• Dobbermannen

    Dobbermannen

    Hanz Mirck schrijft al ruim dertig jaar poëzie en proza, is stadsdichter geweest van Zutphen en Apeldoorn, schrijft actualiteitsgedichten en is docent creatief schrijven aan de Schrijversvakschool, en Nederlands in het voortgezet onderwijs. Hij publiceerde eerder o.a. Wegsleepregeling van kracht, Met andere ogen en veel actualiteitsgedichten voor de VPRO.

    Sirius is zijn tiende boek. Het bestaat uit, zoals hij het zelf noemt, honderd fabels. De vraag die gesteld kan worden: is het een bundel met poëzie, is het proza, zijn het prozagedichten? Maar uiteindelijk is het niet zo belangrijk om daar antwoord op te geven. Mooi is dat inhoud en vorm fijn en in balans op elkaar inspelen.

    Mirck was door de omgang met vluchtelingenkinderen op zijn school geraakt door de verhalen die hij hoorde en die hij ze liet vertellen in de klas. Hij was op zoek naar een metafoor om vanuit het perspectief van de vluchteling te kunnen schrijven. Hoe is het om de taal niet te spreken, altijd in de underdogpositie te zijn, afhankelijk te zijn, gedomesticeerd te worden?  Als gedachte-experiment verplaatste hij zich in zijn hond, die dingen voelt die een mens niet kan begrijpen, zoals iemand uit een andere cultuur ons niet altijd kan volgen. En wederzijds.
    Sirius is de helderste ster aan de nachtelijke sterrenhemel van het sterrenbeeld Grote Hond en staat bekend als de Hondsster. 

    Mengvorm van perspectieven

    Sirius bestaat uit drie delen: De hel, Eden, De hemel. Honden, vluchtelingen: het perspectief van waaruit de fabels worden verteld is de ene keer een hond, de andere keer een vluchteling of het is helemaal niet duidelijk wie er vertelt, of het is een mengvorm van beide perspectieven. Heel sterk gedaan. Parallellen tussen een hond en een vluchteling zetten je als lezer aan het denken: gaan wij zo om met, denken wij zo over de hond/de vluchteling?

    De hel beschrijft vooral door welke ellende zwerfhonden en vluchtelingen moeten gaan voordat ze in een ‘veilige’ wereld belanden, hoe ze zich moeten aanpassen, hoe ongelijkwaardig en honds ze behandeld worden, hoe weinig ze waard zijn. ‘Alle beesten zijn gelijk, maar sommigen hebben meer gelijk dan anderen,’ parafraseert Mirck George Orwell.  

    Eden beschrijft de aanpassing en gewenning. Hoe een vluchteling een straatverkoper wordt, hoe een hond een rol kan spelen als waakhond of als speurhond. ‘Ik mocht binnenkomen als ik niet gevaarlijk was en omdat ik binnen mocht komen was ik niet meer gevaarlijk.’ In dit deel staat ook centraal wat iemand die afhankelijk is van anderen als het over leven en dood gaat, over bestaan of niet bestaan zich moet laten aanleunen. Het gaat over macht en bevestiging van die macht; je likt de hand die je voedt, terwijl die hand jou zoekt om de dank te aanvaarden.

    Brandweerman

    Het derde deel, De hemel, wordt opgehangen aan het verhaal van de Malinese asielzoeker die in Parijs een kind van een balustrade redt en bekend werd als de Spiderman van het 18e Arrondissement. Als dank mocht hij brandweerman worden. Hier staat de Hondsster op zijn felst aan het firmament. Maar ook dan is er een schaduwzijde: als je een held bent, kun je je doorgaans van alles pretenderen en dat is hier niet de bedoeling, je moet wel je plek kennen. ‘Gedomesticeerd, ingeburgerd, zindelijk gemaakt, afgericht, aangelijnd, ontwormd, ingeënt, ingeschreven, opgeleid, kortgehouden – alles heb ik over me heen laten komen. Het was de prijs om te mogen thuiskomen. Mijn aanpassingsvermogen wordt gezien als een voorwaarde, niet als een prestatie. Gehoorzaamheid is belangrijk. Hoe kan ik anders een betrouwbare brandweerman worden?’

    Humor

    Sirius geeft een nogal bijtend commentaar op het asielzoekers-/vluchtelingenvraagstuk, hoe wij als het rijke westen omgaan met in veel ogen tweederangs mensen die hun geluk bij ons komen zoeken. De metafoor van honden snijdt hout. Als je nadenkt over hoe jij met je hond omgaat, raakt dat veel aan hoe we omgaan met vluchtelingen. Helaas weer erg actueel. Kijk naar de zwerftochten van nieuw aangekomen asielzoekers in Nederland die slapen in de openlucht, van hot naar haar worden gesleept, geen perspectief hebben. Handje op blijven houden en afhankelijk zijn van de autoriteiten. Pas als je als zwarte de Voice of Holland wint, of als sporter een transfer maakt naar een nog grotere club, kun je wat betekenen, schrijft Mirck. Maar ook dan is het tien keer meer je best doen dan een ander en vooral dankbaar zijn. Sirius is bijtend, maar ook humoristisch. De metafoor van de hond pakt goed uit. Gedragingen van honden en mensen naast elkaar zetten plaatst veel in perspectief, maakt het luchtiger, waardoor de boodschap nog harder binnenkomt.

    Sirius is een mooie, actuele uitgave en prachtig vormgegeven. Naast de tekst staan er in het boek eenvoudige wit-op-zwarttekeningen van honden in al dan niet menselijke poses in het boek, ter illustratie van een aantal centrale onderwerpen. Bovendien sluit de “zwartheid” ervan prachtig aan bij de kleur die vaak aan vluchtelingen wordt gegeven, wat in het boek geregeld terugkomt, bijvoorbeeld in de fabel Zwartjestentoonstelling. Zwart is ook de kleur die bij het onderwerp past: donker, uitzichtloos.

    Naast de honderd fabels bestaat het boek ook uit een voorwoord van Ingmar Heytze, en een nawoord, verantwoording en dankwoord van Hanz Mirck zelf. Plus informatie over de auteur. Dat alles is wat teveel van het goede. Sirius heeft dat niet nodig want de tekst spreekt voor zich en is sterk genoeg. 

     

  • Extaze nr. 1 – droom op ander leven

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    In oktober 2010 legden Cor Gout en Els Kort (redactie) de basis voor het literaire tijdschrift Extaze vanuit de behoefte de literaire kring van Den Haag weer op de kaart te zetten. Maar ook Nederlandstalige schrijvers buiten Den Haag publiceren in Extaze, wat in deze tweede editie een mooie melange oplevert. Hiervoor ons ligt de nr. 1 editie en onlangs kwam in januari Extaze nr. 2 uit.

    Aan Extaze nr. 1 werkten twintig auteurs mee waarvan er acht in Den Haag woonachtig zijn of anderszins met deze stad verbonden zijn. En Couperus komt erin voor, opgevoerd door de Haagse schrijfster Christien Kok die het verhaal Rondleiding schreef. Vertelster en bedenker van de literaire rondleiding – de Couperusronde – heeft deze georganiseerd om de zoon van haar overleden vriend een zinniger bestaan te bieden. Maar dat pakt anders uit. Nadat ze een gezelschap bij elkaar heeft gekregen waarmee die zoon zijn eerste rondleiding kan houden, belt hij af. Er zit voor haar niets anders op dan het zelf te doen, daarbij ontdekt ze hoe gruwelijk vervelend zo’n rondje literatuur door Den Haag kan uitvallen. Vier heren en acht dames wachten haar op. Niets van wat ze tijdens de ronde over Couperus en zijn werk vertelt is aan deze groep besteed. Wanneer ze vraagt wie er Eline Vere heeft gelezen wordt er plotseling  geklaagd over moeilijk ter been zijn. Dan laat Kok het verkeer van de Laan Copes van Cattenburch ‘spottend ruisen’. (Prachtig, dat is nog eens een ‘dijk’ van een Haagse laan om in een verhaal op te nemen.) Een deel van het gezelschap drijft de spot met de hysterische personages die in de verhalen van Couperus voorkomen. Dan loopt het uit de hand. Een deelnemer uit luid zijn ergernis waarop drie vrouwen hem beginnen uit te schelden. De gids heeft geen enkele invloed meer op de groep en gaat er als een haas vandoor, terwijl de man hysterisch om zich heen maaiend, op de grond eindigt. Een schijnbaar luchtig verhaal waarin de Haagse sfeer verleidelijk werkt.
    Verder verhalen van Ronnie Krepel, Jan Paul Bresser, Ezra de Haan, Nina Roos, Anneloes Timmerije, Murat Tuncel en Jaap Harten, die in een ver verleden ooit de ogenschijnlijk onbereikbare dichter A. Roland Holst bij een banketbakker te Amsterdam de volgende vier woorden hoorde uitspreken: ‘Twee ons marsepeinen aardappeltjes’. Alsof hij God zelf hoorde.

    Serieuzere bijdragen zijn er van Leo Samama (componist en musicoloog). De opgenomen (verkorte versie van de) lezing Het belang van kunst en cultuur en waarom deze ondersteund moeten worden werd eerder gehouden voor Home Academy in januari 2011. Een doorwrocht essay over hedendaags kunstbeleid gehouden tegen het licht van de achttiende eeuw. Samama maakt onderscheid tussen kunst en cultuur en toont aan waarom het ene (kunst) door het andere (cultuur) ondersteund dient te worden. Daarbij kunst definiërend als: ‘Kunst valt niet samen met cultuur, maar vormt er een onderdeel van, volgens velen een ‘hoger’, meer verheven onderdeel, met een publiek bereik dat selectiever wordt naarmate de verhevenheid ervan toeneemt.’ Sanama eindigt met te zeggen dat het hoog tijd is, ‘dat er in Nederland beleid ontwikkeld wordt waarin wordt vastgelegd wie er verantwoordelijk is voor het in stand houden van kunst, (…) Dat beleid moet op zijn minst het belang en de waarde van kunst en cultuur onderkennen en moet worden opgesteld door mensen die daartoe in staat zijn doordat ze verstand van zaken hebben.’

    Rob Groenewegen, auteur van de in september 2011 uitgekomen biografie over Jo Otten, Te leven op duizend plaatsen (waarvan hier een recensie) schreef een stuk over de onrust in het leven van deze Rotterdamse schrijver, getiteld: Altijd maar weer in beweging. Ook zijn er twee teksten van Jo Otten zelf opgenomen. Het eerste, Onmacht (onvoltooid, ca. 1934) is geschreven op de toon van een dominee die van de kansel preekt, een wanhopige preek. Gevolgd door Lianen. Een tijdsbeeld waarin Otten ook min of meer (zede)predikt tegen het tijdsbeeld (ca. 1936). Flink gedateerde teksten die interessant zijn voor wie de biografie kent.

    Tom Dommisse (filosoof) zet zijn essay: Het streven naar menselijke waardigheid, Een kleine thymotiek van Goethe’s Faust, die hij in het 0-nummer begon, in deze uitgave voort, een beschouwing van de twee meest recente toneeluitvoeringen van Goethe’s Faust in Nederland.
    Van Jaap Goedegebuure het essay Onteigend, ontheemd, ontaard over de personages in het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlene Niekerk. Karel de Vey Mestdagh schreef het essay It’s not cricket, Wat is cricket en wat is ‘not cricket’?

    De ondertitel van dit nummer – droom op ander leven – geeft een indruk van verlangen en komt uit het eerste van de hierin opgenomen Drie gedichten van Pieter Boskma. Een dichter die de pathetiek niet vreest, beschrijft in drie gedichten, waarin de taal steeds groffer wordt en de ‘daad’ steeds gruwelijker. Het eerst gedicht begint met: ‘Mocht men willen neuken, dan is dat aan te raden, mocht men willen sterven, doe dat dan nog niet vandaag.’  Waarna in het tweede gedicht de rauwheid van dezelfde zoektocht naar lijfelijke liefde zich uit in het drinken van ‘(…) het sobere wondvocht’. Om dan in het laatste gedicht, dat zich zo verdicht heeft dat het meer proza is dan een gedicht,  de liefdesdaad met de dood te vergelijken: ‘(…) een geraamte dat een dode komt bevredigen.’  Indrukwekkende gedichten waarin wanhoop en verzet, de dood en de liefde een verbond met elkaar sluiten.
    Een gedicht van Wim Brands, In memoriam Carlos Westerhout, is speciaal geschreven voor Carlos Westerhout (1945-2011) en voorgedragen tijdens Eenzame uitvaart nummer 131 te Amsterdam. Een man zonder vaste woon- of verblijfplaats en een postadres in Zaandam. Brands geeft in het gedicht een beeld van een man die bestaan heeft, maar zich nooit zichtbaar opstelde. In het gedicht plaatst hij hem in de stationsrestauratie van Den Haag waar hij zwijgend en rokend zijn tijd doorbrengt en laat hem lopen in de Passage. Het gedicht begint aldus: ‘Ik kende in Den Haag een man die elke avond in de stationsrestauratie zat;’ En de laatste regel: ‘Wie was je? Dit spookt door mijn hoofd: dat je post naar Zaandam ging. / Dat heet post apart.’

    Theo van der Wacht schreef een speels gedicht: Drieluikje op de schilder Adriaan Coorte, (Nederlands kunstschilder 17e eeuw). Al dichtend wordt fruit herschikt en ververst. Het schilderij zo levensecht dat: ‘ (…) een vlieg (…) dat ik subiet / aan doodslaan denk (…)’.
    Meer poëzie van Maaike Klaster, Jaap Harten en stadsdichter van Zuthpen Hans Mirck.

    Elke editie is geïllustreerd met werk van een beeldend kunstenaar. In dit nummer zijn dertien tekeningen (houtskool/inkt?) van de Friese kunstenaar Tjibbe Hooghiemstra opgenomen. In de in grijstinten uitgevoerde afbeeldingen, verbergt de kracht zich in het onzichtbare door de streperige en uitgeveegde beelden waaruit toch steeds een beeld naar voren komt, zoals bij de Rorschachtests die in de psychologie gebruikt worden. En het werkt, de illustratie past bij de tekst en als je goed kijkt, komt er een beeld naar voren.

    Extaze nr. 1 richt een kritische blik op de huidige tijd en kunst in het algemeen met een aantal  goed vertelde verhalen en veelzeggende poëzie. Maar de boventoon is er vooral een van: ‘Wij zullen doorgaan’; doorgaan met het maken van literatuur, ongeacht het beleid van de huidige regering; doorgaan om te laten zien wie je bent, doorgaan omdat je niet anders kan, doorgaan, maar nooit tegen beter weten in. Want de redactie van Extaze weet wat ze doet.

     

    Extaze

    Losse nummers € 15,00
    Jaarabonnement (4 nummers per kalenderjaar) € 60,00
    Voor de eerste volledige jaargang, te beginnen met nummer 1, geldt een kennismakingsabonnement van € 50,00.
    Uitgegeven bij: In de Knipscheer