• Je moet wel kijken, anders zie je niets

    Je moet wel kijken, anders zie je niets

    In december 2009 werd het lijk van de Cypriotische oud-president Papadopoulos, een dag voor de herdenking van zijn overlijden, gestolen uit zijn graf. Pas een paar maanden later werd het teruggevonden. Het zou voor losgeld ontvoerd zijn. Het is geen uniek geval. In 2017 werd hetzelfde geprobeerd met het lijk van de Italiaanse autobouwer Enzo Ferrari (het mislukte voor er losgeld kon worden gevraagd). En in 1978 groeven twee criminelen in Zwitserland het lijk van Charlie Chaplin op, nu wel met een losgeldeis.
    Het voorbeeld van Chaplin wordt genoemd in de nieuwe novelle Erfgenaam van Hans Heesen, maar slechts als een terzijde. De ik-figuur uit die roman wordt tegen zijn zin betrokken bij een plan om een lijk op te graven om losgeld te vragen. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat er andere motieven spelen dan winstbejag. Daarmee wordt dit verhaal ver uitgetild boven de sfeer van een gothic novel waarin je aanvankelijk verzeild lijkt te zijn.

    Val

    ‘Een schimmig zaakje’ noemt de verteller in de eerste zin het plan waarin Marcel, een vroegere vriend, hem betrekt. Marcel heeft ooit tienduizend gulden van hem geleend, maar dat bedrag nooit terugbetaald. Hij probeert zijn vroegere vriend over te halen tot het opgraven van een lijk met het doel om via een losgeldeis aan geld te komen. Het blijft lang vaag wat zijn motief is. Probeert Marcel hem te chanteren? Heeft hij een val bedacht waardoor de verteller strafrechtelijk dreigt op te draaien terwijl Marcel de buit opstrijkt? Voldoende ingrediënten voor een verhaal dat steeds spannender wordt, maar dat gaandeweg een minder criminele achtergrond blijkt te hebben dan de lezer denkt. Bijna elke benaderende beschrijving van het vervolg leidt in deze bespreking tot een spoiler. Laten we het daarom vaag houden.

    Trauma

    Niet toevallig is de verteller scenarioschrijver. Gedurende de hele roman bedenkt hij allerlei mogelijke ontwikkelingen, zowel voor de uitvoering van het plan als voor de mogelijke motieven, die de vaart er in Erfgenaam voortdurend in houden. Ze voeren de lezer terug naar eerdere gebeurtenissen in beider levens en dat van vroegere vrienden. Halverwege wordt duidelijk dat Marcel en de verteller een vergelijkbaar trauma delen, elk in hun eigen leven. Vooral de verteller wordt gedwongen zijn (gebrek aan) verwerking van dat trauma onder ogen te zien.

    Dan verandert het ‘schimmige zaakje’ in persoonlijke reflecties over wat vriendschap in wezen is en wat de waarde van een leven is. Is iemand die risico’s vermijdt een beter mens dan iemand die een reeks van mislukkingen, zoals faillissementen in ondernemingen, achter zich aansleept? Wie is een held? Wie een roekeloze?

    Dilemma’s

    Erfgenaam – de titel verwijst naar wat de werkelijke rol van de verteller aan het slot van de roman blijkt te zijn geworden – verandert steeds opnieuw van perspectief en laat de lezer daardoor ook reflecteren op zijn eigen omgang met het verleden.
    Het is een roman over rouw, omgang met de dood, slachtofferschap en morele dilemma’s (een thema dat in verschillende gedaantes voorkomt) zonder loodzwaar te worden. Er zit veel humor en ironie in. En er zijn mooie stiltemomenten, bijvoorbeeld in de spiegeling van een lijst van namen op een begraafplaats met die van allerlei groenten die de verteller na zijn loutering gaat telen. Hij was eerder nauwelijks geïnteresseerd in de natuur wat een vroegere vriendin het advies aan hem uitlokte: ‘Je moet wel kijken, anders zie je niets’. Nu vindt hij er rust en toewijding in. Hij ziet waaraan hij eerder is voorbijgegaan. `

    Erfgenaam is lichtvoetig, filosofisch en poëtisch.

     

  • De deurmat van de buurman

    De deurmat van de buurman

    De Tsjechische film kwam in de jaren zestig met het werk van regisseurs als Miloš Forman, Věra Chytilová, Jan Němec, Jiří Menzel, Juraj Herz, František Vláčil en Vojtěch Jasný tot zo’n ongekende bloei, dat het bijna alles wat er daarvoor in Tsjecho-Slowakije werd gemaakt, naar de achtergrond drong waardoor we van hun voorgangers zelden of nooit iets te zien kregen.
    Een van die voorgangers was regisseur/scenarioschrijver/producent/cameraman en acteur Martin Frič, die tussen 1929 en 1968, het jaar van zijn overlijden, meer dan honderd speelfilms, korte films en documentaires maakte. ‘Als ik een paar dagen geen film heb gemaakt, voel ik me leeg,’ verklaarde hij. Bekende films van zijn hand zijn de literatuurverfilmingen De brave soldaat Schweik (1931, naar de roman van Jaroslav Hašek), De twaalf stoelen (1933, naar de roman van Ilf en Petrov) en Hordubal (1938, naar de roman van Karel Čapek) en Capek’s Tales (1947, gebaseerd op vijf misdaadverhalen van Čapek). 

    Fričs specialiteit was komedies. En een van die komedies, Valentin Dobrotivy (Valentin the Good), behoort tot mijn lievelingsfilms. De film zit boordevol grappen en vondsten en doet zo aan The Apartment denken, dat je je afvraagt of (de in Polen geboren) Billy Wilder Valentin the Good (1942) kende toen hij het  scenario voor The Apartment (1960) schreef. Beide films spelen in de arena van een streng hiërarchische verzekeringsmaatschappij en hebben een brave goedzak als protagonist. De rol van de kleine kantoorman die bij Wilder zo geweldig door Jack Lemmon wordt vertolkt, wordt bij Frič al net zo meesterlijk gespeeld door steracteur Oldřich Nový. 

    De openingsscène – het is vrijdagochtend en we bevinden ons in Praag op het kantoor van Verzekeringsmaatschappij Fortuna – bestaat uit vier stappen. 1) De algemeen directeur gaat een weekendje weg. Hij ontbiedt zijn adjunct en draagt hem op maandagmiddag de nieuwe polisvoorwaarden klaar te hebben.
    2) De adjunct ontbiedt het afdelingshoofd en draagt hem op de nieuwe voorwaarden maandagochtend klaar te hebben.
    3) Het afdelingshoofd ontbiedt de chef-de-bureau en draagt hem op de nieuwe voorwaarden zaterdag klaar te hebben.
    4) De chef-de-bureau draagt zijn medewerkers op de nieuwe voorwaarden nog diezelfde dag klaar te hebben, al moeten ze er tot ’s avonds laat voor overwerken.

    Welkom in de wereld van regisseur Martin Frič (1902-1968) en welkom in de wereld van Valentin Plavec.

    Valentin is een goedmoedige lobbes, die niemand iets kan weigeren en voortdurend het slachtoffer is van de practical jokes van zijn collega’s. Ditmaal maken ze het wel heel bont en loopt de grap finaal uit de hand. Valentin Plavec spaart om te kunnen trouwen en is berucht om zijn zuinigheid (hij veegt zijn voeten op de deurmat van de buurman). Dus wat is er leuker dan hem te laten geloven dat hij een miljoen heeft gewonnen in de loterij! Plavec trapt er met open ogen in, want behalve goedmoedig is hij ook goedgelovig. Hij gooit zijn zuinigheid overboord en begint met geld te smijten.

    Het is moeilijk voor te stellen dat Valentin the Good in première ging een paar weken na de aanslag op de beul van Praag, Reinhard Heydrich. Hoofdrolspeler Oldřich Nový overleefde het concentratiekamp, waarin hij belandde omdat hij weigerde te scheiden van zijn joodse vrouw die op haar beurt Theresienstadt overleefde, maar er voor de rest van haar leven door beschadigd was. Op de dag dat de Russische tanks Praag binnenreden, zou Frič een eind aan zijn leven hebben gemaakt. Maar andere bronnen betwisten dat en wijzen erop dat hij op het moment van de invasie al was opgenomen in het ziekenhuis, waar hij aan kanker stierf.

    Bij de onvolprezen webwinkel czechmovie.com kan de liefhebber van Tsjechische films zijn hart ophalen. Daar worden namelijk, naast heel veel meer, dertig van Martin Fričs films, waaronder Valentin Dobrotivy, aangeboden met Engelse ondertiteling.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman verscheen bij uitgeverij IJzer,Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Twee eenzame zielen

    Op de laatste editie van het Il Cinema Retrovato Festival in Bologna werd deze zomer in de open lucht op het Piazza Maggiore een van mijn lievelingsfilms vertoond, La visita (1963) van Antonio Pietrangeli.

    De bezoeker waar de titel op wijst is alleenstaande boekwinkelbediende Adolfo. Hij is vanuit Rome met de trein naar de Po-vallei gereisd om Pina, de alleenstaande medewerkster van een landbouwvoorzieningsbedrijf, te ontmoeten. Pina heeft een contactadvertentie geplaatst en Adolfo is de uitverkoren respondent. La visita toont de ontmoeting van de twee potentiële geliefden gedurende een dag. Bezorgd dat hun huwbare dagen ten einde lopen, hebben ze al besloten om verliefd op elkaar te worden, maar eerst moeten ze elkaar leren kennen.

    Antonio Pietrangeli (1919-1968) hoort in het rijtje Alberto Lattuada, Mario Monicelli, Luigi Comencini, Pietro Germi, Dino Risi, Mauro Bolognini, Giuseppe De Santis, Luigi Zampa, Luciano Emmer, Valerio Zurlini enzovoort – Italiaanse regisseurs van het tweede echelon die door de ‘groten’ van de Italiaanse film in de schaduw zijn gesteld en intussen veelal in de vergetelheid zijn geraakt. Hoe onterecht dat is blijkt in Pietrangeli’s geval uit La visita, maar bijvoorbeeld ook uit zijn andere films als Io la conosceve bene.

    Pietrangeli, die begon als assistent van Visconti en mede-scenarist was van diens La terra trema, introduceert Pina als een onnozel gansje uit de provincie en besteedt de rest van de film aan het subtiel ondermijnen van dat beeld, want ze is slimmer, zelfredzamer en toch kwetsbaarder dan op het eerste gezicht leek, terwijl man-van-de-wereld Adolfo zich meer en meer laat kennen als een miezerige egoïst. Met een paar slimme flashbacks krijgen we van beiden een beeld van hun eerdere relaties. Zal het wat worden of niet? Je hoopt van wel, daarna van niet (ze verdient beter) en uiteindelijk… ach.

    De opbouw van het verhaal, het tempo waarin het zich ontvouwt, de verlegenheid, het ongemak, de melancholie, de gedetailleerde observaties, de bijrollen van de dorpelingen, de soundtrack, het geweldige spel van Sandra Milo en François Périer als de twee eenzame zielen op zoek naar liefde, alles aan dit kleine, grappige en ontroerende meesterwerk van Antonio Pietrangeli is goed.

    Périer is onweerstaanbaar als de bekrompen hypocriet Adolfo, maar Sandra Milo steelt de show als de naar liefde hunkerende plattelandsvrouw die zo graag in het huwelijksbootje wil stappen dat ze nog wel zelf wil roeien ook. Milo speelde in films als Classe tous risques (Claude Sautet), Vanina Vanini (Roberto Rossellini) en Giulietta degli spiriti (Federico Fellini), maar in deze film van Pietrangeli speelde ze haar mooiste rol. Pietrangeli bevestigde er zijn reputatie als regisseur van mooie vrouwenrollen mee.

    Paola Cristalli, verbonden aan de cinematheek van Bologna, schreef daar in haar introductie op La visita dit over: ‘Er wordt vaak gezegd dat de Italiaanse cinema van het begin van de jaren zestig meer vrouwelijke hoofdrolspelers begon te vertonen, omdat de mannelijke helden […] te duur waren geworden. Of Antonio Pietrangeli ook in deze (gezegende) conjunctuur betrokken raakte, is moeilijk te zeggen, maar veel van zijn films zijn zeker verhalen over vrouwen.’

    Als je denkt met de films van Fellini, Visconti, Pasolini, Antonioni, Rossellini, De Sica en Scola de Italiaanse film wel zo ongeveer te kennen, staat je nog een prachtige ontdekkingsreis te wachten. Om met oud-Hollywoodacteur Ronald Reagan te spreken: ‘You ain’t seen nothing yet!’

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman verscheen bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Het belang van ‘nee’ zeggen

    Het belang van ‘nee’ zeggen

    Pas nadat zijn schoonzuster flink kwaad op hem is geworden, komt Vierde Broer schoorvoetend tevoorschijn. Ma, zoals zijn eigenlijke naam luidt, had zich verstopt in de stal bij de ezel. Hij moet binnenkomen, er is bezoek, maar eerst moet hij het nette nieuwe jasje van Derde Broer aantrekken. Het bezoek heeft een officieel karakter: er wordt een huwelijk gearrangeerd. De bruid is Guiying. Ze is net als Ma van middelbare leeftijd, woont in een schuurtje op het erf van haar broer en die broer wil van haar af. Dat is niet eenvoudig, want wie wil de door alle slaag die ze heeft gekregen mank en incontinent geworden Guiying in vredesnaam hebben? 

    Ma, die door Derde Broer bij wie hij als knecht werkt schandalig wordt uitgebuit, heeft nog nooit van zijn leven ‘nee’ durven zeggen. Niet dat hij nu ‘ja’ zegt, maar daar vraagt ook niemand naar. En terwijl Guiying door haar familie naar de wc wordt gestuurd om te voorkomen dat ze waar iedereen bij is haar plas laat lopen, wordt het huwelijk tussen de beide outcasts beklonken. Mooi geregeld. Opgeruimd staat netjes. Ma en Guiying krijgen de aftandse ezel mee en moeten er maar het beste van zien te maken. Dat doen ze nagenoeg zwijgend, want de een is nog verlegener en schuchterder dan de ander. En dan gebeurt er iets wat niemand in de verste verte had voorzien. Ma en Guiying zijn uiterst zorgzaam voor elkaar. Hij koopt om te beginnen een lange jas voor haar, zodat niemand het ziet als ze in haar broek heeft geplast. Gaandeweg bloeit er zomaar iets moois op tussen deze twee paria’s. 

    De film Return to Dust, uit 2022, van regisseur Li Ruijun is een verhaal over leren ‘nee’ zeggen. Ma, analfabeet, niet één dag op school gezeten en zijn hele leven als lijfeigene uitgebuit, kan het niet. En dus laat hij als een goedzak door iedereen over zich heen lopen. Maar het moet gezegd, de onverstoorbaarheid waarmee Ma en Guiying de klappen en slagen opvangen waarvan hun leven aan elkaar hangt, dwingt respect af. Hun toewijding aan elkaar, waar inmiddels eigenlijk zonder meer het woord ‘liefde’ voor mag worden gebruikt, stuit bij de mannen in het dorp op hoongelach. Moet je die twee nou zien: Jut en Jul! Maar de vrouwen zijn jaloers. Wie heeft er ooit van hen gehouden zoals Ma van Guiying houdt? 

    Return to Dust, voor een appel en een ei gedraaid in Gansu, een van de armste streken van China, waar Li Ruijun (1983) opgroeide, werd in China uit de bioscopen en van de streamingdiensten verwijderd. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom, want de film is behalve prachtig gefotografeerd en ontroerend mooi, op tal van punten ook een aanklacht tegen de materialistische verdwazing van de moderne tijd die het traditionele leven op het platteland in snel tempo de nek omdraait. Ma en Guiying slagen erin een veilig keuterboerenparadijsje voor zichzelf te creëren. Maar de wereld laat hen niet met rust. Het leven dwingt telkens weer tot nieuwe keuzes. Hoe ver laat je het komen? Heel ver, in Ma’s geval, al zie je dat het hem steeds meer moeite kost om te doen wat anderen van hem willen. Pas als het te laat is, zegt hij eindelijk een keer ‘nee’. Het is een definitief ‘nee’, waarvoor hij met zijn leven betaalt. En dat desondanks aanvoelt als een overwinning. Bravo! Lang leve Vierde Broer!

    Return to Dust draaide vorig jaar in de Nederlandse filmtheaters. Een kleine film die qua bezoekersaantallen weinig potten kon breken, maar die als instant klassieker ongetwijfeld een mooie toekomst zal hebben. 

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman verscheen bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Exit Nexit 

    Exit Nexit 

    Stelling: als de Engelse komedie Passport to Pimlico tijdig was herhaald op de Engelse televisie, was er geen Brexit geweest. Passport to Pimlico, een productie van de fameuze Ealing Studios, grijpt terug naar de Tweede Wereldoorlog, die in 1949, het jaar van uitbreng, nog vers in het geheugen lag. Het verhaal in het kort: in de puinhopen van het naoorlogse Londen legt de explosie van een achtergebleven Duitse bom in de wijk Pimlico een schatkelder bloot. In die kelder wordt een middeleeuwse oorkonde gevonden. Daaruit blijkt dat Pimlico aan de hertog van Bourgondië toebehoort – en dus geen Brits grondgebied is! De inwoners zien hun kans schoon om aan de rantsoenering en andere door de overheid opgelegde bureaucratische beperkingen te ontkomen en roepen de onafhankelijkheid van hun wijk uit.

    De overheid pikt dit uiteraard niet en speelt het spel hard door Pimlico af te zetten met prikkeldraad. De bewoners nemen daarop wraak door een Londense metro te stoppen die door hun wijk rijdt en de passagiers om hun paspoort te vragen. Waarop de overheid op haar beurt water en stroom afsluit en de voedselvoorziening aan de grens tegenhoudt. En zo escaleert de situatie in snel tempo tot hilarisch-anarchistische proporties (varkens worden aan een parachute in het afgezette gebied gedropt).
    Ongetwijfeld werd er in 1949 anders naar Passport to Pimlico gekeken dan nu.

    Filmwetenschapper Charles Barr vergeleek het verzet van de Bourgondiërs tegen de Britse regering met ‘de spirit, de veerkracht, de lokale autonomie en eenheid van Londen in oorlogstijd’. De filmhistorici Anthony Aldgate en Jeffrey Richards meenden dat de film de gevestigde sociale orde verstoorde om het welzijn van een gemeenschap te bevorderen. En volgens filmhistoricus Robert Sellers illustreerde de film ‘de meest typische Engelse kenmerken van individualisme, tolerantie en compromisbereidheid’. Maar nu, 75 jaar later, hebben begrippen als nationaliteit, patriottisme, identiteit en onafhankelijkheid een andere gevoelswaarde gekregen dan toen. Omdat de getoonde, in een lachspiegel uitvergrote absurditeit inmiddels realiteit is geworden, is de film moeilijk los te zien, niet van de Tweede Wereldoorlog maar van een andere historische gebeurtenis: de Brexit in 2020. 

     Scenarioschrijver T. E. B. Clarke (die een Oscar kreeg voor zijn scenario van een andere Ealing-komedie, The Lavender Hill Mob) vond de inspiratie voor Passport to Pimlico overigens in een Canadees krantenbericht uit de Tweede Wereldoorlog. Daarin stond dat de kraamafdeling van het Ottawa Civic Hospital op 19 januari 1943 tijdelijk extraterritoriaal werd verklaard toen onze prinses Juliana daar beviel van prinses Margriet. Zodat zij op Nederlands grondgebied zou worden geboren en haar aanspraak op de troon niet zou verliezen.

    In 2019 heb ik vurig gehoopt dat de BBC Passport to Pimlico zou uitzenden, als medicijn tegen de rampzalige Brexit-verdwazing. Ze hebben het niet gedaan, helaas, waardoor het nu voor de Britten te laat is. Voor Nederland is het nog niet te laat. Een Nexit is nog geen feit, maar de grootste politieke partij roept er steeds luider om en het is naïef, te veronderstellen dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Daarom bij dezen het dringende verzoek aan de Publieke Omroep: vertoon Passport to Pimlico op televisie. Het minste wat het oplevert is een geweldig leuke filmavond.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Satire in de scootmobiel

    Satire in de scootmobiel

    De Italiaanse regisseur, scenarioschrijver en acteur Marco Ferreri (1928-1997) maakte 27 speelfilms, maar wordt vooral herinnerd door één film: La grande bouffe (1973). In de vergetelheid geraakt is dat hij in Spanje zijn eerste drie films maakte. In het dogmatisch katholieke en fascistische Spanje van Franco nog wel, waar de film aan strenge censuur onderworpen was. Een dubbele censuur bovendien, want eerst moest het scenario goedgekeurd worden en daarna ook nog het eindresultaat. Alles wat a- of immoreel was, was voldoende reden om in te grijpen. Wie Ferreri een beetje kende, weet dat het niets voor hem was om braaf in het gareel te lopen. Waarom dan filmen in Spanje? Ik vermoed dat hij zich door de onmogelijke omstandigheden juist uitgedaagd voelde toch zijn scherpe, satirische zegje te doen.

    El cochecito (1960), de derde en laatste film uit zijn Spaanse periode, laat goed zien hoe Ferreri te werk ging. Protagonist is de vriendelijke oude baas Don Anselmo, die je een Madrileens neef van De Sica’s titelheld uit Umberto D. zou kunnen noemen. Op de dag dat zijn boezemvriend Don Lucas en hij traditiegetrouw bloemen gaan leggen op de graven van hun vrouwen, stort Anselmo’s wereld in. De verlamde Lucas heeft namelijk een gemotoriseerd invalidenwagentje gekregen. Hij kan daardoor gaan en staan waar hij wil en heeft Anselmo niet meer nodig. Sterker nog, door zijn scootmobiel heeft hij een hele groep nieuwe vrienden gevonden, die allemaal zo’n ding hebben.

    Logisch dat Anselmo besluit dat hij ook zo’n tof karretje wil. Probleem is alleen dat hij nog kras en kwiek is en dat zijn zoon, bij wie hij inwoont, er niet over piekert om voor zijn kerngezonde vader een invalidenwagentje te kopen. Anselmo ziet met lede ogen aan hoe zijn vroegere vriend er elke dag lekker met zijn nieuwe vrienden op uittrekt (er wordt zelfs een race voor ze georganiseerd die bedacht lijkt door Salvador Dali, zo grotesk ziet het eruit), terwijl hij zelf wegkwijnt op een kamertje bij zijn zoon en schoondochter, die hem met zijn gezeur maar lastig vinden.
    Het krijgen van een gemotoriseerd invalidenwagentje wordt zo’n obsessie, dat Anselmo steeds verder gaat in zijn pogingen om er een te bemachtigen. Uiteindelijk, met tranen in zijn ogen want hij vindt het verschrikkelijk dat zijn zoon en schoondochter hem dwingen zover te moeten gaan, gooit hij rattengif in het eten en koopt hij met van zijn zoon gestolen geld het begeerde vehikel.

    Ferreri draaide twee versies: een voor de censuur en een zoals hij het bedoeld had. In de niet gecensureerde versie ziet Anselmo hoe de lijken van zijn zoon, schoondochter en kleinkinderen het huis uit worden gedragen en slaat hij met zijn karretje op de vlucht. Ver komt hij niet: hij wordt door de guardia civil aangehouden. Bezorgd vraagt hij aan de agenten of hij in de gevangenis zijn wagentje mag houden. In de gecensureerde versie wordt het vergiftigde eten niet opgegeten en komt alles weer goed. El cochecito (in Spanje pas veertig jaar na dato in de ongecensureerde versie te zien en onlangs ook uitgebracht op blue ray) is een juweel van een film vol bijtende, antiburgerlijke, zwarte humor die niet onder doet voor La grande bouffe. Het is Ferreri op z’n best. Een aanrader!

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Komt dat zien!

    Komt dat zien!

    Op internet zag ik een waarschuwing: ‘De film is erg traag, zonder grote gebeurtenissen, kijk alleen als je je verveelt met normale films en iets anders wilt zien.’
    Zo’n waarschuwing is aan mij wel besteed. En de film ook: Thampu, Engelse titel The Circus Tent, van de Indiase regisseur Govindan Aravindan (1935-1991). Een film uit 1978,  behorend tot de op het Italiaanse neorealisme geïnspireerde parallelle cinema of New Indian Cinema, een filmstroming die in de jaren vijftig in de staat West-Bengalen ontstond als alternatief voor de reguliere commerciële Indiase cinema.

    Thampu duurt 130 minuten. Ik had er geen moment van willen missen en was vanaf de eerste minuut geboeid door het schouwspel dat Aravindan (naast filmregisseur en scenarioschrijver, ook muzikant, cartoonist en schilder) op het scherm tovert. Artiesten, muzikanten, een aap, een geit, een luipaard in een niet al te stevig uitziend houten hok, tentpalen, tentdoek en alle verdere benodigdheden van het Chitra Circus – vraag niet hoe, maar alles past op de open laadbak van één aftandse vrachtwagen. De dorpskinderen rennen de auto joelend tegemoet. Het opbouwen van de tent, op de oever van een rivier, is al een voorstelling op zich. Het circus bestaat uit meisjes met een fietsact, jongleurs, een dwerg, clowns, een niet meer zo jonge dame die bevallig met een parapluutje koorddanst, een luipaard die van wankel krukje naar wankel krukje springt en zich halverwege met zichtbare tegenzin door een man op de nek laat nemen. 

    Aravindan nam de film op in het dorp Thirunavaya aan de oevers van de rivier de Bharathapuzha. Een script was er niet. Op de eerste dag werd het circus opgezet en alle inwoners waren uitgenodigd om de voorstelling bij te wonen. Verschillenden van hen hadden nog nooit eerder een circus bezocht. Al snel vergaten ze de camera en de lampen en gingen volledig op in wat ze zagen. En zo gebeurt het wonder. Hoe armoedig de voorstelling ook is, het publiek gaat er volledig in op en leert jou zo beter te kijken: namelijk door de ogen van het oude besje dat haar tandeloze mond wijd open lacht van plezier. En jawel: even later kijk ook jij ademloos naar het kunststukje van een geit op een akelig dunne evenwichtsbalk.

    Het circus blijft drie dagen. De film, zwart-wit en in documentairestijl gedraaid, volgt het wel en wee van de artiesten en van de dorpelingen in het ritme van de opeenvolgende dagdelen. De magie maakt plaats voor melancholie. De koorddanseres doet haar kunstje al 44 jaar, vertelt ze, en ze is moe. En na drie dagen verliezen ook de dorpelingen echter hun interesse. Het gewone leven herneemt zijn loop en het circusgezelschap trekt weer verder zonder een spoor achter te laten.
    In 2022 presenteerde het Filmfestival van Cannes een gerestaureerde versie van Thampu in het programma Cannes Classic.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • De pijn van het afscheid

    De pijn van het afscheid

    Als de Amerikaanse documentaireregisseur James Blue (1930-1980) ergens om herinnerd zal worden, is het om zijn documentaire The March, over de Mars op Washington van 28 augustus 1963 met Martin Luther Kings beroemde toespraak ‘I have a dream’. Maar een jaar eerder leverde hij een film af die nauwelijks minder indrukwekkend is: Les oliviers de la justice. Het is zijn eerste en enige verhalende speelfilm, met een Franse productiemaatschappij clandestien gedraaid (onder het mom dat het een film over de wijnbouw zou worden) in Algerije terwijl de onafhankelijkheidsstrijd gaande was.

    Een volwassen zoon, Jean, een pied-noir, een in Algerije geboren Fransman, is teruggekeerd naar Algerije, omdat zijn vader er op sterven ligt. Deze vader heeft op het Algerijnse platteland een florerende wijngaard aangelegd, zijn levenswerk, die hij echter onder druk van de veranderde maatschappelijke verhoudingen heeft moeten verkopen. Hij woont nu met zijn vrouw in een bovenwoning in Algiers. Zijn sterfbed loopt synchroon met het sterfproces van het Franse kolonialisme. Beelden van de actualiteit in Algiers worden afgewisseld met Jeans herinneringen aan een onbezorgde kindertijd op de familieboerderij. De Algerijnse boezemvriendjes van toen zijn volwassen mannen geworden, die de strijd voor een onafhankelijk Algerije (1954-1962) steunen maar toch ook nog op een bepaalde manier gehecht zijn aan hun vroegere baas, zoals Jean op zijn beurt gehecht is en blijft aan het land en de vrienden van zijn jeugd. 

    Over die wederzijdse gehechtheid en de worsteling om die te verbreken, gaat het. De film is gebaseerd op de gelijknamige roman van Jean Pélégri, die samen met Blue het script schreef en de oude Franse wijnboer speelt. Pélégri was een van de 900.000 Europese Algerijnen die in de maanden na de Algerijnse onafhankelijkheid naar Frankrijk vluchtten. De weemoed en de pijn van het afscheid waarmee Jean door Algiers loopt doen denken aan die al net zo prachtige en net zo vergeten film Déjà s’envole la fleur maigre (1960) van de Belg Paul Meyer over het afscheid van een Italiaanse gastarbeider van de Borinage. Net als deze documentair gedraaide speelfilm bezit Les oliviers de la justice een overrompelende, neorealistische authenticiteit, die het verdriet bijna tastbaar maakt. Een andere overeenkomst is dat beide films, de ene in België, de andere in Frankrijk, jarenlang verboden waren.

    James Blue, die zijn in Amerika begonnen filmstudie afrondde aan de fameuze IDHEC filmschool in Parijs (hij maakte samen met studiegenoot Johan van der Keuken in 1957 de afstudeerfilm Paris a l’aube), zou de rest van zijn leven (veelal korte) documentaires maken. Ook gaf hij les aan de UCLA. Onder zijn studenten waren Francis Ford Coppola, George Lucas, Terrence Malick, Paul Schrader en Jim Morrison. In een artikel uit 1976 schreef hij: ‘In plaats van mensen op te leiden voor een meer dan twijfelachtige carrière in Hollywood, kunnen we ze kanaliseren naar het ontwaken van een gemeenschapsgeweten. Er is genoeg werk voor iedereen.’ 

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Het mooie meisje

    Het mooie meisje

    Op de binnenplaats van een huizenblok in de Litouwse hoofdstad Vilnius danst de 9-jarige Inga, een spichtig meisje met een gezicht vol sproeten, vol overtuiging als een vlinder rond in een kring van leeftijdsgenootjes die haar vertellen hoe mooi ze is. Het is een spel dat ‘het mooie meisje’ heet en Inga ‘is hem’, of in dit geval: is haar. Het zijn de openingsbeelden van de film Gražuolė (1969) van de Litouwse regisseur Arūnas Žebriūnas. Engelse titel: The Beautiful Girl.

    Hoe breekbaar dit kinderspel is, blijkt wanneer er een nieuwe jongen in het blok komt wonen. Het is een botterik die uit jaloezie het spel verstoort en kapotmaakt door recht in Inga’s gezicht te zeggen dat ze helemaal niet mooi is. Integendeel, hij vindt haar een lelijke aap met sproeten. Weg magie. Weg zelfbeeld. Weg plezier.

    Gražuolė, een Litouwse klassieker, gaat over het universum van de kindertijd en het vermogen van kinderen om de werkelijkheid te transformeren door middel van het spel. En in ruimere zin gaat de film over brute lompheid versus onschuld, gevoeligheid, kwetsbaarheid en weemoed, en het vasthouden van de herinnering aan wat verdwenen is. Zo zien we een herdershond die elke dag op de kade zit op de plek waar zijn baasje maanden daarvoor is verdronken. En een oude man die op een bank zit op de plek waar zijn geboortehuis stond voordat het gesloopt werd. 

    Arūnas Žebriūnas (1930-2013) studeerde in 1955 af aan de Academie van Beeldende Kunsten in Vilnius als architect, waarna hij toetrad tot de Litouwse Filmstudio. Hij maakte zijn regiedebuut in 1959 en legde zich voornamelijk toe op het maken van kinderfilms – maar dan niet bedoeld voor kinderen, maar voor volwassenen. Het verschafte hem de gelegenheid om ondanks de censuur in betrekkelijke vrijheid zijn gang te kunnen gaan. 

    De onderliggende politieke boodschap (het is de tijd van de Sovjet-Unie) van Gražuolė is intussen duidelijk. De nieuwkomer krijgt geen naam, maar wie de film ziet snapt direct waar de vernielzuchtige binnendringer voor staat. (Tegenwoordig krijgen Litouwse schoolkinderen vanaf tien jaar gevechtstraining, inclusief het gebruik van wapens. Dat hebben ze niet zelf verzonnen, maar overgenomen van Rusland, waar dat ook gebeurt.)

    Het is de uiterst stijlvolle manier waarop Žebriūnas zijn verhaal brengt, die maakt dat de film veel meer is dan een verkapte vorm van kritiek en een op zichzelf staand, tijdloos en universeel meesterwerkje genoemd mag worden. Hij vertelt zijn verhaal in betoverende metaforen en met een verfrissende lichtvoetigheid, die nog versterkt wordt door de sfeervolle score van de toen net afgestudeerde jazzpianist en componist Vyacheslav Ganelin, die de geest van de liedjes van Françoise Hardy ademt. In 2018 is Gražuolė in Frankrijk ‘(her)ontdekt’ en in de bioscoop en op dvd uitgebracht. Nu de rest van de wereld nog.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Liefde van de kok gaat door de maag

    Liefde van de kok gaat door de maag

    Op het Waterlooplein vond ik jaren geleden de autobiografie van de Zwitserse huisvrouw Rosmarie Buri: Dik en dom. Het is het (on)gewone verhaal van een (on)gewoon leven. Een meesterlijk boek, dat nergens aandacht kreeg maar zich goed zou lenen voor een meeslepende film. Eenzelfde lot trof de uitgave van König Ludwig II speist: Erinnerungen seines Hofkochs Theodor Hierneis, dat in 1953, het jaar waarin Hierneis overleed, verscheen. Dat wil zeggen, totdat regisseur Hans-Jürgen Syberberg er tijdens de research voor zijn film Ludwig – Requiem für einen jungfräulichen König op stuitte en er meteen geschikt materiaal voor een film in zag. En zo verscheen in hetzelfde jaar – 1972 – als Ludwig, ook Theodor Hierneis oder Wie man ehem. Hofkoch wird.

    Aan het einde van zijn leven werd de legendarische sprookjeskoning Ludwig II van Beieren zo mensenschuw dat hij zich volledig terugtrok. Hierneis, zijn persoonlijke kok, was dus één van de weinigen die hem in deze periode van nabij meemaakten. 

    Syberbergs aanpak is van een verbluffende eenvoud. De oude Hierneis neemt de kijker mee langs de plekken waar hij gediend heeft: de paleizen van Linderhof en Neuschwanstein, het Berghaus Schachen, de Linderhof-grot en de Runding-hut. Hij loopt er rond alsof hij er nooit is weggeweest en vertelt in één lange monoloog vol liefde over zijn belevenissen aan het hof. Natuurlijk, zegt hij, moest je altijd rekening houden met Ludwigs slechte gebit: alles moest zacht zijn, zodat er niet gekauwd hoefde te worden. Soep was nooit een probleem, evenals puree, een mousse, en kievietseieren, een in roomboter gegaard forelletje of urenlang gesudderd stoofvlees, dat ging ook nog wel.

    De camera volgt Hierneis, die in de camera vertelt hoe het was. Meer is het niet. De beelden moet je er zelf maar bij bedenken. Eenvoudiger een film maken kan niet en goedkoper en gedurfder evenmin. Een verhaal is er ook al niet, maar je blijft geboeid door de adembenemende tour de force van acteur Walter Sedlmayr (Beiers welvaren, hoedje op), die van Hierneis een gemoedelijke verteller en een aandoenlijke heer maakt. Trots dat hij de koning mocht dienen, ook al zei die nooit dat het eten dat met zoveel toewijding voor hem bereid werd, hem gesmaakt had. Of de liefde van twee kanten kwam, weten we dus niet. Maar de liefde van de kok voor zijn koning was ruim voldoende om voor twee te tellen.

    Theodor Hierneis oder Wie man ehem. Hofkoch wird werd bekroond met de Duitse Filmprijs voor beste acteur en beste non-narratieve film. En dat is een merkwaardige combinatie, die past bij een merkwaardige film, waar je moeilijk een etiketje op kunt plakken. In zekere zin is het een kostuumfilm. Maar dan wel de bijzonderste kostuumfilm die ik ooit gezien heb.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Plaatsbepaling van verdriet

    Plaatsbepaling van verdriet

    Sinds de avond van de verkiezingsuitslagen gonst het in mijn hoofd. Hoe het kan dat een man die in de twintig jaar dat hij zijn extreem rechtse politieke ideeën te pas en te onpas uitkraamde, premier van Nederland wordt. De man die er altijd op uit was de poten onder andermans/-vrouws stoel uit te zagen, zou milder zijn geworden. Iedereen lijkt vergeten hoe hij gewoon is de ander te kwetsen. In mijn hoofd klonk het doorlopend: ‘Oh, no, Not me’. Uit The Man who Sold the World van David Bowie, gezongen door Lulu. Dat kwam door de kleine roman Tenminste voor een bepaalde tijd, die ik in de week voorafgaand aan de verkiezingen las. De vertelling bracht iets teweeg in mijn hoofd. Ik dacht aan de jongen die op zaterdag in een boekhandel werkt. Waar hij schrijvers als Knut Hamsun, Christopher Isherwood, Dostojevski ontdekt. De jongen die op latere leeftijd terugkijkt op een periode in zijn leven die hem gevormd heeft, daar een boek over schrijft dat speelt in het jaar 1974, als hij vijftien wordt. 

    In dat jaar vraagt zijn vriend Nico hem mee naar zijn opa en oma in Klarenbeek. Ze lopen er op een zondagmiddag vanuit Zutphen naartoe. Ik denk aan die wandeling van tweeëneenhalf uur. Ze gaan Frida bezoeken, de zeventienjarige zus van Nico, bij haar grootouders ondergebracht omdat ze zwanger is, vader onbekend. De baby zal vernoemd worden naar de zangeres van The man who sold the world, waar Frida een plaat van had. Op zeker moment gaat de jongen de songtekst analyseren, op zoek naar een aanwijzing, naar de vader van het kind.

    Tussen de gebeurtenissen door, het lijden aan een onuitgesproken verdriet, de verstilling in het gezin van de jongen, is er een plek in de stad die ‘de plaatsbepaling van verdriet’ genoemd wordt. Het is de afstand tussen de plaatsen waar hij zich in dat jaar ophield. ‘De afstand tussen de boekhandel (…), waar ik mijn zaterdagen doorbracht, en Hotel Spaan, waar ik mijn zondagen sleet, was nog geen tweehonderd meter. Precies halverwege stond mijn school en was het fatale kruispunt van het ongeluk. Nog steeds, ook na al die jaren die er sindsdien zijn verstreken, kan ik dit punt niet passeren zonder aan mijn zus te denken.’ Dit beschrijft de verteller als hij na bijna vijftig jaar weer in het stadje rondloopt, waar zijn zus op veertienjarige leeftijd onder de achterwielen van een vrachtwagen vermorzelt werd.

    De impact van de overleden zus zit in de herinnering aan een magere jonge man in het stadspark met een hondje twee jaar na het ongeluk. Daarin herkende de jongen de agent die na het ongeluk de schooltas van zijn zus, ‘die door de klap was weggeslingerd’, kwam brengen. Die ‘klap’ en dat ‘wegslingeren’ hakken erin.

    In de boekhandel noteert de jongen uit een boek van de vrijwel onbekende schrijver Jean de Tinan een regel die deels de titel van het boek is geworden. ‘Alles is onsterfelijk – tenminste voor een bepaalde tijd.’ Een boek vol ideeën en vragen over vrijheid, en de jongen vraagt zich later af: ‘Was ik vrij of gevangen? Was de bewondering die ik, (…) voor Frida voelde, niet juist gebaseerd op het besef dat zíj vrij was en ikzelf niet?’ 

    Dan is er een wending in het verhaal die je niet zag aankomen. Want, is de verteller de vader van het kind van de tienermoeder? Het loopt af met een sisser, maar hee, als je dan opnieuw de openingsscène van het boek leest, bekruipt je het gevoel dat het een vooropgezet plan van Nico en zijn ouders is geweest om de verteller te betrekken in het familiegeheim van de zwangere zus. Maar dan verdwijnt de familie van Frida en Nico. Had ik het al gehad over andere verdwijningen die een rol spelen in het boek? Over een man die boeken, verhalen verzameld over verdwenen mensen. Het is een werkelijk knap geconstrueerde roman met verschillende mysteries die niet allemaal ontrafeld worden. Het leven is geen kloppend geheel, dat is mooi. Het heeft er alle schijn van dat – zoals Carmiggelt een meester was in het observeren van de kleine handelingen – Hans Heesen een meester is in het beschrijven van het achterwaarts beleven van gebeurtenissen uit het leven van een vroegere zelf. Het zou zomaar kunnen dat zijn volgende roman over de botte vader uit Tenminste voor een bepaalde tijd zal gaan.

     

     

    Tenminste voor een bepaalde tijd / Hans Heesen / 126 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft lezend.

  • Welkom in Stockholm!

    Welkom in Stockholm!

    De meest gammele bus die je ooit hebt gezien arriveert op de plaats van bestemming: Stockholm. Hij stopt midden in de stad op Sergel’s Torg, het drukbezochte plein dat toegang geeft tot het centrale metrostation. In de bus zitten negen mannen, illegale migranten uit Turkije. De chauffeur zamelt hun paspoorten en geld in om werk voor hen te gaan regelen. Hij maant de mannen de gordijntjes dicht te houden en niet naar buiten te gaan. De film waar dit het begin van is heet Otobüs. Het is de debuutfilm van Tunç Okan, uit 1975. Via de migranten krijgen we een onthutsend satirisch kijkje op het land dat ze bezoeken. En dat land is natuurlijk niet Zweden, ook al speelt het verhaal zich daar af, maar onze hele westerse wereld. Je zou Otobüs een reisverhaal kunnen noemen in de geest van Gulliver’s Travels.

    De buschauffeur, het zal u niet verbazen, komt niet meer terug, want hij is een ordinaire mensenhandelaar. Terwijl de mannen, uit angst voor ontdekking, niet naar buiten durven, lopen er mensen langs de bus alsof die er niet staat. Wat je niet ziet, bestaat immers niet. Anderen kijken ernaar als naar een curiositeit, om schouderophalend weer verder te lopen. Welkom in Stockholm!

    Regisseur Okan (1942) studeerde in 1963 af aan de Faculteit Tandheelkunde van de Universiteit van Istanbul en kreeg een jaar later via een gewonnen acteerwedstrijd zijn eerste filmrol. In minder dan twee jaar tijd speelde hij in dertien populaire avonturenfilms. Maar in 1967 was hij het beu. Hij verweet de filmindustrie dat zij de Turkse samenleving verdoofde en in slaap wiegde, verliet Turkije en vestigde zich als tandarts in Zwitserland. Met Otobüs maakte Okan zijn entree als onafhankelijk filmmaker met een missie. Er volgden nog drie andere films, de laatste in 2013. Vier films in achtendertig jaar, dat is niet veel. Des te opmerkelijker is het dat over deze weinig bekende regisseur en zijn kleine oeuvre in 2020 in Leiden en proefschrift verscheen van de hand van Tayfun Einar Luxembourgeus, die Okans films ‘grensoverschrijdende cinema’ noemt. 

    ’s Avonds als het donker is geworden wagen de mannen zich naar buiten, op zoek naar iets te eten, water, een wc. Op hun omzwervingen worden ze geconfronteerd met de zelfkant van een wereld die hun volkomen onbekend is. We volgen ze gedurende en aantal dagen. Hun belevenissen zijn rauw en schrijnend zijn, maar soms, plotseling, ook onweerstaanbaar grappig. Zo zijn de scènes op de roltrap – een noviteit voor de mannen – ‘Tatiesk’ hilarisch. 

    Grenzen overschrijden gebeurt zelden ongestraft. De migranten uit Otobüs komen er slecht vanaf: uiteindelijk worden ze door de politie ontdekt en opgepakt. Maar de film zelf lukt het uitstekend. Hij werd bekroond met vijf prijzen, waaronder (op het internationale filmfestival van Karlovy Vary) de Don Quijote Award. Wat een schitterende prijs voor een regisseur met een missie! Inmiddels is de situatie voor illegale migranten er bepaald niet beter op geworden. Zodat Otobüs behalve een sterke, ook een halve eeuw later nog altijd een actuele film is.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.