• ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    De Iraans-Amerikaanse schrijver Kaveh Akbar (Teheran, 1989) is vooral bekend als dichter. Hij publiceerde o.a. Pilgrim Bell, Calling a Wolf a Wolf en Portrait of the Alcoholic. Met Martelaar! maakt hij zijn debuut als romanschrijver.

    Op zijn tweede is Cyrus Shams na de dood van zijn moeder met zijn vader vanuit Iran naar Indiana in Amerika verhuisd. Zijn moeder zat in een neergehaald vliegtuig. Een oorlogsschip van de Amerikaanse marine schoot op 3 juli 1988 een Iraans lijntoestel uit de lucht, vlucht 655 van Teheran naar Dubai. Alle 290 inzittenden kwamen daarbij om. Omdat zijn moeder Roya het beter vond dat Cyrus op zo’n jonge leeftijd niet meeging op die vlucht, leeft hij nog. Hij voelt zich schuldig, want hij had ook in dat vliegtuig moeten zitten.
    Zijn vader Ali werkt in een kippenfokkerij. Lange zware werkdagen in combinatie met veel drank leiden tot zijn vroege dood. ‘Nu zijn vader dood was, had Cyrus geen ouders meer die zich zorgen over hem konden maken /…/ Wat nog restte van zijn leven had geen zin van zichzelf, wist hij, want die zin kon alleen vorm krijgen in relatie tot anderen.’

    Cyrus is jaren in de ban van drugs en drank, maar hij stopt uiteindelijk met drinken.

    Op zoek naar betekenis

    Cyrus is eind twintig als hij zich verdiept in de geschiedenis van martelaren zoals Jeanne d’Arc, IRA-lid Bobby Sands – overleden door zijn hongerstaking in de Maze-gevangenis – en de ‘Man-voor-de-tank’, die tijdens de studentenopstand in 1989 op het plein van de Hemelse Vrede een tank tegenhield. Zijn appartement heeft hij volgeplakt met zwartwit afbeeldingen van deze martelaren. Daartussen hangt een trouwfoto van zijn ouders. Hij denkt aan het publiceren van een dichtbundel of een roman over martelaren. Cyrus: ‘Ik ben er nog niet uit. Maar heel mijn leven denk ik al aan mijn moeder op die vlucht, dat haar dood van geen betekenis is geweest. Echt letterlijk van geen betekenis. Van geen betekenis. Het verschil tussen 290 doden en 289. Een verzekeringsstatistiek. Niet eens tragisch, snap je? Maar was zij nu een martelaar? Er moet een definitie van dat woord zijn waar zij in past. Daar ben ik naar op zoek.’ Cyrus over de betekenis van de dood: ‘Ik denk niet dat het zo gek is dat ik wil dat mijn dood die wel heeft. Of om een studie te maken van mensen wier dood ertoe deed, weet je? Mensen die hebben geprobeerd om hun dood iets te laten betekenen.’

    Zijn zoektocht lardeert hij met bijzondere verhalen, zoals die over zijn oom Arash die verkleed als engel met een zaklantaarn onder zijn gezicht over het slagveld van de oorlog tussen Irak en Iran rijdt om het lijden van de stervenden te verlichten. Zo geloofden zij dat ze werden bezocht door de engel Gabriël en zo konden ze met waardigheid sterven.

    Zijn vrienden Zee Novak en Sad James wijzen hem bij zijn zoektocht naar het martelaardom op de tentoonstelling Death-Speak in het Brooklynmuseum in New York van de ‘internationaal vermaard kunstenaar Orkideh.’ Zij sporen hem aan naar New York te gaan: ‘Je wilt schrijver zijn. Zo gaan schrijvers te werk. Ze gaan achter het verhaal aan. Het is een omslagpunt. Je kunt die droeve, nuchtere man in Indiana blijven die altijd verkondigt dat hij schrijver wil worden, of je kunt er echt een gaan worden.’ Orkideh is gediagnosticeerd met terminale borstkanker en nodigt bezoekers in haar allerlaatste installatie uit voor een gesprek tijdens de laatste weken en dagen van haar leven die zij ter plekke in het museum zal doorbrengen. In een ‘abramoviceske performance’ kunnen museumbezoekers een paar minuten bij haar zitten ‘om frank en vrij over de dood te spreken.’

    Ontmoetingen in het Brooklyn Museum

    Meerdere hoofdstukken zijn gewijd aan de ontmoetingen tussen Cyrus Shams en Orkideh in het Brooklyn Museum. Hij vertelt haar dat hij studie maakt van al die mensen die zijn gestorven voor iets waarin ze geloofden. ‘Doodgaan. Het lijkt zo’n verspilling als je gewoon maar voor niets doodgaat. Zonde van je enige goede dood.’ Over de performance van Orkideh: ‘Jij bent dit aan het doen en dus betekent jouw doodgaan echt iets.’ Zij vraagt hem of hij een ‘weer zo’n door de dood geobsedeerde Iraanse man’ is. Bij de tweede ontmoeting vertelt Orkideh hem dat zijn project haar doet denken aan al die geweldige Perzische spiegelkunst. Uit Isfahan reisden ontdekkingsreizigers naar Europa. Daar zagen ze grote spiegels. De sjah wilde ook van die spiegels, maar bij het vervoer gingen die kapot: ‘In plaats van enorme spiegelpanelen kregen de architecten van de sjah in Isfahan dure spiegelscherven om mee te werken. En dus begonnen ze daar ongelooflijke mozaïeken mee te maken, heiligdommen, gebedsnissen.’ Orkideh: ‘Daar denk ik vaak over na, Cyrus. Al die eeuwen dat de Perzen de Europese ijdelheid, hun weerspiegeling eigenlijk probeerden te kopiëren.’ Bij de derde ontmoeting vraagt Cyrus waarom ze haar laatste dagen niet doorbrengt met haar familie. Orkideh: ‘Ik ben kunstenaar. Ik wijd mijn leven aan de kunst. Dat is het enige wat er is. /…./ Ik wijd mijn leven aan de kunst omdat die blijft /…/ Dat is wat de tijd niet kapotmaakt.’  Het motto van haar tentoonstelling Death-Speak luidt: ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    Orkideh doet orakelachtige uitspraken over zijn zoektocht naar het martelaarschap: ‘Wat ik bedoel is dat ik denk dat je je echte einde misschien ontdekt als je er niet langer naar zoekt. Ik denk dat echte eindes zich meestal van buitenaf naar binnen werken.’

    Bijzondere stijl

    Kaveh Akbar heeft een bijzondere manier van vertellen. Hoofdstukken over Cyrus’ moeder Roya Shams, zijn vader Ali Shams en zijn oom Arash, worden afgewisseld met hoofdstukken uit zijn schooltijd, zijn drank- en drugsperiode. Er zijn hoofdstukken met dromen, o.a. over zijn gesprekken met Orkideh en fragmenten uit zijn Martelarenboek.docx. Bovendien bevat het boek korte citaten uit officiële Amerikaanse en Iraanse onderzoeksrapporten over het neerstorten van vlucht 655. Vanuit Amerikaans standpunt is het neerschieten van het lijntoestel ‘niet met opzet’ gebeurd; in Iran wordt de aanslag op een postzegel gezet om te gebruiken als propagandamateriaal tegen Amerika.

    De roman zit knap in elkaar. De hoofdstukken kunnen gezien worden als stukjes van een gebroken spiegel: aan het eind is het mozaïek klaar en heeft de lezer een duidelijker beeld van hoe alle gebeurtenissen met elkaar samenhangen.

    Clarice Lispector

    Cyrus’ roman spitst zich toe op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat onze dood ertoe doet? Uiteindelijk is zijn boek af, hij zal net als Orkideh een kunstwerk nalaten. In een droombeeld ziet hij ‘zijn familie, allebei zijn ouders, zijn boek, zijn eigen gezicht. Zonder toekomst, als een verbrijzelde glazen bol.’ Martelaar! heeft een motto van Clarice Lispector. Vooraan: ‘Mijn God, nu pas moet ik eraan denken dat mensen doodgaan.’ En na de laatste bladzijde wordt dat citaat herhaald, met de toevoeging: ‘Maar… maar ook ik? Niet vergeten dat het vooralsnog aardbeientijd is.’ De citaten zijn afkomstig uit haar laatste boek Het uur van de ster. Kort na het verschijnen ervan overleed de schrijfster, net voor haar zevenenvijftigste verjaardag. Mede door deze citaten vraagt de lezer zich af wat er van Cyrus is geworden. Zo blijft Martelaar! na lezing nog lang rondzingen in het hoofd van de lezer.

    Met zijn ruim 400 bladzijden is Martelaar! een interessant en boeiend boek. Vertaler Hans Kloos, die de lezer ook nog kan kennen van zijn vertaling van Ik ben een eiland van Tamsin Calidas, leverde weer een mooie vertaling af. Wie meer wil weten over Akbar en zijn debuut kan terecht op het Crossing Borderfestival op 2 november in Den Haag.

     

     

     

  • De taal als Bermudadriehoek

    De taal als Bermudadriehoek

    Onder een brandende zon en het klotsen van de golven flaneren toeristen op de corniche langs de bars. Die kitscherige zeedijk vormt het decor voor het algemeen gevoel van gemis dat de driedelige Zweedse roman De singulariteit van de Koerdische schrijfster Balsam Karam kenmerkt. Dat gemis is bodemloos. Het woord ‘bodemloos’ mag u vrij letterlijk nemen. Met de scherpte van een sigarettenpeuk brandt Karam in de toeristische corniche een gat, waaruit stof en rookpluimen opstijgen. Achter de façade van die lieftallige zeedijk schuilt oorlogsleed, verloedering en ontreddering. Deze niet nader omschreven stad met haar corniche is ‘een gat tussen wat ontstond en had kunnen zijn.’ De setting van De Singulariteit is haast even mysterieus als de titel, en ook de inwoners van die stad zijn hoogst merkwaardig.

    Overal verlies

    In dat gat woedt het verlies van dierbaren overal, in abstracte bewoordingen: een moeder zoekt naar haar dochter, dochters speuren naar hun moeder en alle inwoners hebben wel iemand kwijtgespeeld. Al deze verlorenen bestempelt Karam als ‘de vermiste’. Over de identiteit van ‘de vermiste’ komen we bitter weinig te weten. Een van de eerste zinnen luidt: ‘De vrouw is alleen, zoekt haar kind’. Dat kind is spoorloos verdwenen en haar armen waren bont en blauw geslagen. De vermiste werkte als poetskracht in een bar op de dijk, maar ging evengoed naar een demonstratie op 1 mei… Zoveel mensen kunnen ‘de vermiste’ zijn. Helaas hoeven de nabestaanden geen hulp te verwachten. In deze stad heerst de onverschilligheid. En in een donkere steeg spelen kinderen met voorwerpen en herinneringen van de vermiste, maar ‘als het verlies hier is weten de kinderen niet langer of het moeder is of zus die is meegenomen.’ Zowel de personen als de plaatsen gonzen van de onbestemdheid. Misschien is de typering over de steeg waar de kinderen wonen ook van toepassing op heel De singulariteit: ‘het is meer een toestand dan een plek.’ Het is niet de plaats waar je iets hebt verloren, maar het verlies dat een plaats is geworden.

    Uit de versmelting van algemene aanduidingen en Karams zinnelijke schrijfstijl komt het verlies van verdwenen of gestorven dierbaren, vanonder de woorden naar bovendrijven. In plaats van haar lezers zich te laten identificeren met een concrete leefwereld hanteert ze poëtische en mythologische tropen als ‘berg’, ‘gat’ en ‘palmbladeren’ om een beklemmende atmosfeer te creëren. Voor de goede verstaander verwijst de troop van de ‘corniche’ naar de zeedijk van het door oorlog en ellende getekende Beiroet. Geen toeval dat De Singulariteit zo sterk resoneert met het apocalyptische toneelstuk Kop dicht en graven van de Libanese schrijfster Hala Moughani, waarin een familie op een vuilnisbelt woont, nabij een gat met een gapend gemis. Ook bij Karam verkrijgen de muren hun reliëf door kogelgaten en betreft het hoogste en meest uitzichtloze de top van een afvalberg. Door het zinnelijke karakter van haar taal ontstaan dan zinderende passages als ‘is een vermiste ooit teruggekeerd zegt ze en gaat met haar hand over de muur en de kogelgaten in het midden van de muur – is gemorst water weer bijeengegaard en kun je verlangen naar het onmogelijke zegt ze en zwijgt.’ Dat onmogelijke is hier niets minder dan een complete identiteit.

    Vormvast

    De verbrokkeling van de eigen identiteit door het verlies van dierbaren staat ook in de twee andere delen centraal. In die delen krijgen we respectievelijk een logboek van een miskraam en het verloop van een integratieproces in Zweden voorgeschoteld. De eerste twee delen, ‘de vermiste’ en ‘de singulariteit’, spelen sterk in op een verlies dat het leven domineert. Karam laat dit manco insijpelen in zinnen als ‘straks zal het strand leeg plaats bieden’. Voortdurend lezen we dergelijke grammaticale onregelmatigheden, die de gefragmenteerde wereld en getraumatiseerde kijk daarop verbeelden. De schrijver verminkt de taal op zichzelf. Die tactiek kadert in een poëtische traditie, waarbij een dichter als Paul Celan de sonnetvorm aan flarden scheurde om de breuk van de holocaust te verklanken. De haast tastbare taal van Karam plaatst die breuk in een zinnelijke Koerdische context. Die zindering blijft spijtig genoeg niet altijd even boeiend.

    In de eerste twee delen begint dat hernemen van dezelfde poëtische beelden gaandeweg wat te vervelen. De corniche, de vermiste, de kinderen in de steeg… langzamerhand hoop je toch op een nieuwe ingeving of meer uitgesponnen anekdotes. Karams mozaïek had een grotere verscheidenheid aan tropen goed kunnen gebruiken. Dat had ook perfect gepast in de setting die Karam oproept, want doorgaans zijn de stegen van Mediterraanse steden bevolkt door vreemde lieden en mysterieuze verhalen. In het tweede deel staat dat ‘er geen ruimte tussen lichamen bestaat in de singulariteit’. Er is geen verschil tussen individuele lichamen, want Karam kiest steeds voor abstracte bewoordingen als ‘vrouw’ of ‘kind’. Zo onderlijnt ze de singulariteit van elk verlies. Die keuze om de inhoud weer te geven door middel van een abstracte vorm is niet vanzelfsprekend, maar goed gekozen. Het gebrek aan plot, dat daarvan een hinderlijke bijwerking is, laat zich echter voelen. Karams vormvastheid leidt soms tot een riedeltje dat op de zenuwen werkt. Het gebruik van nieuwe beelden en anekdotes had meer variatie in de tekst kunnen aanbrengen.

    Ongrijpbare integratie

    In het derde deel, ‘De verliezen’, brengt Karam wel veel meer variatie aan in de opbouw. Elke pagina bevat een fragment dat het leven beschrijft van een gezin, dat van zijn vaderland naar Zweden is gevlucht. In korte passages toont Karam trefzeker hun moeilijkheden om zich in dat Scandinavische land thuis te wanen. Zo is er een fragment waar de zoon aan een vriendje uitlegt dat hij geen vakantiejob kan krijgen, waarop een wederom talig ontsporende zin volgt: ‘De concurrentie is hard zegt zijn witte klasgenoot als ze door de gang naar de eetzaal lopen. Waar werk jij van de zomer dan? Vraagt je broer en hij antwoordt bij mijn vader.’ We zien een oma wier handen niet aan deze aarde gewend geraken, de zus die rotbaantjes doet en de mamma moeten ze overtuigen dat zij haarzelf eens mag trakteren op een nieuw kledingstuk. Ieder gezinslid doet zijn uiterste best om de draad weer op te pikken. Het verlies van hun thuisland maakt die draad soms flinterdun en bij momenten ongrijpbaar.

    In De singulariteit maakt Balsam Karam tastbaar hoe het voelt wanneer een ondefinieerbaar verlies het leven beheerst. Zelf is ze op jonge leeftijd van Irak naar Zweden verhuisd. Haar keuze voor de Midden-Oosterse invloedssfeer kan dus gemakkelijk verklaard worden door haar eigen levensloop. Toch is het verfrissend dat ze niet kiest voor een al te autobiografisch relaas. De radicale keuze voor een mysterieuze en poëtische abstrahering doet de taal onder onze voeten wegzakken en verdiept dit boek tot een gat: groot, vaag en onontkoombaar voor al wie zich te dicht bij de rand ophoudt. Wie waagt de sprong?

     

     

  • Oogst week 42 -2022

    Last

    Het belangrijkste thema uit het werk van de Nederlandse, van oorsprong Surinaamse schrijfster Ellen Ombre (1948) is de mens die tussen twee totaal verschillende culturen terecht komt. Dat wordt vooral duidelijk in haar roman uit 2004 Negerjood in moederland.
    Ombre werd in 1948 in Suriname geboren en verhuisde in 1961 naar Nederland. Zij zocht jarenlang – veelal tevergeefs – naar nieuwe feiten over het vroege Surinaamse Jodendom omdat zij waarschijnlijk net als haar hoofdpersoon Lot uit haar nieuwe roman Last een nazaat is van de zogenoemde Negerjoden. Dit waren afstammelingen van de plantagehouders, veelal Sefardische Joden, en hun tot slaaf gemaakten die woonden in een zeventiende-eeuwse landbouwkolonie, Jodensavanne.

    Lot raakt in Last geïnteresseerd in deze bevolkingsgroep en de geschiedenis van Jodensavanne en zet, in navolging van haar overleden vader diens onderzoek naar het begin van het Surinaamse Jodendom voort. In de persoon van ene Erwin Nassy, de laatste rasechte Sefard in Paramaribo, stuit ze juist op het einde ervan.

     

    Last
    Auteur: Ellen Ombre
    Uitgeverij: Nijgh & van Ditmar (2022)

    Witte schuld

    Toen de Britse schrijver Thomas Harding (1968) erachter kwam dat zijn voorouders  geprofiteerd hadden van de slavernij, wilde hij daar meer over weten. Wat begon met het stellen van wat vragen binnen de familie, werd al snel een breder onderzoek naar de rol van Groot-Brittannië in de geschiedenis van de slavernij. Harding ontdekte tot zijn schaamte dat die rol heel anders was dan hij altijd op school had geleerd. Hij wist niet beter dan dat Groot-Brittannië tot de tegenstanders van de slavernij behoorde en dat het land zich juist vooral had ingezet voor het afschaffen daarvan. In zijn gesprekken met afstammelingen van de tot slaaf gemaakten bleek dat zij de echte rol wel goed kenden.

    Zijn ontdekking en zijn onderzoek waren voor Harding de aanleiding om Witte schuld te schrijven. Daarin vertelt hij het verhaal van een slavenopstand in 1823 in een voormalige Britse kolonie, het huidige Guyana. De opstand begon op een kleine suikerplantage en groeide uit tot het begin van de afschaffing van de slavernij in het Britse rijk.
    Harding vertelt het verhaal vanuit het perspectief van vier personages: de tot slaaf gemaakte Jack Gladstone, de missionaris John Smith, de kolonist John Cheveley en de politicus en slavenhouder John Gladstone, vanaf de aanloop naar de opstand tot aan het rechtbankdrama dat erop volgde.

    Witte schuld
    Auteur: Thomas Harding
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2022)

    De singulariteit

    Dichter en vertaler Hans Kloos (1960) was zo enthousiast over het Zweedse origineel van De singulariteit van Balsam Karam (1983) dat hij maar meteen begon met het vertalen van drie fragmenten waarmee hij de boer opging. Hij wist uitgeverij Kievenaar te overtuigen van de kwaliteit van dit boek en inmiddels is De singulariteit daar verschenen.
    De wellicht onbekende Uitgeverij Kievenaar schrijft op hun website over de uitgeefplannen:  ‘Reken de komende jaren op veel proza en iets minder poëzie, op werk van voornamelijk buitenlandse schrijvers uit heden en verleden, wit, zwart, halfbloed, en vertrouw erop dat we […] er niet voor zullen terugdeinzen een bij tijd en wijle vertwijfeling en verwarring zaaiend mensbeeld te presenteren.’

    De singulariteit (een singulariteit is volgens Wikipedia ‘in het algemeen een ongewoonheid, iets waar de normale regels of wetten niet meer geldig zijn of niet meer toegepast kunnen worden.) bestaat uit drie verschillende delen. In alle delen gaat het om vrouwen die een groot verlies geleden hebben. De vrouwen hebben allemaal met elkaar te maken, maar wat, dat wordt pas duidelijk in de loop van de roman.

    Kloos noemt De singulariteit ‘een wonderlijk, prachtig boek’. De van oorsprong Iraans Koerdische Karam woont sinds haar zevende in Zweden en schrijft in het Zweeds. Op de site van literair tijdschrift Terras staan drie fragmenten, elk uit een ander deel die een indruk geven van de inhoud van het boek en de stijl van de auteur. Ook op de website van Hans Kloos is meer informatie te vinden.

    De singulariteit
    Auteur: Balsam Karam
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar (2022)
  • Vrij leven in de natuur en de tegenslag die daarbij hoort

    Vrij leven in de natuur en de tegenslag die daarbij hoort

    Tamsin Calidas en haar partner Rab besluiten Londen te verlaten om op een eiland in de Schotse Hebriden te gaan wonen. In Ik ben een eiland beschrijft ze een woelige periode uit haar leven met mooie natuurbeschrijvingen. ‘Ik houd ervan om naar het zingen van de zeehonden te luisteren, die zich baden in de bevroren warmte van de rotsen terwijl de zon de stroperige, bevroren vloed in zinkt.’ En ze geeft veel beelden en metaforen die meestal terugslaan op de natuur. 

    Omstreeks 2004 woonde Tamsin Calidas in een mooi appartement in Notting Hill in Londen. Ze had veel vrienden, topcarrière als fotograaf bij de BBC, leuke vriend met wie ze ook trouwde. Toch vervulde dat leven haar onvoldoende, ze zocht naar iets anders. Na een opeenstapeling van rampen: een zwaar ongeluk met een Londense taxi, geweld op straat, een insluiper, het lawaai en stress van de stad werd dat verlangen steeds sterker. 

    Zonder water en licht

    Tijdens een vakantie in Schotland trok een advertentie in de krant haar en haar man Rab aan. Op een eiland in de Hebriden (de naam van het eiland zelf wordt niet genoemd om privacy van auteur en de gemeenschap daar te beschermen) stond een vervallen croft (boerderij met wat land) te koop. Ze gingen kijken en het was liefde op het eerste gezicht. Wat ze kochten was een halve ruïne op een stuk land zonder water en licht en verruilden het luxe Londen voor het leven van een keuterboer. Aanvankelijk hielden ze schapen en koeien, hadden honden en een paard. Het was hard werken in isolatie omgeven door natuur en de furie van de elementen. 

    Wat dan volgt is een treurzang van tegenslagen – De eilandbewoners zijn vijandig en ze is slachtoffer van seksisme. Het weer is meedogenloos, de relatie komt onder druk te staan, de kinderwens niet vervuld, ze breekt haar beide handen, geldgebrek. En nog veel meer diepe ellende vermengd met de meedogenloosheid van het ruige klimaat.  

    Hoeveel leed kan een mens aan? Veel, als je Tamsin Calidas’ verhaal mag geloven. Is het leuk om te lezen? Na een honderd bladzijden niet meer zo. Al zijn de natuurbeschrijvingen mooi, met verrassende beelden en zinnen, maar soms is het te veel van het goede.

    Eenzijdige vertelling

    Dat ze haar man Rab buiten beeld houdt is jammer. Naar het hoe en waarom van de beëindiging van de relatie mogen we gissen.  ‘Ik wil de sleutel vinden naar die geheime gang die ons uit de brand kan helpen. Ik wil zo graag die blinkende sleutel in zijn slot steken. Elke dag probeer ik dat ondoordringbare mechaniek te doorgronden. Maar hoe harder ik het probeer hoe harder die verfijnde radertjes doordraaien, even snel en grillig als de zilte windvlagen die van zee aanwaaien. Op sommige dagen put hij je uit, die bijtende wind speelt hij met je alsof je drijfhout bent. Het doet pijn hem je onafgebroken te voelen ranselen. Ik hoop dat hij op een dag uit een andere hoek zou waaien.’ Een metafoor die slaat op haar man. Veel meer concreets komt er niet. 

    Over de eilandbewoners komen we nog minder te weten, enkel dat ze allemaal onsympathiek zijn. Niemand heeft bijvoorbeeld een naam, behalve Crystal, een oudere vrouw waar ze later mee bevriend raakt. Omdat de ik-persoon nauwelijks buiten zichzelf treedt blijft het hele verhaal nogal eenzijdig. Er is weinig dialoog weergegeven, we lezen vooral haar belevingen en gedachten, waarmee dit boek een egodocument is met een zware energie. De zwaarte van een eiland tussen Schotland en Noorwegen waar afzien door weer, wind en kou de regels bepalen. 

    Rab vertrekt en zij blijft alleen achter met de schapen, werk voor twee, zonder geld, fysiek en mentaal zwaargewond. Maar vastbesloten om te krijgen wat ze hebben wil, geeft ze niet op. In die zin is het ook een verhaal over moed en veerkracht. Calidas vindt loutering door haar vijanden aan te gaan en ontdekt schoonheid in angst.  Ze zoekt de grenzen op van menselijk kunnen, leeft op wilde planten en bessen en raakt echt in contact met de natuur en dierenwereld, zozeer dat ze zich een dier gaat voelen.

    Naar binnen gekeerd zoekt ze haar eigen loutering en komt erachter dat ze meer heeft met dieren dan met mensen. Een indringer op het eiland die verstoten wordt door de roedel. ‘Wanneer je jezelf onttrekt aan het lawaai van de moderne wereld, ontdek je niet alleen maar innerlijke wereld, maar ook een diep bewustzijn van de instincten die we zijn kwijtgeraakt. […] Onze eigen lichaamstaal aanpassen vereist oefening, maar het kan worden geleerd door zorgvuldige waarneming waarmee we een zeker begrip van dierengedrag rijker worden, en met vallen en opstaan zodat we de kans krijgen dichter bij een heleboel soorten te komen.’

    Geroepen door de zee

    Uiteindelijk wordt ze geroepen door de zee die haar genezing zal brengen, ze zwemt dagelijks, zomer en winter bij zeer lage temperaturen. ‘Toen ik mijn eigen angst voor de ruige wilde elementen kwijtraakte, begonnen vertrouwen en liefde uit andere bronnen tot mij te komen. Ik heb vele malen op de rand van deze rotsen gestaan en mijn handen hebben het uitgeschreeuwd naar de zee. Vandaag geeft ze antwoord en begint ze mij zacht te roepen.’ Dapper zoekt ze haar vijanden, de buren, op en vraagt om begrip en er komt een kentering. Ze blijft op het eiland wonen, vooralsnog alleen en heeft haar weg binnen de gemeenschap gevonden. 

    ‘In een oude mythe van wedergeboorte werd het dode land zo gelouterd van alles wat het uitdroogde, uitzoog. Ik smeed mijn eigen toekomst, wis jaren ontbering in het croften op deze brandstapel.’
    In Engeland is dit boek, net als ‘Het zoutpad’ van Raynor Winn, een bestseller waarin de auteur ‘blikverruimend blijft openstaan voor nieuwe manieren om intuïtief, lichamelijk en geestelijk in verbinding te staan met alles wat wild is om ons heen en binnenin ons.’ Veel mensen zouden het roer wel eens  willen omgooien en kiezen voor een vrij leven in de natuur zonder verplichtingen aan een baas, voor de meesten blijft het bij dromen, daarom vinden verhalen als die van Tamsin Calidas altijd wel hun weg naar een publiek.