• Een overlever zonder huid

    Een overlever zonder huid

    Op 29 april 1995 onthulde het tv-programma Brandpunt dat de gewaardeerde Duitse hoogleraar Germanistiek Hans Schwerte in de oorlog SS-Hauptsturmführer was geweest onder Himmler. Hij had zich in het begin van de oorlog twee jaar in Den Haag bezig gehouden met onder andere rassenleer en genetica. Schwerte had zijn nieuwe carrière na de oorlog kunnen opbouwen omdat hij een verzonnen identiteit had aangenomen. Zijn echte naam was Hans Ernst Schneider. Hij bekende ‘diepe schaamte en rouw’, maar kreeg een storm van kritiek over zich heen en raakte zijn onderscheidingen en pensioen kwijt. Eén van de weinigen die het voor Schwerte opnam was Hans Keilson, de Joodse schrijver en psychiater wiens leven getekend was door de nazi’s: Keilson was naar Nederland gevlucht voor de Jodenvervolging en verloor zijn ouders in Auschwitz.

    Keilson had bewondering voor wat Schwerte had bereikt, maar vooral waardering voor diens eerlijkheid en inzicht in zijn eigen fouten. Hij zei naar aanleiding van deze hetze zelfs: ‘Ik zou niet willen zeggen dat ze nu met deze ex-nazi omgaan zoals ze vroeger met de joden omgingen, maar het komt wel aardig in de buurt’. Wie Hans Keilson tijdens zijn leven heeft gevolgd zal er niet eens van opkijken. Wie nu door middel van de biografie van Jos Versteegen kennis met hem maakt, kan aangekomen bij de beschrijving van deze rel (hoofdstuk 13), Keilsons reactie wel begrijpen. De biograaf heeft daarvóór uitgebreid aandacht besteed aan diens belangrijkste levenshouding: dat haat niet met haat dient te worden beantwoord. In de woorden waarmee Versteegen Keilsons gedachten samenvat: ‘Nieuwe haat tegenover oude haat stellen was een slecht idee, want dat betekende continuering van de cyclus van de haat en dus van de vernietiging’.

    Personage B.

    Keilson (1909 – 2011) huldigde die opvatting al vroeg. Zijn beroemde Tod des Widersachers verscheen voor het eerst in 1959 en een jaar later in het Nederlands als In de ban van de tegenstander. De eerste aanzetten daarvoor schreef Keilson al in 1944. Het boek kreeg pas wereldfaam toen The New York Times er in 2010 een enthousiaste recensie aan wijdde. Keilson was toen honderd jaar en dook ineens in allerlei tv-programma’s op, waaronder DWDD. Blijkbaar was de wereld toen pas op grote schaal toe aan erkenning van zijn belangrijke inzichten.
    In de ban van de tegenstander (dat veel autobiografische elementen bevat) gaat over de verhouding tussen Hitler en de Joden, hoewel de naam Hitler (personage heet in de roman B.), en de woorden ‘nazi’ en ‘Jood’ er niet in voorkomen. Het grondthema van de roman is dat haat een projectie op de tegenstander (zondebok) is van alles wat je van jezelf niet onder ogen wilt zien. Wie dat doet verdraagt zijn gehate kant niet en wil die ook niet weerspiegeld zien in iemand anders.: ‘In hem, de “ander” moet hij zichzelf vernietigen om de waan van zijn eigen grootsheid te redden’.  Vanuit dat inzicht kon Keilson met Schwerte contact leggen in plaats van met hem af te rekenen. Hij wilde doorzien welke krachten ertoe hadden geleid dat zoveel Duitsers Hitler-volgers werden en zijn haat tegen Joden deelden.

    Sequentiële traumatisering

    In de wetenschappelijke kant van Keilson was die gedachte eveneens leidend. Hij legde zich als psychiater/psycho-analyticus toe op hulp aan oorlogsweeskinderen. Een nieuwe aanpak daarin was zijn idee van de ‘sequentiële traumatisering’. Dat ging uit van drie opeenvolgende fases: de bezetting en de Jodenvervolging in Nederland, gevolgd door de deportaties en het verblijf in concentratiekampen of de onderduik en tenslotte de na-oorlogse periode waarin de kinderen werden toegewezen aan een voogd of instelling. Hij heeft veel van die kinderen geholpen door die fases te erkennen, en omdat hij goed kon luisteren. Keilson promoveerde op het onderwerp in 1979 en gaf er tal van lezingen over. Waarbij hij nog wel eens het verwijt kreeg dat die onderzoeken te statistisch waren.
    In de biografie is dat niet te merken. Versteegen verliest zich allerminst in cijfers, maar slaagt erin duidelijk te maken hoe belangrijk het werk van Keilson was en welke problemen de kinderen tegenkwamen na de oorlog. Ze kregen toen te maken met discussies die meer gingen over rechten van ‘onderduikouders’, pleeginstellingen, en de vraag of nieuwe voogden orthodox genoeg waren, dan met de zorg om het verlies van ouders en andere familie in de kampen. Door die voogdijdiscussies kregen die kinderen er nog een trauma bij.

    Blijven houden vanWagner

    Versteegen staat ontegenzeglijk erg sympathiek tegenover Keilson, maar hij verzwijgt niet zijn wat onbeminnelijke kanten zoals zijn jaloezie, zijn niet altijd respectvolle omgang met vrouwen, zijn ijdelheid  en zijn aandeel in de verwijdering tussen zijn dochter uit zijn eerste huwelijk, Barbara, en zijn zus Hilde. Waardevol in deze biografie zijn de heldere duiding van de diverse boeken en gedichten van Keilson, het zicht op de receptie daarvan in verschillende tijdsperioden, de reikwijdte van zijn therapieën en zijn verhouding tot de Duitse taal en Duitsland dat hem zoveel ellende had bezorgd. Versteegen maakt aannemelijk waarom Keilson bijvoorbeeld van Wagner, bij uitstek de nazi-componist, kon blijven houden.

    Er blijven ook vragen onbeantwoord omdat Versteegen niet teveel wil speculeren. Opvallend is dat hij signaleert dat Keilson zelfs in een ernstige roman als In de ban van de tegenstanders grapjes (‘knipoogjes’, noemt Versteegen ze) kon maken. Zo noemde hij twee katten die er in voorkomen Hützi en Bützi, naar de bijnamen die twee kinderen van een psychiater hadden bij wie hij college had gelopen. Het maakt nieuwsgierig naar het ‘knipoogje’ dat Keilson wellicht maakte toen hij in zijn valse persoonsbewijs in de onderduiktijd de naam Johannes Gerrit van der Linden liet vermelden. Zou hij gedacht kunnen hebben aan de destijds populaire Nederlandse dichter ‘De Schoolmeester’(Gerrit van de Linde) die tevens kostschoolhouder was (Keilson dichtte zelf en gaf sport- en muziekles aan kinderen die hij opving)? Hier stelt Versteegen de vraag niet.

    Hans Keilson – Telkens een nieuw leven doet recht aan een getormenteerd leven van een belangrijk schrijver en psycho-analyticus die de moed had om onder ogen te zien hoe haat gevoed wordt, een echte overlever, maar ook iemand die door alles wat hij geleden had, op zijn eerste vrouw Gertrud  overkwam als  (in haar woorden) ‘een mens zonder huid’.

     

     

  • Trauma

    Trauma

    We hadden afgesproken bij Ruby, het Chinees-Indonesisch restaurant bij ons in de buurt. ‘Ik liep al een poosje achter jullie, maar jullie waren niet bij te benen,’ zei hij. We kregen ons vaste tafeltje, achterin. ‘Dit is het bekende zwarte gat,’ zei hij. ‘Wat nu?’ Ja, wat nu? In de afgelopen zes jaar spraken R. en ik Jos Versteegen geregeld over zijn biografie in wording. De dagelijkse worstelingen, de losse eindjes, de plotse vondsten. Wat is een biografie schrijven toch een tour de force! En nu was het gedrukt en gepresenteerd in de grootste theaterzaal van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam: Hans Keilson. Telkens een nieuw leven

    Keilson schreef enkele opmerkelijke romans, had in Bussum een bloeiende praktijk als psychoanalyticus en werd op honderdjarige leeftijd wereldberoemd dankzij een recensie in The New York Times. Maar hij was ook jaloers, hield er vriendinnen op na, had woede- en angstaanvallen. En dan was er nog zijn levensloop waarin je met gemak de geschiedenis van de twintigste eeuw van nazisme, vervolging, onderduik en vernietiging terugvindt. Keilson en zijn zus overleefden, de ouders niet – een wond voor het leven. 

    Na het proosten op de biografie zei Jos: ‘Eerst dacht ik, die theaterzaal krijg ik met geen mogelijkheid vol. En toen werd ik bang dat er misschien te veel mensen zouden komen, dat er mensen bij de deur geweigerd zouden worden vanwege de brandveiligheid. Ik sliep er nachten slecht van.’ De stress van boekpresentatie en controle behouden, ik grinnikte uit herkenning. Natuurlijk verliep de boekpresentatie voorspoedig. Er was prachtige muziek, er was een indringende presentatie van Judith Belinfante, Jos sprak de weduwe Keilson en na afloop waren er volop drankjes. Kortom: mooi programma, goed georganiseerd en uiteraard stond niemand voor een gesloten deur. Het enige dat ontbrak waren boeken. Een foutje van de boekhandel die in plaats van een paar honderd boeken, slechts een doosje met dertig exemplaren had geleverd, en dan ook nog zonder jongste bediende met pinautomaat. Excuses volgden, dat wel.

    Onder het eten vroeg ik Jos naar het proefschrift dat Keilson op late leeftijd schreef; het is één van de meest interessante hoofdstukken van de biografie. Keilson onderzocht wat er was geworden van Joodse weeskinderen aan de hand van het concept ‘sequentiële traumatisering’. Voor Joodse kinderen onderscheidde hij drie fasen. De eerste: de bezetting van Nederland, de eerste maatregelen. De tweede fase is die van daadwerkelijke vervolging, deportatie van ouders, scheiding door onderduik. De laatste fase is de naoorlogse periode, waarin de mate van veiligheid bepalend is voor het doorbreken van ‘de keten der traumatiserende elementen’. Trauma is in het leven niet te ontlopen, maar hoe je door je omgeving wordt opgevangen, bepaalt hoe het trauma in je verhardt of verzacht.

    Veelbetekenend: ‘Niet iedereen heeft door dat de oorlog voor veel mensen pas na 1945 goed is begonnen’ aldus Keilson. Deze pagina’s uit de biografie zou iedereen moeten bestuderen en onthouden. Of het om oorlog gaat of om de zogenaamde afwikkeling van ‘Groningen’, de ‘Toeslagen’,  Long Covid, of het gaat om kleiner, bijna alledaags leed zoals geen boeken op de presentatie: wees oplettend en weet wat het voor een ieder betekent als compassie ontbreekt.

     

     

    Biografie Hans Keilson, Telkens een nieuw leven / Jos Versteegen / 544 blz. / uitgeverij Nieuw Amsterdam


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    In de eerste uitgave van De Parelduiker van dit jaar een herdenkingsstuk van Daan Cartens over Inez van Dullemen (1925-1921). In de rubriek ‘De laatste pagina’, schrijft Cartens over Dullemen als de vrouw die wars was ‘van clichés, vooroordelen, vastgeroeste meningen’. Cartens ontmoette de schrijfster in 1981 voor een interview in Het Vaderland, een Haagse krant die in 1982 ophield te bestaan (ook dat zijn prettige zaken om notie van te nemen). Het werd een openhartig interview waaruit een levenslange vriendschap ontstond. Over haar ontmoeting en leven met Erik Vos, oprichter van het Haagse toneelgezelschap De Appel, schrijft hij dat ze een twee eenheid vormden, ‘de één de muze van de ander, samen reizend door het labyrint van het leven’. Haar roman Het gevorkte beest noemt hij haar kernboek en ‘misschien ook wel haar beste’. Waardoor je deze roman opnieuw zou willen lezen om te herplaatsen binnen haar oeuvre.

    Omgevallen schaap of muizenplaag

    Lodewijk Verduin schreef  een mooi stuk over Anton Koolhaas (1912-1092), schrijver van absurdistische boeken als, Een punaise in de voet, Vanwege een tere huid, Corsetten voor een libel. Het artikel, ‘Dierenmens A. Koolhaas, zijn literaire ontwikkeling in drie en enige keerpunten’, wordt geleid door de vraag waarom Koolhaas als veertiger de stap het schrijverschap in wilde. Verduin herleid zijn vraag naar enkele schrijvers en hun keerpunt, naar ‘een zeker moment dat de inspiratie voor het eerste gedicht schonk, een gebeurtenis die de druk om te (…) publiceren opvoerde.’ Zo zette Gerard Reve zich tot het schrijven van zijn debuutroman, na te zijn aangemoedigd door zijn psychiater, schrijft Verduin. En was het ‘de zaak-Lebak die Eduard Douwes Dekker in Multatuli veranderde’. Ook bij Koolhaas is er een ‘oerscene’, door hemzelf aangehaald tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van de Frans Erensprijs in 1989. Hoe hij als tienerjongen een op de rug liggend schaap ziet: ‘Het was mijn eerste confrontatie met sterven. En in wezen de eerste confrontatie met het verschijnsel LEVEN, dat op het punt staat op te houden.’ Later vertelde hij in interviews dat zijn schrijversschap terug te voeren is op een muizenplaag in zijn kamer in Rotterdam. Met deze geweldige omkering van zaken: ‘Ik was niet de hoofdbewoner die last had van muizen, maar zij vormden de hoofdbewoners die last hadden van een man.’ Verduin haalt ook de relatie met uitgever Geert van Oorschot aan, echt boteren deed het niet tussen die twee. Wel geweldig om te lezen, de duiding van een schrijversschap aan de hand van zijn relaties.

    Singer-songwriter J.H. Speenhoff

    Van Jacques Klöters de bijdrage ‘Koos Speenhoff, voordat hij de heer J.H. Speenhoff werd’. Speenhoff (1869-1945) was de eerste Nederlandse singer-songwriter schrijft Klöters, daarbij was hij een begenadigd tekenaar en publiceerde in beide kunstvormen. Jan Greshoff en Carmiggelt waren liefhebbers van zijn werk, noemden hem ‘een superieure stilist’. Wie kent niet het liedje De schutterij (Daar komen de schutters) en Het broekie van Jantje, of Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit, die zijn dus van Speenhoff. Klöters beschrijft hoe Speenhoff zich een weg zocht uit de verplichtingen die zijn vooraanstaande familie waaruit hij uit voortkwam, hem oplegde. Zijn hang naar- en vertoeven in de Rotterdamse kunstenaarskringen van die tijd. 

    Marco Entrop schreef over de dichter Andries de Hoghe die ooit één dichtbundel publiceerde, Strofen, die inmiddels tot de canon van de homo-erotische poëzie behoort. Een bundel die in homokringen werd gekoesterd en bewonderd en navolging vond. Zo schreef Het Nederlandsch Wetenschappelijk  Humanitair Komitee in een recensie over de bundel, ‘een bundeltje zuiver homosexueele poëzie, die tot het beste behoort, wat op dit gebied verschenen is’. En schreef dichter Jac. van Hattum een verhaal waarin de bundel het offer voor een mannenvriendschap is. Entrop onderzoekt of Andries de hoghe een poet’s poet was. Omdat de gedichten door P.C. Boutens bezorgd waren en er verder geen sporen van De Hoghe te achterhalen waren, moest het Boutens zelf wel zijn geweest die deze gedichten geschreven had. En was hij dat ook?

    Aankomend biografie Hans Keilson

    Van Jos Versteegen,  dichter en biograaf die op dit moment werkt aan een biografie van Hans Keilson die in 2023 zal verschijnen, het stuk, ‘De feesten en nachtmerries van Hans Keilson’. Keilson was een getormenteerd man, door de oorlogsjaren voor zijn verdere leven onderuit gehaald. Hoewel hij bekend werd in Amerika en ook in Europa succes had als schrijver over zijn leven, maakte dit hem niet gelukkig. “‘Mijn leven is mislukt,’ zei Hans Keilson als bijna honderdjarige tegen een collega-psychotherapeut. ‘Ik heb niets gepresteerd, ik ben niet eens professor geworden.’” Keilson leed aan depressies, en hoewel hij genoot van ‘de aandacht en belangstelling die hij kreeg, kon tegelijkertijd zijn droefenis niet groter zijn.’, schrijft Versteegen. De onvermoede krachten van een mens en hoe daar mee om te gaan. Naar de biografie wordt uitgekeken.

    Verder een ingezonden brief over een kritiek punt in de biografie van Louis Lehmann en een weerwoord daarop van biograaf Jaap van der Bent, zelf. In de rubriek Schoon&Haaks – over publicaties van privé-drukker en marginale uitgevers – bespreekt Jan Paul Hinrichs verschillende uitgaven waaronder een boekje over de laatste levensmaanden van H. Marman, die met zijn vrouw, zwervend door Zuid-Europa, omkwam op volle zee.
    Van Nico Keuning in de rubriek Laagwater ‘Een buurjongen uit plan Zuid’. Over hoe er wordt omgegaan met feit en fictie in een feitelijk verslag van Heere Heeresma in Kaddish voor een buurt, radiogesprekken die Anton de Goede met Heeresma voerde. Keuning biedt hier een inkijkje die verder reikt dan de neus lang is. Het credo wie schrijft die blijft, geldt hier volop, al zijn er derden voor nodig die schrijvers naar voren te halen. Gelukkig is daar De Parelduiker, die van elke lezer een literatuurvorser maakt.

     

     

  • Emigreren of blijven

    Emigreren of blijven

    Beiden waren naast wetenschapper literair auteur. Beiden waren Jood en publiceerden tot op hoge leeftijd. Beiden waren getekend door de oorlog en emigreerden naar een land waarvan ze het staatsburgerschap aannamen. Beiden schreven zowel in hun moedertaal als in die van hun nieuwe land. Er is ook een belangrijk verschil. De één emigreerde vrijwillig. De ander vluchtte. Voor mij zijn ze verbonden door vier woorden die dat verschil verwoorden.

    Leo Vroman (1915-2014) aanvaardde kort na de oorlog een baan als hematoloog in de VS. Hans Keilson (1919-2011) ontvluchtte in 1936 de opkomst van Hitler en vestigde zich in Nederland als psychiater. In Indian Summer dichtte Vroman over Nederland: ‘Men schrikt er van iedere lach / nabijheid verwarrend met haat. / Neen, zelfs tastend om heide en strand, / – en al sluit ik krampachtig de oren / om nog Hollandse stormen te horen – heb ik toch liever heimwee dan Holland’.

    Keilson publiceerde in 1987 in De Gids een essay over zijn eerste vijftig jaar in Nederland. De ondertitel ervan werd ook de titel van een bundeling van zijn gedachten en herinneringen die Van Gennep in 2012 uitgaf: Liever Holland dan heimwee.
    Natuurlijk dacht hij daarbij aan de uitspraak van Vroman. Hij was de eerste trouwens niet die diens dichtregels omdraaide. In 1961 verscheen Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert. Daarin zegt Boelie op de vraag waarom hij uit Argentinië terug kwam: ‘Ik verlangde naar Holland. Liever Holland dan heimwee.’ En op 3 december 1973 schreef Frans Kellendonk uit Birmingham aan Jacques Dohmen een brief die hij afsloot met: ‘Mijn gedachten gaan uit naar U, mede-Bataven. Liever Holland dan heimwee. Hoezee!’ Maar dit zijn, met alle respect voor Campert en Kellendonk, luchtige woordspelingen die geen stempel op de Nederlandse Letteren drukken.

    Het was dan ook wat riskant van Keilson om in 1987 de wending nog eens te gebruiken. Toch schuurt hij bij hem wel. De grap van Campert en Kellendonk is totaal afwezig. Achter het gebruik door Keilson, die ook humoristisch kon zijn trouwens, zit teveel leed en deernis met het land dat hij verliet om alleen een frivool woordgrapje te lezen in zijn omkering van Vromans tekst. Hij was in staat anders te kijken naar Nederland, dat hij dankbaar was, omdat het oude land nog in zijn vezels zat. Daardoor kon hij in het stuk in De Gids de mooie zin schrijven: ‘Door de afstand kijkt men misschien met ‘vreemde’ ogen, maar door de vervreemding ziet men scherper.’
    Wat zou Keilson in de huidige jaren nog een scherp commentaar kunnen leveren op onze reacties op de komst van vluchtelingen? En, zo realiseer ik me bij herlezing van Vromans Indian Summer ineens: wat zag híj daar in de VS het Holland van nu al scherp in de regel ‘nabijheid verwarrend met haat’.

     

     

  • De Parelduiker 2015/1

    De Parelduiker 2015/1

    Aandacht voor Hans Keilsons eerste jaren in Nederland als Duits vluchteling en hoe hij zijn brood verdiende als tekstschrijver voor een reclamebureau. Ook aandacht  voor de Italiaanse jaren van Arthur van Schendel en zijn dochter Corinna (Kennie in de dagboeken van Frida Vogels). Wam de Moor wordt herdacht in de rubriek De laatste pagina. En wat te denken van een foto waarop de Duitse acteur Heinz Rühmann staat, samen met de Nederlandse acteur Jan Teuling. En een nieuwe serie, Groningse schrijvers. Dit alles weer geïllustreerd met prachtig beeldmateriaal.

    Onlangs In de ban van de tegenstander van Hans Keilson (1909-2011) gelezen. Verstilde literatuur, welke in eerste instantie door een uitgever werd geweigerd. Dat het een blijver van grote betekenis voor de wereldliteratuur zou worden, had deze er toen niet aan afgezien. Later kwam het wel goed met dat boek, maar pas in 2010, nadat een recensent van de New York Times de schrijver een genie noemde, ging de wereld als een gek (virtueel) met de toen 100 jarige Keilson op de loop.
    Keilson was in eerste instantie medicus en daarna pas schrijver. Hij schreef omdat hij als medicus oprecht geïnteresseerd was in de wereld van de ander, vriend of vijand. Het mooie is dat mensen als Keilson hun sporen nalaten gaandeweg hun zoektocht door het leven.
    Cultuurhistoricus Sjoerd van Faassen deed onderzoek naar de schrijver achter het pseudoniem Benjamin Cooper. Cooper werkte tussen 1938 en 1939 in opdracht voor het Amsterdamse reclamebureau Co-op 2. Deze produceerde een aantal gelegenheidsboekjes waarin teksten van verschillende schrijvers werden samengebracht door deze Benjamin Cooper.

    Hans Keilson bleek één van de schrijvers achter dit pseudoniem. De andere schrijver was Gerd Klaass, eveneens uit Duitsland gevlucht. Klaass en Keilson woonden in hetzelfde pension aan de Anna Vondelstraat in Amsterdam. Het gaat om zes publicaties waarvan één op volledige verantwoording berust van Klaass en één op Klaass en Keilson samen. Voor de overige vier was Keilson verantwoordelijk. De onderwerpen waren even uiteenlopend als illuster, zoals: Hendrik Colijn, Erasmus, Comenius en de vrede (met teksten van de paus, Krishnamurti, Mahatma Gandhi en Henriette Roland Holst). Volgens Van Faassen geen Exil-literatuur maar wel met een licht ideologische lading gepresenteerd. Naast een compleet beeld van de zes uitgaven, schetst Van Faassen een biografisch beeld van Keilson, Klaass, reclamebureau Co-op 2, eigenaar Paul Guermonprez en zijn illustratoren.

    In Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas (1) opent Herman Sandman de serie Groningse schrijvers, met een beschrijving van de provincie (veen- klei- en zandgrond) en het literaire verleden en de toekomst: een poëtisch leeg landschap dat (volgens Sandman) juist door die leegte inspireert en iets met je doet. Zo was hij ooit bij dichter Rutger Kopland op bezoek en begreep welk een invloed het uitzicht van Koplands schrijfkamertje, op zijn werk had. Veertig jaar had de dichter met uitzicht op hetzelfde stukje grond vanuit zijn raam, zitten schrijven. ‘Dit uitzicht was mede verantwoordelijk voor veertien bundels (…). Dat uitzicht, daar zat bijna copyright op.’

    Het is een prachtig spectrum aan schrijvers die naar Groningen trokken of er juist van weg gingen (Max Dendermonde, J.B. Charles en Bert Schierbeek, Belcampo, W.F. Hermans) en schrijvers die boeken, geïnspireerd op de Groningse cultuur schreven (Tessa de Loo’s Meander (1986) en De nieuwe man (2003) van Thomas Rosenboom). En wellicht had de Franse schrijver Georges Simenon zijn Maigret in Delfzijl bedacht. En daarbij dan die foto waarop de Europese vertolkers van Maigret te zien zijn bij de onthulling van het standbeeld van Maigret in 1966. Waaronder Heinz Rühmann (1902-1994) en Jan Teuling. Rühmann, waarvan de naam waarschijnlijk per abuis als Ruehman gespeld is, was het prototype van de ontwapende ‘kleine man’, in al zijn rollen. Mooi deze ‘kleine man’ hier te zien opduiken. Groningse schrijvers, een mooie kroniek waarvan nog twee delen zullen volgen.

    Dina Aristodemo, Italiaans letterkundige en publicist brengt de jaren dat Arthur van Schendel, met vrouw en dochter in Italië verbleef, op een speciale manier onder de aandacht. Het blijkt dat na de dood van Van Schendel er twee Italiaanse romans verschenen waarin episodes van zijn verblijf in Italië (en van zijn dochter) zijn vastgelegd. Het bestaan van deze boeken was tot nu toe onbekend in Nederland. Aristodemo onderzocht de overeenkomsten tussen de bekende biografische gegevens van de Van Schendels, en de beide romans en haar bevinding is: ‘dat we deze romans in de beeldvorming over de Van Schendels niet zonder meer ter zijde kunnen schuiven.’
    Lees en ervaar deze verrijking voor de literair hongerige geest.

    Met dank aan ‘Parelduikers‘ Sjoerd van Faassen, Herman Sandman, Frank Okker, Dina Aristodemo, Hans Olink, Jan Paul Hinrichs en Paul Arnoldussen.