• Nutteloosheid gecombineerd met poëzie en fantasie

    Nutteloosheid gecombineerd met poëzie en fantasie

    ‘De Jong [wil] met zijn Actus laten zien dat het leven in principe nutteloos is. En kunst misschien wel de laatste strohalm’. Het is een citaat uit Vrijheid. De vijftig Nederlandse kernkunstwerken vanaf 1968, het jongste boek van kunstcriticus Hans den Hartog Jager. Het hoort bij de gelijknamige, eveneens door hem samengestelde, expositie in Museum De Fundatie in Zwolle. Die is nog te zien tot 12 mei.
    Dat het leven in principe nutteloos is, is wat Den Hartog Jager herkent in de installatie Actus Tragicus van Folkert de Jong; je kunt dus zeggen dat hij deze opvatting toedicht aan de maker van het werk. Maar het zinnetje dat erna komt is helemaal des schrijvers: kunst is de laatste strohalm, vindt ook Den Hartog Jager zelf.
    In Actus Tragicus uit 2013 zien we kleurige uit styrofoam en purschuim vervaardigde figuren met de koppen van bijvoorbeeld Lincoln, Picasso en Al Pacino, mensen die voor ons een iconische zeggingskracht hebben, maar die in deze installatie als een soort marionetten aan het plafond hangen. Ontkracht en ‘overgeleverd aan de grillen van een God’ (schrijft Den Hartog Jager) of aan de macht die wij hen toedichten (mogen we er misschien zelf bij denken). De Jong wil ‘tonen hoe groot het verlangen van de mens is de werkelijkheid te beheersen, terwijl hij daar telkens weer in faalt.’

    Onzichtbaar
    Het is niet de eerste keer dat Den Hartog Jager een tentoonstelling inricht in De Fundatie. Hij deed dat al drie keer eerder, onder andere in 2014 onder de titel Meer macht. Die expositie had als thema de vraag of kunst de macht heeft veranderingen te bewerkstelligen. Het bijbehorende boek Het streven werd op Literair Nederland hoog gewaardeerd (zie hier).
    In de huidige tentoonstelling Vrijheid zien we de kunstenaars niet als zoekers naar macht, maar vooral als vragenstellers die ons confronteren met onze vooroordelen en onze ingeslepen kijkgewoontes. De vrijheid uit de titel slaat op de manieren waarop de geëxposeerden die confrontaties opzoeken. Stuk voor stuk proberen ze vaste stramienen te doorbreken. Voorbeelden te over dan ook. Zoals Jan Dibbets die perspectieven verdraait om ons te laten zien dat wij het zelf zijn die de werkelijkheid construeren. Of Kees de Goede die ‘schilderijen’ maakt zonder doek door bijvoorbeeld takken als dragers te gebruiken. En Emo Verkerk die nóg een stap verder gaat door zich in zijn Portret van Georges Simenon te beperken tot twee gaatjes in de muur, een stukje koper en een houten pijp. Of wijlen Stanley Brouwn die zich het liefst onzichtbaar maakte. Den Hartog Jager daarover: ‘Voor mij is duidelijk dat Stanley Brouwn bij leven niet zou hebben meegewerkt aan Vrijheid, de tentoonstelling. Hij zou ook nooit een foto van zijn werk in het boek hebben laten plaatsen’. De auteur laat daarom als een eerbetoon aan hem een pagina wit. En in Zwolle is niets van hem te zien (het boek telt daarom 51 stukken, terwijl in De Fundatie 50 objecten te zien zijn).

    Discussie
    Het bepalende lidwoord ‘De’ in de ondertitel van Vrijheid klinkt aanmatigend. Zijn het inderdaad de Nederlandse kernkunstwerken van de laatste vijftig jaar? Een breed aanvaarde canon? De auteur zelf is er duidelijk over. In meerdere interviews gaf hij aan dat het zijn persoonlijke keuze is en dat iedereen van mening mag verschillen met hem. In een min of meer democratische bepaling van wat de vijftig kernwerken zijn had hij geen zin. Dan krijg je vervlakking; middelmaat.
    Door die opstelling bereikt Den Hartog Jager precies wat hij wil: discussie. Want weinigen zouden dezelfde keus maken. Het is zelfs niet gewaagd om te stellen dat er heel wat lezers van het boek en bezoekers van de expositie zullen zijn die lang niet alle verkozen kunstenaars kennen. Waarschijnlijk zal ook niet iedereen het altijd eens zijn met de interpretaties van de vijftig werken door de auteur. Maar wie het boek met aandacht leest kan moeilijk níét geprikkeld worden door het aanstekelijke enthousiasme van Den Hartog Jager. Sterker nog: op de expositie is aardig wat werk te zien dat niet meteen helder is. Het laat zich eigenlijk pas in de bek kijken als je iets weet van de ontstaansgeschiedenis of van de denkwereld van de maker. Iets meer liefst dan de toelichtende teksten op de wanden in het museum, die op zich al redelijk uitgebreid zijn. Voor dat meerdere is het boek van Den Hartog Jager onmisbaar.

    Bom
    Een goed voorbeeld is het werk van Gert Jan Kocken dat in De Fundatie hangt. Hij vergrootte een ansichtkaart van Paul Tibbets, waarop de paddenstoelwolk van de atoombom is te zien, tot wandgrootte uit. Tibbets was de piloot die vanuit de Enola Gay de Hiroshima-bom afwierp en daar zo trots op was dat hij zijn prestatie ging ‘vermerchandisen’. Dat kunnen we lezen op de beschrijving aan de wand in De Fundatie zelf. Maar cruciaal is de toevoeging die daar niet te lezen valt en die Den Hartog Jager wel geeft: de ondergeschiktheid van de wandaad aan de persoonlijke ambities wordt des te schrijnender doordat Tibbets voor de afbeelding niet de foto van de wolk boven Hiroshima koos, maar van die boven Nagasaki. Die vond hij indrukwekkender. Zelf had hij de bom boven Nagasaki niet gegooid.

    Den Hartog Jager deelt de vijftig kunstwerken, nagenoeg voor elk jaar één, in in vijf episodes, steeds voorafgegaan door een kernachtige inleiding van twee pagina’s. Ook de beschouwingen bij de afzonderlijke werken – schilderijen, collages, beelden, installaties, video’s, foto’s en zelfs een klankspel – zijn zakelijk, kort en zeer informatief. De toon die hij aanslaat is die van een gedreven, bezielde docent. Hij mijdt jargon, maar gaat ook nergens op zijn hurken. Wie hem wel eens op TV zag vertellen ziet en hoort achter de woorden in het boek zijn tintelende ogen en geestdriftige stem. Den Hartog Jager schrijft zoals hij praat: verzorgd, enthousiast en beeldend.

    Weifelende tijd
    In een paar zinnen weet hij de tijdgeest te vangen. Alle ijkpunten zijn in de afgelopen jaren verdwenen, stelt hij: ‘Dé kunstgeschiedenis bestaat niet meer. Verbanden verdwijnen. Overzichten ontbreken. Dat zou je als heel nobel en egalitair kunnen opvatten, maar door het ontbreken van kennis én discussie over een gedeeld artistiek verleden is ook steeds minder duidelijk wat kunst tegenwoordig nog betekent (…) Daarom is het tijd voor Vrijheid, een boek vol ijkpunten voor een weifelende tijd (…) Niet om die klakkeloos te accepteren, maar juist om erover te discussiëren, om iedereen de kans te bieden zich ertegen af te zetten, om ze te koesteren en er alternatieven voor te verzinnen – liefst zo boos, liefdevol en fanatiek mogelijk.’
    Verderop haalt hij Ger van Elk aan van wie La Pièce is opgenomen: die voer in 1971 wekenlang mee op een ijsbreker van Bremen naar Montreal. Vlak voor het eindpunt onder de kust van Groenland liep hij naar de boeg, haalde een rechthoekig blokje beukenhout uit zijn zak en verfde dat wit. Bijna achteloos en een tikje knullig. In die nutteloosheid, gecombineerd met poëzie en fantasie lag voor Van Elk de kracht van kunst. Nu ligt het blokje in De Fundatie in een glazen vitrine.
    Niet meer dan een gimmick? Je zou het kunnen denken. Maar lees Vrijheid. Bekijk daarna de expositie. Het blokje wordt geladen met betekenis. En stelt vragen. Dankzij Hans den Hartog Jager.

    Zeer aanbevolen!

     

     

  • Oogst week 3 – 2019

    Vrijheid

    Komend weekend, op 19 januari, opent in Museum de Fundatie in Zwolle de tentoonstelling Vrijheid – de vijftig Nederlandse kernkunstwerken vanaf 1968. Tegelijkertijd verschijnt van Hans den Hartog Jager een boek met dezelfde titel. Den Hartog Jager heeft vijftig ‘kernkunstwerken’ geselecteerd, de – in zijn ogen – meest toonaangevende kunstwerken die de afgelopen vijftig jaar in Nederland zijn gemaakt.

    Op de website van De Fundatie is te lezen waarom zij gekozen hebben voor ‘Vrijheid’ als thema: ‘Juist in deze fragmentarische tijden, waarin de betekenis van veel zaken die in Nederland decennialang vanzelfsprekend leken opnieuw worden bevraagd, willen we tonen wat de essentiële kracht van kunst is: nieuwe vergezichten openen, vastgeroeste normen, waarden en vormen ter discussie stellen, de tijdgeest weerspiegelen, en daarop vooruitlopen. Daarom hebben we gekozen voor ‘vrijheid’ als dragend thema. Dat woord heeft in Nederland de laatste jaren een curieuze, bijna populistische politieke lading gekregen. Vijftig jaar geleden stond ‘vrijheid’ nog voor de nieuwe, revolutionaire ontwikkelingen waarmee bestaande patronen werden doorbroken, nu is het woord vooral een symbool geworden voor het vasthouden aan ‘authentieke Nederlandse waarden’. Tegelijk is het óók eenvoudig vol te houden dat het streven naar vrijheid, onafhankelijkheid, uniciteit, al die jaren een kernwaarde van hedendaagse kunst is gebleven.’

    Waarom ze dit initiatief hebben opgezet staat ook beschreven: ‘Door één keer zoveel ‘kernkunstwerken’ uit de afgelopen decennia bij elkaar te brengen willen we de actuele discussies over de rol van kunst in de maatschappij van nieuwe energie voorzien. Maar uiteindelijk hopen we vooral dat Vrijheid één grote viering wordt van de kracht van kunst: een tentoonstelling en een boek, om mensen te laten genieten, verdieping te bieden en aan te zetten tot denken, juist in deze wereld, in deze tijd.’

    De tentoonstelling loopt van 19 januari t/m 12 mei. Het boek is vanaf heden verkrijgbaar.

    Vrijheid
    Auteur: Hans den Hartog Jager
    Uitgeverij: Athenaeum

    Vacuüm

    Op zijn eigen website vertelt Oscar Spaans waar de verhalen in zijn debuut Vacuüm over gaan: ‘over mensen die het allemaal niet zo goed meer weten.’

    En hij vervolgt: ‘Volgens het cliché schrijf je geen boek zonder dat er bloed, zweet en tranen bij vloeien. In het geval van Vacuüm was het eigenlijk vooral zweet, maar dan wel letterlijk: de inspiratie voor de verhalen deed ik niet zelden op bij het verhuisbedrijf waar ik drie dagen per week werk.’

    De uitgeverij heeft het over personages die onthecht zijn, langs elkaar heen leven en op zoek zijn naar houvast. Ze zitten vast, gaan een nieuwe fase van hun leven in, of sluiten er juist één af: ze bevinden zich allemaal in een vacuüm en moeten omgaan met de leegte die dat met zich meebrengt. Soms zijn het herinneringen aan een bepaalde plek die hen ervan weerhoudt om verder te gaan met hun leven, soms is het de belofte van een nieuw begin dat ze doet besluiten het oude achter zich te laten. In andere gevallen is er van een keuze helemaal geen sprake.

    Een bundel over vallen en weer opstaan, of blijven liggen.

    Verhalen van Oscar Spaans verschenen eerder in o.a. RevisorTirade en Kluger Hans. In 2017 won hij De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd met zijn verhaal ‘Beestjes’.

     

    Vacuüm
    Auteur: Oscar Spaans
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Roadblock

    Lovende recensies kreeg Pauline Genee op haar romandebuut Duel met paard dat in 2014 bij Uitgeverij Querido verscheen. Roadblock is haar tweede roman.

    Die vertelt over Ava die verkiezingen gaat waarnemen in een niet al te gevaarlijk land. Het had een onschuldige onderbreking van haar drukke leven moeten worden: een soort vakantie. Maar het loopt anders: bij een roadblock valt Ava’s team in handen van een gewapende groep. Er klinken schoten, Ava wordt van haar teamgenoten gescheiden en belandt, ver van de bewoonde wereld, op een kale berg. In de angstige tijd die volgt probeert ze haar kansen in te schatten.

    Heen en weer slingerend tussen hoop en vrees maakt ze de balans op van haar leven. Heeft ze de juiste keuzes gemaakt? Krijgt ze de kans haar grootste fout recht te zetten?

     

    Roadblock
    Auteur: Pauline Genee
    Uitgeverij: Querido

    Sido

    In 2017 verscheen in de serie Privé-domein De eerste keer dat ik mijn hoed verloor van de Franse schrijfster Colette. Eind 2018 ging een film over haar in première met in de hoofdrol Keira Kneightley,

    Beiden gebeurtenissen waren aanleiding voor uitgeverij Vleugels om Colette’s roman Sido in een herziene vertaling uit te geven.

    In Sido schetst Colette in beeldende beschrijvingen haar jeugd in het Bourgondische dorpje Saint-Sauveur, met haar broers, ‘de wilden’, met wie ze oneindig veel in de bossen speelde, haar mysterieuze, eenzelvige zus, haar eenbenige vader met literaire en politieke ambities en haar eigenzinnige, vooruitstrevende moeder Sido.

    Sido
    Auteur: Colette
  • Lichte kunst

    Lichte kunst

    Alhoewel iedere zomervakantie zich bij uitstek leent om je eens goed te verdiepen in kunst is er vaak een gewichtige reden die je ervan weerhoudt. En dat bedoel ik letterlijk, want veel kunstboeken lijken geschikter voor de koffietafel dan voor de koffer. Zo weegt mijn favoriete naslagwerk Gardner’s Art through the Ages van Fred Kleiner e.a. ruim 4 kg. Niet echt een lekker boekje om mee op het strand te liggen dus. Maar er zijn goede alternatieven. Ik zet mijn persoonlijke top 10 graag op een rij. Een top 10 die je ook kan lezen als een persoonlijk portret. Immers, om met Oscar Wilde te spreken, ‘it is the spectator, and not life, that art really mirrors‘. En dat geldt dus ook voor lijstjes favoriete boeken.

     

    Nummer 10. Hugh Honour en John Flemings, Algemene kunstgeschiedenis. Qua naslagwaarde nog zo’n topper, maar met zijn 3649 gram hier misschien eigenlijk helemaal niet op zijn plaats.

     

    Nummer 9. Ernst Gombrich, Eeuwige schoonheid. Weegt ‘slechts’ 1625 gram en biedt toch een onovertroffen overzicht door de eeuwen heen. Zou in de lijst meest toegankelijke kunstoverzichten de onbetwistbare nummer 1 zijn.

     

    Nummer 8. Heinrich Wölfflin, Classic art. An introduction to the Italian Renaissance. Omdat de gehele kunstgeschiedenis eigenlijk te omvangrijk is voor een hanteerbaar boekje dalen we af naar afzonderlijke periodes. In dit klassieke boek van Wöllflin (928 gram) gaat het vooral om hoe kunst er uitziet en minder om wat het allemaal zou betekenen. Heerlijk relaxt dus.

     

    Nummer 7. Hans den Hartog Jager, Dit is Nederland in tachtig meesterwerken (892 gram). Ideale zomerlectuur voor wie in Nederland blijft of heimwee heeft. Den Hartog Jager laat Nederland in tachtig kunstwerken op onnavolgbare wijze uit de verf komen.

     

    Nummer 6. Erwin Panofsky, Renaissance and Renascences in Western art. Ondanks zijn bescheiden 620 gram een theoretisch zwaargewicht. Maar hét boek om alles te weten te komen over de wedergeboortes van de oudheid. Waarin je zult ontdekken dat die befaamde renaissance niet op zich staat en eigenlijk in de Middeleeuwen al broertjes en zusjes had.

     

    Nummer 5. Rudolf Wittkower, Sculpture. Nipt op 5, met slechts 618 gram, maar verplichte literatuur voor de ware liefhebber van beeldhouwkunst. Er is geen betere introductie voorhanden over dit deel van de kunstgeschiedenis. Wittkower beschrijft het allemaal, van de klassieken tot de twintigste eeuw. Toegankelijker als dit krijg je het niet, zonder overigens concessies te doen aan kwaliteit. En steeds weer interessant. Een boekje dat je op elke vakantie wel twee of drie keer lezen kunt.

     

    Nummer 4. Michael Baxandall, Schilderkunst en leefwereld in het quattrocento. We duiken nu ruim onder het pond. In 366 gram schetst Baxandall de strenge context waarin de kunstenaars van de vijftiende eeuw hun meesterwerken maakten. Zodat we ons blijven realiseren dat die mythe van de vrije kunstenaar echt niet van alle tijden is, En we een nog grotere bewondering krijgen voor kunstenaars die vernieuwden en ten aanzien van bijvoorbeeld compositie of kleurgebruik de toenmalige grenzen tartten.

     

    Nummer 3. John Berger, Ways of seeing (202 gram). In het Nederlands ook verschenen als Anders zien. Een bundeling van essays over het kijken naar kunst, gebaseerd op de gelijknamige, populaire BBC serie over kunst. Waarbij overigens slechts vier van de essays naast beelden ook woorden gebruiken. De andere drie bestaan uit louter beelden. Boeiende lectuur.

     

    Nummer 2. Hélène Nolthenius, Duecento. Zwerftocht door Italië’s late middeleeuwen. Over hoe landschap en geschiedenis een cultuur bepalen. Met een hoofdrol voor de muziek en poëzie, van het Zonnelied van Franciscus tot de Goddelijke Komedie van Dante.

     

    Nummer 1. Walter Paatz, De kunst der Renaissance in Italië. Het toppunt van lichtheid. Dit paperbackje op broekzakformaat weegt nog slechts 145 gram maar bevat toch een enorme rijkdom en wetenswaardigheden over Renaissancekunst. De perfecte metgezel voor elke Toscaanse stedenreis.

  • ‘Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren?’

    ‘Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren?’

    ‘Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren?’ Dat is de ondertitel én centrale vraagstelling van het boek dat Hans den Hartog Jager schreef over het streven van moderne kunstenaars om zich te ontworstelen aan de vrijblijvendheid van hun metier. Een prikkelend boek, dat ontstond terwijl Den Hartog Jager de tentoonstelling Meer macht voor museum De Fundatie in Zwolle samenstelde.

    Den Hartog Jager heeft overigens zijn sporen in het kunst-boekengenre meer dan verdiend. Hij schreef bijvoorbeeld eerder het succesvolle Dit is Nederland (2008), waarin hij Nederland in tachtig hedendaagse kunstwerken karakteriseerde. En in 2011 Het sublieme, over de opkomst en neergang van schoonheid in de moderne kunst.

    Ook in Het streven richt Den Hartog Jager zich op moderne kunst. Hij geeft een mooi overzicht van het ontstaan van de hedendaagse kunst. Hij beschrijft hoe de moderne kunst halverwege de negentiende eeuw met de penseelstreken van Goya, Marat, Manet en Courbet ontstond. En hoe met hen ook het archetype van de moderne kunstenaar werd geboren: type lange haren, artistieke kleding en geen rode rotcent op de bank. Maar mét de ultieme vrijheid om te maken wat hij of zij wilde; los van welke teugels dan ook, en vrij van de noodzaak om de wereld van opdrachtgevers te verbeelden, laat staan te verheerlijken.

    Maar deze vrijheid kwam niet zonder prijs. De verworven vrijheid ging gepaard met een scheiding tussen kunst en samenleving. En met die scheiding kwam volgens Den Hartog Jager ook de onmogelijkheid om in de reële wereld iets te veranderen. Vandaar zijn centrale vraag: kan kunst de wereld verbeteren?

    Boek en tentoonstelling verkennen deze vraag aan de hand van verschillende voorbeelden van de hedendaagse geëngageerde kunst. Den Hartog Jager begint zijn boek met bespiegelingen over de Nederlandse kunstenaar Renzo Martens (1973), die in Congo het kunstproject Episode III: Enjoy poverty opzette vanuit de gedachte dat armoede Congo’s belangrijkste inkomstenbron is. Een ongemakkelijke stellingname waarmee Martens veel krediet in de kunstwereld oogstte. In een vervolgproject zette hij kunst in als instrument om een kleine settlement in het oerwoud uit de armoede te verheffen. Een project dat uiteindelijk spaak loopt, waarbij Martens ontdekt dat kunst en werkelijkheid door andere regels gedicteerd worden.

    Naast Renzo Martens komen in Het streven vele andere moderne kunstenaars voorbij. Hans Haacke, Joseph Beuys, The Guerrilla Girls en Constant, om er een paar te noemen. Stuk voor stuk kunstenaars die volgens Den Hartog Jager de ambitie hadden iets te veranderen en dat deden door steeds weer grenzen te verleggen door het tonen van hun persoonlijke visie op de werkelijkheid. Maar die daarbij opliepen tegen de keerzijde van hun eigen vrijheid: de vrijheid van de samenleving om de persoonlijke visie van kunstenaars naast zich neer te leggen.

    Wat niet wil zeggen dat die persoonlijke visie niet indringend kan zijn. Een voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de video Sign of times die de Amerikaanse kunstenaar Andres Serrano in 2013 maakte. Die video bestaat uit niets anders dan elkaar snel opvolgende, muzikaal omlijstte, stills van door hem opgekochte kartonnen bedelbordjes. Hij brengt hiermee de rauwheid van de onderkant van de samenleving in de veelal kraakhelder witte omgeving van musea. En laat daarbij een gemengd beeld van schoonheid en ongemak achter.

    Of de metersgrote foto’s op lood die Anselm Kiefer, Duits kunstenaar, in 1969 van zichzelf maakte. Gekleed in Nazi-uniform brengt hij, staande voor een oorlogsruïne, de Hitler-groet. Deze Occupations-serie is één van de projecten die Kiefer uitvoerde om zich rekenschap te geven van het nazistische verleden van zijn vaderland. In een tijd dat niemand daar in Duitsland over wilde of durfde te spreken. Mooi, indringend, overweldigend. Maar veranderde Kiefer hiermee de wereld?

    Deze vraag blijft onbeantwoord, zowel in het boek als in de tentoonstelling. Beiden zijn eerder een aansporing aan de lezer of kijker om zichzelf deze vraag te stellen. En zo te verkennen wat volgens hem of haar de rol van kunst in de samenleving is.

    Het is daarbij wel jammer dat het accent zo sterk op de moderne tijd alleen ligt. Den Hartog Jager gaat niet verder terug dan pakweg het begin of halverwege de negentiende eeuw. Terwijl ook in de eeuwen daarvoor sommige kunstenaars in hun werken doelbewust hun persoonlijke visie lieten doorklinken, ook al lijkt Den Hartog Jager dat onder het mom van ‘allemaal opdrachtgevers-kunst’ terzijde te schuiven. Want wat te denken van Michelangelo, die het vertikte om voor zijn Medici-grafkapel echte portretten te maken, omdat over duizend jaar toch niemand meer zou weten hoe de Medici (zijn opdrachtgevers!) er uit hadden gezien. Of Caravaggio, die op zijn religieuze schilderijen gewone mensen met vieze voeten uitbeeldde, omdat ook de ‘werkelijkheid’ van heiligen niet van vuil gespeend kon zijn, hoezeer de clerus dat ook wilde doen geloven.

    Den Hartog Jagers boek was een nog rijkere bron geweest als dit soort oudere voorbeelden, van ver voor de bevochten absolute kunstzinnige vrijheid van na ca. 1850, ook aan de orde waren gekomen. Maar of het tot andere conclusies had geleid valt te betwijfelen. Want ook de voorbeelden van Michelangelo en Caravaggio maken immers duidelijk dat kunst in die tijd ook de werkelijkheid niet verbeterde. Althans daarvan zijn net zo min als in Het streven in de annalen van de zestiende of zeventiende eeuw bewijzen te vinden.

    Het is overigens de vraag of het erg is dat Den Hartog Jager vragen stelt zonder ze te beantwoorden. Het plezier is er niet minder om. Boek en tentoonstelling zijn uiteindelijk een beetje als de film Static (2009) van Steve McQueen, ook vertoond in De Fundatie. Waar McQueen in een helikopter om het Vrijheidsbeeld heen cirkelt, zonder die vrijheid ooit echt te pakken te krijgen, cirkelt Den Hartog Jager om zijn centrale vraagstelling heen. Zonder deze te beantwoorden. Maar dat is niet erg. Want net als McQueen’s helicoptervlucht levert Het Streven een aaneenschakeling van prachtige observaties op.

     

  • Recensie door: Carolien van Welij

    Recensie door: Carolien van Welij

    In Museum de Fundatie in Zwolle is nu de tentoonstelling ‘Meer licht’ te zien. Hans den Hartog Jager, schrijver en kunstcriticus, is de samensteller van deze expositie. Tegelijkertijd publiceerde hij het essay Het sublieme, over ‘de opmerkelijke, ongemakkelijke manier waarop er in de hedendaagse kunst wordt omgegaan met schoonheid.’ Het boek en de tentoonstelling liggen in het verlengde van elkaar: ze zijn allebei een verslag van een zoektocht naar het sublieme in de hedendaagse kunst.

    Startpunt van deze zoektocht is de ervaring die Den Hartog Jager opdeed in 2004 in de Tate Modern (Londen). Daar ging hij kijken naar The weather project, het overweldigende kunstwerk van de IJslands-Deense kunstenaar Olafur Eliasson: een enorme, gele, lichtgevende bol in de imposante ruimte van de Turbine Hall. Het kunstwerk maakt van alles los bij Den Hartog Jager. Hij is diep getroffen door de schoonheid ervan. En dat brengt hem in verwarring, want schoonheid deed er al lang niet meer toe in de beeldende kunst. Als ‘kunstprofessional’ hoorde hij altijd bij het kamp van de toeschouwers die naar ideeën zoeken in een kunstwerk; nu voelt hij zich opeens verbonden met dat andere kamp: de mensen die alleen maar op zoek zijn naar esthetische bevrediging, de ‘schoonheidszoekers’.

    Den Hartog Jager weet zijn ervaring zo te beschrijven dat je als lezer het gevoel krijgt ook onder die zon te hebben gestaan. Hij beschrijft in een eigen, persoonlijke stijl niet alleen het kunstwerk zelf, maar ook de mensen om hem heen, de sfeer in de ruimte, zelfs de wandeling vanaf het metrostation. Daarnaast neemt hij je mee in zijn binnenwereld met beschrijvingen van alle gevoelens, gedachten en vragen die bij hem opkomen: ‘Was dit werk nu eigenlijk mooi of dreigend?’ [..] ‘Had Eliasson een briljant kunstwerk gemaakt of was het toch een pretparkinstallatie, overgoten met een artistieke saus?’ De schrijver heeft niet alleen aandacht voor de inhoud van zijn beschrijvingen, maar ook altijd voor de formulering. Die aandacht voor de taal – de auteur is ook romanschrijver – maakt dit boek een plezier om te lezen.

    Als een echte Montaigne gaat Den Hartog Jager in dit essay te werk: zoekend, twijfelend, en uitgaande van zijn persoonlijke ervaringen voert hij de lezer mee in zijn gedachtegang en gemoedstoestand. De beschrijving van een observatie of inzicht wordt gevolgd door een nóg preciezere formulering. En een stellige bewering wordt gevolgd door een sceptische vraag. Deze beschrijvingen van zijn persoonlijke ervaringen bij het aanschouwen van kunstwerken zijn verreweg de mooiste stukken van het boek. Hans den Hartog Jager weet al zoekende de woorden te vinden voor een fenomeen dat zo moeilijk te beschrijven is, namelijk wat kunst met je kan doen.

    De ambities van de schrijver gaan echter veel verder. In zijn zoektocht naar de rol van schoonheid in de kunst wil hij ook antwoorden en houvast bieden. In de loop van het boek volgt een min of meer chronologisch historisch overzicht van de ontwikkeling van de beeldende kunst. Op iedere bladzijde worden tientallen kunstenaars en kunstwerken genoemd en – met Google bij de hand en de illustraties achterin – word je zo langs alle interessante kunststromingen geleid in woord en beeld. Deze beschrijvingen zijn heel anders van toon: hier is de schrijver niet voorzichtig en zoekend, maar zeker van zijn zaak. Zo ontstaat er soms een stijlbreuk, bijvoorbeeld als het beschouwende gedeelte over zijn ervaring bij de zon van Eliasson wordt onderbroken door een mini-betoog over de invloed van ’11 september’ op de kunst.

    Het is jammer dat Den Hartog Jager die sceptische houding in de stijl van Montaigne op dat soort momenten niet af en toe weer oppakt. Hij gebruikt bijvoorbeeld allerlei bekende begrippen uit de kunstgeschiedenis en de esthetica op een eigen manier zonder daarvoor argumenten te geven. Het opvallendst is dat bij de begrippen ‘schoonheid’ en ‘het sublieme’. Deze gebruikt de auteur door elkaar en op dezelfde manier, zonder in te gaan op de traditie in de filosofie van de kunst waarin juist een verschil tussen die twee begrippen wordt verondersteld.

    Zodra Hans den Hartog Jager zijn persoonlijke ervaringen verlaat, verdwijnen de precieze beschrijvingen en struikelen we daarentegen over de ‘etiketten’: de romantische traditie, l’art pour l’art en avant-garde zijn termen die op bijna iedere bladzijde terugkomen. Al deze kunstopvattingen komen volgens de auteur namelijk neer op ‘de totale en onbegrensde vrijheid van de kunstenaar.’ Nu is dat natuurlijk een interessante stelling, maar het is wel verwarrend als er in de literatuur- en kunstgeschiedenis altijd een verschil wordt verondersteld tussen het idee van l’art pour l’art (kunst om de kunst) en de avant-gardistische stromingen, zoals het dadaïsme en futurisme (die juist een revolutie via de kunst voor ogen zagen).

    Het is zonde dat in dit essay de afwisseling van het concrete met het abstracte samengaat met een afwisseling van het precieze en het rommelige. De visie van Den Hartog Jager op de ontwikkeling van de kunst is daardoor niet overtuigend. Daarentegen is zijn enthousiasme over kunstwerken in het algemeen en die van zijn tentoonstelling ‘Meer licht’ aanstekelijk. De zoektocht naar het sublieme in de kunst leidt niet tot bevredigende antwoorden, maar wel naar de tentoonstelling in Museum de Fundatie.

     

    Het sublieme
    Het einde van de schoonheid en een nieuw begin

    Auteur: Hans den Hartog Jager
    Verschenen bij:  Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 19,95

  • Zelf God Worden

    Zelf God Worden

    Hans den Hartog Jager (1968) is journalist bij NRC Handelsblad. Hij schrijft voor de cultuursectie en publiceerde onder anderen over Menno ter Braak, Gerhard Richter, Lucian Freud en Vincent van Gogh. Zijn debuutroman Zelf God worden gaat over kunst, God en over de tijdloze leegte.Thomas Locher, een galeriehouder, vertrekt naar Aix-en-Provence. Daar heeft hij een mysterieuze afspraak met Lucas Thorvaldsen, een succesvolle kunstenaar die in zijn galerij exposeert. Lucas wou hem niet inlichten over de reden van de reis dus vertrekt Thomas met een hoofd vol vraagtekens naar het zuiden van Frankrijk.

    Aangezien hun gemeenschappelijke interesse kunst is, vermoedt Thomas dat kunst het uitgangspunt van de trip is. Wat kan de Aix-en-Provence bieden? Er zijn daar geen noemenswaardige galerijen of musea. Het enige dat die streek te bieden heeft is Cézanne. De Mont Sainte-Victoire is een berg die Cézanne vaak geschilderd heeft. Vooral de zuidkant van de berg heeft de beroemde schilder vaak op doek gezet. Als Thomas naar de noordzijde van Mont Sainte-Victoire kijkt, maakt Hans den Hartog Jager een duidelijke allusie op ‘ceci n’est pas une pipe’, een werk van Magritte. ‘Hier sta ik dan: geparkeerd in de marge van de kunstwereld, turend naar de achterkant van een Cézanne-schilderij’. Net zoals Magritte bedoelde dat het niet om een echte pijp ging, maar een afbeelding van een pijp, bedoelt Jager dat Thomas niet echt kijkt naar de achterkant van het schilderij, maar naar de achterkant van de berg die op een schilderij staat afgebeeld.

    God is een stokpaardje voor Hans den Hartog Jager. Doorheen het hele boek vind je namen van heiligen terug. Zo vergelijkt hij zijn assistente Laura met Maria Magdalena of moeder Gods. ‘De enigen die echt beroemd zijn, zijn diegenen die over de deelwerelden heen weten te reiken. Die ergens voor staan. Merken of grote sterren. Coca-Cola, Madonna, Hitler, Nike, McDonalds. Iedereen kent ze omdat ze ieders leven hebben geraakt. Je kunt niet om ze heen, net zoals je vijf eeuwen geleden niet om de kerk heen kon, omdat die het monopolie had op God – God, de beste marketingmanager uit de geschiedenis!’

    Kunstenaars horen niet in deze categorie, ook al kunnen ze zoveel werelden creëren als ze willen. De greep van kunstenaars is te klein, te weinig omvattend. Het werk van een kunstenaar kan niet concurreren met computers of sportschoenen.Niet alleen God is een centraal thema in Zelf God worden. Kunst neemt nog een belangrijkere positie in. Met ‘De Val van Icarus’ begon de kunstinteresse voor Thomas Locher. Dit schilderij krijgt verschillende interpretaties in het boek en de geheimen ervan worden stilaan ontrafeld. Toch is beeldende kunst niet voldoende voor de twee hoofdpersonages. Volgens Lucas is vooral ‘verdwijnen’ een kunst. Enkele kunstenaars gingen hem al voor in de verdwijnkunst.

    Bas Jan Ader heeft als kunstenaar zijn eigen verdwijning uitgevoerd met ‘In search of the miraculous’. Lucas wil een soort zwart gat creëren waarin kunstwerken verdwijnen, maar dat er ook af en toe terug uitspuwt. Het ultieme doel van Lucas is ‘Operatie Onzichtbaarheid’. Het boek is opgebouwd met een uitzonderlijk gevoel voor spanning en emoties. De gedachten van Thomas zijn tot in de detail beschreven zonder dat de lezer het als langdradig ervaart. Zonder twijfel is Zelf God worden één van de beste debuten van 2003. Hans den Hartog Jager beschikt over een grote kunstvakkennis die hij met zijn schrijftalent overbrengt op de leek.