• We leerden pas in 2022 echt naar Rusland kijken

    We leerden pas in 2022 echt naar Rusland kijken

    Tijdens de Russische oorlog in Oekraïne ‘kon je de Russen er zo tussenuit pikken’, schrijft Oksana Zaboezjko in haar essay Mijn langste boektournee. Ze geeft een voorbeeld: ‘In Charkiv verraadden ze zichzelf doordat ze in plaats van het stadhuis het stadtheater wilden bestormen, waarmee ze een fout van Praag 1968 herhaalden, toen Sovjettroepen vanuit dezelfde logica het Nationale Museum onder vuur namen: de macht zal zich vast in het mooiste gebouw ophouden’. Verderop vertelt ze nog hoe de Russen in 2022 haar land binnentrokken met landkaarten uit 1985 waarmee ze door bagger ploeterden in plaats van over nieuwe snelwegen. Bovendien hadden ze proviand bij zich die al zeven jaar over de houdbaarheidsdatum was.
    Deze voorbeelden zouden prima gepast hebben in Dit volk heeft zijn God op aarde, een bundel getuigenissen over Rusland, samengesteld door Hans Driessen, Michel Krielaars en Eva Peek.

    De inleiding van deze bundeling noemt de Russische inval van 24 februari 2022 niet voor niets al in de eerste regel en pikt daaruit op: de gruwelijke wreedheid van de Russen, ‘hun klungeligheid, hun slechte informatiepositie, de ondermijnende corruptie en de verwondering over de gelatenheid waarmee zoveel Russen gehoorzaamheid toonden aan hun leiders’. In de volgende alinea betogen de samenstellers dat we daar niet verbaasd over hoeven te zijn omdat die manifestaties al lang rode draden in de Russische geschiedenis zijn.

    Ooggetuigen

    Die stelling werken zij in de inleiding verder uit. De 152 getuigenissen (dagboeken, brieven, verslagen van verhoren enzovoort van Russen zelf en van diplomaten, schrijvers en journalisten van elders), die in het boek zijn opgenomen laten daar overvloedige bewijzen van zien. Toch is er iets opmerkelijks aan de introductie van dit boek. Ze laat namelijk vooral zien hoe we de geschiedenis beschrijven vanuit onze eigentijdse ogen. We kijken terug door de gekleurde bril van onze eigen herkenning.

    Dit volk heeft zijn God op aarde is grotendeels een herdruk van Ooggetuigen van de Russische geschiedenis uit 2007. Alle 126 stukken uit die uitgave staan – met af en toe wat redactionele wijzingen – ook in deze nieuwe verzameling. De 25 toegevoegde recentere stukken bestrijken de jaren 2008 (de Russische inval in Georgië) tot 2023 (het verhaal van een Oekraïense jongen die uit bezet gebied werd gedeporteerd). In de inleiding bij Ooggetuigen uit 2007 vallen echter niet de typeringen als klungeligheid, slechte communicatie of corruptie. Toen schreven de samenstellers (destijds zonder Eva Peek) nog: ‘Wil men met alle geweld een rode draad in de Russische geschiedenis zien, dan valt te denken aan de angst van de machthebbers voor hun onderdanen en aan de afschuwelijke gevolgen daarvan’.

    Galg

    Met deze signalering in verschillende kleuren in Ooggetuigen en Dit volk heeft zijn God op aarde zij niet gezegd dat de inleidingen elkaar tegenspreken. Ze laten echter wel zien hoe we onze schijnwerpers anders zijn gaan richten door het optreden van Rusland in Oekraïne. Je gaat de 126 stukken die in Ooggetuigen al stonden ineens anders lezen. Wat de klungeligheid betreft bijvoorbeeld kon je het verslag van de executie van veroordeelden van de Dekabristenopstand in 1826 bij lezing in 2007 nog afdoen als een kolderieke anekdote: de executie moest volgens de tsaar ’s morgens om vier uur plaats vinden, maar dat lukte niet omdat de koetsier met de galgpalen op weg naar de executieplaats vast was komen zitten; toen de galgen eenmaal in grote haast waren ingegraven bleken ze zo hoog dat de touwen met de strop te kort waren; toen dat werd opgelost door de veroordeelden op bankjes te laten staan bleken de touwen bij drie misdadigers te slap (ze braken) en op zoek naar vervangend touw bleek de winkel waar het gekocht moest worden nog gesloten te zijn.
    Nu we sinds de inval in Oekraïne meer voorbeelden van klungeligheid hebben krijgt dit incident ineens een bredere betekenis.

    Godheid

    Dat geldt voor veel stukken. Wat we nu via onze TV-schermen zien als gebrekkige communicatie in het Russische leger, slechte voorbereiding, onderschatting van de strijd, wreedheid zoals in Boetsja, enzovoort blijkt parallellen te hebben in de geschiedenis, die meer zijn dan incidenten. Er lijkt een aantal factoren beslissend als oorzaak daarvan.
    Ten eerste is dat de status van de leider die zich als een soort onfeilbare god presenteert, daarin gesterkt en gelegitimeerd door de innige band met de orthodoxe kerk (de titel Dit volk heeft zijn God op aarde – ontleend aan een reisverslag van de Franse markies de Custine uit 1839 – verwijst ernaar). De gevolgen zijn een volstrekte zelfoverschatting door de heerser (Catharina de Grote, de tsaren, Stalin, Poetin) en een slaafse volgzaamheid van intimi die uit angst voor hun eigen hachje geen kritiek durven te leveren.
    Een tweede reden is de aanhoudende desinformatie en propaganda onder het eigen volk. Daardoor kunnen veel Russen, die generaties lang niets anders hebben gehoord, de oprechte overtuiging hebben dat hun leider slechts hun land verdedigt tegen fascistische staten die uit zijn op vernietiging van Rusland.
    En een derde factor lijkt te zijn dat iedereen uiteindelijk alleen voor zichzelf zorgt, wat leidt tot corruptie, vriendjespolitiek, behagen van de leider en ontlopen van verantwoordelijkheid.
    Er rijst een beeld op van een bevolking (uitzonderingen daargelaten) die van zijn individualiteit is beroofd en dus van zijn vermogen verantwoordelijkheid te voelen of eigen initiatief te ontplooien. Het is de beste voedingsbodem voor een dictatuur.

    Traditie

    Poetin heeft, dat alles in aanmerking genomen, waarschijnlijk geen moment getwijfeld aan zijn idee dat de ‘speciale operatie’ in Oekraïne in een paar dagen gepiept zou zijn. Maar hij kwam een volk tegen dat, in de woorden van Olesya Khromeychuk in De dood van een soldaat verteld door zijn zus ‘geen traditie [heeft] van het vereren van zijn politieke leiders. In tegenstelling tot in Rusland verliezen de politici de steun van hun teleurgestelde electoraat zodra ze hun beloften niet nakomen’.
    Dat wij er nu pas aan toe zijn zo naar Rusland te kijken heeft er alles mee te maken dat de oorlog voor ons begon op 22 februari 2022. Maar voor Oekraïeners zelf was hun land al veel langer in oorlog met de imperialistische noorderbuur; al in 2017 toen Rusland de regio’s Donbas en Loegansk inpikte (de broer van Khromeychuk stierf in die gevechten); al in 2014 toen de Krim werd bezet; al eeuwen eerder zelfs.
    Zoals Oksana Zaboezjko in Mijn langste boektournee, en eerder al in haar bundel Zussen, op soms woedende toon duidelijk maakt: wij in het Westen keken heel lang naar Oekraïne door Russische ogen. Wij zijn volgens veel Oekraïense schrijvers in februari 2022 pas wakker geschud en durven nu pas het eigene van hun land en het ware gezicht van Rusland te zien.
    Wie de bundeling in 2007 las deed dat als een toeschouwer op afstand, een buitenstaander. Sinds de inval in Oekraïne is onze betrokkenheid veel en veel groter. Het is daarom terecht dat Dit volk heeft zijn God op aarde verschijnt. Niet alleen omdat er recentere stukken zijn toegevoegd, maar ook omdat het boek ons bewust maakt van de inwerking van onze eigen actualiteit en angsten op onze kijk naar het verleden.

     

  • Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

    Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

    Bijtijds leerde ik me te vermommen in woorden, die eigenlijk wolken waren’.

    Naar Parijs gevlucht voor de Nazi’s had Walter Benjamin er tussen 1932 en 1938 behoefte aan zijn kinderjaren in Berlijn te boekstaven, niet zozeer, zoals hijzelf zegt, om autobiografische redenen als wel om filosofische. Hij begreep dat het afscheid van zijn geboortestad Berlijn wel eens definitief zou kunnen zijn en besloot in ruim dertig korte schetsen literair vorm te geven aan deze herinneringen. Hij probeert ‘de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse’, beelden vervat in titels als ‘Loggia’s’, ‘De Telefoon’, ‘Tiergarten’ en ‘Verstopplaatsen’. Hij wil laten zien ‘hoezeer degene van wie hier sprake is (hijzelf), later de geborgenheid miste die zijn kinderjaren eigen was geweest’.

    Hoewel hij een te sterke biografische invalshoek tracht te vermijden door nergens beschrijvingen te geven van de fysionomieën van zijn gezinsleden en vrienden, ontkomt hij toch niet aan duidelijk autobiografische notities van een somtijds schrijnend karakter zoals in het verhaal ‘Overlijdensbericht’. Daarin vertelt hij hoe zijn vader hem op een keer – hij was een jaar of vijf – welterusten kwam wensen en hem, vrij gedetailleerd, vertelde van het overlijden van een neef, met wie hij weinig ophad. De kleine Walter luisterde nauwelijks, maar prentte zich wel zijn kamer in. Hij besluit: ‘Mijn vader was binnengekomen om niet alleen te zijn. Maar hij zocht mijn kamer op en niet mij. De twee konden geen derde gebruiken.’  Hierin zie je ook een van de stilistische instrumenten die Walter Benjamin hanteert om in zijn verhalen aansluiting te zoeken bij het magische wereldbeeld van het kind, nl. het als individu opvoeren van voorwerpen en verschijnselen uit de omgeving van het kind, in dit geval dus de kamer. Dit levert een soms huiveringwekkend indringend beeld op, bijvoorbeeld in het verhaal ‘Ongelukken en misdaden’. Daarin schrijft hij: ‘Ook het kanaal, waarin het water zo donker en langzaam stroomde, als stond het op vertrouwelijke voet met alle treurnis, hield me telkens aan het lijntje. Tevergeefs was elk van zijn vele bruggen door middel van een reddingsboei verloofd met de dood.’  Dit zegt veel over de stemming van Walter Benjamin in Parijs.

    Zelf zegt hij zijn herinneringen te zien als een sprookje en daarin heeft hij eigenlijk wel gelijk, maar dan wel een sprookje van Grimm of, beter nog, van Winsor McCay in zijn psychoanalytische strip Little Nemo in Slumberland. Het psychoanalytische karakter van De kinderjaren sluit natuurlijk nauw aan bij de tijdgeest, waarin de denkbeelden van Freud en Jung, maar voor wat betreft Walter Benjamin, vooral Lacan een grote populariteit genoten.

    In het eerste verhaal, de ‘Loggia’s’, geeft hij eigenlijk zijn credo af: ‘Zoals een moeder die het pasgeboren kind aan haar borst legt zonder het te wekken, gaat het leven lange tijd om met de nog tere herinneringen aan de kinderjaren. Niets sterkte die van mij inniger dan de blik op binnenplaatsen met hun donkere loggia’s. Een daarvan [..] was voor mij de wieg waarin de stad de nieuwe burger legde. Het kwam voor dat de kariatiden die de loggia van de volgende verdieping droegen, hun plaats voor een moment verlaten hadden om aan deze wieg een lied te zingen dat weinig bevatte van wat mij later te wachten stond, …’, om even later droefgeestig te vervolgen: ‘Dat komt ook door de troost die van hun onbewoonbaarheid uitgaat voor iemand die zelf niet echt tot wonen komt.’ Het is ook een filosofisch sprookje: ‘De tijd verouderde in deze schaduwrijke ruimtes die op de binnenplaats uitkeken. En juist daarom was de morgen, als ik er in onze loggia op stuitte, al zo lang morgen dat hij meer op zichzelf leek dan waar dan ook. Nooit kon ik hier op hem wachten; altijd wachtte hij al op mij. Hij was er allang, alsof hij al over zijn hoogtepunt was, toen ik hem daar eindelijk opsnorde.’  En een melancholisch sprookje als de kleine Walter in de winter met een boek in zijn hand bij het raam staat te kijken naar de sneeuwjachten buiten: ‘De verre landen die me in die verhalen bezochten (Uit: Jongensboeken), speelden vertrouwelijk als vlokken om elkaar heen. En aangezien de verte als het sneeuwt niet meer naar de wijde wereld leidt, maar naar het binnenste, lagen Babylon en Bagdad, Akko en Alaska, Tromsö en Transvaal in mijn binnenste. De aangename lucht van de dikke pil, waarvan ze doordrongen waren, bracht ze door middel van bloedvergieten en gevaren zo onweerstaanbaar in de gunst van mijn hart, dat het de beduimelde boeken voor eeuwig trouw bleef.’ Maar ook een nachtmerrie vol horrorbeelden zoals in ‘De maan’: ‘Dan viel ik in slaap. Het maanlicht trok zich langzaam terug uit mijn kamer. En vaak lag die al in het donker als ik een tweede of derde keer wakker werd. De hand moest als eerste moed vatten om over de grafrand van de slaap te duiken, waar hij beschutting had gevonden voor de droom. Als dan het nachtlichtje hem en mij al flakkerend had gerustgesteld, bleek dat van de wereld niets meer restte dan een enkele verstokte vraag. Die luidde: waarom is er iets op de wereld, waarom is de wereld er? Tot mijn verbazing moest ik constateren dat de wereld niets bevatte wat me noodzaakte haar te denken. Haar niet-zijn zou me volstrekt niet problematischer hebben geleken dan haar zijn, dat het niet-zijn een knipoogje leek te geven.’

    Vertaler Hans Driessen heeft met deze geheel nieuwe uitgave van De kinderjaren, op basis van het in 1981 in Parijs teruggevonden typoscript van de ‘Ausgabe aus letzter Hand’ (= een soort laatste wilsverklaring), een prestatie van formaat geleverd. De kinderjaren van Walter Benjamin behoren juist door de ‘sprookjesachtige’ benadering tot de meest huiveringwekkende, aangrijpende en altijd trefzekere ‘Kinderjaren’ in zijn soort. De goed gekozen foto’s uit het Berlijn van weleer, vormen een passende aanvulling op de tekst.

    Kinderjaren in Berlijn rond 1900

    Auteur: Walter Benjamin
    Vertaald door: Hans Driessen
    Verschenen bij: Uitgeverij Vantilt
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: € 17,50

  • Zicht op de ingewanden van de stad

    Alfred Döblin leefde in Berlijn tijdens de gouden jaren twintig. Omstreeks 1880 telde de stad één miljoen inwoners, omstreeks 1900 ruim twee miljoen en in 1920, na de vorming van Groot Berlijn, ruim vier miljoen. Tussen 1920 en 1930 kwamen er nog eens een half miljoen mensen bij. Metropool, centrum van Europa. Zijn Berlin Alexanderplatz. Die Geschichte vom Franz Biberkopf speelt zich precies in deze periode af. Döblin schreef het boek in 1928, het kwam uit in 1929. Een roerige tijd, volop politieke instabiliteit. Vanaf links revolutionaire dreiging, en aan de andere kant het oprukkende fascisme.

    In dit krachtenveld is het verhaal van Biberkopf gesitueerd, vanaf zijn ontslag uit de gevangenis – waar hij een straf uitzat wegens het vermoorden van zijn vriendin Ida – tot aan het portiersbaantje dat hij krijgt na verblijf in een gekkengesticht. Ook zijn nieuwe vriendin, Mieze, wordt vermoord; ze wordt beestachtig doodgeslagen en ergens in het bos begraven, en iedereen denkt: dat heeft Franz gedaan, de vrouwenmoordenaar. Alleen door toeval komt de ware toedracht aan het licht. Franz wordt door zijn vrienden een rijdende auto uitgesmeten en verliest zijn rechterarm, hij wordt bedrogen en verraden, raakt aan de drank, verliest zijn verstand. De korte, tragische geschiedenis van een man die zich heilig voorneemt ‘fatsoenlijk’ te worden, maar die steeds dieper in de narigheid verzeild raakt – dat alles buiten zijn schuld natuurlijk, de anderen hebben het gedaan, steeds weer.

    Maar Berlin Alexanderplatz is meer dan Franz Biberkopf, het is ook een indringend portret van het Berlijnse Lumpenproletariat. In De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte omschrijft Karl Marx wat we daaronder moeten verstaan: ‘aan lager wal geraakte roués met bestaansmiddelen van twijfelachtige aard en van twijfelachtige herkomst, verlopen en avontuurlijke gedeclasseerde elementen uit de bourgeoisie, vagebonden, ontslagen soldaten, ontslagen tuchthuisboeven, weggelopen galeislaven, oplichters, goochelaars, lazzaroni, zakkenrollers, charlatans, spelers, maquereaus, bordeelhouders, sjouwers, literatoren, orgeldraaiers, voddenrapers, scharenslijpers, ketelboeters, bedelaars, kortom heel de ondefinieerbare, onsamenhangende, heen en weer geworpen massa die de Fransen la Bohème noemen’. Alfred Döblin kende zijn klassieken, dat kan niet anders – in zijn Berlijn ging de politieke strijd grotendeels om de heerschappij over de ‘straat’, en wie het Lumpenproletariat voor zich kan winnen heeft de macht voor het grijpen, zoals na de publicatie van Döblins boek maar al te duidelijk is geworden – Berlin Alexanderplatz belandde meteen op de brandstapels toen de ‘verderfelijke’ literatuur door de fascisten in de fik moest worden gestoken. Franz Biberkopf maakt deel uit van precies zo’n verzameling als Marx voor ogen had: inbrekers, straatrovers, helers, kroegbazen, pooiers, bajesklanten, hoeren, venters, bedelaars, dieven, moordenaars. Een gezelschap dat maatschappelijk bijna onzichtbaar is, kamerbewoners die nooit lang op hetzelfde adres te vinden zijn, snel wisselende, losvaste relaties, twaalf ambachten, dertien ongelukken, onduidelijke bronnen van inkomsten, alcoholisme, drugsgebruik, psychische instabiliteit. We zouden Biberkopf tegenwoordig beschouwen als een psychopaat, en een flink deel van zijn vrienden en maten niet minder – onbetrouwbaar, gevaarlijk volk. Geweld aan de orde van de dag.

    Vriendin Mieze, die Franz onderhoudt met haar prostitutie, is met de verkeerde man uit geweest.
    En ineens wordt Franz door de gilgolf meegesleurd. Een doldoldolzinnige. Hij grijpt een stoel bij het bed, die vliegt krakend uit zijn hand. Dan loopt hij schuin naar Mieze, die nog overeind zit en één langgerekte gil slaakt, gilt en krijst en krijst, en hij houdt van achteren haar mond dicht, gooit haar op haar rug, knielt over haar heen, gaat met zijn borst over haar mond liggen. Die… maak… ik… koud.
    Maar een paar uur later is alles weer koek en ei.
    Ze vallen in elkaars armen, overladen elkaar met kussen. ‘Ik had je bijna vermoord, Mieze. Wat heb ik je toegetakeld, niet te geloven’. ‘Wat maakt ’t uit. Dat je teruggekomen bent, dat is ’t belangrijkste’.

    Een bestaan dat in de sociaalwetenschappelijke literatuur wel eens wordt aangeduid als hard living, het leven aan de zelfkant. Anders dan Marx, die het Lumpenproletariat minachtte en vervloekte, probeert Döblin Biberkopf en de zijnen neutraal, van binnenuit te beschrijven. Als een antropoloog legt hij de vluchtige relaties bloot, laat hij zien hoe inbraken plaatsvinden, hoe bendes georganiseerd zijn, hoe je aan vergunningen komt voor straathandel. Seksuele relaties wisselen snel, minnaars en minnaressen worden aan elkaar doorgegeven alsof het om afgedragen kleding gaat. Mieze wordt door een paar ‘weldoeners’ onderhouden en onderhoudt op haar beurt Franz, maar maakt tussendoor leuke uitstapjes met maatjes die tot dezelfde inbrekersbende als haar Franz behoren. Döblin heeft er, als arts, met zijn neus bovenop gezeten.

    Ook bij politieke bijeenkomsten. Franz raakt in discussie met een oude arbeider, anarchist.
    ‘Wat ben jij eigenlijk, collega?’. ‘Ik? Pooier, zie je dat dan niet? Nog ’n keer: pooier, snap je wel’. ‘Jullie zijn ’t schuim van ’t kapitalistenmoeras. Maak dat je wegkomt! Jullie zijn niet eens proletariërs. Zoiets noemen wij schorriemorrie. Laat ik jullie hier niet meer zien’. ‘Daar hoef je niet bang voor te zijn, meneer de directe gelulactie, wij willen met kapitalistenknechten niks te maken hebben’.

    Er is nog een derde laag in het boek, Alfred Döblin heeft het leven van Franz Biberkopf geplaatst binnen de magistrale omlijsting van Berlijn. Een waar kunststuk. De stad is een personage op zichzelf, een vertrouwde omgeving, maar ook een levend decor dat Franz Biberkopf angst en ontzag inboezemt. We krijgen te horen wat voor dag het is, hoe laat, het weerbericht, de beurskoersen, de routes van de tram, de winkeletalages en hun opschriften, berichten uit de krant, reclameteksten, adressen uit het telefoonboek, overlijdensadvertenties. Je kunt met je vinger op de kaart de routes volgen die Biberkopf aflegt. De stad leeft haar eigen leven, volgt haar eigen ritme, Franz heeft zich maar aan te passen.
    De trams raasden bellend verder, gevel na gevel flitste onophoudelijk voorbij. En er zaten daken op die huizen, zijn ogen dwaalden naar boven: als die daken er maar niet af gleden, maar de huizen stonden recht. Waar moet ik, arme donder, naartoe, hij sleepte zich langs de muur van huizen, er kwam geen einde aan.
    We krijgen zicht op de ingewanden van de stad, de hoeveelheid koeien, schapen en varkens die dagelijks geslacht worden, het aantal mensen dat overlijdt en geboren wordt, strafzaken, verkeersongelukken. De montage van stadsbeelden staat los van het verhaal van Biberkopf – de muren van de stad geven niet mee als hij zijn hoofd stoot en dat doet hij, herhaaldelijk.

    Alfred Döblins reputatie staat in de schaduw van de grote Thomas Mann, maar Berlin Alexanderplatz is een fenomenaal boek dat zich met ieder meesterwerk kan meten, en dat als grotestadsroman in het bijzonder op eenzame hoogte staat. Er is zojuist een (tweede) Nederlandse vertaling verschenen, door Hans Driessen. Iedereen kan je vertellen dat Berlin Alexanderplatz niet te vertalen is – het vooroorlogse plat-Berlijns alleen al. Driessen erkent het probleem in zijn nawoord, hij heeft geen poging gedaan dat Berlijns om te zetten in een Nederlands equivalent. ‘Het is het prijskaartje dat hangt aan de vertaling van Berlin Alexanderplatz (…) wie het boek in zijn volle rijkdom wil genieten, zal er niet onderuit kunnen het origineel te lezen’. Inderdaad, maar Driessen kan dik tevreden zijn met wat er nu ligt – binnen de beperkingen is de vertaling bewonderenswaardig. Döblin wordt recht gedaan en houdt zijn glans – meer kun je niet verlangen.

     

     

  • Een fotograaf op zoek naar waarheid en schoonheid

    Een fotograaf op zoek naar waarheid en schoonheid

    Taboe (2014) van de in 1964 in München geboren Ferdinand von Schirach heeft een motto ontleend aan de kleurenleer van Herman von Helmholtz  (1824-1894). Als het licht van de kleuren groen, rood en blauw zich mengen, dan lijkt dat voor ons wit.

    Kleuren en fotografie zijn belangrijke thema’s in dit boek. Op de eerste bladzijden wordt geschreven over het onstaan van fotografie. Rond 1838 ontstaat een nieuwe werkelijkheid. Louis Daguerre maakt in Parijs zijn eerste daguerreotypie op de Boulevard du Temple. Maar met een belichtingstijd van ruim tien minuten worden bewegingen niet vastgelegd. Alleen gebouwen en huizen staan op de gevoelige plaat. Maar ook twee mensen die nauwelijks bewegen: een man en een schoenpoetser. Alleen zijn hoofd is wazig.

    Na deze inleiding maakt de lezer kennis met hoofdpersoon: ‘Sebastian von Eschburg had vaak aan de bewegingsloze man en zijn vervagende hoofd gedacht. Maar pas nu, pas nadat alles was gebeurd en niemand meer iets kon terugdraaien, begreep hij het: die man was hij zelf.’

    Het boek heeft vier delen met genummerde hoofdstukken, met als titels de kleuren Groen, Rood, Blauw en Wit.

    In Groen maken we nader kennis met de jonge Sebastian die opgroeit in het Zuidduitse stadje Eschburg. Hij neemt kleuren waar op een bijzondere manier. Hij ziet wat andere mensen zien, maar zijn hersenen zetten de kleuren om in kleurnuances en twintig verschillende wittinten. In hem zijn de kleuren anders, maar hij praat er niet over.

    Op zijn tiende wordt hij naar een internaat gestuurd. In de grote vakanties keert hij terug naar het landgoed van zijn ouders. Hij gaat met zijn vader mee op jacht. Zijn vader schiet een hert en Sebastian is er getuige van hoe zijn vader het hert opensnijdt om de ingewanden en de weke delen te verwijderen. Dit maakt een diepe indruk op de jongen. Het verlamt hem, hij kan zich niet meer bewegen. Sebastian voelt zich net als toen hij aan de rand van een ravijn stond en hij er zich er niet van had kunnen losmaken.

    Na de jacht speelt hij onder het oog van zijn drinkende vader een partijtje biljart.  Kort daarop pleegt zijn vader zelfmoord. Met 12 loden kogels schiet hij zijn hoofd eraf. Het huis wordt ontmanteld, zijn moeder vindt een andere partner en Sebastian moet terug naar het internaat. Daar brengt hij veel tijd door in de bibliotheek. De paters vinden hem maar een vreemde jongen als ze hem in zichzelf zien praten met de hoofdpersonen uit de boeken die hij leest.
    Volgens de paters van het internaat lijdt hij aan ‘visuele hallucinaties’. Sebastian denkt in beelden en kleuren, niet in woorden. Tot zijn achttiende zit hij op het internaat.

    De jaren verstrijken. Sebastian gaat in de leer bij een fotograaf en hij vestigt zich later als zelfstandig fotograaf in Berlijn. Hij maakt naam met portretten en naaktfotografie. Hij experimenteert met zijn afdrukken net zo lang totdat zijn foto’s de warme toon krijgen die alle andere kleuren in zijn hoofd tot rust brengen. Zijn foto’s zijn veelal in sepia, felle kleuren kan hij als synestheet niet verdragen. Met zijn vriendin Sofia richt hij de expositie ‘Maja’s mannen’ in. De foto’s zijn geïnspireerd door pornofilms zoals ‘Venus in het spermabad’ in combinatie met twee beroemde schilderijen van Francisco Goya van Maja, de naakte (La maja desnuda) en de aangeklede versie (La maja vestida).

    Sebastian heeft met zijn internationale exposities van foto- en videoinstallaties veel succes. Hij denkt dat hij de schoonheid heeft gevonden in symmetrie. Maar in het laatste hoofdstuk van deel Blauw komt hij tot het inzicht dat hij zich heeft vergist, dat schoonheid geen waarheid is, dat de waarheid lelijk is. ‘Ze is het opengesneden lichaam, het weggeschoten hoofd van mijn vader’. Zoals zijn vader de buik van het hert opensnijdt, zo snijdt Sebastian diep in de rug van zijn hand.

    In de volgende delen komt  het verhaal in een stroomversnelling met een moord, een aanklacht, een rechtszaak en een uitspraak. Dat gebeurt in delen met een wisselend perspectief. In Rood openbaar aanklager Monika Landau, in Blauw de eigenzinnige advocaat Konrad Biegler. En in het slotdeel Wit komt alles samen:  de kleuren rood,  groen en blauw zijn gemengd.

    Het belangrijkste thema draait om waarheid en werkelijkheid, niet alleen in de kunst maar ook in het dagelijks leven. In de rechtspraak zijn werkelijkheid en waarheid verschillende dingen. Dé waarheid bestaat niet, er zijn meerdere waarheden.

    In het boek worden diverse taboes doorbroken. Over de zelfmoord van de vader spreekt de familie na de begrafenis niet meer. Een ander taboe is pornografie in de kunst. De naakte Maja van Goya is het eerste naakt waarop schaamhaar te zien is. Sebastian ziet voor het eerst porno als hij de nieuwe vriend van zijn moeder met een videocamera in de slaapkamer in de weer ziet.

    Het boek bevat  kritiek op de wijze waarop soms bewijs wordt verkregen in verhoren. Mag een agent een verdachte onder druk zetten door te dreigen met marteling, door ‘verscherpte verhoormethoden’ toe te passen? Is het gerechtvaardigd te ‘folteren’ als daarmee een mens of meerdere mensen gered kunnen worden? Valt een ontvoerder of een terrorist te allen tijde onder de grondwet? Hoe lang wordt de menselijke waardigheid gerespecteerd en gewaarborgd?

    Het verhaal laat zich lezen als een ‘Krimi’, maar het is meer een boek over literatuur, kunst, fotografie, werkelijkheid en illusie. Als kind leest Sebastian vertaalde gedichten van Dylan Thomas, Windabgeworfenes Licht. Als fotograaf gebruikt hij in een videoinstallatie een regel uit het gedicht Fernhill: ‘op de stromen van het door de wind afgeworpen licht’. In de oorspronkelijke tekst: ‘Down the rivers of the windfall light’.  Voor Sebastians fotowerk zijn de Maja schilderijen en de zwarte schilderijen die Goya in zijn laatste levensjaren maakte een belangrijke inspiratiebron. Net als in de foto’s van Sebastian is het kleurgebruik beperkt tot zwart, grijs en bruin.

    Op een knappe manier komt het verdwenen hoofd van Daguerre op meerdere plaatsen terug in het boek, bij de zelfmoord van de vader en in de videoinstallaties van Sebastian. Dit alles is verweven met beelden ontleend aan kunst en fotografie.

    Taboe is een rijk boek met een heldere structuur. De kleuren rood, groen, blauw en wit komen terug in de delen van het boek en in laatste zin wanneer een visser zijn hengel uitgooit in de rivier:  ‘Heel even lag de vlieg op het water, ze glansde groen en rood en blauw in de zon. Toen trok de rivier hem met zich mee.’

    Ferdinand von Schirach (1964) is schrijver en straf-advocaat in Berlijn. Voor Taboe laat hij zich volgens een recent interview inspireren door de zaak Gäfgen.  In 2002 ontvoert en vermoordt Magnus Gäfgen Jakob von Metzler, het elfjarige zoontje van een bankier. Twee politiemannen dreigen Gäfgen te zullen martelen als hij niet vertelt waar hij de jongen vasthoudt. Gafgën geeft na de dreigementen toe waar hij het kind heeft verborgen. Maar hij heeft de jongen daarvoor al gedood. In 2011 klaagt Gäfgen de Duitse deelstaat Hessen aan voor bedreigingen tijdens zijn verhoor. Het gerechtshof in Frankfurt bepaalt in 2012 dat Gäfgen recht heeft op 3000 euro schadevergoeding voor ‘zware schending van de menselijke waardigheid’. Het Europees Hof voor de Mensenrechten stelde al in 2010 vast dat dreigementen van marteling een onmenselijke behandeling is en zonder uitzondering verboden.

    Von Schirachs eerste verhalenbundel Misdaden verscheen in 2009, Schuld in 2010 en De zaak Collini in 2012.

    Hans Driessen en Marion Hardoar maakten wederom voor de Arbeiderspers de vertaling. Ze kregen hiervoor een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

     

  • Vrijheid is opgelegde keuzes van de hand wijzen

    Vrijheid is opgelegde keuzes van de hand wijzen

    ‘Veel kennis is waardeloos zodra ze losstaat van de verdeling van kracht, ook al is ze formeel waar.’ In de volgende zin maakte Adorno duidelijk wat hij bedoelt: ‘Als een geëmigreerde arts zegt: “Voor mij is Adolf Hitler een pathologisch geval”, zal de klinische diagnose zijn uitspraak misschien uiteindelijk wel bevestigen, maar de wanverhouding tussen zijn uitspraak en het objectieve onheil dat in naam van deze paranoïcus in de wereld wordt aangericht, maakt de diagnose belachelijk, waarmee de diagnosticus zichzelf alleen maar de hoogte in steekt’.
    Toen Adorno dat in de herfst van 1944 opschreef in zijn Minima Moralia, kon hij niet vermoeden dat hij er twintig jaar later zelf mee om de oren zou worden geslagen.

    Om te beginnen: het citaat zegt veel over het leven van de auteur zelf. Theodor Wiesengrund Adorno was een Duitse jood die geboren werd in 1903. Hij wilde graag componist en concertpianist worden, maar koos uiteindelijk voor de filosofie. Tijdens de opkomst van de nazi’s vluchtte hij in 1935 eerst naar Engeland en drie jaar later naar de V.S. In 1949 keerde hij terug naat Duitsland. Hij overleed in 1969.
    Adorno was één van de groten van de Frankfurter Schule, geen onderwijsinstituut, maar een politiek-filosofische beweging, die onder andere veel invloed had in de roerige jaren ’60 van de vorige eeuw. Adorno en de zijnen vonden dat de ontwikkeling van de wetenschap, de techniek, de economie en de ‘cultuurindustrie’ de mens alleen nog maar zag als object dat te manipuleren was en naar believen kon worden ingezet door de kapitalistische machthebbers.

    Deze weken verscheen Minima Moralia van Adorno in een nieuwe vertaling. Het is een bundeling zeer korte essays – sommige beslaan zelfs maar een halve pagina – die hij schreef in de jaren 1944 – 1947, aan het eind van de nazitijd en tijdens zijn verblijf in Amerika dus. De ondertitel is veelzeggend: Reflecties uit het beschadigde leven. Daarmee bedoelde hij niet alleen de vernietigingsoorlog door de nazi’s, maar ook zijn observatie dat de mens steeds verder van zijn behoeften vervreemd raakt en wórdt geleefd. In de jaren ’60 liepen de demonstranten met hun vaandels in de Europese hoofdsteden achter die analyse aan, maar het respect voor Adorno sloeg onder de revolutionairen snel om. Ze begonnen hem te verwijten dat hij even belachelijk was als de diagnosticus uit het citaat in de aanhef van deze recensie, omdat hij geen praktische consequenties aan zijn diagnose verbond.

    De Minima Moralia (de titel is een toespeling op de Magna Moralia van Aristoteles) werd in 1971 ook al eens door Maurits Mok in het Nederlands vertaald. Nu is er deze nieuwe frisse weergave van Hans Driessen, die eind vorig jaar ook al veel lof werd toegezwaaid voor een moderne versie van De Toverberg van Thomas Mann. Ook de verzorging van het boek is heel wat uitnodigender dan de Aula-pocket uit 1971.

    Theodor Adorno heet moeilijk toegankelijk te zijn. Dat zal vooral gelden voor voor zijn hoofdwerken; het kan in elk geval niet zonder meer gesteld worden van deze Minima Moralia, een verdienste die waarschijnlijk voor een deel op het conto van de vertaler mag worden geschreven. Het wil niet zeggen dat de gedachtegangen van Adorno altijd even gemakkelijk te volgen zijn. Dat probleem doet zich nogal eens voor als hij zich verliest in paradoxen en tegenstellingen. Hij is er een overdadige liefhebber van, zowel in zijn woordgebruik als in zijn redenaties. Op pagina 162 bijvoorbeeld presteert hij het om er in vier regels drie te verwerken (de onderstrepingen zijn van mij; AA):

    (…) de onbewuste inspanning van het bewustzijn om de dodelijke wet te leren kennen op grond waarvan de maatschappij haar leven bestendigt. De aberratie is eigenlijk alleen maar de kortsluiting van de aanpassing.

    Maar laat de lezer zich daardoor niet te veel afleiden. Want er staat veel aan soepel lopende teksten tegenover die soms met ingehouden felheid lijken te zijn opgeschreven. Ze zijn bovendien verrassend actueel. Dat geldt niet alleen voor de filosofische vragen, zoals hoezeer we in een technocratische maatschappij nog mens kunnen zijn, maar ook voor de herkenbaarheid van de voorbeelden. Met een zin als

    Dat ze, in plaats van de hoed te lichten, elkaar met het ‘hallo’ van de vertrouwde onverschilligheid begroeten, dat ze elkaar in plaats van brieven inter-office communications sturen, zonder aanhef en ondertekening, zijn slechts willekeurige symptomen van een verzieking van het contact.

    kan van harte worden ingestemd door degene die bijna 70 jaar nadat Adorno dit schreef tureluurs wordt van het geraas van twitter en facebook om zich heen. En in onze tijd lijkt er niet veel veranderd als we lezen dat de geschoolden volgens Adorno ‘steeds stommer’ worden: ‘Ze kunnen voordrachten houden waarvan elke zin geknipt is voor de microfoon, waarvoor ze als vertegenwoordigers van de doorsnee worden neergezet, maar het vermogen om met elkaar te converseren, dooft uit.’ En een pagina verder: ‘De affecten die in het menswaardige gesprek de inhoud golden, worden nu halsstarrig gericht op het pure gelijk krijgen.’ Adorno gruwde ervan. Sterker nog, in een eerdere aantekening heeft hij dan al gesteld dat filosofen die zich toeleggen op de conversatie, zodanig moeten spreken ‘dat ze altijd ongelijk krijgen’.

    Stof tot nadenken biedt Adorno zo te over. Ook als hij ons waarschuwt niet onverschillig te blijven bij wat we om ons heen zien gebeuren. Hij werkt dit tot in extremis uit in de beschrijving van het voorbeeld van de belangenbehartiger. Mensen met wie hij – de belangenbehartiger – in aanraking komt worden bij voorbaat al gereduceerd tot objecten omdat hij beoordeelt of ze in zijn bedoelingen passen en of hun opvattingen bruikbaar zijn of juist lastig. Hij ziet de anderen niet ‘als anderen’, maar ‘als functie van de eigen wil’ met als gevolg dat uiteindelijk ‘zelfs de beste mens alleen nog maar het kleinste kwaad is en de slechtste niet het grootste’.

    De strak onderzoekende, betoverende en betoverde blik, die eigen is aan leiders van de verschrikking, vindt zijn model in in de taxerende blik van de manager die de sollicitant verzoekt plaats te nemen en diens gezicht zo verlicht dat het meedogenloos uiteenvalt in de helderheid van de bruikbaarheid en in de donkerte en onguurheid van de ongeschiktheid. Het laatste stadium is het medisch onderzoek, met als resultaat het alternatief: opname in het arbeidsproces of liquidatie.

    Is het echt zo erg? Ja, zegt Adorno. Zo erg kan het zijn als we geneigd zijn gevaren niet onder ogen te zien omdat ze ongeloofwaardig overkomen. ‘Echte vrijheid is niet kiezen tussen zwart en wit, maar zo’n opgelegde keuze van de hand wijzen’, vermaant hij ons.

    De zojuist geciteerde omineuze tekst over de manager schreef Adorno in 1945. Opvallend is dat zijn thema’s veranderen ná dat jaar, als de oorlog is afgelopen en hij al weer durft te denken aan terugkeer naar Duitsland. De beschouwingen uit 1946 en 1947 worden dan minder grimmig. Er is weer ruimte voor stukken over liefde, jeugdherinneringen en kunst en muziek. De toon wordt lichter, maar wat blijft zijn de diepgang en de messcherpe observaties.

    Lees Minima Moralia. Mopper erover. Knik instemmend. Erger je. Geniet van de scherpte. Sla over wat ontoegankelijk is. Maar lees Minima Moralia.

     

    Minima Moralia.
    Reflecties uit het beschadigde leven

    Auteur: Theodor W. Adorno
    Vertaald door: Hans Driessen
    Verschenen bij: Uitgeverij Vantilt (2013)
    Oorspronkelijke uitgave: Suhrkamp Verlag (1951)
    Aantal pagina’s: 285
    Prijs : € 19,99

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Ongeveer een jaar geleden debuteerde de Duitse schrijver Frederich von Schirach in Nederland met zijn verhalenbundel Misdaden. In Duitsland was het eerder al een ongekend succes geweest en werd het snel gevolgd door een tweede verhalenbundel, Schuld, die nu in Nederlandse vertaling is verschenen.

    In Duitsland is Von Schirach inmiddels een beroemdheid. Zijn verhalen worden verwerkt tot televisieseries, hij heeft een column in Der Spiegel en er is zelfs sprake van een talkshow. Dat succes is wel enigszins te verklaren want zowel het grote publiek als de literaire kritiek vinden in Von Schirachs werk iets om enthousiast over te worden. De verhalen bevinden zich in het grensgebied tussen het misdaadgenre en het literaire, korte verhaal. Het zijn kleine literaire thrillers, een genre dat het bij het grote publiek toch al goed doet. Daarbij komt nog dat het literaire gehalte van de verhalen toegankelijkheid niet in de weg staat. Integendeel, Von Schirachs zinnen zijn zo eenvoudig, zo leesbaar en zo effectief dat lezen geen enkele moeite kost.

    Zoals zo velen was ik destijds dan ook behoorlijk enthousiast over Misdaden, over de sobere taal en de misdaadverhalen, geïnspireerd door zaken uit Von Schirachs praktijk als strafadvocaat, die nu eens niet draaien om de vraag wie nu precies iets vreselijks gedaan heeft. Ben ik ook zo enthousiast na het lezen van Schuld? Ja en nee.

    Ja, omdat de korte verhalen niet of nauwelijks verschillen van die in Misdaden.

    Nee, omdat de korte verhalen niet of nauwelijks verschillen van die in Misdaden.

    Eén van de beste verhalen in Schuld gaat over een echtpaar dat besluit anderen te betrekken in hun seksuele relatie. De man kijkt graag toe hoe anderen seks hebben met zijn vrouw. Beiden lijken er van te genieten maar Von Schirach weet zonder te oordelen meteen duidelijk te maken dat hier iets wringt, dat hier iets onderhuids op een ongezonde manier tot ontwikkeling komt. Als lezer kijk je naar een man die zijn vrouw bekijkt maar zichzelf niet ziet. Hij is zichzelf verloren, waarschijnlijk tijdens het kijken naar anderen die het met zijn echtgenote doen. Pas als een oude bekende, een vroegere schoolvriend zich meldt voor de gratis seks, gaat er iets mis. Of beter, er gebeurt iets dat laat zien dat er al die tijd al iets is misgegaan. De man slaat zijn oude schoolkameraad in een vlaag van opgekropte frustratie net niet dood, maar het scheelt niet veel.

    Von Schirach is op zijn best in het beschrijven van de aanloop naar de onvermijdelijke misdaad, niet zozeer in het beschrijven van de misdaad zelf, of de juridische afhandeling. Het is hem om de motieven te doen, de persoonlijke geschiedenis van een dader. De misdaad is in de beste verhalen een bijna noodlottig gevolg van eerdere gebeurtenissen.

    In het verhaal Vereffening mishandelt een man zijn vrouw. Ze heeft niet de kracht bij hem weg te gaan. Ze hebben samen een dochtertje en dat lijkt de belangrijkste reden te zijn om het geweld te blijven ondergaan. Het wordt steeds erger en de noodzakelijke vereffening komt steeds dichterbij. Op een gegeven moment wordt de man in zijn bed doodgeslagen. De misdaad ligt zo onontkoombaar in de lijn van het verhaal dat het er nauwelijks nog toe doet wie het precies gedaan heeft.

    Als Von Schirach op zijn best is, is misdaad noodlottig en onafwendbaar. Schuldig zijn is dan niet veel meer dan een etiket dat juristen en buitenstaanders hanteren. Het boek heeft dan ook een motto van Aristoteles meegekregen: ‘De dingen zijn zoals ze zijn.’

    Maar Von Schirach is niet altijd een meesterlijk schrijver en soms zit de misdaad hem in de weg. Dat wil zeggen, een enkele keer leidt de beschrijving van allerlei verwikkelingen tot een modaal misdaadverhaal. In De sleutel bijvoorbeeld, wordt gevochten, in drugs gehandeld, een auto gestolen, door een hond een belangrijk sleuteltje opgegeten, een man ontvoerd en net niet gemarteld, een ander hardhandig gearresteerd en wordt er langdurig een pistool in een mond geduwd. Het is allemaal spannend, bij vlagen ook nog hilarisch, maar we kennen zulke verhalen al zo goed. We hebben iets dergelijks al zo vaak langs zien komen op TV of film.

    Iets anders wat mij niet beviel bij het lezen van Schuld is dat ik de opbouw van Von Schirachs verhalen soms moeiteloos kon voorspellen. Zo maakt hij vaak gebruik van een enkele zin die de spanning opvoert door alvast een voorschot te nemen op de misdaad waarvan we weten dat die komen gaat. Bijvoorbeeld in het openingsverhaal Volksfeest komt de volgende zin voor: ‘Het waren hele gewone mannen, en niemand had verwacht dat zoiets zou gebeuren.’

    Op het moment dat we dit lezen hebben we nog geen idee wat met ‘zoiets’ bedoeld kan worden. Met een dergelijke zin is op zich niets mis, maar wel erg veel van Von Schirachs verhalen bevatten zo’n spanningsopbouwende zin, die zinspeelt op het naderende noodlot. In het verhaal De Ander bijvoorbeeld staat de zin ‘Maar toen was die kwestie in de hotelsauna voorgevallen en die had alles veranderd,’ waarbij de lezer nog geen idee heeft wat er in welke sauna is gebeurd. Ook de zin ‘Vlak na de kerstvakantie betrapten ze hem’ uit het verhaal De illuminaten is er zo één. Waarop de hoofdpersoon betrapt wordt is op het moment dat we de zin tegenkomen nog totaal onduidelijk. Kortom, de structuur van de verhalen wordt af en toe wat voorspelbaar en zo is de herhalende kracht van de verhalen tegelijkertijd hun zwakte.

    De verhalen in Schuld zijn iets harder, iets gewelddadiger dan die in Von Schirachs debuut. Maar Schuld is in alle opzichten een voortzetting van Misdaden, waarbij het gevaar van teveel van hetzelfde soms waarheid wordt. Wat echter steeds de moeite waard blijft, is om te zien hoe Von Schirach met kleine, eenvoudige zinnen grote effecten kan bewerkstelligen.

    Tijdens het lezen van Schuld had ik dezelfde gedachte als tijdens het lezen van Misdaden, alleen was de gedachte nu wat dwingender: ik zou Von Schirach zich wel eens willen zien wagen aan iets anders dan het korte misdaadverhaal. Aan iets dat niet gebaseerd is op de zaken uit zijn juridische praktijk, iets van meer omvang. Misschien een roman, misschien iets over zijn grootvader.

    Baldur von Schirach, de grootvader van de schrijver van Schuld en Misdaden, was jarenlang hoofd van de Hitlerjugend. Een dergelijke familierelatie kan een schrijver in zijn werk nauwelijks negeren, zou je denken. En inderdaad, op het moment dat Schuld in Nederland verschijnt, is in Duitsland Der Fall Collini uitgekomen, over de moord op een Italiaanse officier tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een roman waar in ook de grootvader een kleine rol schijnt te spelen. Zo kan voorspelbaarheid ook iets zijn om naar uit te kijken.

     

    Schuld

    Auteur: Frederich von Schirach
    Vertaald door: Hans Driessen en Marion Hardoar
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 148
    Prijs:  € 16,95

     

     

  • Debuteren met indrukwekkende korte verhalen

    Debuteren met indrukwekkende korte verhalen

    Het is maar een klein boekje, Misdaden van Ferdinand von Schirach met elf korte verhalen, maar de indruk die het maakt is groot en bij vlagen zelfs indrukwekkend.

    Frederich von Schirach werkt als strafadvocaat in Berlijn. Een aantal van de strafzaken uit zijn praktijk nam hij als basis voor zijn debuut dat in Duitsland vorig jaar een bestseller werd. Zijn tweede boek is daar inmiddels verschenen.

    Laat ik eerst zeggen wat voor boek de verhalenbundel Misdaden niet is. De titel en omslag suggereren spannende verhalen, de achterflap heeft het over ‘beknopte thrillers’ en toont in rode letters de zin ‘de waarheid en niets anders dan de waarheid’. De indrukken die deze informatie achter laat zijn onjuist.

    Het boek is geen appel. Dat staat op de allerlaatste bladzijde, na het laatste verhaal. Het is een citaat van de schilder Magritte: ‘Ceci n’est pas une pomme’. Op zich is het waar dat het boek geen appel is. Toch doet zo’n zin wat merkwaardig aan. Dat is nu net de bedoeling. De waarheid kan vreemd zijn, onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig klinken.  Daarentegen kunnen gewone, alledaagse verhalen verzonnen en misleidend zijn.  Na bijna 170 bladzijden is dat zinnetje van Magritte vrij eenvoudig te duiden.

    De verhalen in Misdaden zijn ook geen case studies. Weliswaar zijn ze gebaseerd op verhalen van bestaande cliënten, maar ze zijn aangepast. Niet elke cliënt wil zijn misdaden of levensloop immers in een boek terug vinden. Bovendien is de taal te helder en te persoonlijk voor een zakelijke gevalsbeschrijving.

    Korte thrillers zijn de verhalen ook niet. In slechts één verhaal  komt de vraag wie de moord gepleegd heeft centraal te staan, en het valt om die reden ook een beetje uit de toon.  De misdaad is niet het hoogtepunt of de sleutel van het verhaal. Het mag een reden zijn om het verhaal te vertellen maar het is niet het misdrijf dat de meeste indruk maakt.

    De gepleegde misdaden zijn voor Von Schirach aanleiding om op de huid van zijn personages te gaan zitten en zo te laten zien wat hen beweegt. Het zijn de verhalen die zij met zich meedragen die hij vertelt. De manier waarop hij dat doet is indringend. Het is even beknopt als effectief proza.

    Het indrukwekkende, eerste verhaal draagt de naam van de hoofdpersoon Fähner. Hij is huisarts, lid van de Lions club, geen strafbare feiten, 2800 ziekenfondspatiënten per jaar.

    Over Fähners leven viel eigenlijk niets te vertellen.

    Behalve die kwestie met Ingrid.

    Ingrid is de vrouw op wie hij verliefd wordt en aan wie hij plechtig en diepgemeend trouw belooft. In de veertig jaar die volgen behandelt ze hem als vuil, scheldt hem uit en maakt het huwelijk tot een kleine hel. Hij verlaat haar niet, maar blijft trouw aan zijn belofte. Op een dag scheldt ze hem voor de zoveelste keer uit en hakt hij haar met een bijl in stukken. Zoals op een dag de zon achter de wolken schuil gaat, of de post een brief komt brengen, zo komt het geweld langs in dit verhaal. Het gebeurt, eigenlijk is daar alles mee gezegd. De lezer staat er bovenop en de schrijver heeft het niet mooier of lelijker gemaakt dan het was. Kaal en direct staat het er.

    In dit verhaal shockeert het misdrijf, het geweld. Er is begrip en ook medelijden voor de dader. Maar ook afschuw voor de gruwelijkheid  van de daad en verbazing over de trouw die Fähner toch nog voelt voor zijn vermoorde vrouw. Het is een indrukwekkende start van de verhalenbundel.

    Het is niet allemaal moord en doodslag in Misdaden. In het verhaal De doorn bestaat de misdaad uit het kapotgooien van een museumstuk, in De egel weet een man zijn broer, die verdacht wordt van een overval, vrij te pleiten. In Geluk overlijdt een man aan een hartstilstand bij een illegale prostituée en haar vriend probeert in paniek het lijk op te ruimen. In De cello is er nauwelijks sprake van een misdaad. Een vrouw brengt haar broer uit liefde om. Hij lijdt aan de gevolgen van een zwaar verkeersongeluk en een bijkomende infectieziekte. Regelmatig moeten delen van zijn lichaam geamputeerd worden. Zijn hersenen zijn aangestast. Hij herkent haar niet meer. Haar besluit om zijn leven te beëindigen kun je haar, na hun gezamenlijke leidensweg gelezen te hebben, onmogelijk kwalijk nemen.

    De mooiste delen uit het boek hebben zelfs niets met misdaad te maken. Prachtig en bijna sierlijk beknopt wordt bijvoorbeeld in De egel beschreven hoe de Turkse Karim, afkomstig uit een gezin waarin niemand echt wil deugen, zich opzettelijk dommer voordoet dan hij is. Al zijn broers zitten in de misdaad, behalve Karim die doet alsof. Stiekem leest hij, studeert hij, verbergt hij zijn intellegentie en bouwt hij aan een keurig, bijna intellectueel dubbelleven, compleet met Duitse vriendin en belastingaangiftes.

    Een andere voorbeeld van een prachtig geschreven fragment komt uit het laatste verhaal De Ethiopiër. Een man raakt volstrekt aan de grond, pleegt een overval  en vertrekt naar Addis Abeba waarvan hij niet eens weet waar het ligt. In Ethiopië aangekomen blijkt daar de wereld opnieuw een vuilnisbelt. Uiteindelijk weet hij daar een leven op te bouwen, maar de beschrijving van zijn Afrikaanse omzwervingen deed me denken aan J.M. Coetzees roman Life & Times of Michael K. Toen viel het me pas op dat de man Michalka heet.

    Al de verhalen in Misdaden hebben hetzelfde patroon. In korte paragrafen maken we kennis met de hoofdpersonen waarbij het steeds verbazingwekkend is hoe Von Schirach met zo weinig middelen zoveel effect weet te bereiken. Zijn stijl is bedrieglijk eenvoudig en uiterst effectief. Het begin van elk verhaal lijkt te worden verteld door een alwetende verteller. Na enige tijd, meestal is de misdaad dan gepleegd, neemt de verteller plotseling deel aan het verhaal. De ik-figuur is in alle verhalen, net als Von Schirach zelf, strafadvocaat.

    Die verschuiving van vertelperspectief stoort niet, maar verzwakt soms toch de opbouw van de verhalen. Zo treedt in het openingsverhaal de ik-figuur pas op als het verhaal van Fähner en de moord op zijn vrouw verteld is. De ik-figuur handelt nu als advocaat de nasleep van de moord af. Met terugwerkende kracht blijkt de alwetende verteller dan Fähner’s advocaat te zijn en dus een belang te hebben bij een bepaalde visie op de gebeurtenissen. Dat besef doet wel iets aan de verhalen af.

    Von Schirach ziet dat probleem zelf ook en hij maakt ook regelmatig opmerkingen over de objectiviteit van verhalen en getuigenissen.  De zin op de achterflap De waarheid en niets anders dan de waarheid is dan ook zeker niet zijn motto. Integendeel zelfs, het boek begint met een citaat van de fysicus Heizenberg, bekend om zijn onzekerheidprincipe: ‘Die Wirklichkeit, von der wir sprechen können, ist nie die Wirklichkeit an sich’.  Ook in de verhalen zelf komt Von Schirach regelmatig terug op wat nu objectief gebeurd is en wat gekleurd is door waarnemingen, belangen en vermoedens. Zo ook in het laatste verhaal: ‘Niemand is zo objectief dat hij vermoeden en bewijs altijd uit elkaar kan houden. We denken iets heel zeker te weten, we gaan de verkeerde kant op, en vaak is het allesbehalve eenvoudig de weg terug te vinden.’

    Een ander kenmerk dat alle verhalen uitdragen is een lichte sympathie voor de dader. Nooit zijn het monsters, of anonieme, gezichtloze figuren. Steeds zijn het mensen, al zijn ze soms dom, erg gewelddadig of zelfs waanzinnig. Van goedpraten van de misdaad is geen sprake, maar begrip voor de dader verandert toch het oordeel over de daad. Het is overigens zeker niet zo dat de lezer zich kan identificeren met elk personage uit Von Schirachs Misdaden.  De Turk Pocol in Tanata’s theekopje is angstaanjagend gewelddadig en ook de jongen uit Liefde die er naar verlangt zijn vriendin op te eten, is nu niet iemand met wie je je identificeert. Wel brengt Von Schirach ze dichtbij.

    Misdaden is een indrukwekkend debuut. Wie een thriller verwacht, krijgt iets anders, maar zal niet teleurgesteld worden. Een vreemde lezer die dit boek niet uit wil lezen.