atelier van Nolde was. Ik loop over de grond die Siegfried Lenz beschreef.

    In het restaurant van het museum bestel ik een koffie met Kuchen, een Noordseewelle, maar mijn pinpas (waarmee ik net een ticket heb betaald) weigert dienst. De dame die mij bedient, rukt de pas uit mijn handen en haalt hem met tegenzin door de scanner. Het geluid van een hinderlijke piep. Ze keurt hem af en wil het blad met koffie en Kuchen naar zich toe trekken. Ze heeft nergens zin in. Ik betaal contant.
    De Nordseewelle smaakt me niet. Mijn gevoel van verwachting is verdwenen. Hou ik wel van het werk van Nolde?

     

     

    ‘De vader van Sigi groette de schilder met een vaag gebaar ten afscheid voordat de wind ons uit de deuropening rukte,’ schrijft Lenz. ‘Buiten gekomen zette hij zich dadelijk met een schouder schrap tegen de wind [..] en liep voorovergebogen over het erf waar de wind stof opwervelde en een krant aan flarden reet.’ Zo’n wind heb ik gevoeld en onderweg een stuk krant gezien dat tegen het ijzeren vlechtwerk van een tuinhek drukte. Ik kijk uit over het erf.
    Ook heeft Lenz me de schilder laten zien. Hij was bezig met een zelfportret en in de spiegel tegenover zichzelf gaan zitten. Maar langzamerhand zag hij dat er geen gelijkenis meer was: ‘Ik zie mezelf eenvoudigweg niet, zei hij, niets wil blijven. Plotseling drukt de kleur geen vriendschap uit maar een toestand van voorbijgaande aard.’

    Mijn koffie is koud. Ik betrap me erop dat ik niet meer nieuwsgierig ben – ik voel bijna weerzin – om alle horizonnen en luchten van Nolde te gaan bekijken. Uiterlijke beelden. Ik heb genoeg aan mijn eigen herinneringen aan het landschap hier. Lenz hielp me met onthouden: ‘De scherpe randen van de geulen met hun vertakkingen naar open zee staken af tegen de bodem.’
    Even later loop ik langs de tentoongestelde werken. Te snel misschien.
    Ineens, volstrekt onverwacht, gebeurt het. In de ruimte die ooit het atelier van Nolde was, zie ik Abraham und Izaäk, de Pharisäer, en een veelluik over het leven en de kruisiging van Jezus. Grof, ruig en krachtig geschilderd. Nolde werd vooral geinspireerd door wat hij zag, dacht ik. Maar nu, hier bovenop de terp bij Seebüll, zie ik wat er in zijn innerlijk verborgen lag.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

    *) Zie ook de blog Verrekijker-kijkers 

  • De Roetekavloemsamiep, een gorgelrijm

    De Roetekavloemsamiep is een gorgelrijm van Erik Cox (beeld) en Hans Muiderman (tekst). Op het raakvlak van taal, beeld en klank maakten zij dit gorgelrijm. Binnenkort  te zien op zestig affiches op A0-formaat in De Affiche Galerij te Den Haag, van 27 februari to 6 mei.

  • De allerhoogste

    De allerhoogste

    Prachtig, prachtig Nederland. Kan ik zo een blog beginnen? Het is vroeg in de ochtend en er waait een koude wind. Ik sta op de hoek van het Underom in Hegebeintum. Vanuit een laag perspectief kijk ik naar een kerk. Zo’n steile terp heb ik nog nooit gezien. Friesland is er trots op: de hoogste terp van Nederland, negen meter boven NAP. Het lijkt alsof de kerk uit de terp is gevormd. Zo steil is de zuidwand die bijna tot aan de kerkmuur is weggegraven.
    Mijn enthousiasme wordt ook veroorzaakt door het contrast van het silhouet van de kerk met een enorme caravan die vlak daarnaast (ook bovenop de terp) onder een afdak staat. De schoonheidspolitie van het landschap, als die bestonden, zou de caravan al lang verwijderd hebben. Maar juist de tegenstelling tussen lekker-op-vakantie-gaan en het dienen van de allerhoogste ontroert in dit verstilde landschap.

    Een paar uur later loop ik onder leiding van een gids het steile pad op. Hij vat de organisatie van het geloof van toentertijd eenvoudig samen: hoe meer men met de kerk te maken had, hoe meer geld je daaraan besteedde, des te groter de kans op een plaats in de hemel. De koude wind is gaan liggen.
    Bij slordige afgravingen, vertelt de gids, zijn hier doodskisten gevonden. Lichamen van mannen, zegt hij, gingen hun kist in met speerpunten en dobbelstenen en vrouwen met hun breipennen. Hij laat even een stilte vallen. Rolpatronen zijn van alle tijden. Ook zijn uitleg over de geschiedenis van het geloof is helder. Als we binnen in de kerk staan vat hij de Reformatie samen: wat nu de IS doet, deden toen de protestanten.

    Hij wijst naar de pilaren die het balkon met daarop het orgel steunen. Ze komen uit de Laurenskerk waarvan, in het platgebombardeerde Rotterdam, alleen de toren was blijven staan. Mijn grootvader, een Rotterdammer, trok me op zijn schoot en liet de foto zien in het midden van het boek Rotterdam brandt. Gods huis overleeft alles, zoiets zal hij gemompeld hebben. Elke keer als ik in Rotterdam logeerde, liet hij me die foto zien. De pilaar die ik nu aanraak, lag toen tussen het puin.

     

    De gids wijst op de schitterende rouwborden, laat het tafeltje zien waarop het opgehaalde muntgeld geteld werd. Hij wijst naar boven waar een stukje van een eeuwenoude fresco zichtbaar wordt.
    Ik moet denken aan de Fanefjordkirke op het eiland Møn in Denemarken. Een kerkje dat in dezelfde tijd (12e /13eeeuw) gebouwd werd als deze Nicolai-kerk in Hegebeintum. Ik schreef, toen ik daar die fresco’s zag: ‘In mijn gedachten hoor ik een stem van lang geleden, uit de tijd van voor de boekdrukkunst. De kerk zit vol mensen en de man vooraan vertelt. Priemend wijst hij met zijn vinger naar de afbeeldingen […]. Hij vertelt over hel, verdoemenis en de wonderbaarlijke visvangst. Iedereen kijkt omhoog en de hoofden draaien mee met het verhaal van de man.’*)
    Ooit waren de fresco’s dé manier van vertellen: de bijbel als een stripverhaal.

    In het groepje dat rondgeleid wordt, is een organist. Via een steil trappetje gaan we naar het orgel. Hij zet in: A toi la gloire van Händel. Een christelijk lied.
    En als ik terugloop, het steile pad af naar beneden, besef ik dat ik in dit eerste jaar van mijn waddenreis al voor de derde keer schrijf over het geloof. Met droge ogen beweer ik graag dat we de vrijheid van godsdienst moeten afschaffen omdat dit in onze grondwet via de vrijheid van meningsuiting is geregeld. Ik heb nooit geloofd zoals gelovigen dat doen, dus het afscheid van God ging bij mij als vanzelf. Maar nu, weer staand op de hoek bij het Underom, dringt zich een vraag op. Het zal toch niet zo zijn dat we met het ‘afschaffen’ van God ook alle rituelen en verhalen hebben weggegooid?

     

     

    *)
    Uit: Hanze! daar waar de reis naartoe gaat.

    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Ook de komende twee jaar krijgt literair tijdschrift Extaze subsidie van het Letterenfonds. Maar pas nadat protest aangetekend werd tegen de afwijzing van het subsidieverzoek. Dat betekent dat het Letterenfonds uiteindelijk toch vindt dat Extaze aan zekere kwaliteitseisen voldoet, waarbij talentontwikkeling een belangrijke rol speelt: ‘Kwalitatief hoogwaardige literaire tijdschriften dragen bij aan talentontwikkeling in de letterensector. Ze zijn een vrijplaats waar talent, nieuwkomers en gevestigde auteurs, de kans krijgt zich te ontwikkelen en redacteuren zich kunnen bekwamen in redactionele vaardigheden en zich kunnen presenteren aan publiek en vakgenoten.’

    De lijst langslopend van degenen die een bijdrage leverden aan het meest recente van Extaze dan klopt het wel zo ongeveer. Niemand in de line-up van nummer 24 is heel groen en nog nat achter de oren, maar het tableau de la troupe laat een grote diversiteit zien. Niet iedereen is al op papier gedebuteerd, maar allemaal hebben ze al literaire sporen verdiend. Een aantal van hen behoort tot de vaste kern van het tijdschrift of uitgevershuis In de Knipscheer – samen met stichting Tresspassers W verantwoordelijk voor het verschijnen van het tijdschrift – van anderen verscheen het werk verspreid.

    Thema van het nummer waarmee Extaze de zesde jaargang besluit is fotografie. Het nummer opent met drie essays die voor wat ze willen betogen eigenlijk iets te krap bemeten zijn. Daan Rutten moet het in De chaos en het beeld: over Willem Frederik Hermans als fotograaf ook nog eens zonder beeldmateriaal doen. Daardoor blijft wat hij beweert – dat er een zekere discrepantie zit tussen het wereldbeeld van de schrijver Hermans en zijn opvattingen over objectiviteit versus subjectiviteit als het om de fotografie in het algemeen en zijn eigen werk in het bijzonder – een beetje in de lucht hangen.
    Van de drie essays is dat van beeldend kunstenaar Onno Schilstra het meest origineel. Hij reflecteert vanuit eigen ervaringen op de opvattingen van Walter Benjamin over de mate waarin reproduceerbaarheid invloed heeft op het beklijven van beelden.
    Het derde essay van Ine Boermans gaat over het werk van Nan Goldin en Richard Billingham.

    Overigens is niet altijd even duidelijk wat een stuk in essentie is, de grenzen tussen de genres zijn rekbaar. Dat komt door de foto’s die nu eens herinneringen en historie oproepen en dan weer aanzetten tot fabuleren. In Twee keer een foto smeedt Hans Muiderman bijvoorbeeld twee verhalen aan elkaar – dat van het Ambonezenbosje in de Carel Coenraadpolder en de geschiedenis van de Van Kerkhovens, die bekendheid verwierven dankzij De heren van de thee van Hella Haasse. Zijn korte verhaal had ook het begin van een essay of een blog kunnen zijn. Eigenlijk is het nog niet af, maar wel afgeronder dan De foto en de dood van Wim Noordhoek, die in twee pagina’s veel aansnijdt over de rol die de fotografie na haar uitvinding ging vervullen en de betekenis die de mogelijkheid om momenten vast te leggen in individuele levens speelt.

    Het verhaal De Galvanistraters van Mischa van den Brandhof is een sfeervol geschreven familiealbum. De lezer ziet foto’s voor zich, waarbij het sepia overvloeit in zwart-wit en daarna kleur krijgt. Een heel mooi voorbeeld van ‘show, don’t tell’, hoewel dat principe niet zo zaligmakend is als vaak verondersteld wordt. In ‘Hoort ge dat?’ van Michel Ramaker waarin MacBeth opgevoerd wordt, rollen ongelijk verdeeld zijn en jaloezie opspeelt, broeit het. Maar zo sterk en suggestief als deze verhalen zijn niet alle bijdragen.
    Zo snijdt Jan Wijnen in Do not pass the line weliswaar een heikele kwestie aan – homoseksueel en leerkracht zijn op een christelijke school – en vindt daar ook een vorm voor die recht doet aan de dilemma’s van zijn hoofdpersoon, maar het verhaal heeft ook iets voorspelbaars.

    In een themanummer over fotografie horen beelden. Eric de Vries maakte verstilde portretten en spannend gekadreerde stillevende landschappen die los staan van de verhalen. De twee foto’s die voorafgaan aan Lynne en David van Dieuwke van Turenhout geven dat verhaal – over ouders die kritisch kijken naar hoe een ander stel hun kind opvoedt, zo kritisch dat je voelt dat er iets ergs gebeurd moet zijn – bedoeld of onbedoeld, een extra lading.

    Net als de verhalen zijn ook de gedichten divers van vorm en intensiteit. Waar Fred de Vries terloops lijkt op te schrijven wat hem op het moment zelf bezighoudt of overkomt, kiest Marcel de Roos zijn woorden zo dat zij gewichtig klinken. Meliza de Vries zit daar met haar stellige gedichten tussenin.

    Pim Wiersinga levert met zijn bijdrage Schrijven, de gooi naar het onbereikbare. Een conversatie een bijdrage aan de discussie over hoe literatuur gelezen moet worden in het licht van het leven van een schrijver. Hij voert  Tim Parks – die met De roman als overlevingsstrategie een knuppel in het hoenderhok gooide, de al in 1919 overleden Victor Segalen en zichzelf op als dramatis personae. Zijn aanpak is meer dan interessant, de vraag is echter of de discussie in deze vorm niet over de hoofden van de lezers gevoerd wordt.

    De definitie van het Letterenfonds nog eens in ogenschouw nemen, dient een literair tijdschrift een vrijplaats te zijn. Die omschrijving gaat voor Extaze, afgemeten aan de diversiteit van vorm, inhoud en statuur van de schrijvers op. In hoeverre het publiceren in het tijdschrift bijdraagt aan de ontwikkeling van een auteur kan op basis van een enkel nummer niet vastgesteld worden. Net zomin als duidelijk is in hoeverre redacteuren zich er verder kunnen bekwamen in hun vak. Als zij dat al willen, want de vraag is of de gemiddelde redacteur van een literair tijdschrift de ambitie heeft beter te worden in het repareren van teksten en coachen van auteurs. De meesten willen gewoon een goed tijdschrift maken. Misschien wel het liefst een spraakmakend tijdschrift waarin schrijvers van naam graag aan bijdragen, wat vervolgens vooral het tijdschrift ten goede komt. Zo’n tijdschrift is Extaze niet en zou het ook niet moeten willen worden (dat past ook niet in de functie die het fonds literaire tijdschriften toedicht). Maar nog een beetje uitgesprokener mag het wel.

     

    Extaze verschijnt vier keer per jaar.