• Portret van een oeuvre

    Portret van een oeuvre

    Recensie door Hans Bender

    Margot Dijkgraaf (1960), romanist en onder meer literatuurcriticus van diverse literaire bladen, is vanaf haar middelbare schooltijd gefascineerd geweest door het werk van Hella Haasse. Als twintiger stuurde zij de schrijfster soms brieven met vragen over een boek, dat ze zojuist had gelezen. De schrijfster belde haar dan steevast terug om de vragen te beantwoorden. De interviewster zat ondertussen niet stil; ze werkte voor NRC Handelsblad, voor diverse culturele organisaties, werd redacteur van literaire tijdschriften en schreef zelf een paar boeken. Al met al: in de 22 jaar, die zij Haasse heeft gekend is zij ongeveer 130 keer bij haar thuis geweest.

    In 2004 ontstond het plan, de gesprekken in een boek te bundelen; dat resulteerde in Spiegelbeeld en schaduwspel.

    Hella Haasse groeide op op Java en haar bekendste Indische boeken zijn haar debuut Oeroeg en het latere Heren van de thee. In 1988 krijgt zij de nodige bekendheid bij het grote publiek doordat Adriaan van Dis haar in zijn televisieprogramma ten tonele voert als ‘de schrijfster van Oeroeg‘. Het boek wordt later, in 2009, verkozen tot het centrale boek van de campagne ‘Nederland leest’. Bovendien omschrijft Van Dis haar als ‘de gesprekspartner van de koningin’. Het interview bevalt de schrijfster allerminst; ze wil uitsluitend worden beoordeeld op de kwaliteiten van haar literaire werk.

    In het algemeen wordt zij gezien als een erudiete, aardige en bescheiden dame zonder uitgesproken, laat staan controversiële standpunten. Ook de neerlandistiek besteedt relatief weinig aandacht aan haar: als Margot Dijkgraaf enige tijd na Haasse’s dood in 2011  een avond poogt te organiseren over haar werk vangt zij bij alle door haar benaderde hoogleraren bot. En tot op de huidige dag is er niemand gepromoveerd op (alleen) het werk van Hella Haasse.

    Opmerkelijk: Haasse wilde niet, dat het boek van Dijkgraaf een biografie zou worden; wie wilde weten wat voor leven zij had geleid moest – zo meende zij – haar boeken maar lezen. Tja, en wat denkt Dijkgraaf, de interviewster eigenlijk zélf van haar boek? Welnu, om te beginnen, ze vindt het – merkwaardigerwijze – geen interviewboek en evenmin een biografie. Zij omschrijft het als ‘mijn portret van het oeuvre van onze grootste twintigste eeuwse schrijfster…’

    Hella Haasse had levendige herinneringen aan haar vroege, Indische jeugd en zij legde daarbij de nadruk op de betovering, die uitgaat van de natuur. Dit aspect alsook de (gezins)wereld waarin zij opgroeide komt tot uiting in haar autobiografisch werk Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1974) en nog enkele andere boeken.
    Hella Haasse krijgt van huis uit liefde mee voor kunst en cultuur en daarnaast een zekere hartstocht voor literatuur en het schrijven. Dit alles wordt in hoge mate bepaald in de jaren die zij doorbrengt op het lyceum in Batavia. Na haar eindexamen vertrekt zij in 1938 naar Nederland, waar haar vader haar heeft ingeschreven voor de universitaire studie Nederlands in Utrecht. Tegen de zin van haar ouders verhuist ze naar Amsterdam om er Scandinavische talen, Zweeds en in het bijzonder Oud-Noors te gaan studeren. Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken en is Nederland door de Duitsers bezet. Hella stopt met de studie en schrijft zich in bij de toneelacademie. In 1943 doet zij daar eindexamen. Tijdens de opleiding en daarna treedt zij regelmatig op in het land. Zij schrijft in die tijd teksten voor kinderprogramma’s; ook voor Wim Sonneveld schreef ze – tot 1947 – veel cabaretteksten.

    In 1944 trouwt Hella Haasse met Jan van Lelyveld, die aanvankelijk archeologie en geschiedenis, later rechten studeerde. Hij had literaire ambities, was redacteur van het satirische studentenblad Propria Cures en vroeg haar – al in 1940 – tot de redactie toe te treden.

    Hella Haasse betitelde de roerige oorlogsjaren als ‘ de belangrijkste van mijn leven’, maar pas veel later, in 1963, schreef zij daarover een roman De meermin waarin de problematiek – twee geliefden, die verschillende toekomstverwachtingen koesteren – in vermomde vorm opduikt.

    In 1945 verschijnt Hella’s eerste dichtbundel Stroomversnelling. Interviewster Dijkgraaf ziet daarin een bekend motief van Haasse’s optreden: ergens bij willen horen, met name bij de geliefde, om tegelijkertijd de eigen creatieve autonomie te behouden.  Ook het ‘Feniksmotief’ keert in haar oeuvre vaak terug, bijvoorbeeld in De scharlaken stad (1951) en Een nieuwer testament (1966).

    Phoenix is een vogel uit de Griekse mythologie. Hij vliegt eens in de 500 (!) jaar naar Egypte en nestelt daar hoog in een boom. Nest plus vogel vatten vlam, waarna de vogel verjongd uit zijn as herrijst. Deze wedergeboorte, het nieuwe begin, heeft Haasse nog talloze malen uitgewerkt.

    Terug naar een eerder genoemd thema, de door de interviewster in het oeuvre van Haasse ‘ontdekte’ – en door de schrijfster in de gesprekken bevestigde – discrepantie ten aanzien van de toekomstverwachtingen tussen geliefden. Dat werpt de vraag op voor welke lezer een boek als dit nu eigenlijk het meest geëigend is. Welnu, voor degenen die genieten van de verhaaltrant van Hella Haasse zal dit boek zeker welkom zijn. So far, so good. Maar degene voor wie dit boek een uitkomst zou moeten zijn – de man of vrouw aan wie de psychologische diepgang werkelijk besteed is – zou dat niet de eerder genoemde promovendus zijn, die vooralsnog  ontbreekt in onze literatuurgeschiedenis? Uw recensent ziet daar een mogelijkheid.

    Al met al kan Spiegelbeeld en schaduwspel een verhelderend boek zijn voor bewonderaars van het werk van Hella Haasse. En die zijn er genoeg.

     

  • Over hommels, hommels en nog meer hommels

    Over hommels, hommels en nog meer hommels

    Recensie door Hans Bender

    Bijen – de hommel is een grote en harige variant daarvan – vormen de grootste familie van de zogenaamde vliesvleugelige insecten. Dave Goulson is een Britse hoogleraar in de biologie en hij is gespecialiseerd in de hommel. Hij is de auteur van Een verhaal met een angel, dat als een veel omvattende monografie van de hommel kan worden beschouwd.

    Goulson begint zijn relaas met een waarneming van Nieuw-Zeelandse boeren, die er in de jaren 70 van de 19e eeuw achter kwamen, dat de rode klaver, die ze als voer voor hun paarden en runderen uit Engeland hadden geïmporteerd, maar weinig zaad voortbracht. Ze zagen zich dus genoodzaakt het uit Europa te importeren. Een advocaat, die in 1869 naar Nieuw-Zeeland was geëmigreerd, was behalve jurist een enthousiast insectkundige. Hij ontdekte het probleem: het betrof een gebrek aan hommels die de klaver in Groot-Brittannië met stuifmeel bevruchtten. En hierdoor vindt, zoals bekend, in de plantenwereld de voortplanting plaats. Na een aantal mislukte pogingen kwam het in 1885 tot een succesvolle ‘immigratie’ van hommelkoninginnen, die nesten bouwden en nakomelingen voortbrachten. Ze doen het tot op de huidige dag zeer goed in Nieuw-Zeeland.

    Mogelijk heeft daarbij in hun voordeel meegespeeld dat ze op hun lange reis veel ziekten en parasieten achterlieten waardoor ze in Europa werden geteisterd. De hommels deden het – toen al enigszins maar later zeker – minder goed in Groot-Brittannië en dat kwam door de mechanisering van de landbouw. Voorheen waren de akkers meestal klein en waren de boeren afhankelijk van paardenkracht. Paarden eten graag klaver dus teelden de boeren klaver. Bijen zijn ook dol op klaver zodat de bevruchting met stuifmeel vlot kon verlopen. Maar ja, de paarden werden vervangen door tractoren, klaver was nu veel minder nodig en datzelfde gold ook voor de hommels.

    En die teloorgang deed zich in Groot-Brittannië sterker voor dan in Nieuw-Zeeland. Daar kwam nog eens bij, dat de geallieerden gedurende de Tweede Wereldoorlog ontdekten dat de chemische substantie, bekend geworden onder de afkorting DDT, de muggen kon verdelgen die malaria en tyfus verspreidden onder de troepen in Azië. Het duurde daarna nog zo’n 20 jaar voordat doordrong dat DDT moeilijk afbreekbaar was en ook veel insecten, waaronder bijen doodde. Al met al leidde dat er toe, dat de in het Verenigd Koninkrijk meest voorkomende soort de zgn. donkere tuinhommel uitstierf door verdwijning van zijn leefgebieden. Hij moet simpelweg voldoende bloemen hebben om zich te kunnen voeden. Zoals Goulson het stelde: ‘Nul bloemen staat gelijk aan nul bijen’.

    Maar goed, andere hommelsoorten zoals de aardhommels en de boomhommel overleefden wél en over hen weet Goulson veel te vertellen. Zoals het feit, dat hommels geen eigen onderkomen bouwen maar nestelen in bestaande locaties, bijvoorbeeld onder vloeren, oude vogelnesten, mezenkastjes e.d.

    De ‘bijenstaat’ van de hommels bestaat uit een volwaardig wijfje, de ‘koningin’ en een groot aantal onvruchtbare wijfjes de ‘werksters’. Een bijzondere eigenschap van deze bijenkoningin is, dat ze zowel onbevruchte eitjes kan leggen waaruit zonen voortkomen alsook bevruchte, waaruit dochters geboren worden. Uit de eitjes komen larven voort, de vrouwelijk larven ontwikkelen zich tot toekomstige koninginnen. Deze groeien veel sneller dan de larven die werksters gaan worden. De mannetjes blijven even klein als de werksters en hun is geen lang leven beschoren; zij overleven de winter niet. Hun enige taak in de nog resterende zomer is zoveel mogelijk te paren met koninginnen die vervolgens in winterslaap gaan. Degenen, die dat overleven komen bij de eerste zonnestralen weer naar boven om een nieuw hommeljaar te beginnen.

    Aangenomen moet worden, dat bijen ongeveer 130 miljoen jaren voor het eerst zijn ontstaan en dat zo’n 65 miljoen jaar geleden de aarde een rampzalige verandering onderging. En wel, doordat er een reusachtige meteoor insloeg ongeveer op de plek waar zich thans het Mexicaanse schiereiland Yucatan bevindt. Dit ging gepaard met vloedgolven en zoveel vulkaanuitbarstingen, dat de grote hoeveelheden as voor een zonsverduistering zorgden. De temperatuur daalde daardoor zodanig dat de grote levensvormen als dinosaurussen snel en volledig uitstierven, terwijl merkwaardigerwijze insectensoorten (bijen, mieren, sprinkhanen etc.) overleefden. Tot op de huidige dag leveren deze insecten talloze diensten aan het ‘ecosysteem’ zoals bevruchting en ontbinding. We kunnen niet meer zonder hen. En om de teruggang van bijen, waaronder hommels, een halt te kunnen toeroepen is veel kennis nodig waaronder die omtrent de nesten van de hommels. Om de hommels te kunnen beschermen moet je hun nesten beschermen maar het systematisch vinden daarvan is een bijzonder grote opgave gebleken.

    Een vindingrijke gedachte was deze: honden kunnen leren drugs en explosieven op te sporen, ze kunnen zelfs kanker bij mensen herkennen. Dan moet het ook mogelijk zijn om de – onwelriekende – hommelnesten te laten opsporen. Maar de experimenten daarmee mislukten hoewel veel ‘bijkomende’ kennis werd opgedaan. De auteur vermeldt nog meer wetenswaardigheden zoals het feit, dat honingbijen bijvoorbeeld totaal ongeschikt zijn om tomaten te bevruchten terwijl ze zeer geschikt zijn om koolzaad en kiwi’s te bestuiven. Voor de bevruchting van tomaten ontstonden hommelkwekerijen. De tomatenkweker moet zeer voorzichtig omgaan met chemische bestrijdingsmiddelen want die zijn veelal giftig.

    Van alle bestuivingen in het Verenigd Koninkrijk door insecten nemen de honingbijen minstens eenderde voor hun rekening terwijl het overige tweederde deel de taak is van wilde bijen, waaronder hommels.

    In 2006 heeft Goulson samen met enkele leerlingen de ‘Bumbelbee Conservation Trust’ opgericht voor het behoud van de hommel; hij ontving hiervoor diverse prijzen.

    Eén kwestie mag niet onvermeld blijven: het boek Het verhaal met een angel is – afgezien van de twijfelachtig gekozen titel (want de hommel is geen gevreesde ‘steker’) – niet geschikt als naslagwerk; daarvoor springt de schrijver teveel van de hak op de tak en houdt hij de chronologische volgorde te weinig aan. Maar wie op zoek is naar de vele wetenswaardigheden omtrent de hommel zal ongetwijfeld veel van zijn gading vinden.

     

  • ‘Roken brengt u en anderen ernstige schade toe’ 

    ‘Roken brengt u en anderen ernstige schade toe’ 

    Onder deze mild-ironische titel schetst de auteur de opkomst van de tabak in de wereld, later van de sigaret in het bijzonder. Hierna volgen discussies over de schadelijke neveneffecten van sigarettenrook; de toenemende bewijzen ten aanzien van het ontstaan van kanker en de verwoede, verbeten strijd van de tabaksindustrie voor marktbehoud.

    Wanneer er heden ten dage over de sigaret wordt geschreven gaat het meestal over de vraag: hoe komen we er vanaf? Een soort nasleep wellicht van het feit, dat in de jaren 50 en 60 bijna elke man rookte en vele vrouwen eveneens. Totdat bleek hoe schadelijk en zelfs dodelijk de sigaret kon zijn.

    De bevrijding van Nederland in 1944 en 1945 door Amerikanen en Canadezen bracht sigaretten en chocola. En met name de sigaretten vormden een zodanige behoefte dat  ‘de regering zich beijverde om de tabaksindustrie zo goed en snel mogelijk op peil te krijgen’. Aldus schreef in die dagen het Limburgs Dagblad op zijn voorpagina.

    Christoffel  Columbus landde in oktober 1492 op Cuba. Zijn landinwaarts gestuurde manschappen troffen aldaar geen hoogwaardigheidsbekleders aan – men dacht in de Oost te zijn – maar rokende Indianen. Die hadden de tabak in maisbladeren gerold, staken het ene uiteinde aan en zogen aan het andere uiteinde de rook naar binnen. De expeditie keert terug met tabak. Volgens toenmalige geruchten is de tabak heilzaam voor de gezondheid. En dat niet alleen, het is ook een genotmiddel. Overigens ook toen al niet onomstreden. Europa krijgt te maken met pauselijke verboden; tabak zou een duivelskruid zijn afkomstig van heidense, verachtelijke Indianen. Toch was de opmars van de tabak, aanvankelijk vooral als pijptabak, niet te stuiten. Opvallend is daarbij, dat de tabak van Nederlandse bodem niet alleen gerookt kan worden, maar vooral geschikt is om te snuiven en te pruimen. En… de Europese overheden hebben er een ontdekking bij gedaan: je kunt, net als bij zout, suiker en bier, belasting heffen over het populaire product. En dat is tot op de huidige dag gaande. Het heet accijns en levert veel inkomsten op.

    In de loop van de 19e eeuw ziet men vooral de opkomst van de sigaar. Vooral voor de hogere stand. Er ontwikkelde zich rond de sigaar een speciale etiquette. Zo mocht er aanvankelijk in het bijzin van dames geen sigaar worden gerookt. Maar na het gezamenlijke diner trokken de heren zich terug in de rookkamer; èn om de rooklucht uit de kleding te houden èn om de dames niet lastig te vallen met de stank, deden de heren speciale avondkleding aan, de smoking. Die kon dan na gedane zaken weer worden gewisseld voor het dinner jacquet.

    De opmars van de sigaret vindt plaats aan het einde van de 19e eeuw; in Leiden werden rond 1870 de eerste sigarettenrokers op straat gesignaleerd. Aanvankelijk bepaalden de loonkosten – elke sigaret moest handmatig worden gerold – de prijs van de sigaret maar na 1878 werd het Europese publiek verblijd met de komst van een Cubaanse sigarettenmachine, die 60 sigaretten per minuut kon maken! Deze machine kreeg navolging en terwijl de markt groeide en de prijs van de sigaret daalde deed de term ‘the poor man’s smoke‘ zijn intrede. En er werden grote reclamecampagnes gestart, deels gericht op de jeugd, die geacht werd het roken van sigaretten stoer te vinden én goed voor de gezondheid (!)

    Toch waren er – als altijd – tegenkrachten, en rond de wisseling van de 19e naar de 20ste eeuw was men algemeen van mening dat de sigaret niet zo gezond kon zijn. (In die tijd was men nog volstrekt onbekend met het feit, dat roken longkanker en hartziekten kon veroorzaken. Men meende veeleer, dat het roken nadelig was voor het verstand. In 1906 kregen schoolkinderen die op roken waren betrapt een briefje voor de ouders mee).

    Toch was de opmars van de sigaret niet te stuiten en tabak behoorde tijdens de Eerste Wereldoorlog tot de standaarduitrusting van soldaten uit beide kampen. En tijdens de beroemde kerstbestanden, zoals in 1914, is het uitwisselen van sigaretten een deel van de verbroedering tussen de strijders van beide fronten.

    Na de Eerste Wereldoorlog verdween grotendeels het taboe op het roken door vrouwen, hetgeen reclamemakers nieuwe impulsen gaf. Zij huurden bijvoorbeeld prominente vrouwen – actrices, zangeressen, sportsters – in om hun voorkeur voor Lucky Strike te beklemtonen. Tot hen behoorde de beroemde Amelia Earhart, die eerst als passagiere, later als solo-vliegenier de eerste vrouw was op een trans-Atlantische vlucht. Zij verklaarde, dat er tijdens de overtocht continu Lucky´s gerookt werden en dat dit de vriendschap tussen de reizigers verstevigde.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt er in Nederland aanvankelijk nog stevig gerookt maar in 1942 gaat de sigaret op de bon. Iedere Nederlandse man heeft het recht op 40 sigaretten per week, vrouwen hebben het recht op hetzelfde aantal maar pas vanaf hun 25ste. Het blijft tobben met de tabak maar na de ellendige oorlogsjaren verblijdden de geallieerde bevrijders het volk met sigaretten en chocola. En de sigaret kreeg een imago van iets kenmerkends voor de intellectueel. De filosofe en politiek denker Hannah Arendt stak de ene sigaret met de andere aan, schrijver Albert Camus rookte non-stop, maar filosoof Jean-Paul Sartre spande de kroon; in een van zijn laatste interviews voor zijn dood (in 1980) antwoordde hij op de vraag wat hij als het belangrijkste beschouwde in zijn leven: ‘Ik weet het niet, alles, leven, roken’ .

    Vroeg in de jaren vijftig vond een kentering plaats. Toen publiceerde Britse onderzoekers Bradford Hill en Richard Doll de resultaten van onderzoek waar ze al in 1947 mee waren begonnen. Ze stelden – het betrof 2500 patiënten – een statistisch verband vast tussen roken en longkanker. Dit onderzoek stuitte op veel kritiek, maar uit diverse andere onderzoeken bleek hetzelfde. Maar de sigarettenindustrie liet zich niet zonder meer inpakken; de fabrikanten verenigden zich in ‘Tobacco Industry Research Company’. De strategie: zo veel mogelijk twijfel zaaien in de publieke opinie, ‘verkocht’ als bijdrage van de tabaksindustrie aan de wetenschappelijke zoektocht naar de waarheid. Tegelijkertijd deed de filtersigaret zijn intrede waardoor vele rokers gerustgesteld werden.

    Het jaar 1964, nu precies een halve eeuw geleden, wordt wel gezien als een definitieve doorbraak in de strijd tegen longkanker. In dat jaar waarschuwde de ‘Surgeon General‘, de hoogste adviseur van de Amerikaanse overheid op gezondheidsgebied, nadrukkelijk voor de gezondheidsschade door roken. Hij doelde daarbij niet slechts op longproblemen, maar ook op hart- en vaatziekten.

    Nederland is dan, in tegenstelling tot Engeland en de VS, nog niet toe aan rechtszaken van zieke rokers tegen de tabaksindustrie, maar toch gebeurt er wel het een en ander.  Dokter Lenze Meinsma, directeur van het Koningin Wilhelminafonds dat zich richt op kankerbestrijding, lanceert de ene actie na de andere tegen het roken. Hij krijgt hiervoor een overheidssubsidie van twee ton, maar de overheid blijft daarin uiteraard halfslachtig; diezelfde overheid toucheert immers enorme bedragen aan tabaksaccijns. Veel erger is natuurlijk, dat dr. Meinsma – een stugge onbuigzame Fries – nagenoeg geen bijval krijgt van zijn vakbroeders. En de industrie vecht maar door voor zijn bedrijfsresultaten. De ‘Marlboro Man’, een stoere rokende cowboy wordt een propagandistisch boegbeeld. (Hij overleed overigens in 1992 aan longkanker).

    Een soortgelijke propagandist is onze eigen Johan Cruijff, ambassadeur van een bepaald sigarettenmerk. De reclame-adviseurs laten hem onder meer zeggen: ‘ik vind: je moet wel verstandig roken. Dus rook ik teer- en nicotine-arme sigaretten’. En de onwetendheid en verwarring omtrent het beleid blijkt uit zijn verweer:  ‘er is ook door het Ministerie van Gezondheid en door het Kankerinstituut gezegd dat teerarme sigaretten onschadelijk zijn (….) dus, ik maak reclame voor iets dat onschadelijk is en vervanging voor iets dat ‘misschien schadelijk zou kunnen zijn’.
    Cruijff, die als trainer van FC Barcelona twee pakjes sigaretten per dag rookte, werd in 1991 getroffen door een hartaanval. Na een succesvolle bypassoperatie kwam hij terug in een opzienbarende anti-rook reclameboodschap. Die luidde als volgt, terwijl hij een pakje sigaretten omhoog houdt; ‘in mijn leven had ik twee passies: voetbal en roken. Voetbal heeft me alles gegeven, roken heeft me bijna alles afgenomen’, dan trapt hij de sigaretten weg… 

    In 1987 wordt in Nederland een nieuwe Tabakswet van kracht. Tot grote opluchting van de tabaksindustrie komt het niet tot een algeheel reclameverbod, maar wél wordt afgesproken, dat er geen pogingen meer zullen worden ondernomen om jongeren aan het roken te krijgen; tabaksreclame in scholen wordt gestaakt en die in het openbaar aan banden gelegd.
    De strijd tussen de roker en de niet-roker wordt er eentje tussen de gelovige en de ongelovige. De een kan zich niet voorstellen waarom de roker er niet mee stopt, de ander begrijpt niet waarom hem zijn vrijheid niet wordt gegund.

    Hoe zal het nu verder gaan? Verwacht mag worden, dat er in Nederland hoe langer hoe minder zal worden gerookt. Al kan men van rokers nog steeds argumentaties beluisteren in de trant van: ‘Nou, dan leef ik maar 10 jaar korter, so what?’ Die rokers moeten eens gaan kijken in een verpleeghuis waar een aanzienlijk percentage éénbenigen verblijft; het andere is eraf ‘gerookt’.

    Het verminderde rookgedrag voor de westerse wereld mag een gegeven zijn, in de ontwikkelingslanden – Afrika en Azië met name – zijn er groeimarkten. De sigaret wordt bijvoorbeeld op het Afrikaanse platteland met enorme billboards aanbevolen als onderdeel van een welvarend en succesvol bestaan. Ook in opkomende economieën (India, Brazilië en de Golfstaten) omarmt men de westerse leefstijl – vet en zout eten, alcohol drinken en roken.

    Het valt niet te ontkennen: de macht van de tabaksfabrikanten en de geraffineerde verdediging van hun financiële belangen maken het tot een enorme opgave de schade als gevolg van het roken te beperken. Zoals een historicus ooit schreef: ‘De geschiedenis kende nog nooit een product, dat zó populair, zó winstgevend en zó dodelijk is’. We zullen moeten aanvaarden, dat de opmars van – met name – de sigaret in andere dan onze delen van de wereld nog wel even zal voortduren.

    De beste sigaret voor uw gezondheid biedt de geïnteresseerde een vrijwel volledig overzicht van de plaats die de tabak zich in de loop der tijden in de wereld heeft verworven.

     

     

    Bronnen:  1) Friso Schotanus: De beste sigaret voor uw gezondheid. Uitg. Atlas Contact Amsterdam/ Antwerpen 2014. 2) Bolt T.L.; Huisman F.G. Roken in een risicocultuur. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014; 18 oktober blz. 1828-50.
  • Biografie over ‘ongepolijste’ schrijver

     

    Er zijn verschillende biografieën verschenen over de Amerikaanse schrijver Jack London (1876-1916); hieraan heeft onze landgenoot Hans Dütting (1947) er in 2014 eentje toegevoegd onder de simpele titel: Jack London.

    Dütting heeft meerdere biografieën geschreven, o.a. over Jan Cremer; hij was tot zijn pensionering als medewerker verbonden aan het Letterkundig Museum in Den Haag. De werkwijze van de biograaf is als volgt. Hij opent met een chronologie van het leven van Jack London. Op zich niets bijzonders, dat doen wel meer biografen. Maar Dütting doet dat heel strikt – jaartalsgewijs – bovendien vermeldt hij per jaartal diverse belangrijke gebeurtenissen.

    Voorbeelden: 1882: Jack London bezoekt de lagere school. De schrijver Robert Louis Stevenson publiceert Treasure Island. 1890: Jack maakt zijn school af en gaat werken in een conservenfabriek waar zalm wordt ingeblikt. Vincent van Gogh pleegt zelfmoord. 1896: Jack verlaat de middelbare school en wordt toegelaten tot de universiteit van Californie. Theodor Herzl publiceert zijn boek Der Judenstat, de aanzet tot het georganiseerde Zionisme.

    De vroege jeugd van Jack verloopt – evenals de rest van zijn korte leven – stormachtig en avontuurlijk. Essentieel, al in zijn lagere schooltijd, is dat hij wordt gegrepen door de literatuur, mede onder invloed van de bibliothecaresse en dichteres Ina Coolbrith. Zijn hartstocht voor boeken laat hem nooit meer los. En vanaf zijn middelbare schooltijd (1895 in Oakland, Californië) publiceert hij korte verhalen en artikelen, al verloopt dat proces aanvankelijk moeizaam en zonder noemenswaardige inkomsten. Hij heeft dan al (in 1893) een carrière als matroos achter de rug aan boord van een schoener, die via o.a. Hawaï de Beringzee bezoekt. Terug in Californië werkt hij in een jutefabriek. Hij krijgt in een wedstrijd voor jonge schrijvers de eerste prijs (25 dollar) voor zijn verhaal ‘Story of a Tyfoon off the Cost of Japan’.

    In 1896, dus op 20-jarige leeftijd, sluit hij zich aan bij de Socialist Labor Party. Voor deze partij stelt hij zich tweemaal kandidaat voor het burgemeesterschap van Oakland, doch beide keren tevergeefs.

    Het jaar daarop verlaat hij de universiteit en besluit hij zich volledig aan de literatuur te wijden. In hetzelfde jaar wordt bekend, dat er in Klondike, in het uiterste noorden van Canada, goud is gevonden en dus vertrekt de avontuurlijke London naar Klondike. Maar veel goud vindt hij daar niet en terug in Oakland verkoopt hij zijn schamele hoeveelheid goud voor 4 dollar 50! In deze periode doet hij in gesprekken in kroegen inspiratie op voor zijn bestseller The Call of the Wild. Het boek werd aanvankelijk – in 1903 – als feuilleton in de Saterday Evening Post gepubliceerd. Toen het in boekvorm verscheen verkocht London de rechten – uit geldnood – voor 2000 dollar aan de uitgever. Daarna werden er miljoenen exemplaren van verkocht! Het boek is altijd in druk gebleven. Het werd een klassieker, die tot op de huidige dag op Amerikaanse middelbare scholen verplichte literatuur is. Er verschenen meer dan 60 vertalingen. In het Nederlands onder de titel: Als de natuur roept.

    Het succes van het boek kan worden verklaard door een ongewone opzet: de goudkoorts wordt gezien door de ogen van Buck, een sledehond. De goudzoekers in dat onherbergzame gebied kregen te maken met een verschrikkelijk klimaat, waarin sledehonden uiterst waardevol waren. De gokverslaafde baas van Buck verkoopt de hond aan weinig zachtzinnige hondentrainers, die hem met knuppels africhten om hem daarna naar het koude noorden te sturen. Hier komt de sledehond in opstand en weigert verdere diensten. Een goudzoeker ontfermt zich over hem; de instincten van zijn voorouders worden geleidelijk, tijdens lange tochten door het woud, sterker en wanneer zijn baas door Indianen is vermoord, geeft hij toe aan een lokroep: hij sluit zich aan bij een troep wolven. Maar toch: een keer per jaar keert hij terug naar de plaatst waar zijn baas werd vermoord. En nog eenmaal huilt hij daar heel hard als eerbetoon aan een goede baas. Het gigantische succes van Call of the Wild vestigde Londons naam als schrijver.

    Hij heeft er zijn leven ook alleszins naar ingericht: hij werd een uitermate productieve auteur, die in tijdschriften en boeken – 50 stuks maar liefst, terwijl de auteur maar 40 jaar oud werd – zijn mening weergaf over uiteenlopende onderwerpen als inkomensproblemen, carrièremogelijkheden, onderwijs, cultuur/religie/moraal van andere volken, liefdadigheid, huwelijksproblemen en echtscheiding. Dit laatste aspect kende de auteur uit persoonlijk ervaring: nadat hij op 24-jarige leeftijd trouwde met Elisabeth Maddern (‘Bess’) bij wie hij al gauw twee dochters kreeg, werd hij drie jaar later weer verliefd op zijn vroegere vriendin Charmian Kittredge, scheidde van zijn vrouw en trouwde met zijn vriendin, die tot zijn dood bij hem bleef. Van de talloze boeken die London schreef mogen er enkele niet onbesproken blijven. Met The Sea-Wolff (1904) sloot hij zich aan bij een aantal schrijvers van zeeverhalen als Edgar Allan Poe en Herman Melville.

    In 1908 schreef de oude socialist in hem het boek The Iron Heel, een vernietigende aanklacht tegen het kapitalisme van zijn tijd en tevens een belangrijke bijdrage aan de ophanden zijnde economische revolutie. De kringen, die in hem – terecht-  het grote literaire talent van Californië zagen deden zijn  socialistische theorieën graag af als een gril van voorbijgaande aard. Maar dat deed niets af aan het feit dat hij – in het kader van de klassenstrijd – ook waarschuwde voor de gevaren van het fascisme. Het begin van de 20ste eeuw liet dat in zekere zin al zien.

    In het voorjaar van 1913 was Jack London de bekendste en best betaalde schrijver ter wereld maar in weerwil van zijn verbluffende literaire productie kende de schrijver periodes van zwaarmoedigheid. Hij twijfelde dan aan zijn werk, aan het socialisme, aan de ranch die hij had laten bouwen, aan zijn vrienden, aan zijn met verve verdedigde recht op zelfmoord etc. Tijdens deze depressies, die hij voor iedereen verborgen probeerde te houden, dronk hij enorm veel, schold hij met dikke tong en zocht hij ruzie. Maar hij zou zichzelf niet zijn geweest als hij dit niet zou hebben opgeschreven en dat leverde de autobiografisch roman John Barleycorn op. Het werd een klassieker over het alcoholisme, zelfs zodanig dat het een van de leidende factoren werd waardoor in 1919 in de VS het algehele alcoholverbod tot stand kwam, de zogenaamde drooglegging.

    In zijn laatste roman The Star Rover (1915) beschrijft London de ervaring van iemand die in een beruchte eigentijdse gevangenis was gemarteld. Er werd een beeld geschetst van het verschrikkelijke leven, zoals ooit beleefd door een ex-gevangene, die daarbij hallucinaties kreeg over dramatische episodes uit een verre geschiedenis. Deze verschillende periodes van het verleden boden de schrijver de gelegenheid om kritiek uit te oefenen op leven en moraal van de eigentijdse maatschappij.

    Jack London overleed op 22 november 1916. Zijn dood schokte de VS én Europa. Omdat bewezen werd, dat hij kort vóór zijn overlijden morfine had gebruikt houden veel van zijn biografen het op een zelfmoord door een overdosis. Maar de betrouwbaarsten onder hen, waaronder één van zijn dochters achtten dat onwaarschijnlijk. Hij zat namelijk tot zéér kort voor zijn dood vol enthousiaste plannen voor nieuwe boeken, reizen en het kopen van uitbreidingsgrond voor zijn ranch. Men houdt het meer op uremie als doodsoorzaak, een gevolg van nierfalen. Biograaf Hans Dütting sluit zich hierbij aan. Hij concludeerde in zijn biografie terecht, dat toen later geraffineerder en meer gepolijste schrijftechnieken in zwang kwamen er voor een ‘ongepolijste’ schrijver als Jack London altijd een plaats zal blijven bestaan; zijn werk blijft springlevend.