• Ode aan de grijze muis 

    Ode aan de grijze muis 

    De Franse acteur Michel Robin (1930-2020), hoofdrolspeler in L’invitation (1973) van Claude Goretta, speelde in zestig films, maar meestal waren het bescheiden bijrollen. Twee keer kreeg hij een hoofdrol, beide keren in de jaren ’70 en beide keren in een Zwitserse film, waaronder L’invitation (1973). Maar daarin is hij dan wel weer de verpersoonlijking van de bescheidenheid.
    Goretta laat hem schitteren in de gedaante van een administratief medewerker.

    Twintig jaar is zijn aanwezigheid op kantoor bijna onopgemerkt voorbijgegaan. Als de zachtmoedige, verlegen, ouderwetse, in zichzelf teruggetrokken middelbare vrijgezel Rémy Placet is hij er zoals een kantoorplant in de vensterbank er is. Net als de fuchsia van Annie M.G. Schmidt (‘een makkelijke plant’) overleeft hij op weinig aandacht. Vrienden heeft hij niet, de centrale figuur in zijn leven is zijn moeder. Wanneer die moeder sterft, is Placet ontroostbaar. Hij krijgt het advies het een poosje rustig aan te doen en neemt verlof. Het poosje duurt een paar maanden, waarna hij zijn collega’s uitnodigt voor een feestje in zijn nieuwe huis. 

    Dat nieuwe huis is tot ieders grote verrassing een kapitaal landhuis met een tuin ter grootte van een park. Placet blijkt steenrijk. De erfenis van zijn moeder heeft de uitwerking gehad van de kus uit het sprookje. De prins die eruitzag als een kikker is nu voor iedereen zichtbaar een prins geworden. Dit zet de kantoorverhoudingen totaal op z’n kop. Wat zich op kantoor liet aanzien als wereldvreemde sulligheid, krijgt in deze omgeving ineens iets aristocratisch en superieurs. Placet is hier volkomen op z’n plek en geniet zonder bijgedachten van zijn nieuwe situatie. Hij heeft zelfs een butler ingehuurd. Niet om zijn collega’s de ogen uit te steken, maar omdat hij hen, zoals hij zegt, als zijn tweede familie beschouwt en daarom vorstelijk wilde onthalen.

    Die goedheid, die hartelijkheid is niet aan hen besteed. Ze betalen hem terug met afgunst en wrok en door dronken te worden. De orde is verstoord. Placet betaalt de prijs, uiteraard, maar hij overleeft het wel. Zijn innerlijke rijkdom redt hem. Een meesterlijke film! En een meesterlijk gespeelde rol!

    Zoek je L’invitation op in Wikipedia, dan zie je drie acteurs genoemd als ‘hoofdrolspelers’, maar Michel Robin, de echte hoofdrolspeler, de ster van de film, wordt niet genoemd. Zelfde verhaal op de Internet Movie Database, die overigens drie andere namen noemt, maar dus evenmin die van Michel Robin. Blijkbaar is het lot van sommige mensen, wat ze ook doen, dat ze over het hoofd gezien worden. Michel Robin moest tot zijn oude dag wachten voor hij eindelijk wat aandacht kreeg dankzij Le fabuleux destin d’Amélie Poulain (2001), waarin hij de vader van de kruidenier is, en Un long dimanche de fiançailles (2004), waarin hij de oude man speelt die het slagveld bezoekt. En dat zijn allebei, inderdaad, bijrollen.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd. Maandelijks schrijft hij een filmcolumn voor Literair Nederland.

     

     

  • Oogst week 40 – 2023

    De nachtzijde van de rivier

    De Britse schrijfster Jeanette Winterson (1959) publiceerde in 1985 Oranges are not the only fruit, een autobiografische roman over een lesbisch meisje dat opgroeit in een streng christelijk milieu. Ze verwierf er internationale bekendheid mee en van het boek werd ook een tv-serie gemaakt. Winterson studeerde Engels en begon aan een schrijverscarrière met verhalen, kinderboeken en essays. Ideeën uit de natuurwetenschap, tijd en ruimte, metafysica, fictie versus werkelijkheid en genderidentiteit zijn de kwesties waarover zij zich buigt. Haar eerste jeugdroman De tijdhoeder (2005) is een science-fictionverhaal en de roman Frankusstein, om er maar een te noemen, handelt onder meer over kunstmatige intelligentie en robotica.

    De nachtzijde van de rivier bestaat uit huiveringwekkende korte verhalen over verleiding, angst en wraak, liefde en verdriet. Van de geesten en de doden wel te verstaan en tegen de achtergrond van onze digitale wereld. We staan voortdurend met elkaar in contact. We weten alles over anderen en over de ontwikkelingen in de wereld. Wat we niet kennen is de wereld van de geesten, de verhalen van de doden. Winterson op haar website: ‘Ik geloofde nooit in geesten, totdat ik met ze samen begon te leven.’ Wintersons geesten hebben nieuwe manieren gevonden om ons te bereiken, verstoren met technologie de grens tussen leven en dood en regelen ontmoetingen met het bovennatuurlijke.

    De nachtzijde van de rivier
    Auteur: Jeanette Winterson
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Tenminste voor een bepaalde tijd

    Met het schrijven van Tenminste voor een bepaalde tijd komt de ik-verteller een onuitgesproken belofte aan Frida na. Het is 1974. Frida is de tiener die zwanger is en, zo komt de ik te weten van haar broer Nico met wie hij vriendschap heeft aangeknoopt, daarom door haar ouders van school wordt gehouden. De vijftienjarige ik is hopeloos verliefd op haar. ‘Want door Frida trad het leven – en zeker ook mijn leven – voor even uit zijn verstikkende begrenzing.’

    Hij is in de ban van zijn verliefdheid, maar ook van het verdriet om zijn zus die door een verkeersongeluk om het leven is gekomen. Al die heftige gevoelens kwellen hem voortdurend. Om daaraan en aan de droevige sfeer thuis te ontsnappen zoekt hij een baantje. De boekwinkel waarin hij gaat werken wordt zijn houvast, evenals het voor een klant bijhouden van een archief van mysterieuze verdwijningen. In het boek is het overlijden van de zus van de auteur een autobiografisch gegeven.

    Het verhaal speelt zich af in Zutphen, waar ook Heesens debuutroman Een naderend begin van iets nieuws (2021) – met dezelfde ik-verteller maar dan een paar jaar ouder – en de verhalenbundel Naar Zutphen (2019) zijn gesitueerd.

    Tenminste voor een bepaalde tijd
    Auteur: Hans Heesen
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer 2023

    Over de berekening van ruimte I

    De Deense schrijfster Solvej Balle (1962) studeerde literatuur en filosofie. In 1984 verscheen haar eerste boek, de novelle Lyrefugl. Vele verhalen en gedichten verder brak ze in 1993 door met de roman Ifjølge Loven en er volgde internationaal erkenning. Voor haar fictie laat Balle zich inspireren door Kafka en Borges, liefde en existentiële eenzaamheid zijn haar thema’s.
    Voor de delen een t/m drie van Over de berekening van ruimte – een titel die in totaal zeven romans zal beslaan – ontving ze in 2022 de Literatuurprijs van de Noordse Raad.

    In deel 1 botsen twee tijdsbelevingen. Thomas, samen met zijn vrouw Tara handelend in 18e eeuwse boeken, wordt elke ochtend wakker op 18 november. Zijn geheugen is gewist, zijn geestelijke gevangenschap doet denken aan dementie. Voor Tara loopt de tijd gewoon door en iedere dag vertelt zij hem wat er is gebeurd. Alles wat Tara ziet en hoort schrijft ze op. In het begin van de roman is het voor de 121e keer 18 november. Tara wordt elke dag ouder en voor haar is het haast een obsessie om te proberen bij 19 november te komen, in een wereld waar de tijd normaal verstrijkt. Maar wat is normaal? Op het mysterie tijd hebben natuurkundigen, filosofen en geriaters nog altijd geen antwoord. Solvej Balle houdt de lezer vast met de vraag wat er in Thomas’ en Tara’s wereld aan de hand is.

     

    Over de berekening van ruimte I
    Auteur: Solvej Balle
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Een slapeloze nacht in Polen

    Een slapeloze nacht in Polen

    Een vrolijk surrealistisch en gezagsondermijnend sprookje met een niet na te vertellen, volkomen bezopen plot, een parade van onwaarschijnlijke operettefiguren en een openstapeling van bizarre situaties en absurde gebeurtenissen – bij elkaar vormt het de onweerstaanbaar geestige komedie Ewa Wants to Sleep (1958), het speelfilmdebuut van de Poolse regisseur Tadeusz Chmielewski (1927-2016), vier jaar na zijn afstuderen aan de filmschool van Lodz. De enige film die ik ken die erbij in de buurt komt is het legendarische en al even dwaze The Robber Symphony van Friedrich Feher, uit 1937. 

    Het verhaal speelt zich af gedurende een half etmaal, van de vroege avond tot de vroege ochtend. De jonge, naïeve Ewa Bonecka komt vanuit de provincie in de stad aan. Ze is aangenomen als leerling op de Landmeetkundige Technische School, maar arriveert een dag te vroeg. Op zoek naar een slaapplaats en zonder een zloty op zak, zwerft ze, geholpen door een aardige politieagent, door de voornamelijk door criminelen bevolkte stad. Een stad waarin alles kan, waarin om maar wat te noemen een politieknuppel tevens een dwarsfluit kan zijn.

    De openingsscène is onovertroffen grappig en dat niveau wordt de hele film volgehouden. Het is een raadsel dat deze film geen wereldhit is geworden. De rol van Ewa wordt gespeeld door de 17-jarige Barbara Kwiatkowska, die ontdekt werd door een wedstrijd om mooie meisjes voor het witte doek te vinden. (Tijdens het filmen ontmoette ze Roman Polanski, met wie ze later trouwde.) Ze is de Alice in Wonderland die de scènes verbindt en aan het duistere sprookje een dromerige gratie toevoegt. Ze verliet Polen in de jaren zestig en ging verder door het leven als Barbara Lass. Haar laatste rol speelde ze in 1991 in het voor televisie gemaakte Moskau-Petuschki, een verfilming van Venedikt Jerofejevs onnavolgbaar alcoholische roman Moskou op sterk water.

    Natuurlijk – het is ondenkbaar bij een voormalige Oostblokfilm dat het niet zo zou zijn – is er ook verholen kritiek op de USSR. Zo staat op de muur van de politiecel: ‘Stój Halina’ (Stop, Halina) – een onschuldige tekst totdat je de ‘St’ en de ‘H’ omdraait en er in het Pools ‘Stalins Pik’ staat. (Halina was overigens de naam van Chmielewski’s echtgenote.) En zo bezien is de knotsgekke wereld die Chmielewski ons laat zien niet anders dan zijn kijk op het Oostblok, waar je als je er niets aan kunt veranderen tenminste de spot mee kunt drijven.

    Een juweeltje!

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Een kopje thee, meneer Fernández?

    Een kopje thee, meneer Fernández?

    Fernández werkt als winkelbediende in de ijzerhandel van de oude meneer Vila. Toen hij er als jongen van vijftien kwam, was meneer Vila al even oud als nu. Zelf is Fernández inmiddels twintig jaar ouder. Hij hoopt meneer Vila te kunnen opvolgen als die overlijdt, maar meneer Vila maakt daar vooralsnog helemaal geen aanstalten toe.
    Na sluitingstijd, op weg naar huis, ziet Fernández een knappe dame: mejuffrouw Plasini. De volgende avond ziet hij haar weer en de dag daarna opnieuw. Hij overwint zijn verlegenheid en verstout zich haar aan te spreken. Het wordt een stroef gesprek (hij weet niet wat hij moet zeggen, zij niet wat ze moet antwoorden), maar de liefde is geboren. Of wat daar voor door moet gaan.

    Vanaf dat moment brengt hij haar elke avond na sluitingstijd een bezoekje. Mejuffrouw Plasini is behalve knap ook eigenaardig. De avondlijke visites bij deze dame en haar nóg zonderlinger moeder vormen de rode draad van El dependiente (1969), van de Argentijn Leonardo Favio. Een hoogst ongewone film, die de geest ademt van Ionesco, Gombrowicz en VPRO’s Herenleed. Er worden eindeloos kopjes thee gedronken en telkens dezelfde beleefdheidsgesprekjes gevoerd. Het resultaat is een verbluffende film die totaal absurd is. Die grappig zou zijn als hij niet tevens zo beklemmend was.

    Regisseur, acteur en zanger-liedjesschrijver Leonardo Favio (artiestennaam van Fuad Jorge Jury, 1938-2012) was een popicoon in Latijns-Amerika zoals Serge Gainsbourg, met wie hij vaak vergeleken werd, dat in Europa was. El dependiente, een Argentijnse klassieker, was zijn derde film. Producent was zijn peetvader Leopoldo Torre Nilsson, die werk van onder meer Adolfo Bioy Casares, Jorge Luis Borges en Roberto Arlt verfilmde. Het scenario was naar een kort verhaal van zijn broer, de schrijver Jorge Zuhair Jury, die er dit over zei:

    ‘Ik zie de middenklasse als een ontwrichtend en afstompend kussen voor elke daad van verandering. Met mijn broer leerden we op straat, door te kijken. We zijn opgegroeid in een stad met middeleeuwse kenmerken. Donker, in zwarte kleding, erg conservatief. We hadden plezier met het aanvallen van die moraliteit, dat obscurantisme. Het spoorde ons aan om te spotten en ketters te zijn. Zo ontstond El dependiente, waarin middelmatigheid wordt verergerd tot bijna grenzend aan rococo.’ Het verlaten provinciestadje waar zich geen mens op straat vertoont, de winkel waar nooit een klant komt, de zuurstofloze relatie met mejuffrouw Plasini, alles is ten dode opgeschreven. Als de oude meneer Vila ten langen leste de geest geeft, ontstaat er zowaar iets van leven. Fernández en Plasini nemen de winkel over, maar de vreugde is van korte duur. Een voorbijtrekkende fanfare lijkt even voor wat vrolijkheid te zorgen. Maar de muziek die ze spelen blijkt een dodenmars. Prachtig!

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Als je wil dat een droom werkelijkheid wordt

    Als je wil dat een droom werkelijkheid wordt

    Soso, auteur, heeft een nieuwe roman geschreven: Blauwe Bergen of Tien Shan. Trots brengt hij het manuscript naar zijn uitgeverij in Tbilisi. Hij heeft zes exemplaren bij zich: typoscripts voor de directeur en de uitgever, en voor de tien redacteuren met carbonpapier gemaakte eerste en tweede doorslagen, om na lezing onderling aan elkaar door te geven.  Soso weet hoe het werkt op de uitgeverij, dus hij dwingt bij iedereen de belofte af het manuscript snel, met voorrang, te lezen. Maar daar komt niets van terecht, want iedereen is druk met zijn eigen besognes. De enige die leest is de klusjesman, maar die moest juist met zijn tengels van de manuscripten afblijven. 

    In Blue Mountains or Unbelievable Story, een film uit 1983 van de Georgische cineast Eldar Shengelaja (1933), zien we hoe het Sosa en zijn manuscript vergaat. In de goede traditie van voormalige Sovjetstaten is Blue Mountains een satire. Over een hilarische verzameling hopeloze nietsnutten onder leiding van een directeur die qua uiterlijk het midden houdt tussen Ernst Happel, Edouard Sjevardnadze en K. Schippers.
    Terwijl iedereen de tijd stuk slaat met beuzelarijen, komen er steeds meer barsten in de plafonds. Waardoor worden die veroorzaakt? Dat is voor de directeur geen vraag: het komt ongetwijfeld door trillingen veroorzaakt door het motorvoetbal dat de godganse dag op een veldje naast de uitgeverij wordt gespeeld. Motorvoetbal! Over belachelijke noviteiten gesproken!

    Aan het eind van de film heeft niemand het manuscript gelezen en is het gebouw ingestort. Maar geen nood: de medewerkers verhuizen naar een ander, nieuw pand, om hun non-activiteiten tot in lengte van dagen voort te zetten. De uitgeverij is uiteraard een metafoor: formeel, voor de censuur, alleen voor de bureaucratie, maar natuurlijk, dat snapt een kind, in feite voor de Sovjet-Unie zonder meer. Behalve een satire is Blue Mountains ook een meesterlijke film, die raakt aan iets wat iedereen overal aangaat: als je wil dat een droom werkelijkheid wordt, moet je de uitvoering ervan niet afhankelijk stellen van anderen.

    Toen de film in 1985 werd vertoond op het filmfestival van Cannes, mocht regisseur Shengelaia (zijn vader was filmregisseur, zijn moeder actrice) er niet bij zijn van de Sovjetautoriteiten. Hij stopte met films maken om zich als politicus in te zetten voor de onafhankelijkheid van Georgië en maakte pas na tien jaar weer een film. In 2014, op zijn oude dag, werd Blue Mountains opnieuw in Cannes vertoond, nu als Cannes Classic, en ditmaal was hij wel aanwezig. De film stond na al die jaren, in tegenstelling tot de Sovjet-Unie, nog altijd als een huis.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Guillermo ♡ Margarita

    Guillermo ♡ Margarita

    De Spaanse regisseur (van Ierse komaf) Manuel Summers (1935-1993) heeft buiten Spanje niet veel naam gemaakt. Of dat terecht is of niet, weet ik niet. Maar met zijn debuut Del rosa al amarillo (From Pink to Yellow), uit 1963, over een jeugdliefde en een liefde op hoge leeftijd, schoot hij een voltreffer.

    Er kan geen twijfel over bestaan. Het staat in zijn schoolbankje gekrast, in de bast van een boom en getekend op zijn arm en op zijn schoolboek: Guillermo Margarita. De hele klas weet het. En Margarita houdt ook van Guillermo. In de straten van Madrid beleven ze hun prille liefde. Voornamelijk op afstand, met berichtjes over en weer via een vriendinnetje. Want Margarita is nog maar 13 en haar ouders vinden haar te jong om met jongens om te gaan. Ook al is de jongen in kwestie dan twaalf.
    Dan breekt de zomervakantie aan. Ze zullen elkaar twee maanden niet zien. Een thuis stiekem gepikt armbandje dient als souvenir. Hij stuurt haar brieven met geleende dichtregels van Ruben Dario en fantaseert scènes waarin ze samen zijn. Zij stuurt hem een foto van de groep jongens en meisjes waarmee ze zich vermaakt. Een van de jongens is erg leuk, schrijft ze. Hij doet haar aan Guillermo denken. Deze jongen heet German… en hij is achttien.
    Als de zomer eindelijk voorbij is, is Margarita niet twee maanden ouder geworden maar twee jaar! Ze houdt nu van German. Guillermo krijgt het armbandje terug, niet van Margarita zelf maar via het vriendinnetje.

    Nooit heb ik puurder, intenser en verslagener een gebroken hart in een film gezien dan dat van de arme Guillermo in Del rosa al amarillo. Summers bracht het als een volbloed Spaanse neef van Theo Thijssen subtiel en met precisie en tederheid in beeld in een beeldschoon tweeluik.
    Daarvan handelt het tweede, kortere verhaal, over de geheime liefde tussen Valentín en Josefa, twee bewoners van een bejaardentehuis voor de armen in Toledo, die enkel door middel van stiekeme liefdesbrieven contact met elkaar kunnen hebben, omdat mannen en vrouwen er gescheiden wonen. Een heerlijke film.
    Del rosa al amarillo moest een drieluik worden, maar het middelste verhaal (La niña de luto) was te lang en werd daarom een jaar later gedraaid als zelfstandige, tweede film. De film is helaas nergens te zien en ook niet beschikbaar op dvd, althans niet met Engelse ondertitels. Misschien eens een mailtje sturen naar Istituto Cervantes.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

     

     

  • Honger

    Honger

    De nieuwe vertaling door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders van Knut Hamsuns roman Honger, die vorig jaar uitkwam ter gelegenheid van Hamsuns zeventigste sterfjaar, was voor alle liefhebbers die fan waren geworden door de eerdere vertaling van Cora Polet (uit 1976) een confronterende ervaring. Het boek blonk als een geliefd schilderij dat na een schoonmaakbeurt alleen maar nog aan kracht heeft gewonnen. Het bekijken van Sult, de verfilming van Honger, heeft eenzelfde effect. De film van regisseur Henning Carlsen (1927-2014), uit 1966, is even fascinerend, meedogenloos en goed als het boek. Hij voegt er zelfs nog een weergaloze, fysieke dimensie aan toe.

    Per Oscarsson geeft het miskende genie Pontus, hongerkunstenaar en zenuwlijder die tevergeefs op zoek is naar een uitgever voor zijn werk (of anders tenminste een baantje om wat te verdienen) en die zijn toenemende wanhoop en ellende bestrijdt met trots en arrogantie, meesterlijk gestalte. Hoe hij als sjofel uitziend suspect figuur politieagenten overbluft met zijn vraag hoe laat het is, hoe hij probeert de knopen van zijn jasje te verpanden en toch zijn decorum te houden, het is superieur en het onthouden waard. Een tweede hoofdrol is voor de schitterend in zwart-wit gefotografeerde locaties. De film werd op locatie in Oslo gedraaid, op een moment dat daar nog net voldoende straten en panden te vinden waren uit het Kristiana, zoals de stad toentertijd heette, van het fin-de-siècle, de tijd waarin de roman speelt. Een jaar na de opnames waren de voornaamste filmlocaties gesloopt.

    Carlsen had naam gemaakt met een in cinéma vérité-stijl gefilmd documentaire drieluik over de opkomst van de Deense welvaartsstaat van begin jaren zestig, gevolgd door een clandestien in Zuid-Afrika gedraaide verfilming van Nadine Gordimers debuutroman Dilemma, toen hij gevraagd werd voor wat de eerste film in een samenwerkingsverband tussen Denemarken, Zweden en Noorwegen moest worden: Sult. De keuze om Honger te verfilmen – een Noors verhaal met een Deense regisseur en een Zweedse hoofdrolspeler – was ongetwijfeld ingegeven door commerciële motieven. En even ongetwijfeld is het aan de eigenwijsheid van de jonge Carlsen te danken dat dit geen smakeloze Scandinavische coproductiepudding heeft opgeleverd maar een prachtige film, die op het filmfestival van Cannes werd genomineerd voor een Gouden Palm. Het bleef bij een nominatie – wel werd Per Oscarsson in Cannes bekroond als beste acteur. 

    Sult, verkrijgbaar op dvd, wordt beschouwd als een meesterwerk van sociaal realisme, maar met alle hallucinaties van de hoofdpersoon en de vele fantastische uitvergrotingen zou ik het liever een meesterwerk van ‘sociaal surrealisme’ noemen.

     

     


    Hans Heesen, Filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), schrijft maandelijks een filmcolumn.

     

     

     

     

  • Acht dodelijke schoten

    Acht dodelijke schoten

    In razernij schiet een kleine boer vier politieagenten neer die hem komen arresteren wegens dronkenschap. Op dit waargebeurde verhaal uit 1969 is de Finse film Eight Deadly Shots (Kahdeksan surmanluotia) gebaseerd. De film laat zien wat er aan deze tragische gebeurtenis voorafging. De titel wekt de indruk dat het om een misdaadverhaal gaat, maar dat is niet zo. Eight Deadly Shots is een portret van het barre leven van Finse keuterboeren in de jaren zestig van de vorige eeuw. Dus geen spannende intriges, maar de ontberingen, het keiharde werk en de bureaucratische frustraties van het boerenleven. En veel illegaal gestookte alcohol, die even troost biedt maar vooral verwoestend uitpakt. Het motto van de film is: ‘Drank was de wortel van al het kwaad in onze familie.’

    Regisseur Mikko Niskanen (1929-1990) leerde het vak op de filmschool van Moskou. Hij was regisseur, scenarioschrijver, producent en acteur. Hij kreeg de opdracht een ​​televisiefilm van 80 minuten te maken, maar daarin is hij niet helemaal geslaagd. Het werd 5 uur en 16 minuten en dat is geen minuut te lang. We zien landelijke taferelen, vervallen boerenschuren, door paarden getrokken sleeën, handkarren, sneeuwscooters, graafmachines, bijlen en kettingzagen. Maar ook dansavondjes, een bruiloft, optredende bandjes zoals we die kennen uit de films van Aki Kaurismäki, gezuip en gezang in de kroeg of rond een vuurtje op het land.

    Boer Pasi, gespeeld door Niskanen zelf (hij kende het harde boerenleven uit eigen ervaring), kan met zijn paard en vier koeien nauwelijks zijn gezin onderhouden. Hij werkt bij als houthakker of sleuvengraver, maar kan ook dan zijn rekeningen en belastingaanslagen nog niet betalen. Af en toe drijven zijn dronken geweldsuitbarstingen zijn vrouw ertoe om met de kinderen naar het huis van een buurman te vluchten. Keer op keer belooft Pasi beterschap. En als het toch weer mis gaat, smeekt hij zijn vrouw alsjeblieft niet de politie erbij te halen.

    Martin Scorcese nam de film op in zijn World Cinema Project. Het IFFR, waar de film in 2012 te zien was, noemde Eight Deadly Shots  ‘een rauw, grimmig, compromisloos, onverbiddelijk, genadeloos en troosteloos meesterwerk’. Daar mag het woord ‘poëtisch’ wat mij betreft nog aan worden toegevoegd. De film werd in vier delen uitgezonden op televisie. Voor de bioscoop werd een ingekorte versie van 145 minuten gemaakt. De integrale versie is op dvd te koop bij subtitledfilms.ecrater.co.uk. 

     

     


    Hans Heesen, Filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (Uitg. IJzer), schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Mr. Thank You

    Mr. Thank You

    Als je op het platteland tussen Izu en Tokio met de bus mee moet, kun je geen fijnere buschauffeur treffen dan Mr. Thank You. Hij is altijd goedgemutst en belangstellend en vergeet nooit andere weggebruikers te bedanken die op de smalle bergweggetjes aan de kant moeten om zijn bus erlangs te laten – zelfs niet als dat een stel kippen is. Het maakt hem zo populair, dat passagiers hun reisschema er graag voor aanpassen.

    De film Mr. Thank You, uit 1936, van regisseur Hiroshi Shimizu, vertelt het verhaal van één rit. We stappen mee op de bus, leren de verschillende passagiers kennen en de mensen die ze onderweg ontmoeten, waaronder een groep arbeidsmigranten, en nemen node afscheid van hen als ze uitstappen. Intussen genieten we van het adembenemende platteland van Japan. In niet meer dan 76 minuten schetst Shimizu in een bedaard tempo en op luchtige toon een portret van de maatschappelijke problemen van Japan in de crisisjaren. 

    Hiroshi Shimizu (1903-1966) was een rijkeluiszoon met een gevoelig oog voor sociale problemen. Hij debuteerde als regisseur op zijn 24ste en maakte meer dan 160 films. Films die ogen alsof ze uit de losse pols gedraaid zijn en die nog altijd verrassend modern aandoen. Daaronder een reeks schitterende kinderfilms, dat wil zeggen films voor volwassenen met kinderen in de hoofdrol. Kenji Mizoguchi zei over Shimizu: ‘Regisseurs als Ozu en ik moeten hard werken om onze films gemaakt te krijgen, maar Shimizu is een genie.’ Dat genie is in Mr. Thank You volop zichtbaar.

    Voor een van de passagiers, een bleu 17-jarig meisje, is het een verdrietige rit. Ze gaat als dienstmeisje in Tokio werken, de armoede dwingt haar daartoe. Haar moeder vergezelt haar tot het treinstation. De treurige blik van Mr. Thank You gericht op het meisje vertelt ons wat ‘als dienstmeisje’ betekent.  Haar lot brengt hem in gewetensnood. Hij droomt van een eigen auto en heeft het geld al bij elkaar. Maar hij kan dat natuurlijk ook ergens anders voor gebruiken. Is een meisje niet belangrijker dan een Chevrolet?

    Mr. Thank You, gebaseerd op een verhaal van Yasunari Kawabata, is een briljante film, verbluffend van eenvoud en wijsheid. Als de eindtitel bereikt is, stap je met tegenzin uit de bus. De film is te zien op YouTube.

     

     


    Hans Heesen, Filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (Uitg. IJzer), schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Een vakkundig brok in de keel

    Een vakkundig brok in de keel

    Vladimir Nabokov schrijft in Speak Memory dat de roman Misunderstood (1869) van Florence Montgomery het eerste Engelse boek was dat zijn moeder hem voorlas, en dat het lot van de hoofdpersoon hem een vakkundiger brok in de keel bezorgde dan wat dan ook van Dickens. De schrijver George du Maurier (bekend van de gothic novel Trilby) schreef in een brief aan Lewis Carroll: ‘Ik ben, net als jij, een zeer groot bewonderaar van Misunderstood, en heb er emmers vol tranen bij gehuild.’

    Incompreso, van regisseur Luigi Comencini (1916-2007), uit 1966, is de Italiaanse verfilming van dat boek. (Er zijn ook twee andere, te weten een Hongaarse, al uit 1920, en een Amerikaanse, uit 1984.)
    Het verhaal speelt zich af in een door weelderige tuinen omgeven kapitaal landhuis even buiten Florence, de residentie van de Engelse consul Eliot Duncombe. Alles ademt de sfeer van de oogverblindende melodrama’s van Douglas Sirk. Duncombes vrouw is net begraven als het verhaal begint. De kinderen, twee jongens van een jaar of tien en vier, Andrea en Milo, weten nog niet dat hun moeder is overleden.

    De afstandelijke Duncombe, mooi onderkoeld gespeeld door Sir Anthony Quayle, laat zich nog meer opslokken door zijn werk dan hij toch al deed en de zorg voor de kinderen laat hij over aan het personeel. In zijn verdriet richt hij volledig op zijn jongste zoontje. Voor Andrea, die volgens hem al oud genoeg is en dus sterk moet zijn, heeft hij geen oog. Maar in de gevoelige Andrea, de hoofdpersoon van het verhaal, huist de eenzaamheid van het onbegrepen en afgewezen kind dat zijn verdriet maskeert met boosheid en opstandig gedrag.

    Incompreso is een  magnifieke tearjerker die, gesteund door de prachtige klassieke muziek en het geweldige spel van de jonge hoofdrolspeler, me danig bij de strot greep. Maar het is ook een fijn psychologisch kijkje in de kinderziel en een bijzonder knappe film. Comencini is een van die Italiaanse meesters (zie ook Antonio Pietrangeli, Mario Monicelli, Alberto Lattuada, Dino Risi en vele anderen) die in de schaduw van Visconti en Fellini hun kunsten vertoonden. Met Incompreso laat hij zien dat hij niet voor hen onderdeed.
    Over het verhaal wil ik niets verklappen. Ga maar kijken. De film staat integraal op YouTube. (Zakdoekjes bij de hand.)

     

     


    Van Hans Heesen, filmhuisdirecteur, docent filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (Uitgeverij IJzer), verschijnt maandelijks op deze plek een filmcolumn.

  • Tonia Marketaki

    Tonia Marketaki

    Ik zag een verbluffende film. Drie uur lang, maar ieder moment boeiend. Ioannis o viaios (John the Violent), uit 1973, van de Griekse regisseuse, scenariste en producente Tonia Marketaki (1942-1994). Opgeleid als Director Of Photography aan de filmschool van Parijs, omdat vrouwen daar toen nog niet tot de regieopleiding werden toegelaten.
    Terug in Griekenland werkte ze van 1963 tot 1967 als filmcriticus. Daarna een korte film, gevangengezet door het kolonelsregime, vrijgelaten, naar het buitenland uitgeweken en in 1971 weer terug in eigen land. En dan maakt ze Ioannis o viaios. Wat een debuut! 

    De film vertelt het op een ware gebeurtenis gebaseerde verhaal van de moord, midden in de nacht, op een jonge vrouw, die op straat in Athene wordt neergestoken door een onbekende dader. Het eerste uur gaat in op het onderzoek wie de vrouw was. Er worden getuigen gehoord. Hun getuigenissen helpen de politie niet verder. Het beeld ontstaat dat de vrouw het met de zeden niet zo nauw nam.

    Het tweede uur gaat over de moordenaar Ioannis. Een knappe, charmante jongen met een gestoorde geest. Hij is trots op wat hij gedaan heeft, want hij was al heel lang van plan een keer een mooie vrouw te vermoorden. Hij praat er openlijk over. De pers hangt aan zijn lippen.
    Het derde uur gaat over het proces. Een vijftal psychiaters verklaart eendrachtig dat de moordenaar schizofreen is en dus ziek/gek en niet toerekeningsvatbaar. Hij heeft het idee dat hij boven de wet staat. Hij gehoorzaamt zijn eigen wetten. Net zoals dictators? vraagt een van de rechters. Ja. Dus u beweert dat dictators gek zijn?

    Ioannis wordt vrijgesproken. Hij verdwijnt niet in de gevangenis maar in een inrichting. 

    Daarmee lijkt het of Tonia Marketaki aan de orde wilde stellen of de mens of de maatschappij verantwoordelijk is voor de monstruositeiten die worden aangericht. Maar ik denk dat het punt dat Marketaki wil maken iets anders is. De moordenaar is een man. De aanklager is een man. De advocaat is een man. De rechters zijn mannen. Op de perstribune zitten mannen. De jury bestaat uit mannen. Door de laatste twee uur van de film zou je (bijna) helemaal vergeten dat er ook nog om niets een onschuldige jonge vrouw is vermoord.
    Volgend jaar viert de film zijn 50ste verjaardag. Een mooi moment om ’m opnieuw uit te brengen. Tot die tijd zal voor wie ‘m wil zien, zich moeten behelpen met de versie op YouTube.

     

     


    Van Hans Heesen, filmhuisdirecteur, docent filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws  (Uitgeverij IJzer), verschijnt maandelijks op deze plek een filmcolumn.

  • Wat dit boek doet

    Wat dit boek doet

    Ik verlang wel eens naar het spreekwoordelijke pakje sigaretten halen. De straat uitlopen, een zolderkamer betrekken. Dagen van waarnemen, verwonderen over de dingen, dat noteren. Wie droomt daar soms niet van? En nee, het is geen vlucht, het is de mogelijkheid van een nieuw leven. Omdat ik dat wel nooit zou doen, houd ik het bij de verhalen van eenlingen. Romans van Emmanuel Bove, Patrick Modiano, Walging van Sartre, verhalen van Biesheuvel. Met personages die om hun bevreemdende levens een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Zo las ik een kleine roman waarin de verteller terugblikt op zijn achttienjarige zelf. Als jongeman werkte hij tijdelijk bij een boekhandelaar, schreef synopsissen voor een filmproducent, woonde op kamers in een statig huis van pandjesbaas Dzinballe aan de IJsselkade in Zutphen. Om grip op zijn leven te krijgen, leest hij romans die spelen in Amsterdam, Aalst, Petersburg of Parijs. (‘Maar nooit in Zutphen.’)

    Nieuwsgierig naar verhalen achter namen, zoekt hij in het stadsarchief de naam van zijn huisbaas. In 1902 schreef de eerste Dzinballe uit Malschwitz Duitsland, zich in Zutphen in. Ik lees dat Malschwitz tussen Berlijn en Dresden ligt, gebied van de Sorben een West-Slavisch volk met een eigen taal en cultuur. De Sorbische naam voor Malschwitz, is Malešecy, dat aan drie kanten begrensd wordt door water. Kenmerk van een goed boek is dat ze nieuwsgierig maken naar dingen waarvan je niet het geringste vermoeden had dit te willen weten. Elke pagina leidt naar een zweem van een verhaal dat daar achterligt. Op zijn kamer vindt hij een koffertje met naaktfoto’s in de sfeer van ‘Freikörper’ met de inscriptie ROA. Hij achterhaalt wie er achter die initialen zit, gaat op onderzoek uit naar de vrouwen die zich hebben laten fotograferen. Sommigen herkent hij, een buurvrouw, de tante van een vriendin, de vriendin zelf. Hij stopt er weer mee omdat hij zichzelf belachelijk maakt door ze te bespioneren. 

    Er zijn oude krantenberichten die hij in boeken vindt. Als er op een ochtend een Duitse jongen, Wendigo Krause in de IJssel verdrinkt, vlak voor zijn deur, doet dit hem denken aan een krantenartikel over een roofvogel en een snoek uit de Tilsiter Zeitung. De snoek baadt in het zonlicht, de roofvogel duikt erop af, slaat zijn klauwen in het vlees. De snoek echter weegt 20 kilo. ‘De snoek duikt onder en neemt de rover met zich mee in het voor de gevederde bewoner der lucht zo vreemde element en blijft geruime tijd met hem onder water. De strijd was echter voor beide noodlottig, want het duurde niet lang of twee doden dreven op de oppervlakte van het water.’

    Een ander krantenartikel gaat over Plennie Lawrence Wingo. Tijdens de grote Depressie maakte deze Texaan met behulp van achteruitkijkspiegels achteruitlopend een reis om de wereld. Toen hij de oostkust van Amerika bereikte zaten zijn kuiten aan de voorkant van zijn benen. Uit een van die krantenberichten valt een kleine sleutel met vier namen, Pelgrim, Scheerder, Léautaud (wie denkt nu niet aan de Franse schrijver Paul Leautaud?). Die namen zetten weer aan tot een volgende zoektocht. ‘Als deze namen, zo voelde het, op mijn weg kwamen, mét de verhalen die eraan vastzaten, hóórden ze bij mij.’

    Elk antwoord roept een nieuwe vraag op is het adagio in dit boek. De naam van de verdronken jongen, Wendigo Krause, blijkt een samenstelling te zijn van Panthera Krause, dj en producer, ‘Wendigo’ is een nummer van zijn album, ‘It’s a Business doing pleasure with you’. Voor ik het weet, luister ik naar techno muziek, als bevindt zich daarin een antwoord op een niet gestelde vraag. Dat doet dit boek met je.

    Tussendoor doet de verteller, die niemand minder dan de schrijver zelf is, een bekentenis, ‘Als ik overlees wat ik geschreven heb, zie ik hoezeer ik met mijn ziel onder de arm liep, bijna als een permanente gemoedstoestand. Door mijn aantekeningen van toen heen bladerend, lees ik pathetisch getoonzette citaten als: “want zie: er zijn altijd mensen, die wel weten, waar ze naartoe moeten, al verbeelden ze zich dit maar.”’ Ja, het gevoel dat jij als enige het verkeerde spoor volgt. Deze kleine roman zit vol verhalen, synopsissen van levens, dat je er maar een kunt leven, de rest verbeelding is. Intrigerend boek, een aanzet tot iets.

     

     

    Een naderend begin van iets nieuws / Hans Heesen / 122 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.