• De aarde brengt geen graan maar angst voort

    De aarde brengt geen graan maar angst voort

    Het is 26 juli 1923, een snikhete dag waarop laat in de middag een flinke onweersbui los zal barsten. Een meisje en een man worden om zes uur ’s morgens wakker in hun smalle ijzeren bed in Berlijn. De geldontwaarding in de Weimarrepubliek wordt alsmaar erger. De dollar staat ’s morgens op vierhonderdveertienduizend mark en ’s avonds op zevenhonderdzestigduizend. Op 8 augustus – we zijn dan halverwege de vuistdikke (835 dichtbedrukte pagina’s) van Wolf onder wolven – staat hij op vier miljoen mark méér. En nog een week later is dat honderdzestig miljoen. Hoe overleef je dat?
    Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen) beschreef het in zijn roman, veertien jaar nadien. Hij zat zelf omstreeks 1923 een paar keer gevangen en leed aan alcoholverslaving. Hij wist waarover hij schreef.

    De belabberde situatie in Duitsland was een gevolg van de vrede van Versailles die het land na WO I diep vernederde. Het werd door de overwinnaars tot op het bot uitgekleed en opgezadeld met niet op te brengen herstelbetalingen. De repercussies daarvan waren voelbaar in het dagelijkse leven van elke Duitser. Iedereen probeerde op zijn eigen manier het hoofd boven water te houden.

    Gokken

    Wolf onder wolven is door de vele verhaallijnen en verwikkelingen tamelijk complex. De roman telt bovendien ongeveer honderd personages, waarvan zeker vijfentwintig prominent figureren. Je raakt naarmate de lezing vordert af en toe de draad kwijt in de doolhof van verbindende schakels en de veelheid van perspectieven en stemmen, maar als je je overgeeft aan de tekst raak je steeds meer bedwelmd door de beschrijving van de over elkaar buitelende ontwikkelingen en stemmingen. Wolf onder wolven leest zelfs als een heuse pageturner.

    Naast de torenhoge inflatie is er een tweede gebeurtenis die Fallada verwerkte. Dat is de mislukte Küstrinputsch onder leiding van majoor Buchrucker die plaatsvond omdat sommigen vonden dat de regering te weinig deed tegen de bezetting van het Ruhrgebied door Frankrijk.
    Küstrin was een vesting aan de Oder, die in de roman Ostade heet; Buchrucker is te herkennen in majoor Rückert. In die omgeving speelt het tweede deel (na Berlijn als locatie van het eerste) van de roman zich grotendeels af: we bevinden we ons hier in het fictieve Neulohe ‘op het uiterste puntje van de Neumark (…) bijna tegen de Poolse grens’.

    Hobbes

    Beide locaties gaan op hun eigen manier om met de crisistijd. In Berlijn is het vooral de zelfkant die probeert zich overeind te houden in prostitutie of door te gokken. De jonge Wolfgang Pagel, zoon van een welgestelde moeder, is zo’n gokverslaafde. Hij pikt de armoedige Petra Ledig op uit ‘het leven’ en gaat met haar samen wonen bij de hospita Thumann. Het stel wordt wegens wanbetaling al snel uit huis gezet (Petra ontdekt later dat ze zwanger is) en komt gescheiden en onwetend van elkaars lot in politiecellen terecht.

    ‘Het is een vraatzuchtige tijd, Wolfstijd. Zonen hebben zich tegen hun ouders gekeerd, hongerige wolven tonen elkaar hun blikkerende tanden – de sterke zal leven! Wie zwak is sterft! Tussen mijn tanden!’ Het is een duidelijke verwijzing, ook al in de voornaam van Pagel, Wolf of Wolfgang, naar de opvatting van filosoof Thomas Hobbes dat zelfzuchtigheid ten koste van de ander in de mens is ingebakken (‘Homo homini lupus est’).

    Intriges

    Op het platteland probeert de oude adel te redden wat er te redden valt. Ze is in het bezit van vastgoed, zoals kastelen en bezittingen die worden verpacht. Baron Von Teschow is eigenaar van twee landgoederen waaronder Neulohe en een groot bosareaal. Via de oude kameraden uit het leger, Von Prackwitz, pachter en schoonzoon van de baron, en Von Studmann, die in Berlijn een hotel leidde maar op straat is gezet, belandt Pagel op Neulohe. Hij wordt er opzichter over het personeel.
    Het is een wereld vol uitbuiting, intriges, roddels en verdachtmakingen en plunderingen van de velden van de pachter door de armste bevolking. Niemand vertrouwt nog iemand. Bovendien hangt er een voortdurende dreiging van in de bossen verscholen veteranen, na de oorlog uitgespuugd door een leger dat na ‘Versailles’ niet meer mocht bestaan. Ze zijn uit op een putsch. Kortom: ook op het platteland regeert de ‘wolfstijd’.

    Speenvarken

    Fallada vertelt in Wolf onder wolven niet het politieke en algemeen maatschappelijke verhaal van de moordende inflatie in Duitsland, maar laat ons die beleven aan de hand van individuele karakters in alledaagse omstandigheden. Alle belangrijke personages komen tot leven in al hun eigenaardigheden en individuele trekken. Daarbij voert Fallada vaak koddige scènes op rond amoureuze relaties, ontrouw, ruzies, klungelige opzet van de putsch en al dan niet zoekgeraakte brieven, zonder dat de roman een klucht wordt. Er zit dan ook veel humor in de vertelwijze van de auteur. Soms is die woordspelig als in: ‘Stel dat hij zich in wanhoop een kogel door zijn hoofd schoot – iemand van minder kaliber dan hijzelf zou daar in zijn situatie heel goed toe kunnen besluiten’. Veelvuldiger zijn de komische generalisaties die zich in de hoofden van de personages hebben vastgezet zoals wanneer Von Teschow zegt: ‘De mens is nu eenmaal geboren om te jammeren, dat zeg ik u, mijn beste Von Studmann! Zodra hij geboren is gilt hij als een speenvarken en als hij doodgaat rochelt hij als een oude bok en in de tussentijd blijft hij maar mekkeren’. Of de verteller als hij het heeft over de in onmin met zijn vrouw geraakte Von Prackwitz: ‘Een man naar wiens pijpen een vrouw twintig jaar heeft gedanst, zal nooit begrijpen waarom ze dat opeens niet meer doet’.

    Het is niet een humor die, naar het aforisme van Godfried Bomans’, ‘overwonnen droefheid’ is, maar een die dat verdriet juist accentueert. Er schuilen verholen agressie en fatalisme onder: ‘Wachtmeester Leo Gubalke, die dagelijks met opgewonden vrouwen van doen heeft, is er vast van overtuigd dat ook vrouwen verstand kunnen hebben. Maar het is een ander soort verstand dan dat van mannen, en het is compleet zinloos hen van iets te willen overtuigen waarvan ze niet overtuigd willen worden’.

    Angst

    Wolf onder wolven zuigt je op een meeslepende manier mee in een jaar uit de Duitse geschiedenis waarin iedereen geloofde dat hij bedrogen werd als hij dat zelf niet als eerste deed. Het motto: ieder voor zich. Iedereen werd door die geest geïnfecteerd: ‘De aarde brengt geen graan voort, maar angst, besmettelijke angst. Een generatie vol angst’.

    Toch geeft Fallada één van zijn protagonisten deze gedachte in: ‘Welbeschouwd bestaat het leven uit louter nederlagen. Maar desondanks leeft een mens, dat o zo taaie en onverzettelijke schepsel, verder en is blij dat hij leeft…’.

    Twee mensen laten zien dat de mens niet gedoemd is anderen te verdrukken. Dat zijn Wolfgang Pagel en Petra Ledig. Wolf onder wolven is daarmee tevens een ontwikkelingsroman over deze twee die na een onderlinge breuk los van elkaar groeien naar onafhankelijkheid en inzicht en zo verantwoordelijkheid leren nemen voor hun leven. Het laatste hoofdstuk refereert aan de opening van de roman. De man en de vrouw worden ’s morgens in een bed in Berlijn wakker. Een fris briesje beweegt de gordijnen. Wolfgang is door alles wat hij meemaakte sterker geworden. Petra heeft ontdekt dat het geluk ‘niet afhankelijk [is] van dingen buiten haar, het zit in haarzelf, als de kern in een noot’.

     

     

  • Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    In een tijd waarin de status ‘herontdekt’ een boek de beste papieren geeft om een verkoopsucces te worden, verschijnt met Een waanzinnig begin alweer het vijfde boek bij uitgeverij Cossee van de ‘herontdekte’ Duitse schrijver Hans Fallada. Geschreven in de warrige tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog, had het niet veel gescheeld of het boek zelf was er niet geweest. De auteur was niet zo met het resultaat in zijn sas. Naast de ‘nederlagen van het dagelijkse leven en de depressies, ziektes en moedeloosheid’ had er ook wat hoopvols tegenover moeten staan. Maar daar is het niet van gekomen, klinkt hij verontschuldigend in zijn voorwoord en daarmee is het boek eigenlijk meer een ‘ziektegeschiedenis’.

    Dat het tóch is gepubliceerd, is vanwege het ‘waarheidsgetrouwe’ karakter. Niet dat het geen roman zou zijn, want niets wat erin beschreven is, is werkelijk zo gebeurd. Maar het had allemaal ‘zo kunnen gebeuren’… En zo laat dit ‘document humain’ goed zien hoe Duitsland zich na de verloren oorlog op het nulpunt bevindt, en hoe het tot wanhoop vervallen volk het opportunisme tot levenskunst verheft. ‘Hoe bijna alle mensen hun geloof kwijtraakten en uiteindelijk toch een klein sprankje moed en hoop terugvonden’. De opflakkeringen van hoop die het hoofdpersonage dr. Doll ten deel vallen zijn vooral aan zijn morfineverslaving te danken. En aan het feit dat diezelfde Doll schrijver is van professie en verrassend veel weg heeft van Fallada zelf, dankt dit boek zijn sterk autobiografische karakter. Maar wat heet autobiografie bij een schrijver wiens leven leest als een roman? De opportunist, alcoholist, flessentrekker en opiumverslaafde die Fallada was, kon in ieder geval ruimschoots uit eigen ervaring putten om zijn hoofdpersoon gestalte te geven.

    Fallada ontziet zijn alter ego allerminst. En op zijn beurt voelt Doll zichzelf –  gelukkig voor de lezer –  slecht genoeg om zich niet boven zijn medemens verheven te voelen. De enigen die een voorbeeldige rol vervullen zijn de Russen. Het Rode Leger wordt hier niet afgeschilderd als een plunderend stelletje groepsverkrachters. Integendeel, ze wijzen je in het donker de weg en zijn niet te beroerd de deur voor je open te houden. Dit smetje, een knieval voor de communistisch gezinde, naoorlogse uitgever van Fallada, ondergraaft natuurlijk enigszins de documentaire waarde van het verhaal. Maar in dit boek komen de bevrijders uit het oosten nauwelijks voor en daarnaast zijn de expliciete verwijzingen naar de politieke crew van Hitler, Churchill of wie dan ook op de vingers van een hand te tellen. De auteur van Kleiner Mann, was nun zweert ook in dit boek weer bij de gewone man. En aangezien Fallada hier zijn eigentijdse wereld beschrijft, blijft de lezer verschoond van obligaat vertoon van research waarmee tegenwoordig menige historische roman wordt ontsierd.

    Het verhaal omvat de periode van eind april 1945 tot juli 1946 waarin in filmische stijl de wederwaardigheden van de sterk op elkaar betrokken 52-jarige dr. Doll en zijn 28 jaar jongere vrouw Alma worden uitgetekend. Na een nachtmerrieachtige ouverture, ziet het er in het begin nog even hoopvol uit. Doll en Alma lijken als enigen in hun Duitse provinciestadje hogere verwachtingen te hebben van de Russen dan van de verdreven nazi’s, als gevolg waarvan ze dan ook door hun stadgenoten met de nek worden aangekeken. Het besef echter evenzeer Duitser, en dus evenzeer deel te hebben aan de slechtheid en misdadigheid van zijn volk, wordt Doll bijgebracht door de wijze waarop Russische officieren zijn ingestuurde welkomstgroet ‘Tovaritsj’ negeren en hem daarbij zelfs aankijken als was hij een ‘verachtelijk dier’. Hij mag dan wel geen gemene zaak met de nazi’s hebben gemaakt, hij behoort intussen niet minder tot dit afzichtelijke volk dat zich door zijn nazimisdaden tot in alle uithoeken van de wereld gehaat heeft weten te maken. Als koeherder respectievelijk zakkendraagster zien we het echtpaar de eindjes van hun schamele bestaan aan elkaar knopen. Maar door ‘een reeks van toevalligheden’ – het verhaal verspringt van scène tot scène –  wordt Doll door de plaatselijke Russische commandant tot burgemeester van zijn stadje benoemd. Daarmee zien zijn medeburgers hun meest gehate man tot hun burgervader gemaakt. Maar Dolls aanpak van profiteurs en zwarthandelaren is weinig succesvol, al tekent Fallada enkele meesterlijk ten voeten uit. Zijn medeburgers zitten niet op zijn politieke standpunten te wachten en keren zich massaal tegen hem. Doll ziet dat het Duitse volk zijn verlies niet naar behoren weet te dragen. ‘Ze hadden niets meer dat de moeite waard was om te verbergen, deze mensen uit een volk dat zijn nederlaag zonder enige waardigheid en zonder de geringste fierheid droeg.’

    Maar in Dolls eigen gedrag is de waardigheid soms ook ver te zoeken: na zijn toespraak namens het nieuwe stadsbestuur van de officieren van het Rode leger, is hij te beschonken om naar huis te lopen. Het morele verval van Duitsland wordt niet met opgeheven vingertje verhaald; het wordt door Doll gediagnosticeerd met de machteloosheid het een wending ten goede te geven en het besef zelf niet veel beter te zijn. ‘Hij was zelf een van die Duitsers, hij was een Duitser, een woord dat overal ter wereld een scheldwoord was geworden. Hij was een van hen, er was niets wat hem van de anderen onderscheidde. (..) hij kon ze niet meer haten, alleen al omdat hij een van hen was. Hem resteerde alleen krachteloze verachting – en zichzelf verachtte hij niet minder dan alle anderen.’ Kon hij zichzelf en de mensen om hem heen eerst nog de kracht toewensen hun lot te dragen, gaandeweg maakt apathie zich van hem meester en grijpt de depressie hem bij de kladden. ‘Nee, hij zat daar gewoon, zonder heldere gedachten. Als hij zijn gemoedstoestand had moeten beschrijven, had hij misschien gezegd dat er in zijn binnenste niets dan mist was, grijze, ondoorzichtige mist, waar niets doorheen kon dringen, geen blik, geen geluid. En verder niets meer…’

    Uit pure machteloosheid zakt Doll in een zware depressie weg. Daarmee kan de ziektegeschiedenis eerst echt los gaan en dient de morfineverslaving zich weldra aan. Zowel bij Doll als bij zijn vrouw, als bij zovele ‘mensen die net als hij wanhopig waren over zichzelf en over Duitsland, mensen die onder de last van alle vernederingen en schaamteloosheid waren ingestort en hun toevlucht hadden gezocht in kunstmatige paradijzen. Allemaal zochten ze – net als hij – de ‘Kleine Dood’. (…) Overal dezelfde vlucht uit het heden, de weigering de last op hun schouders te nemen waarmee de smadelijke oorlog alle Duitsers had opgezadeld.’

    De handeling heeft zich naar Berlijn verplaatst waar Doll en zijn vrouw een woning bezitten. De stad is ondergedompeld in een lugubere sfeer. Hebben ze zich eerst nog verkneukeld bij het vooruitzicht tot rust te komen in hun vertrouwde huis, gaande hun tocht door het nachtelijke Berlijn, tussen kraters en puinhopen, zien ze hun kansen hierop steeds verder slinken. Uiteindelijk treffen ze hun huis weliswaar in redelijke staat aan, maar de verrotting toont zich in zijn nieuwe bewoners aan wie de woning door de Dienst Volkshuisvesting is toegewezen. Deze laten zich niet zomaar uit de woning redeneren en tonen zich gretig slachtoffer van van alles en nog wat en allesbehalve schuldig voor het jammerlijk verdwenen huisraad. De oorlog heeft het echtpaar Doll veel ontnomen, maar van hun beider verslaving komen ze maar niet af. Niet bij machte de misère het hoofd te bieden, laten zij zich verleiden door de morfine en de geborgenheid van een gehospitaliseerd leventje: ‘Nu gaan we in behandeling – we zijn opgebrand -, dus nu gaan we gewoon lekker luieren.’ Zelfmoord wordt nog overwogen: ‘hij verzamelde informatie over cyaankali, morfine, scopolamine, over de doses die gegarandeerd een dodelijke werking hadden (…) hij wilde er klaar voor zijn als hij te eniger tijd genoeg kracht zou bezitten om ‘het’ te doen, om de enige uitweg te benutten die een Duitser vandaag de dag nog overbleef.’

    Maar wonderwel kleurt het verhaal nergens inktzwart. Dat is te danken aan de Fallada’s stijl, die pendelt tussen hoop en wanhoop. Na een klein ontbijtje kan alles er meteen ‘hoopvoller’ uitzien, maar even verder leest men: ‘Het zal allemaal duidelijk worden, al zat het meestal niet mee.’ De Dolls ondervinden steun aan elkaar, al slepen ze elkaar ook mee in hun verslaving. ‘We staan aan de rand van de afgrond’, stelt hij dan ook vast. Beschrijvingen van een wonderlijke stoet morfineverslaafde doktoren en een met zelfdoding flirtende arts, geven het boek hier en daar groteske allure. Maar de toon slaat niet door naar cynisch effectbejag, en aan de andere kant krijgt onverhuld moralisme ook geen kans. In Een waanzinnig begin ironiseert de verteller Dolls doen en laten te zeer om het een eenduidige kant op te sturen. ‘Als hij serieus nog eens aan het werk wilde gaan en iets wilde betekenen, dan kwam het alleen op hemzelf aan: hij moest zelf zijn apathie overwinnen, opstaan, het vuil van zich afkloppen en aan het werk gaan. Maar zover was Doll op dat moment nog lang niet. Toen het eindelijk vrede was, dacht hij nog lang dat iedereen erop zat te wachten om hem weer op de been te helpen.’ Maar zijn herstel gaat met vallen en opstaan. Uiteindelijk wordt hem de helpende hand gereikt door literator Granzow, die al maanden naar Doll zou hebben gezocht en die hem als een verloren zoon verwelkomt. Deze Granzow, gemodelleerd naar de dichter en politicus van de latere DDR, Johannes Becher, houdt Doll voor dat juist híj, schrijver van Wat nu, kleine man? in staat is de ontreddering van de oorlog voor de gewone man te beschrijven. ‘Je zult zien: op een dag schrijf je toch nog dat ene boek waar iedereen op zit te wachten!’ Dat is in dit boek nog toekomstmuziek, want alle goede voornemens ten spijt geeft de hardnekkige verslaving zich niet zomaar gewonnen. Aan het slot zien we hoopvolle tekenen, wanneer Doll en zijn vrouw een nieuwe woning betrekken. In werkelijkheid zou hij inderdaad dat ene boek nog schrijven. Maar die ultieme oorlogsroman, Alleen in Berlijn, zou zijn zwanenzang blijken. Het schrijven had de door verslavingen en ongezonde levenswandel verzwakte auteur zozeer uitgeput dat hij vóór de roman verscheen, in een ziekenhuis was overleden.

    Met Een waanzinnig begin is weer zo’n typisch Falladaboek vertaald, waarin in een soepele en stijlvaste toon de onrust voelbaar is en waarin de lezer het verhaal wordt ingezogen vanwege de tragiek, echter zonder dat de hoop op beter het loodje legt. Naast de kunstmatige paradijzen biedt ook de liefde soelaas. De sterke band tussen Doll en Alma wordt door Fallada goed getroffen. Twee die elkaar blindelings vinden en in hun verslavingen elkaar even blindelings volgen. Deze auteur verstaat de kunst een verhaal met meesterhand te schetsen en zijn personages te bezielen met zelfdoorleefde hoop en wanhoop.

     

    Een waanzinnig begin

    Auteur: Hans Fallada
    Vertaald door: Anne Folkertsma
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 22,90

  • Geen held, gelukkig

    Geen held, gelukkig

    ‘Ik sta voor de kolonel, het hoofd van de heldentoetsingscommissie. Hij schrijft iets op mijn militaire pas. “Aha, daar hebben we Fallada”, zegt hij terwijl hij me vriendelijk aankijkt. “Wat nu, kleine man?” Ik knik en mag gaan. Ik heb geen militaire pas meer, ik ben definitief door de Duitse Wehrmacht afgeschreven.’

    Dit vertelt Hans Fallada in verband met zijn oproep voor een militaire keuring in het voorlaatste oorlogsjaar 1944. Zijn in 1932 verschenen boek Kleiner Mann – was nun? was een wereldsucces en behoorde ook in Duitsland inmiddels tot de culturele bagage van het lezend publiek. Hans Fallada was een begrip.

    Als Fallada in september 1944 wordt opgesloten in de gevangenis Neustrelitz-Strelitz op de afdeling voor ‘geestelijk gestoorde delinquenten’ op beschuldiging van een poging tot doodslag op zijn voormalige echtgenote, besluit hij de tijd te doden met het schrijven van aanvankelijk korte verhalen maar later vooral van zijn herinneringen aan de nazitijd. Hiermee zet hij zijn leven op het spel. In een soort minuscuul geheimschrift verpakt in raadsels en coderingen weet hij zijn werkzaamheden te verbergen voor zijn medegevangenen en bewakers. Als hij op zondag 8 oktober 1944 een dag verlof krijgt, smokkelt hij het manuscript onder zijn hemd de gevangenis uit.

    Het manuscript is een verdediging van zijn eigen handelwijze, zijn innere Emigration. Hans Fallada behoort tot de schrijvers die tijdens het naziregime in Duitsland zijn gebleven en zo goed en zo kwaad mogelijk hebben geprobeerd te blijven werken en zo min mogelijk vuile handen te maken. Hoewel hem dit laatste niet altijd volledig is gelukt, kan zonder meer gezegd worden dat Fallada’s afkeer van het nationaalsocialisme van het begin af aan oprecht is geweest. Toch voelt hij voortdurend de behoefte zichzelf te rechtvaardigen, soms op een lompe manier, typerend voor een kat in het nauw: ‘In het buitenland zitten allerlei narren er knusjes bij, ver buiten de gevarenzone, en ze maken ons uit voor meeloper, voor huurling van de nazi’s………….. Maar wij hebben alles moeten verdragen en zíj niet, wij zijn elke dag bang geweest en zíj niet.’ De apolitieke Fallada heeft nooit openlijk stelling genomen tegen het nationaalsocialisme zoals sommige andere schrijvers en zal in de ogen van iemand als Thomas Mann, die tijdens de oorlog in Zwitserland zat, dan ook altijd verdacht blijven. Hoewel deze discussie in de naoorlogse jaren natuurlijk in alle heftigheid is gevoerd, lijkt het nu tijd om nuanceringen aan te brengen. Hans Fallada was gelukkig geen held, maar wel een dapper man die trachtte te overleven in een smerige tijd zonder anderen schade te berokkenen. Zijn zwakheid maakt hem ook eigenlijk heel sympathiek. Interessant is het feit dat Hans Fallada na de oorlog, als Berlijn in handen is van de Russen, zijn manuscript nog eens tegen het licht houdt en, met het oog op publicatie, wijzigingen aanbrengt die op dat moment als politiek correcter werden beschouwd, omdat hij, wilde hij publiceren, onverdacht moest zijn. Zo spreekt hij in het oorspronkelijke manuscript over de nazi’s als ‘gewetenloze mannen’, later over ‘gewetenloze beulen’.

    Hans Fallada laat zich vooral kennen als een gevoelsmens, een naïeve man, die op situaties reageert zoals zijn hart hem dat ingeeft maar die ook over het vermogen beschikt voortdurend oog te hebben niet alleen voor de verbijsterende ironie, maar ook voor het cynisme van de werkelijkheid van zijn tijd. Als een bende SA’ers hem en zijn zoontje in de tuin bij zijn huis opwacht om hem te arresteren, vraagt hij: ‘Mag ik misschien eerst onze beer halen?…………… Zo marcheerden we door de omhooglopende tuin naar de villa: mijn zoon en ik, met tussen ons in de beer, en de twee bruinhemden met getrokken pistool. Ik vond dat ik hun theatrale optocht compleet versjteerde, maar ze merkten het niet eens; nog nooit hebben mensen zo weinig gevoel voor humor gehad ………..’ Maar als zij hem even later met hun auto meenemen voor verder verhoor bij de rechtbank in Fürstenwalde en zij op een eenzaam bosweggetje stoppen om te plassen en ook hem op die mogelijkheid wijzen, dringt de navrante werkelijkheid van de situatie tot hem door: ‘……. terwijl hij dat zei stond mij de hele tijd een kop uit een onlangs gelezen krant voor de geest: “Op de vlucht doodgeschoten”.’ Hans Fallada werd gered door het toevallige feit dat er een bevriende arts langskwam, die hem herkende en die achter hen aanreed naar Fürstenwalde.

    Voortdurend botst de eigenzinnige Fallada met bekrompen lieden in zijn omgeving, die, uit op eigen gewin, lid van de partij zijn geworden en in Fallada een gemakkelijk  slachtoffer zien waar wat aan te verdienen is. Opvliegend als hij is, reageert hij niet altijd even verstandig.

    Prachtig zijn de verhalen waarin hij vertelt over zijn grote vriend en uitgever Ernst Rowohlt, hoe deze er in slaagt uit de handen van de nazi’s te blijven en zo lang mogelijk te blijven publiceren totdat juist een boek van Fallada een eind maakt aan zijn bezigheden en hem noopt naar het buitenland te vertrekken, maar niet zonder ervoor te zorgen dat Fallada een nieuwe uitgever heeft. Hetzelfde geldt voor het portret dat hij schildert van Peter Suhrkamp, de man die carrière maakt in de uitgeverswereld tijdens de nazi’s, maar anderzijds Fallada tot steun is en uit de brand helpt en ervoor zorgt dat Bertold Brecht veilig naar het buitenland kan vluchten om uiteindelijk zelf in een concentratiekamp om het leven te komen.

    Aan het slot stort de wereld van Fallada in elkaar. Hij laat zich scheiden van zijn jarenlange gezellin, Anna Ditzen, maar blijft wonen in het tuinhuis, waar hij zich overgeeft aan de drank. Tijdens een woordenwisseling lost hij een schot, maar, zoals ze later allebei bezweren, niet op haar gericht. Desondanks moet hij zich verantwoorden voor de autoriteiten en komt hij in de bovengenoemde inrichting terecht. En daar gaat hij schrijven…………….

    De kolonel, het hoofd van de heldentoetsingscommissie, had het goed gezien. Hans Fallada was geen held, gelukkig niet, maar wel een prachtig schrijver.

     

  • Wat nu, arme zotlap? 

    Wat nu, arme zotlap? 

    Recentelijk is de wereldliteratuur met maar liefst twee Hansen verrijkt: Hans Keilson en Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen, 1893 – 1947).

    In beide gevallen gaat het om herontdekkingen. Mocht eerstgenoemde die lof nog in blessuretijd van zijn leven smaken, Hans Fallada’s herwaardering kwam op een moment dat hij al langer dood was dan dat hij ooit geleefd had. Maar daar staat tegenover dat Fallada’s werk tijdens zijn leven reeds een groot debiet kende. Daarna zakte het weliswaar wat in, maar sinds Jeder stirbt für sich allein in 2009 in een nieuwe Engelse vertaling verscheen (bij ons als Alleen in Berlijn), staat deze auteur weer volop in de internationale aandacht. En de vernieuwde vertaling van Fallada’s bestseller uit de crisisjaren dertig Wat nu, kleine man? mocht zich ook in onze huidige crisistijd in hernieuwde belangstelling verheugen.

    Geen wonder dat uitgeverij Cossee zich waagde aan een derde boek van Fallada, De drinker. En omdat zij dit jaar haar tweede lustrum viert, ligt dit boek in een ietwat kleiner formaat met een chique ogend zijden omslag tegen een lage prijs in de boekwinkel. Een spotprijs in verhouding tot de bedragen die de hoofdpersoon van het boek aan zijn drankverslaving spendeert. Want wie De drinker aanschaft in de veronderstelling kennis te maken met een drinkebroer komt niet bedrogen uit. Wie dit boek links laat liggen in de veronderstelling dat wat slechts € 12,50 kost nooit veel soeps kan zijn, bedriegt zichzelf. Het boek ontpopt zich namelijk al gauw tot niets minder dan een pageturner, waarvan het lezen bijna net zo verslavend is als de drankzucht van Erwin Sommer, de onfortuinlijke hoofdpersoon.

    Het eenvoudige verhaal, dat fraai inzet met de zin ‘Ik heb natuurlijk niet altijd gedronken’ komt kort gezegd hierop neer: levensmiddelenhandelaar Erwin Sommer, net de veertig gepasseerd, ziet de laatste tijd de zaken wat minder gaan. De nochtans kleine tegenslagen wil hij echter voor zijn vrouw Magda verbergen, temeer daar hij in zijn huwelijk recentelijk enige koelte van haar kant bespeurt en hij intussen niet op haar bemoeizucht zit te wachten. Na een korte woordenwisseling met zijn vrouw, komt hij erachter hoe goed een paar glazen wijn, uit een ooit van een tevreden klant cadeau gekregen fles, kunnen vallen. Hoe snel echter van het een het ander komt en het van kwaad tot erger kan gaan, laat deze roman overduidelijk zien.

    Niet lang nadat de fles wijn soldaat is gemaakt, staat het leven van Erwin Sommer volledig in het teken van de drank. Zijn zaak en zijn huwelijk laat hij voor wat ze zijn, om volledig op te gaan in zijn door alcoholroes gedomineerde wereldje. Daarbij verliest hij zich in de waan een relatie te hebben met een barmeisje, dat in werkelijkheid slechts uit is op zijn laatste contanten. Ook een onbetrouwbare, Poolse kamerverhuurder, bij wie Sommer zijn intrek neemt, doet wat menselijke slechtheid in deze roman betreft een aardige duit in het zakje, want ook hij slaat munt uit de laveloze hoofdpersoon.

    Sommer zelf is overigens allerminst de onschuld zelve. De lezer heeft hem al leren kennen als een man die sterk op zichzelf is gericht en niet geneigd is zijn wederhelft als bondgenote te zien. En de drank nu stuwt de achterdocht jegens haar tot ongekende hoogte. Daarbij komt Sommer zo diep te zakken dat hij, om maar aan geld voor drank te komen, in zijn eigen huis gaat inbreken. Als het daarbij tot een handgemeen met zijn vrouw komt, dreigt hij haar te vermoorden. Zover komt het echter niet. Sommer maakt zich snel uit de voeten met zijn buit van bijeen gegraaide lijfsieraden en tafelzilver. Vanaf dat moment is het zaak uit handen van de politie te blijven. Wanneer hij echter in het holst van een andere nacht stampei maakt voor zijn gesloten stamkroeg, haalt hij zich diezelfde politie alsnog op de hals en wordt hij weldra in verzekerde bewaring gesteld.

    Ruim een derde van het boek zit er dan op en tot dan heeft de lezer een in pakkende stijl geschreven verhaal gelezen. Daarna wijzigt de toon echter als gevolg van de veranderde plaats van handeling: de gevangenis en, na overplaatsing, een streng bewaakte inrichting. Van een onbetrouwbare verteller gaat de toon over in die van een reporter, die boven alles authentiek verslag lijkt te willen doen. Het doet denken aan Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, waar de hoofdpersoon ook wegens moord op zijn vrouw zijn straf uitzit. En waarin ook feitelijk verslag wordt gedaan van de lotgevallen van de medegevangenen en –celgenoten evenals van de vele onderlinge intriges (de pikorde, het onderlinge ruilverkeer, het jatten van elkaar). Echter, zo miserabel als het eten (vaak niet meer dan wat in gekookt water zwevende koolslierten) in Fallada’s dodenhuis is, was het in de negentiende-eeuwse Siberische werkkampen niet.

    Het is moeilijk om in Fallada’s verslag niet ook kritiek op het toenmalige gevangenissysteem te lezen. Maar de door gevaarlijke gekken omringde hoofdpersoon koestert tussen alle ellende door ook nog hoop op een verzoening met zijn vrouw, want ze zal toch wel niet eeuwig kwaad kunnen blijven vanwege zijn poging tot doodslag? En op zekere dag krijgt hij zowaar van de opperwachtmeester onverwachts te horen dat zijn vrouw er is om hem te spreken. ‘Mijn handen trilden te erg, mijn hart bonsde wild. Magda op bezoek in dit dodenhuis; het leven kwam me weer opzoeken; ik zou weer gauw bij haar zijn’.

    Het loopt uiteindelijk toch even iets anders… Maar ook dan weet Sommer zich te herpakken en te berusten, en jawel, tot de laatste zin hoop te koesteren op een in alcoholroes gedrenkt stervensuur waarin het hem zal toeschijnen dat zijn leven niet tevergeefs is geweest. Een waardig einde voor een waardig boek.

    Spijtig voor Rudolf Ditzen schreef Hans Fallada met De drinker zijn meest persoonlijke, om niet te zeggen meest autobiografische boek. Want evenals Sommer belandde de auteur zelf in de gevangenis na een poging tot doodslag op zijn vrouw. Dat was in het jaar 1944, een tijd waarin gevangenen en gekken zonder enige vorm van proces konden worden opgesloten. De maanden die de schrijver er doorbracht, benutte hij echter anders dan middenstander Erwin Sommer. Want in de gevangenis kwam het volledige manuscript van De drinker tot stand. Na zijn vrijlating bleek de gezondheid van Fallada door diens jarenlange verslaving aan morfine en alcohol te zeer ondermijnd om hem nog lang van zijn vrijheid te laten genieten. Toen De drinker uiteindelijk in 1950 in boekvorm verscheen, was Fallada al drie jaar dood.

    Waaraan het nu kan liggen dat dit boek zo verdomd goed is, laat zich moeilijk analyseren. Maar vermoedelijk is het antwoord – hoe weinig verrassend – in de stijl te vinden.  Het verhaal wordt in de ik-vorm verteld en gaat hier en daar zelfs over in een inwendige monoloog, waarin de lezer zich soms direct aangesproken kan voelen: ‘Ik zei al dat Magda en ik aan onze bijna dagelijkse ruzies gewend raakten.’ De diverse vooruitwijzingen ‘ik heb toen een grote fout gemaakt, zoals ik pas later begreep’ verlenen het verhaal iets authentieks. Wanneer het vertelmoment, het ‘nu’ van de schrijver (‘o, die heerlijke periode, wanneer ik daar nu aan terugdenk!’) ligt, is niet geheel duidelijk. Wellicht is dat iets wat men Fallada wel verweten heeft: dat hij zich niet de tijd gunde zijn manuscripten nog eens rustig over te lezen, alvorens ze naar de uitgever te zenden. Feit is wel dat dit boek de indruk wekt in de enige juiste toon neergepend te zijn. En die toon is, ondanks het treurige verhaal, van zieligheid gespeend, waardoor de lezer niet met een larmoyante geschiedenis zit opgescheept. Integendeel, het volledig voor rekening van de hoofdpersoon komende verhaal, blijft vervuld van goede moed en drijft op het vertrouwen dat alles zich ten goede zal keren. In het begin blijft hij geloven dat hij zo weer van de drank af kan en zijn oude leven op kan pakken, en later, dat de instanties zullen inzien dat hij gevangen zit vanwege iets dat niet veel meer dan een onschuldig misverstand mag heten. Hoe dan ook, dat optimisme houdt Sommer het hele boek door op de been.

    Haast even makkelijk als dat hij zich tot het alcoholicisme bekeert, blijkt hij zich in gevangenschap zonder de fles staande te kunnen houden. Wellicht tekent dat de opportunist; die zich altijd tot het meest hoopgevende wendt, zoals een kamerplant naar het licht. Sympathiek is ook dat Sommer zijn tekortkomingen niet wegmoffelt: ‘Ik weet dat ik elke seconde van mijn leven een lafaard ben geweest, dat ik nog steeds een lafaard ben, dat ik altijd een lafaard zal blijven.’ Wanneer de hoofdpersoon al niet door dit soort genadeloze zelfanalyse de lezer voor zich in had weten te nemen, dan toch wel door de impliciete humor in een passage als deze, waarin hij door de agenten wordt opgepakt: ‘Hij heeft het goedgevonden dat ik de fles sterkedrank meeneem; ik heb die, met de kurk er losjes op, zo voor het grijpen in de zak van mijn broek. In ruil daarvoor heb ik hem mijn erewoord gegeven dat ik met hem mee zal gaan en geen vluchtpoging zal ondernemen, desondanks heeft hij een dunne stalen handboei om mijn rechterpols geklonken; misschien wantrouwt hij het erewoord van een zotlap toch een beetje.’

    Het mag verwondering wekken, dat in tegenstelling tot het merendeel van Fallada’s werk, deze in 1944 geschreven roman geen enkele referentie naar de tijdgeest van de nazi’s of de Tweede Wereldoorlog kent. Al is het voor een auteur wiens pseudoniem afkomstig is uit de sprookjes van Grimm misschien niet zo vreemd dat hij de maatschappelijke realiteit ook eens buiten de deur verkoos te houden. Net als in De avonden, waarin ook de feitelijke buitenwereld niet direct doordringt, ademt De drinker hierdoor een tijdloze sfeer.

    Het boek is zodanig geschreven dat de lezer er niet aan ontkomt zich zijn eigen voorstelling van Erwin Sommer te maken. En hoewel het verhaal maar liefst tweemaal verfilmd is, weet men al zeker dat de juiste toon van dit boek nooit in enig beeld kan worden getroffen.

     

     

  • Een kleine man op zoek naar alledaags geluk

    Recensie door: Martin Lok

    De Duitse schrijver Hans Fallada (1893-1947) heeft een flink oeuvre nagelaten: hij schreef tussen 1920 en 1947 meer dan vijfentwintig boeken, oftewel ongeveer één per jaar, waarvan overigens een deel postuum werd gepubliceerd. Het grote succes kwam in 1932, toen hij Kleiner Mann, was nun? publiceerde, dat nu in een nieuwe vertaling bij uitgeverij Cossee is uitgebracht. Het is in korte tijd het tweede boek van Fallada dat in het Nederlands is vertaald. Vorig jaar verscheen reeds Alleen in Berlijn, een andere bestseller van de Duitse auteur. Een boek waarin volgens Adam Freudenheim van het Britse Penguin de kleinburgerlijke alledaagsheid van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog centraal staat. Ook in Wat nu, kleine man?, de Nederlandse titel van Fallada’s roman uit 1932, is de hoofdrol weggelegd voor de ‘kleine man’, fijntjes geportretteerd in Johannes Pinneberg, eerst boekhouder, later winkelbediende en nog later werkeloze.

    Wat nu, kleine man? speelt zich af tijdens de economische crisis van de jaren twintig. In een beknopt vierluik schotelt Fallada ons een aandoenlijke zoektocht naar geluk voor. Een zoektocht van Pinneberg met zijn jonge vrouw Engeltje, die zorgeloos begint in de ‘grote’ stad Platz, voor het eerst struikelt in de provinciestad Ducherow en hard onderuit gaat in de metropool Berlijn, om zich toch weer uit het moeras der ellende te ontworstelen in een moestuin buiten Berlijn. Alle ups en downs van het leven komen langs. De verliefdheid van twee mensen die elk op hun eigen manier eenzaam waren en in elkaar een soulmate vinden. De tegenslag van een eerste zwangerschap, als de – nog niet gehuwden – enigszins beschroomd een pessarium proberen te bemachtigen. De blijdschap van het voorgenomen huwelijk. Het onbegrip van Engeltje als Pinneberg zijn huwelijk lijkt te ontkennen en haar woede als ze ontdekt dat hij daarvoor een veel te klein overmatig gemeubileerd stoffig hol als kamer heeft gehuurd. De vreugde van de geboorte van ‘het wurm’. En zo kan ik nog wel even doorgaan. De zoektocht naar geluk gaat op en neer, en de emoties van Pinneberg en Engeltje bewegen zich zo op het eerste gezicht willoos op deze baren mee.

    Soms is het ongeluk ongelofelijk alledaags en vertederend. Zoals de waterige erwtensoep die onervaren kokkin Engeltje haar man als eerste gerecht hun eerste echt gezamenlijke dag in Ducherow voorzet. En als je dan als lezer denkt dat het niet erger kan, laat Fallada haar de volgende dag de waterige soep zo ver inkoken dat het op het laatst ‘steenkool’ is. Ook de tweede dag in Ducherow is Pinneberg blijkbaar geen gevulde maag gegund.

    Wanneer Pinneberg als boekhouder ontslagen wordt trekken de jonggehuwden naar Berlijn, waar Johannes na enige tegenwind aan de slag gaat als winkelbediende. Het leven blijft sober, maar er breken nu duidelijk gelukkiger tijden aan. Symbool hiervoor staat de aanschaf van een cadeau van Pinneberg voor zijn Engeltje: een kaptafel, waaraan hij vrijwel zijn gehele eerste maanloon in Berlijn spendeert. Alhoewel deze kaptafel de Pinnebergs overal blijft volgen, geldt dat niet voor het geluk. Dat lijkt voor hen louter voor enkele vergeten minuten weggelegd lijkt te zijn. Het ongeluk ligt voor de ‘kleine man’ steeds weer op de loer. Als in de winkel waar Pinneberg in Berlijn werkt een organisatieadviseur zijn intrede doet en de verkoop met verkoopquota rationaliseert zet de neergang opnieuw in. Een neergang die uiteindelijk leidt het ontslag van Pinneberg en hem en Engeltje uit hun huis drijft.

    Fallada schreef zijn roman in een fijne, lichtvoetige taal, vol humoristische kwinkslagen. Als lezer moest ik dan ook vele malen glimlachen, hoe groot de teleurstellingen van de ‘kleine man’ ook waren. Zoals bij de kennismaking van Pinneberg met de vader van Engeltje: ‘Zo, bent u de jongeman die met mijn dochter wil trouwen? Aangenaam kennis te maken. Gaat u zitten. Misschien komt u er nog wel van terug.’ Op vergelijkbare ludieke wijze vat Fallada de verwachting van het burgerlijke geluk samen: ‘Uit de verte ziet een huwelijk er heel simpel uit: twee mensen trouwen met elkaar en krijgen kinderen. Je hebt een gezellig leventje samen, bent zo lief mogelijk voor elkaar en probeert hogerop te komen. Kameraadschap, liefde, een beetje vriendelijkheid, eten, drinken, slapen, de zaak, het huishouden, ‘s zondags een uitstapje, een enkele keer ‘s avonds naar de bioscoop. Klaar is Kees.’ Een verwachting die in het leven van de Pinnebergs alledaags wreed verstoord wordt als ze weinig geld bezitten en ze de vraag moeten beantwoorden of je als pasgehuwd stel echt beter een vierpits dan tweepits gasstel kunt bezitten. Het zijn dit soort futiele problemen die Pinneberg en Engeltje steeds weer van hun koers op geluk afdrijven. ‘De mens is vrij, Pinneberg’ zegt Heilbutt, een vriend van Pinneberg halverwege de roman, als deze de terneergeslagen winkelbediende probeert op te monteren. Deze menselijke vrijheid is de tobberige Pinneberg echter geheel vreemd. Wat hem evenwel niet de das blijkt om te doen. Steeds weer houdt Pinneberg het hoofd – letterlijk en emotioneel – toch weer boven water. Fallada’s ‘kleine man’ is in al zijn onzekerheid en fragiliteit toch weerbaar en robuust.

     

    Wat nu, kleine man?

    Auteur: Hans Fallada
    Vertaald door: Nico Rost
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (2011)
    Aantal pagina’s: 349
    Prijs: € 21,90