• Amsterdam Perdu: Hans Groenewegenlezing

    Het luchtige van de zwaarte

    Komende donderdag 5 november verzorgt Anneke Brassinga de eerste Hans Groenewegenlezing. Vrijdagavond 6 november reageren Maarten van der Graaff, Yra van Dijk en Ton Naaijkens in Perdu op Brassinga’s stellingname. Erwins Jans leidt het gesprek.

    De Hans Goenewegenlezing is een initiatief van Stichting Perdu, Poëziecentrum, Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW) en Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, bedoeld om het werk van Hans Groenewegen (1956 – 2013) onder de aandacht te houden en om Groenewegens manier van poëzie lezen voort te zetten. Hij was een empathisch en ambachtelijk lezer met een aftastende stijl die weinig interesse had in op smaak gebaseerde polemiek. Hij was een integer en deskundig criticus.

    Deze eerste Hans Groenewegenlezing wordt verzorgd door Anneke Brassinga, onder de titel ‘Het luchtige van de zwaarte’. Zij zal spreken over twee op het oog tegengestelde richtingen in de poëzie: de opvatting dat poëzie een abstract taalspel is, verwant aan muziek, en de opvatting die poëzie bekijkt als een kunstvorm waarin plaats is voor unieke ervaringen van (of uit) de werkelijkheid.

    Een dag later verzorgen Maarten van der Graaff, Yra van Dijk en Ton Naaijkens de eerste ontvangst van Brassinga’s lezing. Zij zullen een korte reactie uitspreken en vervolgens onder leiding van Erwin Jans met elkaar in debat gaan. Bij de discussiebijeenkomst zal Groenewegens postume boek De lezer. Van poëzie en mystiek, waaraan hij vanaf 2006 structureel  werkte, voor het eerst te bewonderen zijn. Zo zal de aandacht voor poëzie en poëziebeschouwing blijven bestaan.

     

    Foto: Martijn Stronks

  • ‘Ik blijf qua lezen ongelezen’

    ‘Ik blijf qua lezen ongelezen’

    ‘Ik blijf qua lezen ongelezen’

    Hans Groenewegen was poëziecriticus, essayist, redacteur, en samensteller van boeken over dichters. En hij was dichter. Dit jaar overleed hij op 55-jarige leeftijd. Postuum verscheen blijven en verreizen, een bundel gedichten en teksten die 17 oktober 2011 tot 24 augustus 2012 bestrijkt.

    Blijven en verreizen is niet makkelijk; maar niet omdat de teksten complex, hermetisch of hoogdravend zijn. Niet het duiden, maar het lezen veroorzaakt ongemak. Geen poëzie voor in de leunstoel, maar abrupt afgebroken aanzetten, steeds weer andere vormen, stemmen en beelden. Meestal geen titel, maar enkel een aanduiding van datum, tijd en plaats of traject. De ‘ik’ zit bijna dagelijks in de trein, hij richt de blik, naar buiten (de natuur), op de medemens /medereiziger, of naar binnen. Soms vertelt hij over zijn kinderen, soms praat hij opschrift tegen een vrouw die op een ander continent ook on line onbereikbaar is (in de reeks ’tegenwerelden’). En soms noteert Groenewegen een knarsetandende bezinning op het voortschrijdende sterven.

    Mijn sterven onvoltooibaar
    Lezen in blijven en verreizen gaat bij voorbeeld als volgt. Onder ’13/2/ – 16:28 utrecht – rijswijk’ staat:

    hier had ik drie gehalveerde dialogen in de coupé weergegeven.
    iets van die helften intrigeerden me bij hun interactie in mij
    tijdens de reis. bij het herlezen hoorde ik niets dan schrappen.

    Een geschrapte en overschreven tekst, een palimpsest. Een verslag in dichtvorm van een mislukte poging de alledaagse onbenulligheid zin te verlenen door er een gedicht van te maken. Daarop volgt een strofisch, metrisch en rijmend gedicht (14/2 /23:55) – een soort surrealistisch kinderrijm:

    de hemel heeft zijn kat gevild
    en spant het vel over de daken –
    de hemel had een kind gewild […]

    De dag daarop: een mix van ambtelijke taal, sociale satire en natuurbeelden, opnieuw vanuit de trein:

    in de marge alleen maar verbeteringsvoorstellen
    de zon hijst zich uit de sloot en grijpt zijn rode badhanddoek
    complimenten voor zijn afgetrainde lichaamskenmerken
    we zeilen over het ijzer tussen de sneeuwoevers door […]

    Daags daarna is persoonlijker, met de indrukwekkende strofe

    gaf het niet op, raaf
    op mijn schouders, vos
    aan mijn voet, verwachten
    mijn sterven onvoltooibaar

    Op 17/02 ’11:08 rijswijk – amsterdam cs – den haag cs’ worden Facebook- en Twitter-literaten in een sarcastische donderpreek onder vuur genomen, inclusief 19de-eeuwse retoriek:

    maakt gij literatuur over wat ons allen beweegt.
    poëzie ligt op straat, zeg maar, gonst door de trein. […]
    gij moet het schrijvende echt zeggen, wat ik to the point vind
    is dan door u heel treffend voor allen getroffen. alvast dank

    En zo gaat dat een dikke honderd bladzijden voort, in een bonte variatie van genre, stijl en toon. Met soms een woordspelige oneliner als ‘de droeve muis balkeneindigde zich voor de deur van het catshuis.’ Of nogal schampere kritiek op de alledaagse medemens en zijn futiliteiten, en gemeesmuil op een samenleving die zichzelf uitlevert aan markt en commercie. In de afdeling cultuurkritiek valt onder meer te signaleren een uitval naar Gerrit Komrij en de luie lamlendigheid van zijn bloemlezing De 21e eeuw in 185 gedichten. Ook zij die zeggen ‘het is nu 5 jaar geleden dat mijn vriendtheovangogh werd vermoord’ krijgen een veeg uit de pan. Ze zijn als ‘veteranen in Wageningen’ (gevolgd door iets met een afgesneden oor en op elkaar genaaide lippen).

    Vaak wordt de natuur waargenomen, als door een treinraam, en blijft het daarbij. Of wordt de geliefde bezongen in nuchter maar poëtische taal. Zie 2/2 – 19:30:

    met jou woon ik waar ik zonder jou
    nooit woonde, ik durfde zonder je
    nergens thuis te blijven.

    Het is in dergelijke gedichten en teksten dat het onherhaalbare, het onvermijdelijke en het vergeefse en vergankelijke een klemmende verklanking vinden.

    Wisselstoring, herstel, marktwerking
    Enerzijds wekt de bundel de indruk van ‘nog een keer alles uit de kast’ als om te bewijzen wat poëzie en literatuur (en de schrijver) vermogen in het licht van de eeuwigheid, maar anderzijds zijn de teksten vaak doortrokken van verbittering over het onherroepelijke falen daarvan. Dat maakt het lezen van blijven en verreizen lastig. Je wilt geraakt worden, stelt je open voor wat komen gaat, maar voelt je door de auteur op afstand gehouden, eerder overdonderd door zijn beheersing van een breed scala van vormen en stijlen, dan geraakt door ’treffend getroffen’ verwoordingen. Wat variatie lijkt, kan ook stijlbreuk worden. Poëtische teksten laten zich lastig rijmen met bij voorbeeld een ‘letterlijke’ transcriptie van een aflevering van het KRO-therapieprogramma ‘De Rode Kamer’ (20/2 – 20:15) – hoe amusant vernietigend dat ook uitpakt: wat op tv nog kan doorgaan voor integere pogingen om over gevoelens te praten, wordt door het loutere optekenen ontmaskerd als afgesleten pathetische emotiepraat. De tekst, die zich uitstrekt over 6 bladzijden die van kantlijn tot kantlijn zijn volgeplempt met hoofdletterloze zinnen, onthult ook iets over de bundel als geheel: over het fundamenteel tekort schieten van taal en betekenis om te vatten wat ‘men’ voelt en denkt bij wat er gebeurt, en om de vinger te leggen op wat het leven waardevol maakt en wat het bewustzijn van sterfelijkheid daaraan toevoegt. Zo bezien is de rode-kamer-tekst een bouwsteen in een monument van machteloosheid.

    Ook het banaal alledaagse krijgt ruim baan in blijven en verreizen: een verrotte laminaatvloer, kinderen die wel of niet komen, treinen die wel of niet aankomen, en de komst van de lente: ‘de vlier, vriend, langs het zandpad loopt uit, fluitenkruid wordt wakker’… Uiteindelijk lijkt alles in deze toch zo vitale en springerige bundel te verwijzen naar de dood. De kleiner wordende wereld, de machteloze woede – en het afnemen daarvan, de steeds berustender klinkende dichtregels, steeds meer woorden die lijken te verwijzen naar de onontkoombare dood, te beginnen met de titel: blijven en verreizen roept onvermijdelijk vergaan en verrijzen op; opstandigheid, voor wie een stapje verder denkt. En wie dat te ver vindt gaan kan het houden op een verwijzing naar de vele treinreizen en vertragingen die worden gemeld.  Zoals bij voorbeeld in ’15:00 bergen / 16:15 alkmaar – rijswijk / 17:00 beverwijk’:

    wegens een wisselstoring, herstel, marktwerking
    is er geen treinverkeer mogelijk tussen
    reizigers in de richting van wordt aangeraden
    wie telt het op, de marktpartijen hebben geen tijd

    Tot een afscheid komen
    De sterk versnipperde bundel krijgt samenhang in een paar teksten waar de dichter zich lijkt te bezinnen op waar hij mee bezig is. Beter gezegd: waar het gedicht faalt, en de dichter het herneemt om duidelijk te maken wat hem beweegt. Zoals in ‘6-4- / amsterdam zuid / rijswijk 15:42′ (p.60), waarin iets doorschemert van wat hij nastreeft en waarom dat niet (meer) kan. Na een vergeefse poging om de eeuwig veranderende wolken te beschrijven neemt hij een overstap in Leiden en realiseert zich:

    wilde wat onder woorden brengen
    van zo’n onbekende afscheidsroute
    waarvoor ik normaal gekomen
    met alleen wat ander denken
    in het normale hoofd op het normaal
    functionerende lijf, alleen
    een licht verschoven woordenweefsel
    om daar afscheid te nemen
    en tegelijk zolang mogelijk te blijven
    achter het onontkoombaar verdwijnen […].’

    Groenewegen is geen mooischrijver, ondanks het arsenaal aan poëtische technieken en strategieën dat hij tot zijn beschikking heeft. Zijn poëzie is meer van het hoofd dan van het hart – en ook zwaar op de hand, af en toe. Soms wil dat compenseren, zo lijkt het, met woordspel en zelfspot. Zo in gedicht 2/7/ – 22:00, met warempel een titel: ‘joubert’.

    hier is het fijn
    stof – vergeef mijn kort
    van stofheid, humor
    mijn sterkste zijde
    niet meer […]
    de woorden zelf
    bevatten nauwelijks nog lucht
    deze verhaalstof stikstof

    Achter in de bundel is een CD-ROM bijgevoegd die nóg een bundel bevat. Comments die 36 dichters op verzoek van Groenewegen schreven bij de laatste teksten die hij schreef (vanaf 3/8, en inclusief een tekst uit maart 2013 die niet in de papieren bundel staat). Commentaren, maar ook pogingen om iets met het einde van dit oeuvre te beginnen; om het voort te zetten met andere middelen. Zo stroomt Groenewegens poëzie over in die van anderen om ‘zolang mogelijk te blijven / achter het onontkoombaar verdwijnen’. Of, zoals hij zegt in ‘struikeling’ (10/8/ – 22:53): ‘wat ik nieuw wilde schrijven vervloeit met opnieuw schrijven van wat al geschreven is.’


    blijven en verreizen

    Gedichten 17/10 t/m 24/8

    Auteur: Hans Groenewegen
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 110
    Prijs: 19,90

  • Omweg of aanloop?

    Omweg of aanloop?

    Poëziecriticus en dichter Hans Groenewegen is met zorg en vlijt de dichtkunst toegewijd. Niet alleen laat hij van tijd tot tijd scheppend werk van eigen hand verschijnen, maar tussendoor bundelt hij ook zijn poëziebeschouwingen.

    Onlangs verscheen een fikse bundeling van 33 in lengte sterk wisselende maar alle in klein lettertype afgedrukte essays over gedichten en hun dichters, Met schrijven zin verzamelen. Over poëzie in de Lage Landen. Een deel is eerder, al dan niet in andere vorm, gepubliceerd in literaire tijdschriften, een deel is geheel nieuw. Het zijn essays in de ware betekenis van het woord: probeersels, pogingen vat te krijgen op het onderwerp, in casu: de Nederlandstalige poëzie. Nu is Groenewegen in de wereld van de poëziebeschouwing niet de eerste de beste. De flaptekst heeft het over ‘meer dan een kwarteeuw’ dat Groenewegen reeds op het aambeeld van de Nederlandstalige dichtkunst hamert. Hij gaat daarbij de gedichten niet volgens een standaardmethode te lijf. Geen ingesleten leesgewoonten. In plaats daarvan pleit hij voor het memoriseren van de gedichten. Het uit het hoofd leren zou namelijk het lek boven water kunnen halen, omdat die versregels of woordcombinaties welke zich moeilijk in het geheugen laten griffen, een mogelijkheid bieden het vers binnen te dringen. Maar dan heb je nog slechts een beginnetje. Een lange weg moet vervolgens worden bewandeld om het hele vers af te leggen. ‘Blader niet los lezend en snel oordelend door poëzie’, houdt hij zijn lezer vermanend voor. Poëzie lezen is dan ook een oefening in geduld. Eerdere lezingen zullen niet zelden moeten worden hernomen, stellingen verlaten, verwachtingen opgegeven. Eerst op een striptease van vooringenomen standpunten kan een aarzelend aankleden volgen van nieuw gelegde verbanden en associaties. En lang niet altijd zal het gedicht in kwestie in een passend kostuum van adequate uitleg en interpretatie kunnen worden gehesen. Dat zou ook niet des Groenewegens zijn. Hij wenst de gedichten genoeg weidegrond te geven opdat ze niet verstikken in de wetenschappelijke megastallen, waar het gelijk van de poëzieprofessor meer telt dan het welzijn van het vers. Groenewegen heeft dus goede papieren. Maar levert hij daarmee een goede essaybundel af?

    Wat voor Groenewegen pleit is dat hij bepaald niet de krenten uit de pap selecteert voor zijn beschouwingen. Niet uitsluitend dichters met een A-status. Maar hij verantwoordt zijn eigen keuze helaas niet. Het heeft er de schijn van dat hij een willekeurige greep heeft gedaan uit het Nederlandse en Vlaamse poëzieaanbod van de afgelopen, pakweg, 15 jaar. Met een diepgravend essay over Karel van de Woestijne als welkome vreemde eend in de bijt. De enige behandelde dichter die langer dood is dan dat hij heeft geleefd. Wie Groenewegens essays gelezen heeft kan niet zeggen dat hij de hoogste toppen van de poëzie uit de Lage Landen heeft bestegen. Eerder trekt een legertje dichters voorbij van wie men alle namen niet zal kunnen onthouden en bij een enkeling daarvan valt dat zelfs weinig te betreuren. Want lang niet alle gedichten die de revue passeren zijn in gelijke mate de moeite waard. Naast de mindere goden is ook een stelletje zwaargewichten present, onder wie Leonard Nolens, Dirk van Bastelaare, Benno Barnard, Charles Ducal, Gwy Mandelinck, Peter Verhelst en Kees Ouwens. Maar Groenewegen pretendeert niets met zijn keuze en dat valt eigenlijk toch te betreuren. Op een kwaliteitsoordeel van deze essayist wacht men hier dan ook vergeefs. Wie aan deze bundeling begint met de hoop een abc van-hoe-de-hedendaagse-poëzie-te-lijf-te-gaan aangereikt te krijgen, zoals Paul Rodenko destijds de moderne lezer in zijn Goed-Wonenstoel de Vijftigers liet begrijpen, komt bedrogen uit. Dat is Groenewegen zijn goed recht, maar heeft toch ook de lezer geen recht op een verantwoording van de hier gepresenteerde gedichten? Vond Groenewegen ze representatief voor het een of ander? Mooier, sprekender, overtuigender dan andere? Het blijft gissen. Een ander aspect waarin Groenewegen dan wel de Wereldbibliotheek zijn lezers niet tegemoet komt is de keuze om met eindnoten de dwangmatige notenkrakers onder hen tot wanhoop te drijven. Wanneer komt Brussel eens met een verbod op eindnoten? Gebruik toch de marge onderaan de pagina voor die dingen. Of plaats ze desnoods direct achter het essay, maar nooit meer op een hoop geveegd achterin het boek…

    Een vraag diende zich gaande het boek aan: welke lezer heeft de auteur op het oog gehad? Ten behoeve van wie is het geschreven? De toon is niet licht te noemen. Eerder eentje die past bij iemand die zich nauwgezet tot de poëzie bepaalt, maar het academische jargon buiten de deur houdt. Groenewegen haalt intussen wel een en ander overhoop: Van de dichters die niet zelf hoofdonderwerp van handeling zijn kom je God, Lucebert, Kouwenaar en Rimbaud het vaakst tegen, maar ook Karl Marx, Walter Benjamin, John Stuart Mill, Maurice Merleau-Ponty draven langs. Maar ze dienen niet louter als schoudervulling voor ’s mans wijsheid, want daarvoor heeft Groenewegen zich te goed de wijsheid van het als motto gekozen citaat van Canetti ter harte genomen: ‘Der Größenwahn des Interpreten: er fühlt sich um seine Interpretation reicher als das Werk.’

    Zeker is wel dat zijn lezers over een stevige maag moeten beschikken en zich niet door dichtbedrukte pagina’s uitleg over poëzie uit het veld moeten laten slaan. En niet moeten geeuwen bij passages als deze: ‘De consequentie van de dialogische instelling is dat Nolens zich in zijn poëzie bij voortduring op ‘de buitenwereld’ richt. Hoewel met het begrip ‘bres’ een nieuwe subjectiviteit in zijn oeuvre  aan het woord komt – een wankel ‘wij’ waarover in een ander verband veel te zeggen is – is de ethische vraag naar aard en kwaliteit van de verhouding tussen ‘ik’ met zijn private (binnen)wereld en de ander daarbuiten voortdurend aan de orde.’ Heel soms ontstond er met het lezen van Met schrijven zin verzamelen iets van tegenzin tegen verder lezen. In zulke gevallen leken de gedichten makkelijker te volgen dan Groenewegens exposé daarover. En dat kon toch niet de bedoeling zijn. Dat zijn uitleggingen tussen de lezer en de gedichten gingen staan. Een interpretatie moet een aanloop tot het gedicht tonen en geen omweg.

    Maar zijn uitgebreide beschouwingen over Ouwens, Van de Woestijne, Nolens, Gerbrandy en het meer polemisch getoonzette eerste betoog Een gedicht een ketting losse noten, mogen er stuk voor stuk zijn. In laatstgenoemde essay klinkt ook meer van Groenewegen zelf door, deelt hij hier en daar een stootje uit aan deze of gene en komt zowaar iets van humor om de hoek in een zin als: ‘Zo verloopt het bij alle andere auteurs, alsof die allemaal lid zijn van een verzetsgroep tegen close reading.’ Misschien mist dat het meest in deze bundel: persoonlijke toon, beetje venijn en ietwat humor.

    Het zal duidelijk zijn dat dit naar een eindoordeel van enerzijds/anderzijds tendeert. Met die tweeslachtigheid waarin het boek je achterlaat blijf je enigszins in je maag te zitten, want liever steek je onvoorwaardelijk de loftrompet over Groenewegens pogingen om in deze tijden niet zuinig voor de dag te komen met zijn onvermoeibare toewijding aan de dichterij. Wie zendt er anders nog een essay van 14 pagina’s over wijlen Kees Ouwens de wereld in?

    Toch bleef er na lezing vaak te weinig hangen van zijn betoog. Wel weet hij je ervan te overtuigen hoezeer uit de door Rimbaud gedane uitspraak dat het fout is ‘om te zeggen “ik denk”. Het zou moeten zijn; “Men denkt mij”’ de consequenties zijn getrokken door menig dichter, tot in onze tijd toe. In een nieuw boek van Groenewegen zou hij zijn persoonlijke verhouding tot de poëzie wat scherper mogen laten uitkomen. Iets van zijn neutraliteit inruilen voor partijdigheid. Graag een boek waarin hij ronduit gaat zeggen wat hij mooi vindt aan de gekozen gedichten en waarom, als het even kan. Eenvoudigweg een gedicht van a tot z doorlopen is één ding, maar lezers attenderen op de verbluffende schoonheid van een enkele regel kan ook het aandeel poëzie in onze 2.0 cultuur in waarde doen stijgen. Dat zulks hard nodig is iets waarover Groenewegen niet de minste twijfel laat bestaan. Zijn inzet verdient dan ook veel sympathie.

     

  • ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’

    ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’

    Sinds jaar en dag geldt het (post)modernisme als de voornaamste stroming in de Nederlandse kunst – en misschien wel het sterkst in de poëzie. Het is een behoorlijk gecompliceerd fenomeen, maar het uitgangspunt is simpel: zoek niet naar een verscholen boodschap, betekenis of Antwoord, want het enige Antwoord dat het kunstwerk je kan geven is dat dit Antwoord niet bestaat. Om een goede impressie van dit gedachtegoed te krijgen, doet men er goed aan het korte verhaal La continuidad de los parques (in het Engels vertaald als The Continuity of Parks) van Julio Cortázar te lezen, of, dichter bij huis, gedichten als ‘Oote’ van Jan Hanlo en ‘Koppig’ van Mustafa Stitou. Decennialang hebben de (post)moderne denkbeelden het culturele wezen bepaald. We danken er canonieke meesterwerken als Joyce’ Ulysses, Hermans’ De donkere kamer van Damokles en Mulisch’ Siegfried aan.

    De jaren ’90 waren overwegend postmodernistisch van aard, maar sinds het begin van dit millennium zijn er tekenen dat dit postmodernisme in kracht afneemt en langzaamaan plaats maakt voor een heropleving van twee sentimentele stromingen: een modern neoclassicisme en een moderne neoromantiek. En in dit licht neme men een blik op Hans Groenewegens dichtbundel Van alle angst ontdaan (2011).

    Als een dichtbundel begint met de zin ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’, maakt dit indruk. Het roept een lugubere sfeer op, doet denken aan de verhalen van E.T.A. Hoffmann en heeft een sterk beeldend karakter. We zien de dood zo voor ons. Dit beeldende aspect is tekenend voor alle poëzie van Groenewegen. Zijn gedichten zijn schilderijtjes met grote onderwerpen. Meestentijds zijn deze onderwerpen niet erg opgewekt. Ze missen het beweeglijke van Oosterhoff en het onschuldige van Tellegen. Ze handelen over angsten, over eenzaamheid en over passionele, maar van genegenheid beroofde liefde.

    Het zou te ver voeren alle gedichten uit de bundel hier afzonderlijk te bespreken, maar enkele juweeltjes mogen niet ongenoemd blijven. Zo is er een prachtig gedicht dat begint met: ‘hij draait zich om bij de deur/ de kinderen lopen de zee in/ de naaldbomen besluiten te blijven’, en dat hier vervolgens op varieert. Ook in dit gedicht zien we dat er veel beeldende taal wordt gebruikt. De sfeer is tragisch, maar de achterliggende gedachte lijkt niet donker. We hebben hier te maken met een bijzonder uitvloeisel van een 21ste-eeuwse neoromantiek, ontdaan van de christelijke signatuur die voorheen zo van belang was. Het gedicht schetst eenzame taferelen, met een tragische noot. Het slotakkoord laat ons in verwarring achter: hoe nu verder?

    Deze neoromantische insteek treffen we ook aan in zijn gedicht ‘groningen’, dat een landschap beschrijft dat zó van een schilderij van John Constable kan worden geplukt (‘in hope op zegen van behaaglijke/ veilige slaap onder dit oude hoge/ land in de schaduwval van de hoogzee’). Ook hier vinden we stilte, een vleugje weemoed en een liefde voor de natuur. In zekere zin lijkt dit gedicht op Marsmans beroemde ‘Herinnering aan Holland’, ware het niet dat Groenewegens poëzie romantischer is en, zoals de titel van de bundel ons meldt, ‘van alle angst ontdaan’. De wereld moge dan tragisch van karakter zijn, het is aan de mens om dit accepteren.

    Het zij duidelijk dat het hier méér betreft dan een louter poëtische tendens. In de filmwereld manifesteert deze moderne neoromantiek zich enigermate (zie bijvoorbeeld het immense succes van de fantasyfilms en van de heruitgave (!) van Walt Disney’s The Lion King), maar ook in de literatuur (de historische roman is welhaast ongekend populair) en zelfs in de muziek (beluister het fenomenale The Resurrection of the Wrong van Orange Skyline als voorbeeld).

    Een andere heropleving, die van het neoclassicisme, zien we ook terug in Groenewegens bundel, zij het in mindere mate. Het met stip mooiste gedicht uit zijn werk, getiteld ‘doodsengel te wierum’, doet denken aan dat schitterende beeld van Canova, Amor en Psychè. De hoofdpersoon van het gedicht, de doodsengel, wordt even teder afgeschilderd: ‘soms als hij hier is gaan zitten/ vouwt hij om zijn knieën zijn vleugels/ en heeft hij geen oog voor de velden’. Zijn waarnemingen van de wereld lijken uit Ovidius’ Metamorfosen te stammen. Wat de doodsengel om zich heen ziet, is Romantiek. Hij is classicisme.

    Het is erg zonde dat Hans Groenewegen niet is opgenomen in de canoniserende bloemlezingen van Komrij of Pfeiffer. En ja, natuurlijk zijn er ook enkele mindere gedichten in zijn werk aan te wijzen, zeker die waarin hij zich wat teveel vrijheid veroorlooft, maar ach, dit valt al met al in het niet bij de krachtige meesterwerkjes die Groenewegen verspreid door de bundel heeft geschilderd. Een glas wijn, een symfonie van Richard Strauss, Caspar David Friedrich aan de muur en dan als voorafje op Goethe of Victor Hugo een paar gedichten van Hans Groenewegen. Heerlijk.

     

     

  • De Lezer, bij Perdu

    Op vrijdag 24 oktober krijgt de Perdu-reeks ‘De Lezer’ een vervolg in reeds de vijfde aflevering. Een kleine mijlpaal, die meer belooft, want in deze wonderlijke interviewformule is nog geen dichtersgesprek hetzelfde geweest, en er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit in deze aflevering anders zal zijn.

    De Lezer is een reeks poëticale vraaggesprekken tussen een dichter en een geoefende lezer, met één bijzonder kenmerk: het is de dichter die de vragen stelt over zijn eigen werk, De Lezer die antwoordt. Dat levert spannende, broeierige en soms ongelooflijke gesprekken op, met een totaal nieuwe insteek en een verrassend poeticaal resultaat. Nieuwe inzichten onstaan, zowel bij het publiek als bij de dichters zelf. Grenzen worden, tot het uiterste, afgetast: tussen een dichter en zijn werk, tussen lezer en dichter, tussen lezer en gedicht.

    In deze aflevering ondermeer Hans Groenewegen over zijn nieuwe bundel zuurstofschuld, die op 2 oktober bij Uitgeverij Wereldbibliotheek verschijnt. Hij interviewt dichter, schilder en ontwerper Bas Geerts. Annemieke Gerrist bespreekt haar bundel Waar is een huis met Lonneke de Groot, curator en onderzoeker op het gebied van de fotografie.

    Aanvang: 20.30 uur
    Zaal open: 20.00 uur
    Met: Hans Groenewegen, Annemieke Gerrist, Bas Geerts en Lonneke de Gro