• Ontfutselen

    Ontfutselen

    Toen de kinderen klein waren beleefde ik eens een volkomen harmonisch moment met hen dat me bijbleef. We zaten op een kleed in de voorkamer, maakten lappenpoppen. In het bewegen van onze handen, de lapjes stof op het kleed, schaar, draad, de aandachtige gezichtjes, ontstond een verstild moment, als de still van een film. Ik was ervan overtuigd dat zij zich later dit moment als zodanig zouden herinneringen. Toen het ‘later’ was en ik ze erover vertelde, wisten ze van niets. Herinneren is een particuliere aangelegenheid. Een herinnering is ook een uitgangspunt om aan het verhaal van je leven te weven. Ik lees een kleine roman in zachtmoedig proza geschreven. Een man onderzoekt zijn herinneringen aan zijn grootvader. Wekelijks bezoekt hij een lunchroom, bestelt een espresso en schrijft in een notitieboekje (ik denk dat het een notitieboekje is).

    Zo’n boek is het, dat je dat wat onbeschreven bleef, toch ziet. De man denkt aan het huis waar hij met zijn grootvader en moeder woonde. Als er bezoek was, sliep hij op de gang voor de kamer van zijn grootvader. ‘Mijn ouders gaven vaak feesten, er werd gedanst.’ Als hij vijftien is, zijn vader allang verdwenen, overlijdt zijn grootvader. Op dat moment ligt hij met zijn dekbed in de gang, hij ziet dat ze grootvader ‘wegdragen’. In zijn liggende positie ziet hij de schoenzolen van zijn grootvader. Deze herinnering is een uitgangspunt.

    Herinneren is ook vergeten wat er was, de ladder aan de muur in zijn grootvaders kamer, ‘Natuurlijk, de houten ladder aan de muur, hoe kan ik die vergeten.’ Als kind vroeg hij waarvoor die was. Voor de dakdekkers, zei zijn grootvader. Daar moest hij het mee doen. Als zijn moeder overlijdt, moet het huis leeg. Hij ontdekt boven in het huis een andere wereld door zijn grootvader gemaakt. Daar diende de ladder voor. Wat de man op zolder vindt doet alles wat hij zich gedacht had over zijn grootvader kantelen. De grootvader wordt betekenisvoller, zijn leven achteraf geheimzinniger. Uit herinneringen wordt een verhaal in momenten verteld, een sfeer van een leven geschetst. De schrijver probeert iets aan het licht te brengen, maar dit boek is geen probeersel. Sommige dingen keren als een refrein terug, ‘mijn bed bezet door onbekende mensen. Dan sliep ik op de gang, zo dicht mogelijk bij de kamer van mijn grootvader.’ Gevolgd door, ‘Steeds moet ik dat opschrijven.’ En dat zegt iets.

    Zijn grootvader vertelde hem, ‘zacht, bijna onverstaanbaar, over zijn vader die een moestuin had.’ Toen deze soldaat werd, verwaarloosde de moestuin. Vijftig pagina’s verder vindt de man die wekelijks in de lunchroom schrijft een briefje waarop zijn moeder schreef, ‘De grootvader van Johan, de vader van opa. Gesneuveld in 1915 bij Zalklikow’. Dan lees ik, ‘Vertelde mijn grootvader eens over hem, had hij een boomgaard?’ en denk, ja, inderdaad, daar heeft hij het eerder in dit boek over gehad! Dat maakt van dit boek een roesachtig verhaal. Er wordt geschreven over herinneringen alsof je ze kunt benaderen, er zo naar toe kunt lopen om ze te inspecteren. Zoals die schoenzolen van zijn grootvader. ‘Nieuw schoenen. Of nieuwe zolen, dat kan ook. Geen restje straatvuil’. Een zeer tedere roman die je opnieuw wilt lezen, om er het ongeschrevene aan te ontfutselen. 

     

     

    De lunchroom / Hans Muiderman / 120 blz. / In de Knipscheer


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns.

  • Oogst week 50 – 2021

    Twaalf keizers – De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu

    De Britse classica en hoogleraar Mary Beard schrijft over de oudheid, geldt als de bekendste classicus ter wereld en heeft al vele boeken gepubliceerd. Ze treedt regelmatig op in de media en maakt daarmee de oudheid bekend bij een breed publiek. Nu is er haar boek Twaalf keizers – De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu. Het is een verrassend verhaal over tweeduizend jaar kunst- en cultuurgeschiedenis dat laat zien hoe macht eruitziet, wie er in de kunst worden herdacht en waarom.

    Volgens Beard hebben Romeinse heersers als de meedogenloze Julius Ceasar en de driftige Domitianus tweeduizend jaar model gestaan voor de beeldvorming van de machtigen en de rijken.

    In hoofdstuk 2 vertelt Beard dat in 2007 een ploeg Franse archeologen uit de Rhônebedding een marmeren buste opdregde waarvan ze aannamen dat het Caesar was. ‘Sindsdien is de kop onderwerp geweest van tientallen krantenartikelen en minstens twee tv-documentaires,’ schrijft Beard. ‘Over het belang van de vondst en over de vraag of het beeld inderdaad is wat wordt beweerd zijn archeologen en historici het nog steeds niet eens. De sceptici wijzen erop dat de kop uit de Rhône er toch echt heel anders uitziet dan de Caesar op de munten uit zijn tijd […] De voorstanders van de theorie leggen juist de nadruk op bepaalde overeenkomsten tussen de kop en kenmerkende trekken op de muntportretten…’.

    Twaalf keizers - De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu
    Auteur: Mary Beard
    Uitgeverij: Atheneum

    De lunchroom

    In De lunchroom van Hans Muiderman probeert een man aan een tafeltje in een lunchroom een memorie te schrijven over zijn grootvader. Nadat hij jeugdherinneringen heeft laten passeren dwaalt hij in gedachten rond in zijn grootvaders lege huis en constateert dat de herinneringen onvolledig en vervormd zijn. Wat hij niet meer weet verzint hij erbij.

    Hans Muiderman is sinds 2010 full time schrijver. Begonnen als docent film aan de Theaterschool in Utrecht met lessen scenarioschrijven en filmanalyse schreef en redigeerde hij publicaties over media, kunst en cultuuronderwijs. Eerder publiceerde hij gedichten, schreef liedteksten, regisseerde cabaret en stond zelf op het podium. Hij is medeoprichter van Elders Literair, een platform voor literatuur, beeldende kunst, fotografie, film en architectuur. En hij is columnist bij Literair Nederland.

    Muiderman schrijft romans, korte verhalen en reisverhalen waarin herinneringen het steeds terugkerende thema vormen. Zijn hoofdpersonen hebben vaak een leegte in zich die zij proberen op te vullen met herinneringen, niet zelden aangevuld met fantasie. Want volgens Muiderman zijn herinneringen vals en vervormd en altijd een constructie van de verbeelding.

    De lunchroom
    Auteur: Hans Muiderman
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Verzamelde verhalen

    De Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926-1973) was een van de belangrijkste Duitstalige schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog. Ze studeerde filosofie, debuteerde met gedichten en schreef ook verhalen. Van de romantrilogie Doodsoorzaken voltooide ze alleen het eerste deel, Malina. Voor ze de andere delen kon afmaken overleed ze ten gevolge van een brand in haar appartement. Er zijn alleen fragmenten van deel III gepubliceerd.

    Uitgeverij Koppernik brengt de Verzamelde verhalen uit, met daarin dag- en weekbladpublicaties en ongepubliceerde verhalen die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Het boek bevat eveneens Bachmanns eerste verhalenbundel Het dertigste jaar waarin de nadruk op het intellect ligt. Ook de bundel Simultaan is opgenomen, waarin een aantal personages uit de romancyclus Doodsoorzaken voorkomt. In deze verhalen is er een grotere rol weggelegd voor liefde en gevoel.

    In Bachmanns werk gaat het vaak over destructieve krachten, en vrouwen komen er bij haar doorgaans slecht af. Niet zelden gaan ze ten onder in fysiek of emotioneel geweld. Bachmanns literatuur is droefgeestig. De dood ziet zij als ‘het enige toevluchtsoord voor de ontzettende krenking die het leven is.’ Deze scherpzinnige schrijfster paart diepe psychologische inzichten aan onverschrokken taalgebruik dat haar een eigenzinnige stem geeft.

    Verzamelde verhalen
    Auteur: Ingeborg Bachmann
    Uitgeverij: Koppernik
  • ‘Elders’ nu overal te lezen

    ‘Elders’ nu overal te lezen

    Elders is niet hier maar ergens anders. Een onbepaalde plaats, in ruimte en tijd. Het woord roept een verlangen op, een vage herinnering of een aanduiding voor een plek of gebied. Wie zich ernaartoe verplaatst, zal het niet aantreffen. Zodra je het een naam geeft, heft het woord ‘elders’ zich op.’ Dit is een citaat uit de column ‘Thuiskomen’ die Hans Muiderman schreef voor  het nieuwe literaire platform Elders literair.

    Elders literair staat sinds kort online. Het is een nieuw literair initiatief dat publiceert, beschouwt, bekijkt en bespreekt. Nu alleen nog in digitale vorm, maar straks ook als papieren tijdschrift. Het biedt ‘een podium aan prozaschrijvers, dichters en essayisten voor wie het ‘niet hier’ in hun werk een wezenlijke rol speelt’.

    En dat geldt dan voor schrijvers die door de redactie worden benaderd, maar ook voor gevestigde, beginnende schrijvers en debutanten zolang ze zich maar kunnen vinden in het thema. De redactie beoordeelt ingezonden bijdragen op ‘(potentiële) literaire kwaliteit, authenticiteit en durf.’
    Elders literair is een Haags initiatief en richt zich op Nederland, Vlaanderen en andere Nederlandstalige gebieden.
    Behalve over literatuur gaat het in Elders over beeldende kunst, fotografie, film en architectuur.

    Bezoek de website en geniet bijvoorbeeld van de ontroerende bijdrage van Roeland Zijlstra over Pierre Goedgezelschap, de door Gerlinda Heywegen prachtig geschreven bespreking van de Japanse film Maborosi of struin gewoon een beetje rond op Elders literair.

     

     

    Foto: Els Kort
    Op weg naar Banda Ely, Kei Besar, Molukken, 2019

     

  • Fotosynthese 17 – Engelen bestaan

    Fotosynthese 17 – Engelen bestaan

    Op de foto zien we drie mannen op de rug. Zonnig weer. Ze wachten ergens op. De man rechts houdt een bord omhoog, hij maakt reclame voor een website. Zo weten we dat de foto met Berlijn en de Muur te maken heeft. De website heb ik snel gevonden: Gegen Vergessen und Verdrängen der SED-Diktatur in der DDR 1949-1989 is het motto. Er worden op de site tentoonstellingen aangekondigd, tips voor boeken en artikelen om te lezen. En na een paar keer klikken weet ik waarop de mensen staan te wachten bij de Bernauer Straße. Er wordt een herdenkingsmonument en bezoekerscentrum over de Muur geopend. Het is 1998. Vorig jaar, op 9 november 2019, dertig jaar na de val van de Muur, was opnieuw een herdenking op deze plek.

    Ich

    Als ik aan de Muur denk, zie ik Der Himmel über Berlin (1987) van cineast Wim Wenders voor me. Hoe vaak heb ik die film gezien? Minstens vijf keer.
    Twee engelen, Damiel (Bruno Ganz) en Cassiel (Otto Sander) hebben als standplaats Berlijn. Ze reizen door de tijd – de beelden zijn zwart-wit – en luisteren onopgemerkt naar de mijmeringen van de inwoners, verlichten de gedachten van iemand die zit te tobben. Kinderen kijken vaak naar boven, ze kunnen de engelen zien.
    Op een dag besluit Damiel – hij is verliefd geworden op een trapeze-artieste – dat hij wil deelnemen aan het leven. Als engel kun je terug naar de aarde maar je verliest je onsterfelijkheid: je kunt nooit meer engel worden.

    In de film worden als een monologue intérieur teksten voorgelezen van Peter Handke, die meeschreef aan het scenario.

    Als das Kind Kind war,
    war es die Zeit der folgenden Fragen:
    Warum bin ich ich und warum nicht du?
    Warum bin ich hier und warum nicht dort?
    Wann begann die Zeit und wo endet der Raum?
    Ist das Leben unter der Sonne nicht bloß ein Traum?
    Ist was ich sehe und höre und rieche
    nicht bloß der Schein einer Welt vor der Welt?
    Gibt es tatsächlich das Böse und Leute,
    die wirklich die Bösen sind?
    Wie kann es sein, daß ich, der ich bin,
    bevor ich wurde, nicht war,
    und daß einmal ich, der ich bin,
    nicht mehr der ich bin, sein werde?’

    De teksten van Handke in deze film zijn poëtisch, filosofisch en worden voorgelezen alsof het flarden van gedachten zijn. De teksten dragen de beelden van de film. Maar wie spreekt? Wie is in staat de gedachten van een kind zó te doorgronden als in bovenstaande tekst? Dat moet wel een engel zijn. Uit de filmbeelden leid je af dat kinderen de enigen zijn die een engel kunnen zien. Op een zebrapad staat een kind stil en ziet de engel die (vanuit het perspectief van een drone) hoog op een kerktoren in Berlijn staat en naar beneden kijkt, waar alle volwassenen gehaast doorlopen en niets zien. Maar het kind kijkt naar boven, in de lens, het ziet de engel en kijkt tegelijkertijd mij aan. Even later een vergelijkbare scène: een kind achter het raam van een bus, het kind ziet de engel (mij) en ze (we) herkennen elkaar. Wij en de kinderen kunnen het verhaal volgen zowel vanuit het perspectief van de engel als vanuit de mens in het aardse bestaan. We delen een geheim: engelen bestaan.

    Geestverwanten

    Het is zeker niet voor het eerst dat Handke een scenario schreef, samen met Wenders maakte hij vier films. Hij schreef vele toneelteksten, in 1978 verscheen zijn roman Die Linkshändige Frau (1976) als film. Cameraman van die film, Robbie Müller (die ook jarenlang met Wim Wenders samenwerkte), daarover: ‘Handke hield zich aan de roman en zei gewoon: “Morgen doen we pagina 42 tot 45.” Alles wat je in de film ziet, staat in het boek. Ik had het herlezen en ontdekte dat elk camerastandpunt in de zinnen besloten lag.’
    Wat dit betreft zijn Marguerite Duras en Peter Handke geestverwanten. De stijl in hun romans is sober, bij Handke bijna kaal, niet mis te verstaan en ontdaan van alle franje. Naar de mening van Handke kon je de roman Die Linkshändige Frau letterlijk verfilmen, scenario en roman vallen samen. Duras ging daarbij – vooral in haar latere werk zoals De minnaar uit Noord-China (1991) – nog veel verder door regieaanwijzingen, camerabewegingen en zelfs de gewenste casting van een hoofdrol in de tekst van de roman op te nemen. Duras was dan ook een cineaste, Handke niet. Hij is een man van de taal, het beeld volgt uit de taal. De taal is in het geval van Handke niet alleen de geschreven/gedrukte taal, niet alleen de gesproken, maar ook de taal van de gedachte. De taal van ons innerlijk.
    Der Himmel über Berlin is ook een film over taal. De scène in de enorme bibliotheek illustreert dit. Als kijker hoor je wat de engelen horen: een geroezemoes van gedachten, van teksten die door de bibliotheekbezoekers gelezen worden, flarden van herinneringen en steeds maar zich herhalende dwanggedachten. Als je zorgen hebt ga je ‘malen’. De engel corrigeert waar nodig, fluistert woorden in het oor. En geeft daarbij een gedachte het beslissende zetje dat tot inzicht leidt bij de degene die het wordt ingefluisterd. Een glimlach wordt zichtbaar en de onrust verdwijnt. Later herhalen zich dit type scènes in de metro.
    De engelen zijn alert met taal. Handke schreef het alsof ze de gedachte die ze horen net een stap voor zijn, op tijd om in te kunnen grijpen. Je moet goed naar een ander kunnen luisteren om met jouw woorden de vastgelopen gedachte van die ander vlot te trekken. Zodat die het gevoel heeft dat hij zélf tot inzicht is gekomen, lijkt Handke te zeggen.

    Vaak heb ik de scène bekeken, vlak na de sprong waarmee het aardse bestaan van de engel begint, als Damiel die vlakbij de Muur op de grond ligt, bijkomt en om zich heen kijkt. Vlak daarvoor een snel shot van een straatnaambord. Een plek bestaat pas echt als je die een naam geeft, lijken Wenders en Handke te zeggen. Waldemarstraße, een straat in het vrije West-Berlijn.
    In mijn gedachten zou ik daar bij de halte begraafplaats Frieden-Himmelfahrt in de metro kunnen stappen. Het is een half uurtje naar de plek waar de drie mannen op de foto staan, de aanleiding voor deze tekst.

    Koffie

    Wanneer houdt een engel op engel te zijn? Op het moment dat hij zich bewust wordt dat hij op de grond ligt? De beelden zijn dan in kleur. Als je kleuren ziet ben je een mens, lijkt Wenders te zeggen. Maar nog preciezer laat hij het zien: als Damiel opstaat, het stof van zijn kleren slaat, kijkt hij naar de graffiti op de Muur. Hij vraagt aan een passant naar de kleuren, zegt ze hardop. Als je de kleuren een naam geeft, ben je mens. Er zit bloed op zijn hand, hij bekijkt het, benoemt het. Rood! Likt er enthousiast aan, voelt zijn lichaam, hij blaast (het is koud buiten) in de holten van zijn handen. Is hij nu mens?
    Wenders laat hem nog even lopen over de Engeldamm, hij mag nog een beetje engel zijn. Hij drinkt koffie bij een snackbarretje op straat, verwarmt zijn handen aan de kartonnen beker. Ja, zo doen wij dat ook. Je begint de dag met koffie, dan voel je je weer mens.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

     

  • ’t Wad

    ’t Wad

    Op een fietskaart van Noord Holland had ik ’t Wad gezien. Een grijze punt, een buurtschap boven Schagen. Ik rij er vanaf Wieringen naartoe, passeer de Ewijcksluis, in deze streek kreeg Lou de Palingboer een teken.
    ‘De Satan was de Satan niet, hij was een afsplitsing van God zelve.’ ‘Het was al, eer het was.’ Een man met vele vrouwen. Een palingboer als afgezant van God op een plek waar de Noordzee eeuwenlang getwijfeld heeft tussen zand en water. Nederlandser kan het niet. In de verte achter mij de contouren van Den Helder.

    Bij Oudesluis spreek ik mezelf toe, ik moet nu goed opletten zodra de weg omhoog gaat. Ik zie een straatnaambordje, Wadweg heet het hier. Ja, ik zit goed, passeer de dijk en rij nu, in mijn verbeelding, vanuit het water het vasteland op. Rij te ver door, wegen worden weggetjes, ik moet keren met mijn camper. Rij achteruit een tuinpad op, tik met mijn bumper tegen een tuinkabouter die even, zie ik in mijn zijspiegel, op zijn voeten schommelt. Parkeer uiteindelijk op een strook niemandsland en loop de Wadweg op in de richting van de Westfriese omringdijk.
    Een hardloper komt mij tegemoet, ganzen bekijken me nieuwsgierig, een man trekt in zijn moestuin met een voorn een gleuf. In de verte rijdt de intercity uit Den Helder.
    Ik stap de dijk op.
    Iets wat er niet meer is dat raakt me. Kan dat, dat juist de afwezigheid ontroert? Koeien grazen op een strak land, gewonnen op de zee. Vanaf hier was alles water. Het lijkt alsof ik door de tijd gereisd ben en de watervlakte voor me zie. Ik voel me thuis. Wie kijkt er zo als ik nu kijk?
    Ik ben geboren aan de kust, reisde met mijn gezin 1200 kilometer verderop om weer aan te komen bij een kust. Naar een kust kan je verlangen, terwijl je er al bent. Bij mijn reizen langs de waddenkust kreeg ik de dijk erbij. Die daagt me uit: wat denk je dat je ziet als je bovenop mij staat? De dijk, ik schreef het al eerder, had ik altijd beschouwd als een sta-in-de-weg die mij belemmerde. Dat is door deze reis veranderd, de dijk creëert verwachting, maakt nieuwsgierig.

     

     

    Ik lees de straatnaambordjes, in de richting van het zuidwesten is dit de Westfriese omringdijk, naar het oosten heet het Poolland. Poolland?
    Een vrouw op een rode fiets passeert. ‘Zoekt u iets?’ roept ze. ‘Waarom het hier Poolland heet,’ vraag ik.
    ‘Maar weet u dat dan niet?’ Ze praat schreeuwend. ‘Tot hier kwamen de ijsschotsen, u heeft toch wel van de IJstijd gehoord? Alles was hier de Noordpool, dat behoort u toch te weten?’ Ze stapt van haar fiets.
    ‘Ik ben in de Beemster geboren.’ Ze wijst over mijn schouder. ‘Op de kermis leerde ik een boerenjongen kennen. En toen was mijn leven bepaald. Ja, dat dacht hij, maar voor mij voelde dat helemaal niet zo, ik ben altijd goed in dwarsliggen geweest,’ ze komt dicht bij me staan. Ze houdt haar oor vlakbij mijn mond. Een dove hippie op een damesfiets, een gat in haar trainingsbroek.
    ‘Ik ben van 1936,’ schreeuwt ze. ‘Ik heb alles al meegemaakt.’ Een levendig gezicht, felle ogen. Een hoofddoek met een strik erop, een verouderde versie van Loes Luca uit Ja zuster, nee zuster.
    ‘Het water in de polders is veel te hoog, meneer, dat komt door die vogellobbyisten, die verromantiseren de hele boel, overdreven liefde voor getjilp en gekwetter. En het waterschap meneer, ik zit daar in een commissie, die ouwehoeren rustig mee en de fundamenten van de huizen van voor de oorlog rotten ondertussen door dat water weg. En weet u hoe ze dat oplossen, meneer?’ Ze komt nog dichter bij me staan, ze verwacht geen antwoord van me.
    ‘Je sloopt de boel en plempt de polder vol met nieuwbouwwijken. Ik heb mijn hele leven vanaf mijn huis hier aan de dijk naar Alkmaar kunnen fietsen. Maar nu? Bij de eerste de beste nieuwbouwwijk verdwaal ik. Dat is erg hoor, als je de kluts kwijt raakt in je eigen land.’ Ze stapt weer op en zwaait. Ik zwaai terug.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezocht de afgelopen drie jaar niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reisde van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Dit is zijn laatste blog van deze reis.

     

     

    Foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Fotosynthese 14 – Campo santo

    Fotosynthese 14 – Campo santo

    klik op de foto om de achtergrond te zien

    Ik fotografeer graag deuren. Deze maakte ik niet omdat de Romaanse voorname sfeer me aansprak, maar vanwege de bordjes ‘verboden te parkeren’ en met name die op de smalle deur. Alsof de bewoner van dit pand twijfelde of hij met één verbodsbord wel duidelijk genoeg was. Beneden in het dal passeerde ik het bruggetje over een beek, daarna een wandeling op een vriendelijke kronkelweg en dan steil omhoog naar Vezelay. In de berm af en toe een aanduiding van een pelgrimsroute.

    Dit huis staat in het hoogste gedeelte van Vezelay, en op het bord links lezen we dat hier Adolphe Guillon gewoond heeft, ‘Le peintre de Vezelay’. Het chique bord met goudkleurige letters laat zien dat Guillon (1829-1895) geen gewone jongen was met alleen alpinopetje en een tekenblok. Hij is in dit huis gestorven, hij vond zijn dood bovenop de berg waarvan hij dagelijks het uitzicht schilderde. Hij had ook een atelier in Parijs, maakte vooral landschappen en zijn werk is voor een bescheiden prijs nu nog te koop op veilingen.

    Op zo’n veiling vind ik een klein schilderij met Napoleon. Guillon heeft hem geschilderd op een schip terwijl hij zijn steek afneemt, want hij staat pal in de wind. De lijnen zijn onzeker, wellicht een kopie van een bestaand werk. Misschien had de schilder wat met vechtersbazen, ooit begonnen de kruistochten hier in Vezelay met Richard I de Engelse koning voorop. Hij was bepaald geen doetje, vandaar zijn bijnaam Leeuwenhart. Maar ook de meer ingetogen pelgrimsgasten kwamen en komen hier, de abdijkerk vlakbij dit huis is de laatste verzamelplaats richting Santiago de Compostella. De eigenaar, of bouwer, van dit huis gaf ook deze plek iets heiligs mee. Il Campo Santo lezen we rechts op de pilaar.

    Campo Santo, de titel van een boek van de te vroeg gestorven W.G. Sebald. Hij stierf in december 2001 bij een verkeersongeluk, in het jaar dat zijn meesterwerk Austerlitz verschenen was. Campo Santo (2003) is een bundeling van prozastukken en essays, gedeeltelijk onaf en na zijn dood uitgegeven.
    De geschiedenis van Europa, de oorlog is altijd aanwezig in zijn werk. Je móet je herinneren lijkt hij te zeggen, als schrijver ben je tot herinneren verplicht. Om dit te benadrukken voegde hij vaak foto’s toe aan zijn werk. In Austerlitz zien we er tientallen, zwart-wit, soms onscherp. Oude foto’s die verwijzen naar plekken, gebouwen en personen uit het verleden. De geschiedenis van de werkelijkheid in een fictief verhaal.

    Kafka hield niet zo van foto’s, schrijft Sebald. Het leven in foto’s afbeelden vond hij ‘een beetje eng’. De fotograaf Thieberger herinnerde zich dat hij, met een logge kist voor fotografische vergrotingen onder zijn arm, Kafka op straat tegenkwam. ‘Fotografeert u?’ had Kafka hem verbaasd gevraagd en hij had eraan toegevoegd: ‘Dat is toch eigenlijk iets griezeligs.’ En na een korte pauze zei hij: ‘En u vergroot het nog ook!’

    Op de omslag van Campo Santo een uitzicht op een haventje in Corsica waar Sebald veel wandelde. Ik herinner me dat ik terug wandel vanaf het huis in Vezelay weer naar beneden langs het pelgrimspad, passeer het bruggetje over de beek, draai me om en bekijk de heuvel op zoek naar de plek waar ik daarnet stond. In het titelverhaal heeft Sebald het moeilijker bij het afdalen van de heuvel bij het dorp Piana.
    ‘…over dicht met groen kreupelhout begroeide, langs bijna loodrecht afgebroken rotsen daal ik af naar de bodem van een honderden meters diepe kloof.’ Toe maar, dan was mijn heuvel een makkie. En Sebalds wandeling eindigt bij een beek waarin het water ‘met spreekwoordelijk gemurmel dat mij uit een of ander grijs verleden vertrouwd is, omlaagstroomde…’

    Ook hij bezocht begraafplaatsen.
    Waarom bezoekt een mens onderweg, in een oord dat hij nauwelijks kent, een begraafplaats? Achter mij, in de kast van mijn werkkamer, staan zo’n veertig notitieboekjes die ik vol schreef tijdens mijn reizen. Ik weet zeker dat ik tientallen namen van doden heb genoteerd. Ik sla een boekje open en de hele familie Lont komt langs: Jan, Maartje, Corneel en Sietske, de oudste Lont geboren in 1814. Een paar pagina’s verder: Dr. Herman Scheier (1840-1917), in een ouder boekje vind ik Michaela Ott (1995-2003), ik herinner me een foto van haar die op het graf stond in Denemarken. Ze had een speldje in het haar dat een springende krul veroorzaakt.  Gek dat je dat onthoudt.

    Vreemd dat ik vaak ronddwaal op een kerkhof, tussen graven die op kleine bunkers lijken afgewisseld met bescheiden stenen in een standaardmaat en daarop een sepia-kleurige foto waarvan je niet weet of het portret altijd al deze tint had of dat het verkleurd is door de tijd.
    Ik noteer namen die alleen maar naam zijn, iets absoluuts hebben. Volmaakt zijn, in letterlijke zin, die een vage herinnering opwekken aan een tijd van ver voor de mijne. Dat gevoel van eeuwigheid is tegenovergesteld aan de tijdelijkheid van de naambordjes op het appartementengebouw waar ik woon.

    Namen die zelden verdwijnen omdat iemand gestorven is, maar gewoon vanwege een verhuizing, meestal weet je niet waar naartoe. En de lege plek wordt vervangen door een nieuwe naam. Het enige dat de sfeer van het verleden oproept zijn de twee groen uitgeslagen schroefjes die al een leven lang in en uit de naambordjes gedraaid worden.

     

     


    Foto: Hans Muiderman

    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Wieringen

    Wieringen

    Glooiende wegen, kronkelpaden, aan alles is te merken dat dit een eiland was. Een oud landschap met een dijk van zeewier in het oosten en op de westpunt werd ooit de post per schuit bezorgd. Daar loopt nu een smalle weg. ‘Dam’ heet die, langs de kust verandert de naam in ‘Quarantaineweg’. Onderaan de dijk een bakstenen gebouwtje met een metalen windvaan, ‘1919’ staat erop. Op de gevel zijn de uit steen gehakte letters RIJKSPEILSCHAAL nog net te lezen. Hier werden met een ingenieus apparaat, de maregraaf, de standen van eb en vloed geregistreerd. Een door de tijd onaangetaste plek.
    Een volksliedje zal hier gezongen zijn.

    Wie wil er mee naar Wieringen varen,
    ’s morgens vroeg al in de dauw,
    met een mooi meisje van achttien jaren,
    dat zo graag naar Wieringen wou.
    Schipper ik hoor de hanen kraaien,
    schipper ik zie de vlaggetjes waaien.
    Stuurman laat je roer maar gaan,
    Dan zullen we spoedig op Wieringen staan.

    Een liedje uit de tijd van peilschaalwachters, allemaal in dienst van de rijksoverheid. Ze zouden zich verbazen over het definitief drooggevallen wad op deze westpunt. De Noordzee heeft het hier opgegeven.
    Als je van mediteren houdt, moet je op deze plek gaan zitten. In de verte Den Helder waar in 1811 Napoleon even kwam buurten en op zijn initiatief werd de stad een marinehaven. Achter mij was zijn vriendelijke broer Lodewijk Napoleon actief. Je doet  de ogen dicht en de chalets van zomergasten veranderen in barakken die daar tijdens zijn koningschap werden neergezet. Als zeelui besmet waren met een onbekende ziekte gingen ze hier in quarantaine. [Ik was hier voordat het virus uitbrak en toen was ‘quarantaine’ niet meer dan een woord. Bijzonder toch hoe het heden het verleden van betekenis voorziet.]

     

     

    Via een slingerweggetje naar Stroe, vanuit de verte zie je dat dit dorp hoger ligt, ga ik naar het Wieringer Museum. Er is een tentoonstelling over rouw en kleding. Vrouwen mochten aanvankelijk niet op de begrafenis van mannen komen, later werd dit onder restricties toegestaan. Alleen de ogen mochten zichtbaar zijn. Ze zijn op foto’s afgebeeld met wat we nu een nikab noemen.
    Een man vertelt me dat veel mensen die voor het eerst op Wieringen komen het ervaren als een onbekende wereld, alsof ze in een andere tijd zijn aangekomen. En staand voor de vitrine met de foto’s van de vrouwen concluderen we dat met de tijd de cultuur verandert. En dat dit per plek verschilt. Zaken die we eerst verbieden staan we later toe en andersom. Net als bij de inrichting van het landschap, wat we mooi of lelijk vinden wijzigt met de tijd. ‘God’ wordt niet meer met een hoofdletter geschreven. Goed en kwaad blijkt relatief.
    Een groep jongeren uit deze streek neemt dat laatste heel letterlijk.
    Zo wordt de  familie Schmidt uit Hippolytushoef, de ‘hoofdstad’ van Wieringen, al jaren uitgescholden. Eieren worden tegen de ramen gegooid en wanneer zij hun Joodse feestdagen vieren, wordt hun huis beklad met hakenkruizen.

    Ik rijd de provinciale weg op – de ‘Korte afsluitdijk’ wordt deze dam genoemd – en besef hoe vaak je onderweg geen tijd neemt voor een afslag. Haastig aan een plek voorbij gaat waar de tijd heeft stil gestaan. En ik besef ook dat ‘het stil staan van de tijd’ zowel een romantisch beeld is als een somber.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde.

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Wilhelmshaven

    Wilhelmshaven

    De bus vanuit Jever scheurt door een buitengebied met aangeharkte grindpaden voor keurige twee-onder-een-kapwoningen die allemaal op elkaar lijken. Aan de lantarenpalen de resten van affiches van politieke partijen. ‘Grenzen sicheren’ lees ik. En even later ‘Diesel retten’ en ‘Heimat bewahren’. Voor een winkelruit hangt het bordje ‘Mittagruhe’. Het leven is eenvoudig hier en ik ben op weg naar Wilhelmshaven. Vanwege een herinnering aan een ansichtkaart die als kind diepe indruk op me maakte. Het enorme plein voor het toenmalige Grand Hotel – ik woonde daar vlakbij in Scheveningen – kende ik als een strak gazon waarop je niet mocht voetballen. Maar op de ansichtkaart stond het vol met motorfietsen, kleine vrachtwagens, aanhangwagens, stapels houten kisten en op de stoep een groep soldaten. Ze wachtten ergens op.
    Het vreemde contrast met de witte gevel van het Grand Hotel, een chique plek voor rijke mensen.
    De ansichtkaart is uit 1945, gemaakt een jaar voor mijn geboorte. ‘Duitse soldaten gaan terug naar Wilhelmshaven,’ zoiets stond erop. Waarom die afbeelding zoveel indruk op me maakte weet ik niet, het geheugen gaat zijn eigen gang. Misschien was ik al veel ouder toen ik die foto zag, maar parachuteerde dat beeld me terug in de tijd naar de speelplekken uit mijn vroegste jeugd. 

    In het scheepvaartmuseum in Wilhelmshaven herinnert weinig aan die tijd, in een hoekje zijn er wat foto’s waarop soldaten mager en vermoeid van boord gaan. De verliezers. Nee, neem dan de expositie ‘Souvenirs von Fremden Küsten’ met een ‘Königsstuhl’ uit Kameroen en een prachtig uit hout gesneden ‘Modell eines Renbootes’ en daarnaast een Pritsche (draagtafel) van de ‘Admiralitätsinsel – Bismarck Archipel in Melanesien’. Toe maar, de Pruisen die wisten wel wat ‘Heimat bewahren’ was, vooral de Heimat van een ander.
    In 1853 kochten ze van de landheren van het Jadegebied de enorme monding van de rivier de Jade plus bijbehorend land. Je kon zo de zee op. Een mooie plek voor een haven en leuk voor oorlogsschepen. Maar alles mislukte aanvankelijk. De eerste havenmond slibde voortdurend dicht en niemand wist wat er moest gebeuren. Pas toen keizer Wilhelm II (ja, die asielzoeker uit Doorn) zijn oorlogsvloot ging bouwen kreeg Wilhelmshaven zijn bestemming: een marinehaven. 

     

     

    Vanaf het museum loop ik in de richting van de haven, niets doet meer denken aan een stad waar de matrozen zingend door de straten liepen. Het is hier stil en levenloos, beslist geen rijke stad, veel leegstand in de winkelstraten. Ik wandel langs de Nordhafen, de Ausrüstungshafen, Großer Hafen, Handelshafen, Marinehafen en de Kanal- en Arsenalhafen. Het kan niet op. En om dit allemaal een beetje bij elkaar te houden de Verbindungshafen en de Kaiser Wilhelmbrücke. Behalve een rondvaartboot vaart er hier geen schip.
    In de buurt van de brug hoor ik het Russische volkslied uit een speaker en direct daarna het Duitse. Sleepboten positioneren zich voor en achter een enorme driemaster, mannen met gele helmen gooien de touwen los, jonge mannen maken foto’s met hun telefoon, matrozen zwaaien. Het is een Russisch opleidingsschip dat via de Jadebocht en de Waddenzee de open zee op wordt gesleept. Een echtpaar houdt de Russische vlag omhoog, zij rekt zich uit en zwaait met een witte zakdoek, de vader slikt zijn tranen weg. Daar gaat hun zoon. De Kaiser Wilhelmbrücke draait open, wat zal het mooi zijn als zo’n klassiek schip straks vol in de zeilen gaat.

    Als ik terugloop naar het station – de Mittagruhe duurt hier de hele dag – lijkt het alsof de drukte en beweging van daarnet slechts een gedachte is, niet meer dan een herinnering aan een haven waar ooit de matrozen brullend over de kade liepen of zich duimendraaiend doodverveelden. Een havenstad waar men zich aanvankelijk overwinnaar waande, waar tussen 1925 en 1939 het ene na het andere oorlogsschip van stapel liep, maar die na 1945 nooit meer een marinehaven mocht worden. Het werd een plek voor de aankomst van verliezers, trots mocht je op deze stad niet zijn.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken, niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Plinius

    Plinius

    Ik heb de man niet aan zien komen, hij staat schuin achter me. Op de rand van een steile afgrond begint hij onverwacht tegen mij te praten. Nou ja, ‘steile afgrond’ is wat overdreven, dat gevoel komt door mijn hoogtevrees.
    ‘De meeste mensen, toeristen zoals u,’ zegt hij, ‘vragen zich af hoe het eeuwen geleden hier zo hoog geworden is. Maar weinigen beseffen dat het juist de afgravingen zijn die dat gevoel van hoogte veroorzaakt hebben.’ Hij doet een stap naar voren en komt naast me staan, hier op de wierde van Ezinge.
    ‘In de tijd gemeten is het nog niet zo lang geleden’, hij spreekt traag en docerend, ‘dat men inzag dat de grond van de wierde uiterst vruchtbaar was. Zelfs huizen werden er voor afgebroken om die grond af te graven en te verhandelen. Goede mest bracht geld op. Veel geld. Pas veel later kreeg die grond concurrentie van de kunstmest.’
    Hij heeft zich naar mij omgedraaid, zijn duimen achter de bretels.
    ‘En meneer, met die afgravingen werd niet alleen goede grond gewonnen maar ook onze geschiedenis blootgelegd. Als Van Giffen (ik noteer de naam in mijn notitieboekje) er niet was geweest hadden we nooit geweten wie de bewoners waren toen de wierde niet hoger was dan een bultje in het landschap.’
    De man kijkt naar de lucht alsof hij ergens boven de kerktoren zijn inspiratie vindt. Hij heeft iets van een filosoof.
    ‘Arm was het, meneer, toen het hier allemaal begon. Arm en nog eens arm. U moet maar eens beneden in het museum lezen wat die Romein Plinius daarover dacht, toen hij hier aankwam. En als u daar toch naartoe gaat vergeet dan die Van Giffen niet, die professor. Wat hij omhoog spitte, een kleine eeuw geleden, was wel even uit 500 voor Christus. De resten van tachtig huizen, boerderijen…’ Hij onderbreekt zichzelf.
    ‘Een fijne dag nog, daar naar beneden, het museum ligt op nog geen tien minuten.’
    ‘En bij het bruggetje moet u naar rechts,’ roept hij me na.

     

     

    Even later bekijk ik de foto’s van Van Giffen. Je herkent hem gelijk in het midden van een groep mannen die bij de afgraving staan. Hij is de kleinste, een scherpe blik, een houding van ik-ga-u-eens-wat-laten-zien’. Het liefst nam hij zelf de schop ter hand.
    Verderop in het museum de tekst van Plinius de Oude, een jonge officier die met de Romeinen voer in de richting van de Eems. Het is niet de eerste keer dat ik dit lees op deze reis, de tekst bestaat in vele variaties:
    ‘…met aarde verwarmen ze hun voedsel en hun lijf, verstijfd door de noordenwind.
    Een meelijwekkend volk. En als vandaag de dag deze stammen overwonnen worden door het Romeinse volk, noemen ze dat slavernij! Zo is het inderdaad: het lot spaart velen door ze te straffen.’

    Maar als ik rondloop in het museum, de tekst van Plinius herlees, – een klerk noteerde wat hij zag: de koeien met de poten in het water, de doordringende stank van zout en slib en niets dan armoe – dan is er toch een groot contrast met wat Van Giffen hier ontdekte. Door enthousiastelingen werd zijn werk wel het ‘Pompeï van het noorden’ genoemd. Dat is natuurlijk overdreven, maar duidelijk werd dat, in de tijd dat Plinius hier passeerde, de mensen in huizen woonden en het vee gewoon op stal stond.
    Was die Plinius niet een verwende jongeman, een rijkeluiszoon, gewend aan een rustige Middellandse Zee met helder water en geen gedoe met eb en vloed en springtij? Elke dag een goede fles wijn op tafel en ’s avonds naar het badhuis. Dat je met een plak gedroogde koeienstront de kachel heel goed aan kon maken, daar schrok hij van, die voortdurend geciteerde Plinius. Ik vermoed dat hij nooit in Ezinge is geweest.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • De nieuwe man

    De nieuwe man

    De heer Bepol, eigenaar van de scheepswerf zou beledigd zijn, maar hij was niet de man om dat te laten merken. Ik had het plan om langs het Damsterdiep te fietsen, tot ruim een eeuw geleden de verbinding tussen Groningen en de zee, maar na een paar kilometer ontdek ik dat ik langs het Eemskanaal fiets. En juist de aanleg van dat kanaal betekende voor Bepol het einde van zijn welvaart. Hij bleef nog wel leiding geven aan de werf, maar ‘…bij gebrek aan problemen kreeg hij steeds meer een filosofische inslag met een onbedwingbare neiging tot beeldspraak.’
    Bepol is de hoofdfiguur in de roman De nieuwe man (2003) van Thomas Rosenboom. Ik herlas het in de omgeving waar het verhaal zich afspeelt. Het dorpje Wirdum, dichtbij Appingedam, was het doel van mijn fietstocht.
    Een romanfiguur kan ‘in je systeem’ gaan zitten. Je beeldt je in hoe hij eruit ziet, hoe hij beweegt en praat. De stem van Bepol zal deftig klinken en even denk ik dat hij binnenkomt bij restaurant De Landman in Termunterzijl waar ik een visje eet. Goed gekleed, alleen de sandalen onder zijn pantalon – het woord ‘broek’ past niet bij Bepol – detoneren. De bediening behandelt hem met egards. Als hij gaat zitten kijk ik hem op de rug: hij draagt bretels. Precies zoals Bepol dit gezien moet hebben bij Niesten, de sterke zwijgende kracht op de werf: ‘… bretels, die tussen zijn schouderbladen bijeenkwamen zodat zijn broek van achter op één plaats, in het midden, omhooggetrokken werd.’

    Pas via de brug over het Eemskanaal, ik heb zo’n tien kilometer omgefietst, nader ik Appingedam en kom weer thuis in het boek van Rosenboom. De rondvaartboot Damsterveer ligt achter de Nicolaikerk, mensen gaan aan boord en even verderop ligt café ‘De eerste aanleg.’ Hier zal Bepol een glas gedronken hebben voordat hij naar de bank en de notaris ging.
    Hij hield van een sigaar. Op de hoek van de St. Annastraat en Dijkstraat lees ik onder de kap van een hoog huis ‘H. Martens, sigarenhandel’. Achter de gevel uit de tijd van de Jugendstil is er nu een Primera. ‘Koop uw staatslot,’ staat er op een bord. Bepol zou gedraald hebben bij zo’n aanbod. Rond 1920, de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, ‘kelderden de vrachtprijzen, de schippers verdienden niets meer […] en als de kustvaart nog het hart van de scheepsvaart was, dan het hart van een dode.’
    Ik loop wat rond, vind het trekpad langs het Damsterdiep aan de rand van een nieuwbouwwijk, een man maakt zijn bootje winterklaar en sopt met een schuursponsje de reling. Bepol zou zich geërgerd hebben aan dat kleine gedoe. Je moet groot denken. Maar verder dan dit inzicht kwam hij niet. Wat hij vooral deed was veel praten.
    ‘Door even snel te praten als de tijd praatte hij de klok tot stilstand, maar toen hij zweeg ging het tikken toch weer door.’

     

    De lucht wordt donker, ik fiets richting Wirdum. In de crisistijd riep Bepol dat ‘recreatie de toekomst heeft’. Hij voegt de daad bij het woord, iets wat hij zelden doet, en laat in Wirdum ‘een openbaar bankje met uitzicht’ plaatsen. Het in gebruik nemen van het bankje was een officiële gebeurtenis met speeches en fanfare. ‘Het was een stoffige middag, maar de schetterende muziek haalde er een vochtig doekje over zodat hij nu weer klonk als een trompet.’
    Als hommage aan Thomas Roosenboom werd er in 2004 bij Wirdum, aan het Damsterdiep, een bank geplaatst met uitzicht op de brug. Als je daarop staat zie je rechts een witte schuur, daarachter was de werf, is mij verteld.
    De eerste druppels vallen, het rommelt in de verte. In mijn gedachten zie ik het bankje, een polonaise daar omheen, muzikanten spelen. De eerste lichtflits. Ik keer om. Laat de fictie maar de fictie blijven.

    Een kwartier later zit ik weer in Appingedam, in café Hof van Daam. Door het raam aan de achterkant zie ik de hangende keukens aan de gevels. Buiten regent het. In het midden van de zaak ligt een tuba op de grond. Reizen is het toeval ontmoeten, ik moet gelijk aan de fanfare in Wirdum denken. Aan een tafeltje in de hoek zitten drie mannen. Ze hebben alle drie een snor die naar beneden hangt. Ik vermoed dat de mannen van het muziekkorps ook snorren droegen maar dan met de punten omhoog gekruld, het verschil tussen de jazz en de fanfare.
    Ze praten over hun repertoire. De ene neuriet ta-ta-dam, ta-tá-dam, de ander zegt ‘dat ‘s I am blue’ en neuriet mee. ‘Billy Holiday, die durfde af te wijken,’ zegt de derde. Dan gaan ze staan. Even denk ik dat ze hier speciaal voor mij gekomen zijn, dat de tijd een spelletje met me speelt.  Ze spelen. Baby be good.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Wir schaffen das

    Wir schaffen das

    Emden

    ‘Ach, wat stelt die stad nog voor,’ zegt de directeur van de Johannes a Lasco bibliotheek waar de tentoonstelling Reformation und Flucht te zien is. ‘Ooit werd Emden het Venetië van het noorden genoemd. Het waren in de 16e eeuw de Nederlandse vluchtelingen die de stad groot maakten. Het aantal inwoners verdubbelde hier in korte tijd.’
    De receptioniste roept dat de rondleiding is begonnen.

    ‘De paus was natuurlijk corrupt,’ hoor ik de gids zeggen. Een vrouw van een eindje in de zeventig. In alles een onderwijzeres zoals dat beroep bedoeld is. Duidelijk stem, inspirerend en op elke vraag een antwoord.
    ‘En Luther en zijn protestanten zijn nog niet begonnen of ze beginnen elkaar gelijk uit te sluiten,’ vervolgt ze. Dat ‘uitsluiten’ herinner ik me van de familie van mijn vader. ‘Nee, die komt niet meer bij die,’ vertelde een achternicht me ooit op een begrafenis, ‘en ja, die tante van jou, die wil haar dochter niet meer zien…’ Over de interpretatie van een bijbeltekst vielen families uit elkaar.
    ‘Mede door gravin Anna werd het hier een vrijplaats voor de geloofsvluchtelingen,’ vervolgt de gids, ‘anders waren die door hertog Alva in de pan gehakt. Bij meer dan duizend protestanten ging gewoon hun kop eraf.’ Ze laat even een stilte vallen. Ze is waarschijnlijk zelf protestants. Ik heb op deze reis ook gehoord dat je juist de protestanten van toen met de IS van nu kan vergelijken. *)

    ‘Volgens de Spaanse overheersers zou één geloof de staat stabiliteit geven, er was maar één godsdienst de juiste.’ ‘Er zijn heel wat landen die nu nog zo denken,’ mompelt ze. Haar gezicht wordt roder. Met stemverheffing vervolgt ze ‘… en het waren niet allemaal arme sloebers die de Ems overstaken, zeker niet, er waren veel Kaufleute bij. Emden werd een liberale stad, niet alleen in de handel maar ook in de kerkregels. Geen kerk zal over een andere kerk heerschappij voeren!’ Ze moet zich inhouden haar vuist niet in de lucht te steken.
    Als ik even later zeg dat ik uit Nederland kom, gaan alle remmen los. Ze vliegt me bijna om de hals. ‘Weet u dat er hier eeuwenlang op de kansel in het Nederlands uit de bijbel werd voorgelezen? Ach ja, onze taal heeft dezelfde wortels. Nationalisten willen daar niks van weten, maar taal kende geen grenzen.’
    ‘Weet u, die Luther was eigenlijk heel modern, wat nu twitter is waren toen zijn pamfletten en cartoons. Zijn woordkeus was heel toegankelijk, nu noemen we dat een populist. De tijden van toen en nu lijken op elkaar.’
    ‘Vergeet u niet in het stadsmuseum naar gravin Anna te kijken?’, zegt ze als ik vertrek. Ze praat over die Anna alsof het haar moeder is. ‘De vluchtelingen moesten het hebben van die sterke vrouwen,’ roept ze me na.
    Ik ga op zoek naar de gravin, althans naar een afbeelding van haar, een tekening of een schilderij. Zonder beeld heb ik geen houvast, dat heb je nodig bij geschiedenis.
    Gravin Anna ziet er liefdevol uit, vermoed ik, en vriendelijk en betrokken bij wat er in de wereld aan de hand is. Zonder haar hadden de Nederlandse vluchtelingen geen schijn van kans gehad.

    Nu sta ik voor haar, in het stadsmuseum van Emden. Dat is even slikken, ik zie een steile calviniste die me hooghartig aankijkt. Naïef van mij om te denken dat iemand die goede dingen doet, er ook lief uit moet zien. Ze redde niet alleen de Nederlanders, maar ook de Walen, de Polen, de Engelsen en andere geloofsvluchtelingen. Onder haar bewind kreeg het onderwijs een voet aan de grond hier in Ostfriesland, ze voerde voor kinderen van 5 en 6 jaar de leerplicht in. Ze was een van de eerste vorsten die de vrijheid van godsdienst predikte.
    En zo ontstonden – ach ja, de eeuwige logica van de geschiedenis – ook groepen vluchtelingenhaters. ‘Die stadt Emden ist so voller Sekten dass man sie mit Jerusalem, ja mit Sodom vergleichen kann,’ lees ik.
    Als ik weer buiten sta zie ik aan de andere kant van het plein de gids fietsen. Een gedreven mens, net als die Anna. Wir schaffen das.

     

    In Het Merk Luther (2016) laat Andrew Pettegree, expert op het gebied van de boekdrukkunst, zien dat Luther ’s werelds eerste massamediafenomeen was. Hij gaf eigenhandig het merk ‘Luther’ vorm.

    *) zie blog De Allerhoogste


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Duitse taal

    Duitse taal

    Bingum

    Ze springen geruisloos in het gelid, alsof de man, vrouw en zoon erop geoefend hebben. Vanachter de toonbank van de bistro/pizzeria kijken ze mij dankbaar aan, de zoon geeft me het menu. Voor alle Turkse gerechten staat ‘Neu’ in vette letters. Wellicht zijn ze nieuwe eigenaren. Ooit klotste de Eems hier in de achtertuin tegen de Bingumer Deich. Het landje rond de pizzeria is afgezet met oude vangrails, het gras is hoog. Het gebouw staat er verloren bij. Het is te zien dat er wel plannen zijn om dit landschap achter de dijk tot leven te wekken, maar dat is er nog niet van gekomen. Al jaren lang ‘nog niet’, denk ik. In de verte richting Leer zie ik de toren van de brugwachter boven de dijk uitsteken.
    De Rotwein die ik besteld heb is met prikkels.

    Ik kies voor een Turkse pizza ‘Lahmacun Kebab, Hackfleisch vom Drehspieß, Salat und Tzatziki’. Achter elk gerecht op de menukaart staan een of meerdere kleine cijfers. Aan de achterkant een toelichting onder de titel ‘Enthaltene Inhaltsstoffe’. De dubbeling van ‘enthaltene’ en ‘Inhalt’, de keurige voetnoten die per gerecht vermeld zijn – Spaghetti Carbonara heeft er 10 – intrigeren me: de nadrukkelijke precisie en volledigheid van het Duits.
    Op een plank aan de muur liggen folders. Een paar kilometer naar het westen waar de Eems steeds breder wordt kan ik vanaf Ditzum naar het eiland Borkum varen, lees ik in het Fahrplan Borkum.
    Die Kraftfahrzeugbeförderungstarife schlieβen den Fahrzeugführer auf der Seestrecke mit ein’ en dat tarief is inclusief ‘3,5% Kaigebühren’. Bij dit type zinnen ga ik altijd direct mijn kleding controleren, of ik geen tzatziki-saus gemorst heb op mijn broek. Maar alles ist in Ordnung. De kebab smaakt goed, ik laat de Rotwein staan en neem een Krombacher Pils.

     

    Bingum was een eiland dat ontstond door de Katastrophenflut in de 14e eeuw. De dijk waarop ik uitkijk werd daarna aangelegd. In de eerste eeuw na Christus schreef de Romeinse officier Plinius de Oudere al over deze streek, hij zou de Eems bevaren hebben.

    Langzaam raak ik thuis in het jargon van de wadden. Ik weet nu wat oog betekent, en plaat en slenk en waard, en wiel en koog. In Ostfriesland passeer ik plaatsnamen die eindigen met Marsch, Moor, Torf en Siel. In het museum in Leer lees en vertaal ik de legenda van een oude landkaart: kwelder, moeras, veen en sluis. Ook weet ik ondertussen, alhoewel je in veel gevallen nog met munten en biljetten moet betalen, dat pincode Geheimzahl is en de sticker op het toeristenmagazine een Aufkleber heet. In het Duits noem je de dingen bij de naam.

    Ik had aan de familie achter de toonbank moeten vragen waar ze vandaan kwamen, ze spraken nauwelijks Duits. Bent u gevlucht of is het uw vrije keuze? Dat had ik zeker moeten vragen. Was ik de enige klant die dag? De man aan wie ik betaalde, glom van trots toen ik afrekende alsof hij een vette prijs in de lotto had gewonnen. Ik zou ze verteld hebben dat ik Duits een moeilijke taal vind en dat ik het niet wilde leren op school. Ik had kunnen vragen of ze op Duitse les zitten.
    Nu heb ik een hekel aan Engels zou ik zeggen, niet aan de taal, zeker niet, maar vanwege het gemak waarmee we onze eigen taal daarvoor inruilen. Dan kan je dat veel beter doen met Duits. En ik had hen verteld over de Schwalbes op het voetbalveld, dat er zaken zijn die je rücksichtslos moet aanpakken en andere weer met Fingerspitzengefühl. En ik zou zeggen dat als er aan zijn toonbank een Nederlander verscheen die veel het woord überhaupt gebruikt dat het waarschijnlijk iemand is die veel praat maar weinig te zeggen heeft.

     

    Voor lezers die van taal en vertalen houden, lees: Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje, over Anna Karenina en de kunst van het vertalen van Hans Boland.


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde.

     

     

     

    Foto: Anneke van Kroonenburg