• De dag was toch al niet goed begonnen

    De dag was toch al niet goed begonnen

    Je zou met wat fantasie kunnen zeggen dat Çiler İlhans roman Een zandstorm, zeiden ze, voortborduurt op de zogeheten Aristotelische wetten. De wetten van eenheid van tijd, plaats en handeling. De tijdspanne van één dag, één plaats en één centraal staande handeling. De Turks-Nederlandse schrijfster Çiler İlhan (1972) speelt er op een knappe manier mee.

    Het verhaal speelt zich af op 4 mei 2009 – al zijn er vooruit- en terugblikken – in een dorp in het zuidoosten van Turkije en draait om de aanloop naar de aanstaande verloving van Leyla en Bilal afkomstig uit twee verschillende dorpen ( Eigenheim en Ginderbuiten), en de rampzalige afloop ervan. Mensen die een beetje thuis zijn in de roerige Turkse geschiedenis zegt de datum in dit verband genoeg, maar om het geheugen op te frissen hier in een paar zinnen wat er toen gebeurde: Op 4 mei 2009 vielen in Bilge (provincie Mardin in Turkije, met diverse etnische groepen) tijdens een verlovingsfeest een groep mannen met kalasjnikovs de zaal binnen en schoten. Daarbij vielen vierenveertig doden, vooral vrouwen en kinderen. Het was een moordpartij waarvoor de Turkse staat mede verantwoordelijk werd gehouden omdat hij boeren aan wapentuig hielp om te kunnen strijden tegen de Koerdische PKK. De Koerden strijden nog steeds voor hun eigen identiteit, maar nu liever via diplomatieke wegen dan met wapens. Ilhan heeft haar verhaal gebaseerd op de schokkende gebeurtenis van die 4e mei en weeft ze door en om de aanstaande verloving van Leyla en Bilal heen.

    Het verhaal wordt verteld in de vorm van negentien tableaus die beginnen met een voorzegging. De eerste alinea geeft niet alleen hiervan een duidelijk beeld, maar ook van de stijl van de schrijfster: ‘Maral was de eau de cologne vergeten. En haar moeder had het nog zo tegen haar gezegd, een paar dagen geleden al. Geen lauwe eau de cologne voor het bezoek. De eau de cologne moet op tijd in huis worden gehaald, zodat die de ijskast in kan en de gasten later verfrist. De dag was toch al niet goed begonnen. Hoe zou een dag die zo begon ook tot een goed einde kunnen komen?’ Die dreiging van een slechte afloop hangt boven elke episode en wordt steeds sterker. Donkere wolken pakken zich samen. Was het binnen de moslimgemeenschap te wijten aan het feit dat er geen beest was geofferd? Dat de aalmoezen karig waren? Ze zich niet aan de vijf dagelijkse gebeden hadden gehouden?

    Concentrische cirkels

    Om de eenheid van tijd, plaats en handeling worden concentrische cirkels getrokken, in het klein en het groot. Bij de kwesties tussen de twee families komt bijvoorbeeld een toestand met hun eer erbij. Bij koppijn komt honger en hitte. En duizeligheid. Die werden allemaal pas minder nadat personage Halil had gegeten, maar verergerden weer toen hij (te snel?) opstond.

    Het verhaal grijpt vooruit. Na de gebeurtenissen gaat het onder meer over wapens van hetzij de dorpswachter hetzij van buitenaf neergelegd om verwarring te zaaien. Was het nu een zandstorm? Ze zeiden het. Uit de richting van Ginderbuiten? Of was het eerder een stofstorm? Of een windhoos? Laten we het houden op een storm die alles verwoestte, zoals stormen wel vaker in de literatuur symbool staan voor dreigingen van binnenuit of buitenaf.

    İlhan vertelt het verhaal van Leyla en Bilal in het dorpje in zuidoost Turkije in een stijl die een samensmelting is van prachtig, beeldend taalgebruik en een compacte uitdrukkingswijze in korte zinnen. De spanning loopt op op een manier die ook door detectiveschrijvers wordt gebruikt door kleine hints te geven over wat dreigt. Het enige minpuntje zijn misschien de vele namen die vaak twee aan twee voorkomen (vader-moeder, moeder-zoon, tante-neef) en over elkaar heen buitelen.

    Stilistische kracht

    Çiler İlhans werk beweegt zich tussen literatuur en essays. Van haar hand verscheen in het Nederlands eerder een verhalenbundel: Verbannen, die werd bekroond met de EU-Literatuurprijs. Verhalen over alle denkbare vormen van lichamelijk en geestelijk geweld. Over klein gehouden worden en je eigen taal niet mogen spreken of niet mogen trouwen met degene die je liefhebt. In haar boeken valt haar grote stilistische kracht samen met kennis die ze onder meer opdeed tijdens haar studie Internationale Betrekkingen en Politieke Wetenschappen in Istanbul.
    İlhans vertelvoorkeur gaat uit – zoals ze in een interview met Charlotte Remarque tijdens Writers Unlimited (2025) zei – naar de verhaalvorm, omdat je ‘in verhalen meer met de taal kunt spelen’. Dat geldt ook voor de vertaalster van deze roman, Hanneke van der Heijden, die eerder onder meer boeken van Orhan Pamuk vertaalde. Zij kwam met woorden als Eigenheim en Ginderbuiten voor de twee dorpjes. Je moet er maar opkomen.

     

     

  • Over burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij

    Over burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij

    Tezer Özlü heeft hoge verwachtingen van haar lezers. De kille nachten van de jeugd is bepaald geen simpele, chronologische vertelling. Op de eerste paar bladzijden is het al opletten geblazen, want zodra je je aandacht even hebt laten verslappen, vraag je je af waar en wanneer een scène speelt. Je komt niets te weten dat de verteller zich niet op dat precieze moment herinnert. De lezer is aan haar grillen overgeleverd, van hot naar her. En, als je net denkt dat je de draad weer hebt opgepakt, maakt Özlü opnieuw een sprong in tijd en plaats, alsof ze wil zeggen: het doet er niet toe of je het begrijpt of niet, als je maar weet dat ik je heb opgesloten in het hoofd van mijn verteller, waar geen enkele ervaring ooit echt tot het verleden behoort.

    In dat hoofd gebeuren verontrustende dingen: ‘De gedachte aan de dood achtervolgt me. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat speel ik met de gedachte een eind aan mijn leven te maken. Niet dat er een bepaalde reden voor is. Je kunt leven of niet, het maakt niet uit.’ Wat erbuiten gebeurt is nog verontrustender. De onrust in de samenleving, de staatsrepressie, de staatsgrepen en, meer persoonlijk, de opnames in psychiatrische klinieken waar de behandeling met elektroshocks meer weg heeft van marteling dan van een manier om beter te worden en de machteloosheid van patiënten benadrukt wordt door seksueel misbruik en geweld. Wie op zoek is naar de feiten, naar gebeurtenissen die elkaar logisch opvolgen komt bedrogen uit. Door het hele boek heen weeft Özlü de herinneringen van de verteller associatief door elkaar: haar reizen naar Berlijn en Parijs, haar seksuele ervaringen met mannen, de geestesziekte die weer de kop opsteekt.

    Onderdrukking van gewone burgers

    Özlü’s naamloze verteller groeit de eerste paar jaren op in een klein provincieplaatsje en daarna in Istanbul. Het huwelijk van haar ouders is slecht. Haar vader probeert thuis een militaire discipline te handhaven, er is geen warmte tussen hem en zijn vrouw. Ze heeft een goede relatie met haar zus, ze slapen in elkaars armen. Tussen haar en haar broer is er weinig liefde. Ze moet zijn modderige schoenen poetsen en mag zijn boeken niet aanraken zonder het eerst te vragen. Na haar zelfmoordpoging — ze slikt een grote hoeveelheid pillen en komt voor het eerst in een psychiatrische inrichting terecht — vraagt hij waarom ze het heeft gedaan. ‘Die boeken van Aziz Nesin,’ zegt ze, ‘over de burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij.’ Nesin (1915 – 1995) was een schrijver die zich uitsprak tegen de onderdrukking van gewone burgers, tegen de bureaucratie en tegen economische ongelijkheid. ‘Mijn ideeën en mijn daden hebben maar één doel,’ zegt de verteller een stuk verderop in het boek, ‘en dat is het slechten van de benauwende grenzen die de vrijheden van de kleine burgerij inperken.’

    Opgroeien in woede

    De kille nachten van de jeugd werd in 1980 voor het eerst in Turkije gepubliceerd, zes jaar voor Özlü’s vroegtijdige dood. Ze stierf op drieënveertigjarige leeftijd aan borstkanker. De nieuwe vertaling (de eerste verscheen in 1985 onder de titel Kille nachten) is gemaakt door Hanneke van der Heijden, die ook het nawoord heeft geschreven.

    Het boek gaat over de periode van 1960 tot 1980, over de politieke en economische situatie in Turkije toen en vooral over hoe die doorwerkte in het dagelijkse leven van meisjes en vrouwen. Drie staatsgrepen, de onderdrukking van vreedzaam protest, het geweld op straat en op universiteiten, Özlü benoemt grote gebeurtenissen zijdelings. Het gaat haar om repressie in de persoonlijke sfeer, de onderdrukking van vrouwelijke seksualiteit, de stringente normen die gelden voor het gedrag van meisjes en vrouwen. Dat is de wereld waarin Özlü en haar tijdgenoten opgroeien, een wereld die haar razend maakt.

    ‘We groeien op in woede. Woede over de wijk, de straat waar we wonen, over de kamers, de spullen, de bedden met de versleten en doorgezakte kapokmatrassen, waar we het ’s winters nauwelijks warm in kunnen krijgen’. Alleen op straat is er leven. ‘Wat mooi is, wat echt is, zijn de mensen van de stad, de drukte, de buitenwereld.’ Juist die buitenwereld is niet bedoeld voor vrouwen, de verlangens van de hoofdpersoon, naar liefde, naar seks, naar vrijheid botsen met de repressieve sociale mores. Özlü zegt misschien niet letterlijk dat dat is wat haar verteller ziek maakt, maar het spreekt uit iedere zin.

    De pijn en het leed van het land

    De kille nachten van de jeugd bestaat uit vier hoofdstukken en als je na het lezen van de eerste drie snakt naar verlossing uit het hoofd en het leven van de verteller, ben je niet de enige. De verteller zelf hunkert naar haar vroege jeugd, of eigenlijk: naar de natuur die ze zich van vroeger herinnert en de verbondenheid met haar zusje. Het vierde hoofdstuk is kort, twaalf bladzijden, en de titel geeft hoop, ‘Terug naar de Middellandse zee’. Daar vindt de verteller niet alleen zichzelf maar ook de verbinding met anderen, aan zee wacht ze op ‘de zon van duizenden jaren’, een constante schoonheid in een wereld die continu en gewelddadig omwentelt. Toch is ook hier geen echte ontsnapping mogelijk. ‘Allemaal voelen ze [mijn vrienden] de pijn en het leed van het land en spannen ze zich in, in de hoop dat het bestel verandert.’ Een aantal van die vrienden sterft kort na elkaar, veertigers nog maar, een lot dat ook de schrijver zelf treft.

    Özlü’s boek is een verontrustende en desoriënterende roman. De opeenvolging van herinneringen benauwt, zeker als het gaat om de opnames in psychiatrische instellingen. Dat is meteen ook de kracht van het boek, de onverbiddelijke manier waarop Özlü haar lezers meesleurt in het innerlijke leven van haar verteller, de eerlijkheid waarmee ze er verslag van doet. Dat Özlü zo jong gestorven is, is daarmee niet alleen een persoonlijk drama maar ook een gemis voor de literatuur. Gelukkig verschijnt er in 2025 nog een vertaling van een werk van haar hand, getiteld Reis naar het einde van het leven.

     

     

  • Martinus Nijfhoff Vertaalprijs 2022 voor Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden

    Martinus Nijfhoff Vertaalprijs 2022 voor Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden

    Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden hebben de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2022 toegekend gekregen voor hun vertaaloeuvre uit het Turks. De jury prijst in het juryrapport hun uitmuntende duovertalingen en ambassadeurschap: ‘Dorleijn en Van der Heijden ontsluiten een hoogstaande literaire cultuur. Hun Nederlands is lenig, vindingrijk en fraai.’
    De uitreiking van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs vindt plaats op 15 september om 17.00 uur in de Vondelkerk met een open programma voor alle geïnteresseerden. Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk zal bij de uitreiking aanwezig zijn.

    De jury van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2022 bestaat uit Henk Pröpper (voorzitter), Henri Bloemen, Eric Metz, Jan Willem Bos, Stella Linn, Marjolein van Tooren (†2022) en Marjoleine de Vos. Het Prins Bernhard Cultuurfonds kent sinds 1955 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs jaarlijks toe voor vertalers in het Nederlands, en eens in de vijf jaar uit het Nederlands.

    Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden hebben als duo-vertalers een imposant oeuvre opgebouwd. Ze vertaalden werk van o.a. Halid Ziya Uşaklıgil, Oğuz Atay en Elif Shafak, maar ze introduceerden bovenal de boeken van Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk in Nederland, zoals SneeuwIk heet Karmozijn, Dat vreemde in mijn hoofd en De nachten van de pest. 

    Zij ontvingen voor hun literaire vertaalwerk in 2008 samen al de Vertaalprijs van het Fonds voor de Letteren.

  • Burhan Sönmez vertalen via een omweg

    Omdat Burhan Sönmez er in Istanbul, Istanbul blijk van geeft de stad die in zijn roman zo’n voorname rol speelt nogal goed te kennen, lag het voor Petra Stienen – vorige maand moderator van dienst tijdens PEN Spreekt: Turkish Writers in Exile – voor de hand de vertaler, te vragen of een reis naar die stad onderdeel uitmaakte van de voorbereidingen van zijn vertaling.
    Hij, René van Veen, reageerde nogal ongemakkelijk toen Petra Stienen hem die vraag stelde. Van Veen zat in de zaal en was duidelijk niet voorbereid op een actieve rol tijdens het gesprek. Hij antwoordde desondanks en met zijn antwoord verbaasde hij Petra Stienen. René van Veen bekende namelijk nog nooit in Istanbul geweest te zijn.

    Nog voordat Van Veen vertelde dat hij het wel heel graag gewild had: naar Istanbul gaan, leek Petra Stienen haar belangstelling voor hem verloren te hebben. Toen ook nog eens bleek dat het boek niet van de voor haar voor de hand liggende uitgever was, spoedde zij zich terug naar haar gasten op het podium. Van René van Veen wilde ze niets meer weten.

    Ik vond het eerlijk gezegd niet zo gek dat René van Veen nog nooit in Istanbul geweest was. René van Veen heeft geen bijzondere band met Turkije en/of de Turkse literatuur. Hij vertaalde Istanbul, Istanbul niet uit het Turks, maar uit het Engels.
    Dat moet Petra Stienen geweten hebben – het stond duidelijk in het colofon – en daar had ze een vraag over moeten stellen.

    Waarom koos uitgever Orlando ervoor om Istanbul, Istanbul via een omweg te laten vertalen? Was er geen vertaler beschikbaar die het boek op korte termijn uit het Turks kon vertalen; wilde de uitgever de kwaliteit van de vertaling kunnen controleren en was het Engels als afgeleide brontaal handiger of gaf de schrijver wellicht zelf de voorkeur aan het via-via vertalen?
    Ik had ook wel willen weten wat Hanneke van der Heijden, vertaalster van Turks proza (zij zat naast Burhan Sönmez en de naar Nederland uitgeweken schrijfster Çiler Ilhan op het podium) en/of eventuele andere in de zaal aanwezige vertalers van Turkse literatuur vonden van de keuze voor een vertaler die het Turks niet machtig is.

    Daar ging het die avond in de Balie natuurlijk niet over, en dus was het heel verstandig van Petra Stienen om niet door te vragen. Vragen naar het waarom van het niet rechtstreeks uit de brontaal vertalen, zou een discussie op zich geworden zijn en afgeleid hebben van waar het die avond echt over ging: wat het voor een Turkse schrijver betekent om in ballingschap te leven en te werken?
    Maar dat René van Veen de roman uit het Engels vertaalde, dat had wel vermeld moeten worden. Niet alleen was het dan minder gek geweest dat hij nooit in Istanbul was, het had veel meer recht gedaan aan alles wat er daarvoor en daarna gezegd werd over de netelige positie waarin ook vertalers zich in Turkije bevinden.

     

    foto: still uit de stream

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Legenden en leven

    Legenden en leven

    Nobelprijswinnaar Pamuk heeft met De vrouw met het rode haar een prachtige roman geschreven die bol staat van de symboliek. Die ontleent hij aan een Oosterse en een Westerse mythe over de verhouding tussen vader en zoon. In het Iraanse epos Het Boek der Koningen doodt Rostam na een lange strijd zijn zoon Sohrab; door hun vechtkleding herkennen ze elkaar niet. In de Oedipus mythe doodt Oedipus zijn vader en huwt zijn moeder, zonder dat te beseffen. Beide legenden vlecht Pamuk mooi door elkaar tot een samenhangend verhaal.

    Het boek bestaat uit drie delen: het eerste deel gaat over de 16-jarige Cem; het tweede deel gaat over zijn volwassen leven – hij is dan 45 jaar -, zijn huwelijk met de mooie Ayse en zijn succesvolle bouwonderneming; het derde deel bevat een terugblik van de vrouw met het rode haar op haar leven, haar echtgenoten en haar enige zoon Enver.
    Het verhaal begint met Cem als jongen, wiens vader in de gevangenis zit wegens politieke subversieve activiteiten. Na zijn vrijlating uit de gevangenis keert hij niet naar huis terug; Cem zal hem gaan missen.

    Om geld te verdienen voor zijn opleiding aan de universiteit werkt Cem in een boekhandel, waar hij de Oedipus legende leert kennen. Maar wanneer hij meer kan verdienen met het helpen van een oudere puttengraver die naar water zoekt, doet hij dat. Er ontstaat een hechte band tussen Cem en Mahmut, de puttengraver – als ware hij zijn vader. Mahmut vertelt Cem vele mooie verhalen en noemt hem ook ‘mijn zoon’. Zo vertelt hij Cem het verhaal uit de Bijbel van Jozef en zijn jaloerse broers, die hem in een put gooien.

    In het dorp waar zij naar water graven – maar dat niet vinden – arriveert op zeker moment het reizend toneelgezelschap ‘Theater van de kwalijke verhalen met een moraal’. Het gezelschap speelt onder meer delen uit de Oedipus.

    Het toneelstuk en een actrice zullen het leven van Cem vergaand beïnvloeden. Die actrice is een mooie vrouw met rood haar, 33 jaar oud; hij kan de verleiding niet weerstaan en wil haar iedere avond zien. Zij is geïntrigeerd door zijn verschijning, hij lijkt op iemand uit haar verleden, en ze neemt hem uiteindelijk mee naar haar woning. ‘ “Je hoeft nergens bang voor te zijn”, zei ze met een glimlach. Je ziet het, ik had je moeder kunnen zijn”.’

    Wanneer Mahmut en Cem geen water kunnen vinden -ze zitten inmiddels op 25 meter diep- en Cem per ongeluk een emmer naar beneden laat vallen op het hoofd van de puttengraver, denkt hij dat hij hem heeft gedood. Hij vlucht naar huis en zegt niemand wat er is gebeurd.

    In het volgende deel runt Cem samen met zijn vrouw een bedrijf dat huizen bouwt in de uitbreidingsgebieden van Istanbul. Op zeker moment komt hij terug op de plek waar hij Mahmut in de put heeft achtergelaten: hij heeft het terrein gekocht om te bebouwen. Er ontstaan allerlei ontwikkelingen met Cem en zijn vrouw, en met de zoon van de vrouw met het rode haar.

    In het laatste deel vertelt de vrouw met het rode haar over haar leven en liefdes, en over haar zoon. Dan vallen alle stukjes op hun plaats. Het is zonde daar meer over te zeggen, maar Pamuk weet de roman op gloedvolle wijze af te ronden!

    In verschillende opzichten werkt Pamuk de vader-zoon relatie ingenieus uit. Het knappe is dat hij de twee mythen over de relatie tussen vader en zoon op bijna achteloze wijze weet te verknopen met het leven van Cem in het moderne Istanbul, traditioneel de stad waar Oost en West elkaar ontmoeten.

    Pamuk schetst treffend de psychologische betekenis van de vader-zoon relatie en heeft met De vrouw met het rode haar weer een mooie roman aan zijn oeuvre toegevoegd.

     

  • Intrigerende roman van Yusuf Atilgan

    Intrigerende roman van Yusuf Atilgan

    Een mooie vrouw meldt zich bij de balie van een pension, slaapt er één nacht en komt nooit meer terug, ondanks het feit dat ze dat wel had toegezegd. Zebercet is de uitbater van dat pension, dat in een landelijk gebied in Turkije ligt. Langzaam maar zeker raakt hij (seksueel) geobsedeerd door de vrouw, terwijl hij maar een enkel woord met haar gewisseld lijkt te hebben. Het is haar verschijning en het mysterie van haar verdwijning die de naamloze vrouw bij wijze van spreken tot één van de hoofdpersonen van het boek maakt.

    De Turkse schrijver Yusuf Atilgan is nog niet zo bekend in Nederland. Voor het eerst is Hotel Moederland (Atilgans tweede roman) in het Nederlands vertaald. Atilgan verwijst uitgebreid maar tegelijkertijd impliciet naar belangrijke historische gebeurtenissen in de geschiedenis van Turkije. Dat is op zich geen punt, maar feit is dat zaken pas op hun plaats vallen na lezing van het nawoord. Voor de argeloze lezer is het nawoord dan ook echt nodig. Misschien was het opnemen van een annotatie over de (historische) werkelijkheid hier en daar beter geweest, voor een wat beter begrip van de tekst tijdens het lezen.

    Het lezen en begrijpen van Atilgan is immers al moeilijk genoeg. Hij beschrijft Zebercets obsessie namelijk door middel van een zeer lange monologue intérieur. Regelmatig worden gedachten ogenschijnlijk willekeurig onderbroken door andere associatieve gedachten van hemzelf of een nietszeggende conversatie met een van de steeds schaarser wordende gasten in het pension. De meeste, of misschien wel enige, interactie heeft hij dus met zichzelf.

    Zijn gedachten zijn soms onlogisch en daardoor lastig te volgen, maar dat doet niet af aan hun zeggingskracht. De associaties en gedachtesprongen die een mens maakt volgen nu eenmaal ook niet altijd logisch op elkaar. Herinneringen, gedachten en associaties buitelen doorgaans over elkaar heen. Atilgan verwerkt dat tot tekst waardoor de lezer ook echt wordt meegevoerd in de gedachtestroom en er in zekere zin deel van wordt.

    Zijn obsessie met de mysterieuze vrouw tekent de grote eenzaamheid van Zebercet. Hij is alleen en heeft niemand om mee te praten. Wie eenzaam is, kan zich verliezen in een sprankje hoop op minder eenzaamheid, zo lijkt Atilgan te willen vertellen.

    Wanneer zelfs het professionele contact van de Zebercet begint af te kalven worden zijn gedachten steeds meer gefragmenteerd. Dat geeft Atilgan weer door de interpunctie weg te laten en een schuingedrukt lettertype te gebruiken. Daarmee geeft hij flarden van gesprekken, herinneringen en dromen.

    Al met al is Hotel Moederland een zeer knap geschreven, ontregelende roman over eenzaamheid en obsessies. De originele weergave van gedachten en gevoelens en vooral het dramatische einde laten de lezer niet onberoerd achter.

     

     

  • Onbezorgde zwerftochten door het Istanbul van toen

    Onbezorgde zwerftochten door het Istanbul van toen

    C. werd op straat gepasseerd door een vrouw die hem bits aankeek. Hij loopt haar achterna.

    De lantaarnpalen in de straat waren aan. Onder de rij bomen was het desondanks schemerig.  Ze bleef onder een boom staan en draaide zich naar hem om. ‘U moet weggaan’, zei ze, ‘Ik ben bijna thuis. Bovendien ben ik verloofd’. Ze stak haar hand uit om hem de ring te laten zien. Maar hij greep die hand. Ze stonden in het donker, hij duwde haar tegen de boomstam en boog zich naar haar toe. Hij legde zijn mond op haar lippen. Onder de dunne stof had ze stevige borsten. De lippen van het meisje begonnen te zwellen, haar lichaam werd zachter.

    Hij maakte zich uit de voeten, terwijl hij de smaak van haar lippenstift uitspuugde en een sigaret opstak. Onderweg zag hij veel vrouwen. Hij dacht: Er waren meer vrouwen op de wereld dan nodig was.

    Dylan Thomas en Faulkner
    C. is de hoofdpersoon van Yusuf Atilgans De lanterfanter, voor het eerst verschenen in 1959 en nu alsnog in het Nederlands vertaald. Het boek wordt aangeprezen door Orhan Pamuk: Atilgan is een van mijn helden, ik ben romanschrijver geworden door naar hem te kijken. C. is zonder twijfel een opmerkelijke figuur. Atilgan volgt hem een jaar lang op zijn zwerftochten door de Europese wijken van Istanbul. Sommige tochten kun je nauwgezet volgen omdat de schrijver wijken, straten en zelfs huizen en huisnummers noemt. Maar het is Atilgan niet om de stad te doen, de omgeving is alleen decor, de naam Istanbul wordt niet eens genoemd. Het boek gaat over de zielenroerselen van C. en ondanks diens opvatting over de overbodigheid van vrouwen, borrelen die vooral op uit zijn ontmoetingen met vrouwen en zijn fantasieën daarover. Je dringt in de ziel van C. via interne monologen en het kan geen toeval zijn dat hij korte verhalen van Dylan Thomas leest en dat de naam Faulkner valt–het surrealisme van A Portrait of the Artist as a Young Dog en de ‘binnenwereld’ van The Sound and the Fury klinken duidelijk door op de bladzijden van De lanterfanter. In het laatste hoofdstuk van ‘Herfst’ denkt C. dat hij een oude geliefde heeft gezien; hij rent om haar in te halen. Vergeefs, ze stapt op een bus en verdwijnt in de verte. Hij botst tegen een taxi en veroorzaakt een opstootje. Een politieman vraagt wat er gebeurd is. Hij zweeg. Praten was nergens voor nodig. Hij wist het wel, ze zouden het niet begrijpen. 

    Flaneur
    Yusuf Atilgan noemt zijn hoofdpersoon een lanterfanter, maar je vraagt je af of C. daarmee niet tekort wordt gedaan. Hij heeft weliswaar geen werk of verplichtingen en leeft van een erfenis, maar zijn tochten door de stad kun je moeilijk zien als een vorm van straatslijperij of leegloperij, daarvoor is hij te bezeten. C. is eerder te beschouwen als een typische flaneur–de financieel onafhankelijke jongeman, kunstenaar of schrijver, die door de stad wandelt om te dromen, te begeren en te genieten van de sfeer. C. is omringd met kunstenaarsvrienden en koopt hun schilderijen, hij is een fanatiek bioscoopbezoeker en een gretig lezer. Hij speurt naar mooie vrouwen en om met ze in contact te komen, spendeert hij soms weken om informatie te verzamelen en ontmoetingen te arrangeren. Niet verbazend dat hij ergens zegt:

    Lanterfanten was het moeilijkste werk dat er was. Elementen van de flaneur vind je terug in klassieke meesterwerken als Ulysses, Berlin Alexanderplatz of Bartleby the Scrivener.

    C. wijst erop hoe lachwekkend en onecht de waarden in de samenleving zijn, iedereen loopt over een slingerende brug zonder balustrade. Hijzelf is op zoek naar het enige houvast dat niet lachwekkend is: ware liefde. Een vrouw die denkt dat we genoeg hebben aan elkaar, die denkt, voelt, bemint net als ik. 

    Obsessie
    Dat klinkt misschien simpel, maar C.’s houding tegenover vrouwen is complexer dan hem lief is, zijn vriendinnen en de hoeren die hij bezoekt, hebben het er ook moeilijk mee. Hij is geobsedeerd door vrouwenbenen. Vriendin Ayse vraagt: Waarom kus en streel je altijd mijn benen? C. denkt dat zelfs mensen die van elkaar houden niet op hetzelfde moment dezelfde gevoelens hebben: als ik haar benen had gestreeld, had ik haar deel kunnen laten uitmaken van mijn eigen gevoeligheid. De obsessie met benen is terug te voeren op een Urszene uit het boekje van Freud: C. betrapt als jongetje zijn vader met een tante.

    Ik boog me voorover en keek door de half openstaande deur. Mijn vader had met één hand de rok van mijn tante opgeschort en zijn arm om haar heen geslagen, met zijn andere hand streelde hij haar blote benen. ‘Zehra, wat heb je me toch een benen’, zei hij.

    Het jochie stort zich op het paar en bijt zijn vader in de hand. Hij wordt aan zijn oor weggetrokken, het oor scheurt. Een onblusbare haat tegen de vader is het gevolg en C. zal altijd zijn oor voelen jeuken als hij aan vrouwenbenen denkt. Van Gogh is zijn favoriete schilder, tja.

    De lanterfanter heeft sfeer en is mooi geschreven (en prima vertaald). Misschien is de psychoanalyse van C. een speciale reden voor Atilgans populariteit in Turkije. Toch doet het Oedipuscomplex van C. gedateerd aan, eerder een formule dan een levensecht geval. Zoals omgekeerd ook het stadsleven van Istanbul niet meer van deze tijd is. Onbezorgd rondzwerven, willekeurige vrouwen aanspreken en zoenen… wie kan zich dat nog voorstellen in een stad van terroristische aanslagen, hoofddoekjes, islamitische revival en dictatoriale vrijheidsbeperkingen? Zelfs de toeristen blijven weg.

     

  • Verhalen die de zintuigen prikkelen

    Verhalen die de zintuigen prikkelen

    Verhalen uit Istanbul (2014) is een bloemlezing van de verhalen die Sait Faik Abasiyanik (1906-1954) schreef tussen 1934 en 1954.
    De eerste verhalen zijn uit de jaren dertig van de vorige eeuw, de latere uit de jaren veertig en vijftig. De verhalen zijn chronologische gerangschikt. Ze spelen zich af in Istanbul en op de Prinseneilanden in de zee van Marmara.

    In beeldende taal vertelt Sait Faik – zoals hij in Turkije veelal wordt genoemd – bijvoorbeeld over een bezoek aan ‘Het tweede huis van zijn vader’. Zodra je een boerenhuis binnenstapt ruik je natuurlijk hooi en ook wel gedroogde mest. Naast de geuren van de boerderij beschrijft hij het interieur met een mooie vergelijking: ‘een kelim uit Kocaeli lag in het licht van de petroleumlamp vochtig rood op de grond als een vreemde plas borrelende marmelade.’ Over de maaltijden van toen: ‘gebraden eend, in de jus gekookte tarwe en griesmeelkoek met boter.’

    Faiks verhalen gaan over vissers, arbeiders in de haven, een vrouw die geen geld heeft om haar overleden man te begraven, sleepschuiten, de gaskachel in het koffiehuis. Wat telkens opvalt in de verhalen is de aandacht voor de details en de bijzondere beeldspraak. In het verhaal ‘De zijden zakdoek’ houdt de verteller de wacht bij een fabriek waar zakdoeken van zijde worden gemaakt. Toch slaagt een dief erin zo’n zakdoek te stelen, maar op zijn vlucht maakt hij een (bijna) dodelijke val. ‘De portier wrikte zijn stijf dichtgeknepen vuist open. In zijn hand sprong een zijden zakdoek op als een fontein.’ In de slotalinea: ‘Tja… puur zijden zakdoeken van goede kwaliteit doen dat. Je kunt ze in je hand fijnknijpen en kreuken wat je wilt, zodra je je vuist opendoet, springen ze op als het water in een fontein.’

    De verhalen lijken uit de losse pols verteld, maar bij nadere bestudering valt op hoe knap ze in elkaar zitten. In ‘De heistelling’ zijn vijf mannen bezig met heiwerk in de haven. Salih loopt er de kantjes vanaf, tot ergernis van een van de anderen, Abdurrahman. ‘Je denkt toch niet dat ik in dat theater trap? Ik laat het echt niet op me zitten. Straks verlies ik mijn humeur en schop ik je zo de zee in.’ Salih weet door zijn connecties en zijn ‘eigen achterbaksheid’ onder zwaar werk uit te komen. Hij doet alsof hij zich vreselijk inspant bij het hijsen van het heiblok, maar ‘de aderen in zijn hals zwollen niet op.’ Abdurrahman keek zijn collega priemend aan. In zijn ogen gloeit wrok en drift. De verteller voegt toe: ‘Salih stond over de zee uit te turen, onverschillig zoals onbeschofte mensen zijn.’ Bij een volgende heipoging lezen we: ‘Salih vond het niet meer nodig zijn gezicht te vertrekken.’ Het verhaal komt tot een climax: Abdurrahman trapt zijn collega inderdaad de zee in. Salih, die niet kan zwemmen, is in zo’n tien minuten verdronken.

    In ‘Ik kan niet naar de stad’ gaat Sait Faik in op de vraag waarom hij schrijft. ‘Waarom dwingt alles vanavond me om aan tafel te gaan zitten en iets op papier te zetten? /…/ Of ik nu op de veerboot sta te wachten of me voor iets loop te haasten, ik schrijf.’ De schrijver in gesprek met de lezer.

    De verhalenbundel bevat een uitgebreid nawoord van Murat Isik. Hij vertelt waarom hij Sait Faik Abasiyanik in zijn hart heeft gesloten. Door zijn verhalen, zo schrijft hij, krijg je het gevoel dat je Sait Faik persoonlijk kent. Hij komt naast je zitten in een koffiehuis in Istanbul en begint te vertellen over haar inwoners en over het soms harde dagelijkse leven.
    In geuren en kleuren vertellen, dat is wat Sait Faik Abasiyanik kan als de beste.

    Sait Faik is maar 48 jaar oud geworden. Een jaar voor zijn dood is hij benoemd tot erelid van de Mark Twain Society vanwege zijn betekenis voor de moderne literatuur. Hij is vooral bekend geworden door zijn korte verhalen. In 1959 is zijn huis op Burgazada, een eiland vlakbij Istanbul, ingericht als museum, het Sait Faik Abasıyanık Museum.

    De Atheneum Boekhandel vroeg vertaalster Hanneke van der Heijden de eerste zinnen van haar vertaling toe te lichten. Ze legt uit dat het vertalen van Sait Faik is als het maken van een mobile, waarin alles los lijkt te zweven, waarin je zinnen alleen aan een stokje knoopt als het echt niet anders kan, en waarin de lezer pas na een tijdje ziet dat al die losse onderdelen toch met één koord aan het plafond verankerd zijn.

     

     

  • Oogst van de Week 21

    Door Carolien Lohmeijer

    Het is goed nieuws dat er in deze tijd, tegen het tij in, nog mensen zijn die hun nek durven uitsteken en een uitgeverij oprichten! Een mooi voorbeeld daarvan is natuurlijk Uitgeverij Schokland die inmiddels met haar reeks Kritische Klassieken haar bestaansrecht meer dan heeft bewezen.

    En nu is daar ook uitgeverij Koppernik, die sinds half december 2013 bestaat. Op hun website is te lezen wat zij willen uitgeven: ‘de eigenzinnige boeken, de buitenbeentjes van de literatuur, boeken die gedurfd zijn en uitdagen, in ieder geval afwijken van de momenteel overheersende cultuur van het midden.’ Op dit moment gaat dat nog maar om één titel, Zeer helder licht. Maar dat is wel gelijk een boek van Wessel te Gussinklo, winnaar van o.a. de Anton Wachter- en F. Bordewijkprijs. En een boek dat je meteen het verhaal intrekt. Het boek begint als de iets aan lager wal geraakte 31-jarige Wander zijn nog geen 20 jarige vriendinnetje – een meisje uit een keurig, welgesteld gezin – thuisbrengt. Veel te laat echter naar de zin van haar moeder. Hoe keurig ook: mama, gekleed in roze kamerjas, stormt de straat op, begint te vloeken en te tieren, slaat en bespuugt Wander en molesteert zijn toch al krakkemikkige auto. Het is een begin waarna je dóór wilt lezen.
    Zeer helder licht, Wessel te Gussinklo, Uitgeverij Koppernik, € 17,50

    Verhalen uit Istanbul

     

    Wie met Turkeye en Istanbul kennis wil maken moet Verhalen uit Istanbul van Sait Faik Abasıyanık (1906-1954) lezen. Deze auteur geldt als een van de grondleggers van het korte verhaal in Turkije. Door zijn grote inlevingsvermogen en beeldende observaties zijn de verhalen van Sait Faik Abasıyanık verrassend tijdloos. Sait Faik Abasıyanık vertelt indringende verhalen over menselijke verlangens en frustraties. Zijn mooiste verhalen werden voor deze bundel vertaald door Hanneke van der Heijden.
    Verhalen uit Istanbul, Sait Faik Abasiyanik, Uitgeverij Podium, vertaling door Hanneke van der Heijden, € 19,50

    OnschuldVeel dichter bij huis, gewoon op het schoolplein in Alphen aan den Rijn leren Dennis Captein en Martine de Bruin elkaar kennen. Er onstaat een vriendschap. Na verloop van tijd komt Martine bij Dennis op bezoek met de vraag of hij een boek wil schrijven over haar. Martine blijkt het slachtoffer van incest, ze vertelt dat ze jarenlang door haar grootvader is misbruikt. Ze heeft tot dan gezwegen. Eerst uit angst, later uit schaamte. Onschuld is het resultaat van dit verzoek. Het is een roman geworden, gebaseerd op feiten, maar aangevuld met fictie.
    Dennis Captein studeerde Journalistiek en Rechten, is in het dagelijks leven uitgever en daarnaast actief als columnist voor het AD. Onschuld is zijn eerste roman.
    Onschuld, Dennis Captein, Uitgeverij Nobelman, 320 pagina’s, €19,90

    De zangbrekerTot slot is er een nieuwe roman van de van oorsprong Uruguaanse schrijfster Carolina Trujillo (40) (De terugkeer van Lupe García) verschenen. De schrijfster woont al zo’n 20 jaar in Nederland, schrijft ook in het Nederlands, maar daarmee is het Nederlandse er wel af en nemen Zuid-Amerikaanse taferelen het over.
    Trujillo is een rasverteller. In De zangbreker neemt zij de lezer mee naar haar geboortestad Montevideo voor een ‘onvergetelijke ontmoeting met onalledaagse personages.’
    De zangbreker,, 320 pagina’s, € 19,95

     

     

     

  • Geluk torsen we als een last

    Geluk torsen we als een last

    Wie van Sereen van Ahmet Hamdi Tanpinar in al zijn gelaagdheid wil genieten, doet er misschien goed aan eerst het nawoord van vertaalster Hanneke van der Heijden te lezen. Belangrijk is dat Tanpinar zijn verhaal al schreef in 1948. Hij situeerde het in 1939, toen Europa doortrokken was van de dreiging van de Tweede Wereldoorlog. Bijna 20 jaar eerder was Turkije onder Atatürk een seculiere republiek geworden met als één van de belangrijke pijlers de vervanging van het Arabische alfabet door het Latijnse en een daarmee gepaard gaande oriëntatie op West-Europa. Die vervanging betekende dat het jonge nieuwe Turkije vervreemde van zijn (literaire) wortels. Steeds meer mensen konden het Arabisch immers niet meer lezen. En wat viel er nu in 1939 te verwachten van het Westen dat op instorten stond?
    Sereen is doortrokken van die existentiële onzekerheid.

    De eerste kennismaking van Nederland met Tanpinar (1901-1962) was er in 2009 toen hier zijn Klokkengelijkzetinstituut verscheen. Die roman was ook al een zoektocht naar de Turkse geschiedenis, maar wie aan die achtergrond geen boodschap had, kon het boek ook ten zeerste genieten als een scherpe satire op het najagen van luchtbellen en de manier waarop mensen luchtkastelen weten te verkopen. In Sereen is er daarentegen geen pagina waarop je aan de verwarring over de Turkse identiteit kunt ontsnappen. Het verhaal van de geliefden Mümtaz en Nuran is in alles vervuld van het wankelen tussen een dierbaar verleden en een onzekere toekomst. Zie bijvoorbeeld hoe Tanpinar bijna achteloos een eenvoudige scène van het echtpaar Sabih (altijd maar kranten lezend) en Adile inzet als beeld voor het wankele Turkije en de dreigende oorlog:

    Adile liep maar zelden op straat zonder op haar man te leunen (…); ook nu liepen ze gearmd. In zijn andere hand droeg Sabih het pak kranten. Als wilde hij het gewicht van Adile, die zwaar aan één kant hing, compenseren met de toestand in de wereld.

    Tanpinar bouwde zijn epos rond vier hoofdpersonen, die elk één van de vier delen van het boek vormen. Allereerst Mümtaz, de geschiedenisleraar, die bezig is een boek te schrijven over de in Turkije zeer gewaardeerde sjeik Galip. Sinds de dood van zijn vader en moeder woont Mümtaz in bij zijn neef Ishan en diens vrouw Macide. Dan is er Ishan zelf, die voor Mümtaz is als een broer. Hij en zijn vrouw zijn voor hem een bron van wijsheid en warmte. Ishan is op de dag waarop de roman aanvangt, ernstig ziek en Mümtaz wordt er op uit gestuurd om medicijnen, en later een dokter, te halen. Met dat doel wandelend door de straten van Istanbul herbeleeft hij zijn kortstondige relatie met Nuran. Hij heeft haar een jaar eerder ontmoet, juist toen zij scheidde van haar man Fâhir, bij wie ze een dochter Fatma heeft. Tenslotte is er Suat, familie van Mümtaz. Hij is opgenomen in een sanatorium en is eveneens verliefd op Nuran.

    Tot een huwelijk tussen Mümtaz en Nuran komt het niet: een paar dagen vóór ze zullen trouwen, besluit Nuran na een dramatische gebeurtenis in hun huis, terug te gaan naar Fâhir.
    Die breuk is daarvóór al voortdurend dreigend op de achtergrond aanwezig.

    Steeds als hij haar thuis afzette had hij het angstige gevoel dat dit de laatste keer was. Geluk was naar zijn idee datgene waar de menselijke ziel het slechts tegen was bestand – misschien omdat het geen superlatief heeft, omdat we verplicht zijn het te beleven zonder dat we onszelf uitstel kunnen geven. Door leed slaan we ons wel heen (…) Maar geluk torsen we als een last.’

    Suat, een kwelgeest voor Mümtaz, confronteert hem voortdurend met zijn onvermogen om gelukkig te zijn en in het hier en nu te leven. Hij activeert zijn angsten en daagt hem uit. Hij is zijn grootste vijand en tegelijk degene die hem het meest over zichzelf leert.
    In de hele roman weerspiegelen de tweestrijd van Mümtaz en zijn relatie met Nuran het lot van Turkije dat niet zonder zijn traditie en cultuur kan, maar ook niet kan kiezen voor de moderniteit van Europa. Oost en West zijn niet te verenigen in een sereen verband.
    Het is niet verwonderlijk dat de roman gesitueerd is in het deels op het Westen gerichte Istanbul en het traditionele landschap langs de Bosporus, waar de oude literatuur en vooral de nostalgische muziek nog dagelijks het leven doordringt. Voor Mümtaz is het zelfs ‘onmogelijk Istanbul, de Bosporus, de oude muziek, of de vrouw van wie hij hield, van elkaar te scheiden’. In talrijke gesprekken wordt de Westerse literatuur en muziek afgezet tegen de Turkse traditie, steeds met de onderliggende vraag hoe moeilijk het is die op zichzelf te waarderen, los van een onderlinge vergelijking. Zoals ook Mümtaz zich alsmaar de vraag stelt of zijn leven betekenis heeft door wat hij zelf is of door de invloed van Ishan, Suat en vooral Nuran, wier beeltenis hij na de scheiding maar niet kan loslaten.

    Tanpinar weet met die parallel tussen Istanbul en de Bosporus aan de ene kant en de verwikkelingen tussen Mümtaz en Nuran een knap gecomponeerd boek en diepzinnige verhandelingen over traditie, dood en lijden in de geschiedenis van individuen én een land te scheppen. Is er een goede balans, de sereniteit uit de titel, te vinden, is de vraag.

    De roman is niet altijd meeslepend, vooral niet als diep wordt ingegaan op de Turkse liedkunst en literatuur, maar wie geneigd mocht zijn bij die passages af te haken, ontzegt zich een groot leesplezier. Met prachtige beeldende beschrijvingen, zoals de wandeling van Mümtaz over de rommelmarkten van de stad waar oud en nieuw samenkomen en hem inspireren tot diepe gedachten. Of het gezicht op de Bosporus waar de vissers in hun met kleine lampjes verlichte bootjes spiegelend op het water hun avondlijke werk doen, door de auteur omschreven als ‘de lichtopera van de blauwbaarsvangst’.

    Tanpinar was een begenadigd schrijver die lezers zowel ten oosten als ten westen van de Bosporus nog altijd veel wijze overdenkingen te vertellen heeft.

     

    Sereen (2013)

    Auteur: Ahmet Hamdi Tanpinar
    Vertaald door: Hanneke van der Heijden
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2013
    Oorspronkelijke titel: Huzur (1948)
    Aantal pagina’s: 528
    Prijs: € 29,95

     

     

     

     

  • Schrijver versus lezer en omgekeerd

    Schrijver versus lezer en omgekeerd

     

    De teneur van het geheel van zes lezingen (Norton Lectures) die Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk in 2010 aan Harvard University gaf omtrent de kunst van het romanschrijven ligt in ruime mate in de titel besloten. De naïeve en de sentimentele romanschrijver refereert immers aan een onderscheid dat Friedrich Schiller voorstelde in zijn essay Over naïeve en sentimentele poëzie (1795-1796).

    Let wel:  ‘sentimentalisch’ heeft een andere betekenis dan het Nederlandse ‘sentimenteel’. Wat door Schiller werd geschreven over poëzie geldt blijkbaar ook voor literatuur en voor het schrijven van een roman.

    Naïef staat hier voor het onbevangen één zijn met de natuur zonder zich te bekommeren om ‘intellectuele of ethische consequenties’ of om ‘commentaar van de buitenwereld’. Het is nagenoeg een synoniem van ongekunsteldheid, spontaanheid, candeur.

    De sentimentele schrijver daarentegen vertegenwoordigt twijfel, stelt zich vragen, hanteert bewustzijn en ‘ maakt zich druk om educatieve, ethische en intellectuele principes’.

    Belangrijk daarnaast in de verhouding schrijver-lezer is ook wat Pamuk omschrijft als de kern van de roman, wat slechts voluit in de laatste lezing aan bod komt.

    De twee basisgedachten, het onderscheid naïef-sentimenteel en het zoeken naar een kern bij het lezen van een roman,  worden overvloedig ingekapseld in beschouwingen omtrent eigen ervaringen en betrachtingen en in verwijzingen naar de ‘echte’ romanschrijvers zoals daar zijn : Tolstoj, Dostojevski, Proust, Borges, Flaubert, Faulkner, Joyce, Perec, Thomas Mann. Geen Nederlandstalige auteurs inderdaad.

    Het ietwat vergeten Aspects of the Novel van E.M. Forster en Die Theorie des Romans van György Lukacs hebben Pamuk geestelijk en ideëel ondersteund. De rest komt uit zijn verwoed lezen van romans, uit zijn eigen ervaringen en betrachtingen als schrijver van fictie en non-fictie en uit zijn heel bijzondere situatie van bindmiddel tussen het Westen en het Oosten in casu zijn Turkse nationaliteit. Hij werd immers op 7 juni 1952 in Istanbul geboren, werd in 2006 Nobelprijswinnaar en schreef zowel openlijk als verholen autobiografisch en mag gelden als boeiende, originele en in feite discrete en oprechte denker die zijn ideeën en verlangens klaar en duidelijk formuleert.

    In deze verzameling van 6 telkens vijftig minuten durende lezingen treedt  de auteur beurtelings op als lezer en als schrijver. Hij ontleedt de bedoelingen en verwachtingen van beiden, aanvankelijk vanuit een concreet gescheiden en ogenschijnlijk ietwat ongenuanceerde stelling die geleidelijk door de realiteit en de diversiteit van de benaderingen ingesneeuwd raakt zonder dat weliswaar de essentie uit het oog wordt verloren.

    Tekenend in dat verband is zijn verzuchting – of is het een bekentenis?- aan het eind van het betoog: ‘ …het mooiste wat je als romanschrijver kan bereiken is, volgens mij, tegelijk naïef en sentimenteel te zijn.’

    Hij had dat evengoed voor de lezer kunnen bedenken en voor diens zoeken naar de kern die zogezegd in iedere behoorlijk roman aanwezig zou zijn.

    Men mag daarbij niet uit het oog verliezen dat Pamuk ervan overtuigd is dat de nu ongeveer 150 jaar oude roman met brio alle andere literaire genres heeft overtroffen en in de schaduw gesteld.

    De reis van Anna Karenina in de trein, die haar van Moskou naar haar thuis (en haar saaie echtgenoot) in Sint-Petersburg brengt, lijkt hier wel een steeds terugkerend refrein, het toonbeeld bij uitstek van hoe een personage wordt ontleed aan de hand van omringende voorwerpen en toestanden. Zij leest een boek, maar slaagt er niet in zich te concentreren, zozeer is zij gegrepen door gedachten en de herinnering aan de jonge officier met wie zij danste. Tolstoj suggereert haar gemoedsgesteltenis door te beschrijven wat in de treincoupé gebeurt of permanent aanwezig is, door het landschap op te roepen en de sneeuw tegen de ruiten om aldus onrechtstreeks de emotie en de geestelijke verwarring van de jonge vrouw aan de lezer op te dringen. In de ogen van Pamuk is dit een meesterlijk stuk suggestieve (roman)literatuur.

    Lezer en schrijver zijn in het essay van Pamuk twee noodzakelijk en onherroepelijk met mekaar verbonden identiteiten die naar elkaar op zoek gaan. De relatie schrijver-lezer, het stapelen van voorwerpen en van geestelijke of reële landschappen, van zinspelingen en picturaliteit die de ene aanbrengt en de andere ontdekt en assimileert op zijn/haar tocht naar de kern lijkt ons bijwijlen wat idealiserend en overtrokken, vooral als we bedenken wat ons zo allemaal als scheppend proza wordt aangeboden en opgedrongen.

    Op enkele uitzonderingen na beschouwt Pamuk trouwens thrillers niet als romans die passen in zijn visie. Uiteindelijk geeft hij gaandeweg ietwat schoorvoetend toe dat die fameuze kern niet altijd zo intens en stralend aanwezig is als hij aanvankelijk poneerde en dat tussen naïef en sentimenteel veel schemerzones vertoeven.

    De lezer van de goede roman wil zich in enige mate vereenzelvigen met het personage, vindt de auteur. Via het ‘mot juste’ en het ‘image juste’ treedt hij binnen in een wereld die de zijne is (geworden) en die hij voor zich ziet opduiken. Die lezer kan zich ook niet ontdoen van de gedachte, die bijwijlen een zekerheid wordt, dat het personage een beetje de auteur is. Op pregnante wijze ontleedt en omfloerst Pamuk de veelzijdige en veelkleurige relatie tussen auteur/personage en lezer, tussen boodschap en verlangen, illusie en werkelijkheid.

    Als hoogstpersoonlijke meditatie over wat de romankunst uitmaakt en hoe zij ontstaat en wordt ervaren is dit een bijzonder boeiend en verrijkend geheel van bedenkingen die echter niet meteen heel overzichtelijk overkomen omdat zij onder secundaire uitweidingen worden bedolven. Wie echt klaar wil zien in wat uiteindelijk vrij eenvoudig blijkt te zijn doet er wellicht goed aan het boek tweemaal te lezen. Zo verschijnt de basisstructuur als iets vanzelfsprekends en hinderen de bijkomende reflecties steeds minder.

    Bijzonder belangrijk en ongetwijfeld  vaak geraadpleegd voor wie meer wil dan enig oppervlakkig luisteren naar Pamuk is het uitgebreide register van namen en items achteraan in het boek. Het mag vreemd klinken maar na een aandachtig binnendringen in de visie van Pamuk ervaar en benader je de romankunst op een andere manier. Dat is uiteindelijk de bedoeling van het boek.