• Verzamelde gedichten na tachtig jaar écht verzameld

    Verzamelde gedichten na tachtig jaar écht verzameld

    De schrijver J. Bernlef heette in werkelijkheid Henk Marsman. Toen hij in 1959 debuteerde met de gedichtenbundel Kokkels koos hij ervoor om te schrijven onder pseudoniem. Hij deed dit om elke verwarring met de toen overbekende dichter H. Marsman (1899-1940) te voorkomen. De dichteres Lieke Marsman – in januari 2021 benoemd tot Dichter des Vaderlands – schrijft onder eigen naam. Het is blijkbaar voor Lieke geen serieus risico meer om te worden verward met haar ooit zo beroemde naamgenoot. Diens reputatie is verbleekt, zijn naam is uit het collectieve geheugen weggezakt. Ook al is en blijft Marsman de schrijver van ‘Het gedicht van de eeuw’, waartoe zijn ‘Herinnering aan Holland’ in het jaar 2000 verkozen werd. 

    Genoeg omtrekkende bewegingen. In poëtisch opzicht kende het vermaledijde corona-jaar 2020 een belangrijk en daverend slotakkoord, met de verschijning van de verzamelde verzen van H. Marsman, onder de titel Ik die bij sterren sliep. Dit kloeke boek telt ruim 750 pagina’s, inclusief uitvoerig commentaar, nawoord, verantwoording, aantekeningen, bibliografie en registers; meer dan 500 pagina’s zijn ingeruimd voor Marsmans poëzie. 

    Nieuwe Marsman, nieuw geluid

    Ik die bij sterren sliep biedt in verschillende opzichten gelegenheid tot een hernieuwde kennismaking. Op zichzelf is dat opmerkelijk, voor een dichter die al meer dan tachtig jaar dood is, van wie meerdere uitgaven bestaan van zijn Verzameld werk, van wie we het werk zouden moeten kennen uit bloemlezingen en een gedegen biografie en naar wie straten zijn vernoemd. Net als Slauerhoff, Ter Braak, Ina Boudier-Bakker en al die anderen is Marsman ‘een naam’ geworden. Uitgeverij Van Oorschot en tekstbezorger dr H.T.M. van Vliet komt de eer toe, deze gecanoniseerde Marsman volkomen nieuw te presenteren. 

    Wat wil namelijk het geval? Marsman was notoir onzeker over zijn werk, of in elk geval veranderde hij dikwijls van mening over de kwaliteit ervan. Meermalen in zijn korte leven herzag hij de door hem geschreven en gepubliceerde bundels poëzie en in 1938 – nog vóór zijn veertigste verjaardag – besloot hij tot de uitgave van zijn Verzameld werk in drie delen: poëzie, proza en kritisch werk. Het deel poëzie bevatte een gestrengelijk geselecteerd residu van in totaal ruim honderd gedichten, uit een veel groter corpus van eerder gepubliceerde verzen. En dat honderdtal gedichten – later aangevuld met de integrale bundel Tempel en kruis uit 1940, verschenen dus ná de uitgave van dat driedelige Verzameld werk – heeft sindsdien het beeld van de dichter Marsman bepaald: in de loop der jaren zijn er meer dan twintig drukken van de Verzamelde gedichten geproduceerd, wat van geen van Marsmans tijdgenoten kan worden gezegd. Maar gek genoeg ontbrak dus aan die zo vaak herdrukte Verzamelde gedichten veel van de door Marsman geschreven poëzie. 

    Volledige dichtwerk

    Hiermee werd door degenen die daarvoor verantwoordelijk waren, tegemoet gekomen aan de wens van de dichter. Hij wilde dat de door hem gemaakte keuze uitgangspunt zou zijn en blijven, bij heruitgaven van zijn ‘verzamelde’ gedichten. Maar ja: toen Marsman die keuze maakte, en zijn vrouw en intieme vrienden liet beloven hiermee rekening te zullen houden, wist hij natuurlijk niet dat hij zo jong zou sterven en dat hij dus met de strenge keuze uit zijn gedichten zijn oeuvre beperkte en bepaalde.   

    Deze nieuwe uitgave van de verzamelde verzen brengt voor het eerst Marsmans volledige dichterlijke productie in een handzame uitvoering onder het bereik van een groot publiek. Dat kan nu gemakkelijk kennis nemen van de inhoud van de oorspronkelijke bundels en aldus de ontwikkeling volgen die Marsman heeft doorgemaakt. Bovendien zijn in dit boek ook alle gedichten te vinden die ooit alleen in tijdschriften zijn gepubliceerd, en óók de gedichten die überhaupt nooit eerder in druk verschenen zijn. Met name uit deze laatste, en dan vooral de tientallen verzen van de nog zeer jonge Marsman, rijst een dichtersfiguur op die inderdaad jong en schuchter is en tegelijk gedecideerd, driest en ambitieus. 

    Het gedegen commentaar bij elk afzonderlijk (!) gedicht van de ervaren tekstediteur dr. H.T.M. van Vliet, maakt het mogelijk de ontwikkeling van Marsmans poëtische oeuvre stap voor stap te volgen. Dit is overigens geen sinecure. Marsman nam soms hetzelfde gedicht (al dan niet bewerkt) in verschillende bundels op. En aangezien de verschillende bundels integraal in deze verzameling zijn herdrukt, komt het meermalen voor dat een gedicht twee keer in deze verzamelde verzen staat. Ook zijn bijvoorbeeld de rubrieken ‘Ongebundelde en nagelaten’ gedichten telkens in perioden verdeeld, zoals ook Marsman zelf zijn poëtische werkzaamheid periodiseerde. Gevolg daarvan is dat wie álle nagelaten gedichten wil lezen daarvoor op minstens drie plaatsen moet kijken (p. 387-438, p. 463-480 en p. 515-517).   

    Kleine indruk

    Er is geen beginnen aan om van deze spiksplinternieuwe Marsman door middel van een enkel gedicht een indruk te geven. Zeker wie zich nu (februari 2021) veroordeeld weet tot binnenblijven, kan zich met dit boek een groot plezier doen en zelf bladeren, verkennen en lezen: het is de moeite ten volle waard. Toch, ter aanmoediging,  deze bijvoorbeeld:

    golf spoelt uit buik der nacht
    (walm en stank)
    Dag zweet. Tomate-rood
    vette vrucht –
    splijt tegen donker!
    (donker is rot en scherp)
    vlezen bol is aarde
    – larven
      zwermen
      vratig:
      mensen! –
    gespoten sap is licht
    geschrompeld vlies
    hemel.

     Ziedaar, met deze tekst benaderde de 19-jarige dichter op 29 juni 1919 de kunstenaar Theo van Doesburg, een der voormannen van De Stijl. Marsman schreef hem: ‘U is een der betrekkelijk weinigen die ’n vers als bijgaand zuiver kunnen zien. Ik ben daarom zoo vrij het u ter beoordeling toe te zenden.’ Hoe Van Doesburg heeft gereageerd vermeldt de historie niet, maar bewaard heeft hij het gedicht wel, aangezien het zich nog altijd in zijn archief bevindt.  Een half jaar daarvoor, oktober 1918, schreef Marsman het gedicht ‘Herfstland’. 

    Er is geen groter rust dan deze rust:
    herfstland in schemering.
    Aarde is moe en bruin,
    en aan de lucht de grijze stapeling van wolken,
    kleuren zijn dood, geabsorbeerd
    met klank en alle leven in grijze damp.
    Zie! aan de vage randen
    der eindeloze landen
    staan groepen bomen:
    de stomme, zwarte handen,
    die uit de sterke aarde
    grijpen naar de waze randen
    van den hemel, … om te dragen.
    – Door strakke spleten in het Westen
    druppelt licht,
    moe wittig licht,
    als uit een andre wereld …
    En in het trillend middelpunt
    van deze bruinen cirkel: vruchtbare aarde
    en dezen koepel: avondhemel
    het vlammend zaad van aarde en hemel
    staat: mijn jeugdig lijf.

    Misschien is de wens de vader van de gedachte, maar het lijkt of in een enkele regel al een vingeroefening hoorbaar is voor de latere ‘Herinnering aan Holland’. 

    Met de uitgave van Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen krijgt het dichterschap van H. Marsman een volkomen nieuwe kans. Of Dichter des Vaderlands Lieke Marsman zich alsnog genoodzaakt ziet tot het kiezen van een pseudoniem is twijfelachtig. Maar als een paal boven water staat, dat poëzie-minnend Nederland met dit literair-historische monument een grote dienst is bewezen.  

     

     

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00