• Beperkingen en mogelijkheden van onze taal

    Beperkingen en mogelijkheden van onze taal

    In De duistere winkel beschrijft Georges Perec hoe hij in oktober 1971 droomde dat zijn roman La Disparition, waarin de vijfde letter van het alfabet niet voorkomt, toch vol E’s stond die hij over het hoofd had gezien. Iets dergelijks overkwam Walter Abish na de publicatie van zijn Alphabetical Africa, de roman die eveneens rond een contrainte (een dwingende regel die de schrijver zichzelf oplegt) is opgebouwd, toen iemand hem op een feestje had verteld dat hij diverse keren de fout was ingegaan. ‘Dat meen je niet!’, schijnt Abish te hebben gezegd: ‘Mijn uitgever en ik hebben het boek keer op keer gecontroleerd op fouten!’ De contrainte van Abish is dat zijn roman van 52 hoofdstukken zodanig is opgebouwd dat het eerste alleen bestaat uit woorden die met een A beginnen, het tweede uit woorden met als eerste letter A of B en zo door tot hoofdstuk 26, waarna het omgekeerde gebeurt: er gaat nu in elk hoofdstuk weer een beginletter af in omgekeerde volgorde tot in het 52e hoofdstuk alleen weer de A overblijft.

    Vertaalbaarheid

    Bijzonder aan deze twee romans van Perec (uit 1969) en Abish (uit 1974) is dat ze allebei hun lettertoer uithaalden zonder dat ze elkaar(s werk) kenden – dat kwam later pas. Het ontzag voor ieders prestatie wordt nog groter als je bedenkt dat ze niet, zoals wij, digitale zoek- en controlemogelijkheden hadden, maar slechts pen en typemachine.
    La Disparition werd later in meer dan tien talen vertaald (in het Nederlands als ’t Manco), maar Alphabetical Africa tot nu toe slechts in het Duits. Daar is nu een Nederlandse editie bij gekomen: Alfabetisch Afrika. Vertaler is Guido van de Wiel die eerder ook voor ’t Manco tekende. Je moet ook wel een beetje gek zijn om die uitdaging aan te gaan. Toen Van de Wiel in een essay over vertalen las dat met de roman van Abish ‘de grenzen van de vertaalbaarheid’ waren bereikt wist hij meteen wat hem te doen stond.

    Alfabetisch Afrika gaat in het kort over een roofmoord op een juwelier in Antibes, waarvan in eerste instantie twee mannen, Alex en Allen, en een vrouw Alva, als verdachten worden gepresenteerd. Gaandeweg blijken er meer betrokkenen te zijn, waaronder Koning(in) – ze wordt zowel vrouwelijk als mannelijk voorgesteld – Quat en de verteller van de roman. De zoektocht leidt naar Afrika, niet alleen omdat de geroofde juwelen daar terecht zijn gekomen, maar ook omdat Alex en Allen de daar verblijvende Alva willen veroveren. Deze Alva lijkt uiteindelijk te trouwen met de verteller, die bovendien de auteur van het boek blijkt te zijn dat we zojuist hebben gelezen.

    Litanie

    Het is een dun en af en toe verwarrend verhaal. Maar daar is het Abish ook niet om te doen. Het belangrijkste aan Alfabetisch Afrika is hoe dat verhaal verteld wordt. Abish wil vooral laten zien hoe ons belangrijkste communicatiemiddel, de taal, ons bespeelt. Hij doet dat door de verteller en daarmee de lezer stap voor stap een letter beschikbaar te stellen en hen er in het tweede deel van het boek steeds weer van een te beroven. Dat is niet de enige contrainte die Abish zich oplegde. Hij laat ook elk hoofdstuk beginnen met de letter die beschikbaar komt of weer verdwijnt. Dat doet iets met onze perceptie van de informatie die we krijgen.
    Bovendien bouwt hij nog kleinere opgelegde spelletjes in: we treffen in Alfabetisch Afrika (vaak alfabetische) opsommingen: in het hoofdstuk waarin de S voor het laatst mag worden gebruikt lezen we hoe de koningin twee pagina’s lang weeklaagt in woorden die allemaal beginnen met een S voorafgegaan door ‘same’ of in vertaling door ‘saai’; een bijna hallucinerende litanie van klachten over het aankomende verdwijnen van die letter. Verder zijn er de talloze alliteraties en intertekstuele verwijzingen, zoals naar Heart of Darkness van Joseph Conrad dat eveneens gaat over een indringing in Afrika.

    Geheugenverlies

    Tot slot laat Abish op een soms komische manier zien hoe slecht wij Afrika echt kennen. Die wetenschap is gebaseerd op het beeld dat we ons hebben gevormd van het continent; van het echte Afrika weten we bar weinig. Daarom wemelt het in de roman van kaarten en plattegronden, maar ‘de kaart is niet het gebied’, schrijft vertaler Van de Wiel in zijn zeer informatieve Nawoord.

    Het verhaal van de moord op de juwelier en de jacht van Alex en Allen op Alva in Afrika staat geheel in dienst van de contrainte in de roman. In het eerste deel komen er met de groei van het aantal beschikbare letters steeds meer Afrikaanse landen bij en groeit de informatie. In de tweede helft gebeurt het omgekeerde. Dat loopt uiteindelijk uit op steeds meer destructie: delen van Afrika, en uiteindelijk steden en gebouwen worden vernietigd terwijl op metaniveau de beschikbare taal steeds meer wordt ontmanteld. Naast die inkrimping van het continent Afrika krijgen de protagonisten steeds meer te maken met geheugenverlies. Dat wordt bovendien verbeeld door de grote rol die agressieve mieren spelen. In het Duits heten die Ameisen, het woord dat Abish ook gebruikt. Met opzet, want het is een anagram van amnesie.

    Moet het schrijven van Alphabetical Africa al een halsbrekende onderneming zijn geweest voor Abish, dat geldt nog meer voor een vertaling. Guido van de Wiel heeft zich soms met ware Houdini-acts moeten redden. Dat heeft hij bewonderenswaardig gedaan. Om een idee van de problemen te geven: Abish heeft al in hoofdstuk A het lidwoord ‘an’ beschikbaar, maar de vertaler kan ‘een’ pas gebruiken in hoofdstuk E. Daar staat weer tegenover dat hij ‘de’ al kan inzetten in hoofdstuk D waar Abisch dat pas in hoofdstuk T (‘the’) kan. Toch blijft dat voor de vertaler een beperking want als dit lidwoord in het oorspronkelijke werk niet voorkomt heeft de vertaler die ruimte alsnog niet.

    Tweetalig

    De beperkte beschikbaarheid van de letters bepaalt daarnaast hoe het verhaal verteld kan worden. In de hoofdstukken A tot en met H is steeds sprake van ‘auteur’. Dan is nog niet duidelijk dat hij dezelfde is als de verteller. Dat blijkt pas in hoofdstuk I, waar zowel Abish als Van de Wiel verder kunnen gaan in de eerste persoon: ‘I’ in het Engels en ‘ik’ in het Nederlands. Nog verder in het verhaal kan zijn aandeel in de moord op de juwelier worden verteld.

    Guido van de Wiel ging bij zijn vertaling acribisch te werk. In twee uitgebreide logboeken gaat hij uitvoerig in op thema’s en achtergronden van Abish en zijn werk en verantwoordt hij zijn vertaalkeuzes zeer precies, compleet met alternatieven en argumenten om die wel of niet te gebruiken. Een voortreffelijke keuze is dat Alfabetisch Afrika tweetalig is uitgegeven zodat alle vertaalvondsten direct controleerbaar zijn. Van de Wiel noemt in die logboeken onder andere 101 plaatsen waar Abish per ongeluk tegen zijn eigen contrainte in is gegaan: hij gebruikt bijvoorbeeld het voorzetsel ‘in’ al vóór hoofdstuk I in de eerste helft en na hoofdstuk I in de helft waarin letters verdwijnen.
    Deze logboeken zijn op internet gratis te downloaden.

    Liefhebbers van werken van OuLiPo-ers (de werkplaats voor potentiële literatuur) waarvan Perec lid was maar Abish niet, hebben met Alphabetical AfricaI een vergaand voorbeeld van wat deze literatuur vermag. Van de Wiel noemt het zelfs ‘het meest oulipiaanse werk dat er bestaat zonder te zijn vervaardigd door een OuLiPo-auteur’.

     

  • Ik wil begrijpen wat er staat en waarom het er staat


    Met De wedergekeerden van Georges Perec (1936-1982) leverde Guido van de Wiel op de palindroomdatum 22.02.2022 zijn tweede vertaling af van deze auteur. Zijn eerste was ’t Manco in 2009. De romans zijn lipogrammen, teksten waarin bepaalde letters niet voorkomen: in La Disparition uit 1969 gebruikte Perec de letter E niet en in Les Revenentes uit 1972 is de E juist de enige klinker die gebruikt wordt. De omzetting naar het Nederlands kostte Van de Wiel in beide gevallen jaren werk. Bij een kop koffie in een café in Driebergen vertelt hij er vol enthousiasme over.

    We hebben vóór onze afspraak al aardig wat mails gewisseld omdat we beiden groot liefhebber zijn van de belangrijkste vertegenwoordiger van OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle), de Franse schrijversgroep die zich bij het schrijven vooraf beperkende regels of dwingende afspraken (contraintes) oplegt in de overtuiging dat je daarmee nieuwe creativiteit aanspreekt. OuLiPo is nog springlevend en staat weer volop in de belangstelling door de roman Anomalie (2020) van Hervé Le Tellier, die de huidige voorzitter is van OuLiPo. Die werd in Frankrijk bekroond met de Prix Goncourt en genomineerd voor de Europese Literatuurprijs van 2022.

    Vertalen is voor Guido van de Wiel (1972) een bijbaan. Van beroep is hij organisatiepsycholoog. Toch ligt daar voor hem de link naar de literatuur: ‘Van jongs af wilde ik al schrijver worden en voor mijn studie twijfelde ik tussen Nederlands en psychologie. Ik koos voor psychologie omdat die studie me zou helpen personages te ontwerpen met hun drijfveren en motieven. Toen ik daarin afgestudeerd was rolde de bal de kant op van managementtrainingen en organisatieadviezen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de schrijfdrang kreeg vorm in managementboeken die ik nu vooral als ghostwriter voor anderen schrijf’.

     

    Toen kwam het literaire werk op je pad en ben je gaan vertalen. Hoe gebeurde dat?

    ‘Dat kan ik me nog vrij precies herinneren. Dat was rond 2000. Toen las ik Code van Simon Singh, een prachtig boek over geheimschriften en ontcijferingen in de geschiedenis. In dat boek neemt Singh een pagina uit de Engelse vertaling van La Disparition op. Dit doet hij om te laten zien hoe letterfrequenties werken en hoe die bij sommige teksten vervormd kunnen raken: dat is van belang bij het kraken van sommige geheimschriften. De meest voorkomende letters in het Frans zijn achtereenvolgens E, S, A, R, T, I, N, U, L, O en C.

     

    Perec maakte zelfs een gedichtenbundel waarin hij alleen die elf gebruikte plus steeds een letter die hij als joker kon inzetten.

    Ja, dat is het werk La Clôture [afsluiting]. Een ander werk, Ulcérations [verzweringen] bestaat uit gedichten die achtereenvolgens steeds alleen maar uit deze elf meest voorkomende letters uit het Frans bestaan.
    De E komt dus het meest voor en Perec koos ervoor juist die letter niet te gebruiken in La Disparition. Ik was vrijwel meteen bezig met de vraag of die tekst ook in het Nederlands om te zetten zou zijn. Dat werd uiteindelijk ’t Manco’.

    De aantrekkingskracht van Perec was voor Van de Wiel echter niet louter het spelen met woorden en letters, maar de combinatie van het tragische en het speelse in zijn werk. Dat spelen is het OuLiPo-element en het tragische heeft te maken met het verlies van zijn ouders en van zijn Joodse afkomst. Wat Perec met die woordspelletjes doet staat in dienst van zijn vaak autobiografische verhaal.

     

    De prominentste vertegenwoordigers van OuLiPo zijn naast Perec volgens mij Raymond Queneau, Italo Calvino en recent ook Le Tellier. Allemaal schrijvers die binnen hun contraintes óók serieuze maatschappelijke thema’s aan de orde stellen. Dat die het meest gelezen worden en vertaald zijn zal geen toeval zijn.

    ‘Jazeker. Wat mij bij Perec in ieder geval opvalt, is dat hij zichzelf tot inzet heeft gemaakt van de literatuur die hij schreef. Dat merk je. Door die inzet van zichzelf overstijgt hij het niveau van een taalspel. Anders zou het een zoekplaatje of een puzzel blijven en dan blijft het een dun geheel. In ’t Manco bijvoorbeeld hebben meerdere verdoemde personages een tatoeage in de vorm van een E (de verboden letter) op hun arm staan. Dat is een duidelijke verwijzing naar het nummer dat je in Auschwitz op je arm getatoeëerd kreeg. Laten we niet vergeten dat Perecs moeder naar datzelfde Auschwitz gedeporteerd werd’.

     

    In de pdf-bestanden die lezers van ’t Manco en De wedergekeerden van internet kunnen downloaden besteed je erg veel aandacht aan de autobiografische betekenis van namen en woorden die Perec in die romans gebruikt.

    ‘Dat is een beetje het gevaar van het vrijgeven van die pdf’s. Die zijn eigenlijk ontstaan als verantwoordingswerken voor mezelf. Ik heb ze toch beschikbaar gesteld zodat lezers die dat willen kunnen nazoeken hoe ik te werk ben gegaan. Juist omdat het mijn eigen notities zijn staan er nog veel hypotheses in, beginnende gedachten over mogelijke betekenislagen. Soms heb ik die zelf ook weer verworpen of is er geen sluitend bewijs voor. Daarom vind je vaak de vermelding ‘discutabel’. Als ik die bestanden als boek uit zou laten geven zouden waarschijnlijk veel van die discutabele veronderstellingen er uit gaan. Ze zijn te vergelijken met de directors cut, de versie van een film waarin je kunt zien wat de regisseur uiteindelijk heeft weggelaten’.

    Van de Wiel voelt zich als vertaler verplicht om zo goed mogelijk te begrijpen wat er staat en waarom het er staat. Als leuk voorbeeld noemt hij het bergdorpje Besse-en-Chandesse dat in De wedergekeerden Besse-en-Chendesse is geworden: ‘Je zou kunnen denken dat het een willekeurige naam is die Perec bruikbaar vond vanwege de vele e’s. Maar hij deed bijna niets willekeurig, dus ga je zoeken. En dan blijkt het een klein plaatsje van nog geen 1.500 inwoners te zijn waar de groep ‘Nicolas Bourbaki’ werd opgericht. Dat was een soort wiskundige tegenhanger van OuLiPo. Het is natuurlijk leuk zo’n duiding met de lezer te kunnen delen’.

     

    Je vertelt in de pdf’s hoe je te werk bent gegaan. Gedurende het vertalen van De wedergekeerden begon je lijsten van Nederlandse woorden aan te leggen die alleen een E als klinker hebben. Hoe werkte je met die lijsten?

    ‘Het aanleggen van die lijsten zorgde ervoor dat ik de vertaling kon verrijken met al het E-idioom dat het Nederlands kent. Neem een ietwat aangepaste uitdrukking als “Ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” [net als Perec past Van de Wiel soms klinkerelisie toe zoals hier in het voorzetsel “in”]. In de eerste vertalingen van mijn tekst kwam een paar keer de zinsnede “ze verdween” voor. Dan is het verrijkend om op één plaats dit alternatief “ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” te gebruiken. Dat is wat ik het satureren van de tekst ben gaan noemen. De lijsten vormden zo een extra bron: naast de tekst van Perec en de letterlijke vertaling ook het E-Nederlands op zichzelf. Die extra bron kon ik integreren, maar wel alleen als dat bleef passen bij de brontekst zelf’.

     

    In ’t Manco staan ook E-loze ‘vertalingen’ van beroemde gedichten. Daarmee had je zelfs nóg een bron, namelijk de oorspronkelijke versie van die poëzie. Ik kan me voorstellen dat dat tegelijk weer een moeilijkheidsfactor is omdat je ook trouw moet blijven aan de oerversie van zo’n gedicht.

    ‘Ik heb inderdaad ook de oorspronkelijke gedichten bestudeerd, om te zien op welke plekken Perec daarvan afweek: waren dat thematische keuzes of keuzes ingegeven door de contrainte, bijvoorbeeld? Verder heb ik bij die gedichten – overigens net als de Duitse en de Engelse vertaler – nog een rigoureuzere keuze gemaakt. Ik heb enkele van de Franse gedichten die Perec gebruikt vervangen door Nederlandse gedichten die juist in óns collectieve bewustzijn zitten. Zoals alle Fransen regels kennen van Rimbaud of Baudelaire, zo kennen alle Nederlanders wel Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min of Het uur U van Nijhoff of Denkend aan Holland van Marsman. Zo heb ik die dan ook lipogrammatisch geïntegreerd in ’t Manco. Ik vind dat ik daarmee trouw blijf aan Perec die zijn schrijven zag als een spel met de lezer. Ik maak als vertaler dat spel geschikt voor het Nederlandse publiek. Bovendien gaan die Nederlandse gedichten over vormen van gemis en dat past weer binnen de thematiek ’t Manco’.

     

    Ik las dat je mogelijke volgende projecten een vertaling van Cent mille milliards de poèmes van Queneau en Alphabetical Africa van Walter Abish betreffen. Dat lijken me teksten waarin het meer gaat om de contrainte dan om de inhoud. Wat zijn het voor teksten?

    ‘Ik ben over mijn vertaling van de gedichten van Queneau nog lang niet tevreden. Het oorspronkelijke werk is een bundel van tien sonnetten waarvan je in plaats van een pagina elke regel afzonderlijk kunt omslaan zodat weer een nieuw gedicht ontstaat waarin één regel is veranderd en de andere dertien regels gelijk zijn gebleven.
    Met Alphabetical Africa ben ik een stuk verder. Ook daar vormt de contrainte de motor van een bizar verhaal, waar gek genoeg ook plaats is voor een juwelenroof, net als in De wedergekeerden. Abish schreef een tekst waarvan alle woorden in het eerste hoofdstuk beginnen met de letter A, in het tweede met een A of B, in het derde met A, B of C enzovoort. Op de helft van het boek heb je even alle letters van het alfabet tot je beschikking; daarna ga je in omgekeerde richting zodat het laatste hoofdstuk weer alleen woorden kent die met een A beginnen. Door deze vormbeperking begint het verhaal achtereenvolgens in Angola en Burundi. Halverwege het boek komen Zambia en Zanzibar pas aan bod’.

     

    Die vertaling kent weer zijn eigen uitdagingen?

    ‘Zeker, want als Abish het in het derde hoofdstuk over “Chad” heeft, de Engelse benaming voor Tsjaad, dan kan ik dat land, vanwege de veranderende beginletter, nog niet noemen. Daar moet ik dan bijvoorbeeld grijpen naar “Centraal-Afrika”.

    Ik heb nu de eerste acht en de laatste vijf hoofdstukken van Abish af omdat die me het moeilijkste leken vanwege de beperkte woordenschat met de voorgeschreven beginletters. Hoe verder ik in het midden zit, hoe groter het vocabulaire is waaruit ik kan putten. Toch is het niet helemaal zo dat ik het vertalen van dat middenstuk als gemakkelijker ervaar. Als de teksten meer mogelijkheden krijgen gaan mijn verdiensten als gewoon vertaler een rol spelen. Ik ben bedreven geworden in het vinden van oplossingen voor allerlei gemankeerde teksten; ik voel me juist senang als er zeer beperkte mogelijkheden zijn. Als ik ineens alle taal ter beschikking heb put ik uit een reservoir waaruit alle vertalers, ook degenen die daar veel beter in zijn dan ik, putten. Voor mij is dat daarom een moeilijkere uitdaging. Ik ben daarom geneigd voor het vertalen van dergelijke teksten de samenwerking te zoeken’.

    Van de Wiel komt met een primeur. Hij heeft inmiddels de vertaling van de twee korte monovocalistische teksten van Perec ook af: What a Man! waarin de enige klinker de A is, en Morton’s Ob, met alleen de O. Beide stukken schreef Perec in het Engels. Ze zijn te kort voor een afzonderlijke boekuitgave, dus gaat de vertaler nog met de uitgever in conclaaf over andere publicatiemogelijkheden. Het zou een onderdeel kunnen worden van een verzameld werk of anders moet je misschien denken aan een bibliofiele uitgave.

     

    Van de Wiel wil graag nog iets kwijt over het bijzondere van het werken met lipogrammen: ‘Perec doet met de lipogrammen iets extra-ordinairs, iets buitengewoons, terwijl hij juist meester is van het infra-ordinaire: hij wilde zich juist van het alledaagse bewust zijn waar we normaal aan voorbij lopen. Het kostte even voordat ik doorhad, dat hij juist met het extraordinaire van een lipogram ook het infra-ordinaire van taal bloot weet te leggen. Doordat je bepaalde letters uitsluit valt er ineens een ander licht op alle woorden die je wel gebruikt. Als ik zeg: “Het speelde hem parten”, dan zal niemand lang stilstaan bij die uitdrukking. Maar op het moment dat ik in De wedergekeerden schrijf: “Het speelde hem delen”, dan weet iedereen dat ik een synoniem voor parten gebruik. Tegelijkertijd zet die herschrijving je aan het denken over wat dat “parten” in de oorspronkelijke uitdrukking eigenlijk betekent. Door de lipogrammatische taal ga je nadenken over je gewone taalgebruik; je wordt je bewuster van allerlei betekenislagen. Waarom kun je wel zeggen dat iemand “voor spek en bonen” meedoet, maar niet dat iemand meedoet “voor bonen en spek”?
    Voordat hij zich aan La Disparition zette had Perec last van een writer’s bloc. De contraintes die hij zich oplegde voelde hij juist als een bevrijding’.

     

    La Disparition is vertaald in minstens tien talen, maar Les Revenentes pas in drie. Is de reden daarvoor de moeilijkheidsgraad of misschien dat La Disparition inhoudelijk een betekenisvoller verhaal heeft?

    ‘Ik denk dat je op beide veronderstellingen een antwoord kunt geven. Ik vermoedde zelf dat de vertaling van Les Revenentes  een moeilijk leesbaar eindresultaat zou opleveren. In het boek komt een  menukaart voor; in het begin leek het me goed genoeg om een geheel andere menukaart samen te stellen, als deze maar Nederlandse e-woorden van gerechten bevatte, zoals lekkerbekjes en zee-egel. Pas later lukt het me om de Franse menukaart ook gewoon letterlijk te vertalen. Ik moest eerst zelf blijkbaar het E-Nederlands beter onder de knie krijgen. Misschien weerhoudt het idee dat je maar één klinker tot je beschikking hebt vertalers in andere landen.
    Maar het inhoudelijke verschil is er ook. La Disparition is literair gezien een veel rijker verhaal dan Les Revenentes. Zo bevat ’t Manco complete hervertellingen van werken van Thomas Mann, Herman Melville en Edgar Allan Poe. Toch staan deze beide lipogrammatische romans – naast uiteraard Perecs magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing – op de lijst van 1000 novels everyone must read die The Guardian in 2009 publiceerde. Perec heeft Les Revenentes zelf trouwens wel eens afgedaan als een niemendalletje. Dat ben ik absoluut niet met hem eens als je ziet welke niveaus er allemaal in zitten. Het was voor hemzelf misschien een tussendoortje, maar je herkent er duidelijk de hand van de meester in’.

     

    Hoe is het volgens jou gesteld met de bekendheid van Perec voor het brede publiek in Nederland? Vormen zijn lezers niet een betrekkelijk kleine wereld van liefhebbers?

    ‘Dat vind ik lastig te zeggen. De Arbeiderspers heeft Perec al decennialang echt omarmd en doet veel moeite om zoveel mogelijk van hem in vertaling uit te brengen. Daardoor neemt de bekendheid van zijn werk wel toe, net als het aantal lezers’.
    ‘Ik denk dat er in groter verband wel iets aan de hand is met zogenaamde klassieke literatuur. Daar zakt misschien de aandacht wat voor weg. Maar ik hoop dat het net zo gaat als je in de muziek wel ziet. De aandacht voor Jimmy Hendrix herleefde weer – grotendeels bij een nieuwe fanschare – toen recensenten Prince met Hendrix gingen vergelijken. Zo zou de aandacht voor OuLiPo best eens kunnen groeien door het grote aantal lezers van Anomalie van Le Tellier. Daardoor zou zo maar een nieuwe groep Perec kunnen gaan (her)ontdekken. Ook mijn vertaling van Les Revenentes kan hier een steentje aan bijdragen. De wedergekeerden is, ondanks zijn experimentele opzet, in korte tijd toch ook al op weg naar een tweede druk. Lipogrammatische teksten blijven tot de verbeelding spreken: ik heb gemerkt dat het boek mensen prikkelt om teksten te schrijven zonder E, met alleen maar de E, of om op andere manieren met contraintes aan de slag te gaan’.

     

     



     

    Foto: Tijmen Ballieux

  • ’k Wens het permenente en evenzeer het efemere te beleven!

    ’k Wens het permenente en evenzeer het efemere te beleven!

    In het werk van Georges Perec spelen hij en zijn lezers een spel met elkaar. Dat heeft alles te maken met de uitgangspunten van OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle), het gezelschap van wiskundigen en schrijvers dat zich toelegde en nog steeds toelegt – want OuLiPo is springlevend met als huidige voorzitter Hervé Le Tellier die in 2021 de Prix Goncourt won – op taalkundige en literaire experimenten met de lezer aan de andere kant van het speelbord. In het begin van Het leven een gebruiksaanwijzing gebruikt Perec daarvoor de metafoor van de legpuzzel: ‘In weerwil van de schijn is het geen spel dat je in je eentje speelt: iedere beweging die de puzzelaar maakt heeft de maker van de puzzel vóór hem gemaakt’.
    Maar het is nooit een spel om het spel alleen. Wie bereid is zich er echt aan over te geven puzzelt niet alleen maar wordt ook meegetrokken in filosofische en existentiële vragen.

    Vanaf 1967, toen Perec lid werd van OuLiPo, ging hij (samen met vooral Raymond Queneau en Italo Calvino) misschien wel het verst in het schrijven onder zichzelf opgelegde beperkende regels (contraintes). Hij voelde die juist als een enorme vrijheid om via de taal zijn worsteling met zijn verleden vorm te geven, het verleden waarin hij als kind zijn vader en moeder verloor in de oorlog en waarin hij tijdens zijn onderduik zijn Joodse afkomst moest verdonkeremanen.

    Lipogram

    Wie dit verleden van Perec te weinig kent zal misschien zijn twee lipogrammatische (een lipogram is een tekst waarin één of meer letters met opzet niet worden gebruikt) romans afdoen als knappe kunststukjes, of op zijn gunstigst als vindingrijke en creatieve verhalen: La Disparition, waarin de letter E niet wordt gebruikt, en Les Revenentes, waarin de E juist de enige klinker is. Het zijn echter vormkeuzes die de motor zijn voor de inhoud ervan. Verhalen bovendien die in hoge mate autobiografisch zijn. In La Disparition is de eliminatie van de E de gedaante waarin het verhaal wordt verteld van leegte, verlies en uitsluiting, van miskenning van identiteit en Jodenvervolging. La Disparition is de metafoor voor de moord op Perecs moeder in Auschwitz – ‘la Disparition’ was de naam van de verklaring van de Franse staat dat zij werd geacht op 11 februari 1943 te zijn gestorven.
    En op dezelfde manier is Les Revenentes de terugkeer van de E, nu met uitsluiting van alle andere klinkers. Het is de roman waarin tal van toespelingen staan op de moeder- en vaderfiguur (‘mère’ en ‘père’), twee woorden die de E als enige klinker hebben.

    Met de keuze voor een lipogrammatische vorm creëert Perec een geheel nieuw taaluniversum. Dat stelt aan de vertaler van dergelijke romans de eis om, naast een zo getrouw mogelijke weergave van stijl, gelaagdheid en tonaliteit ervan, ook dit universum over te nemen.  Het is dan ook niet vreemd dat in besprekingen van anderstalige versies van de twee romans veel aandacht uitgaat naar de vertaler.

    Thematiek

    Zowel La Disparition als Les Revenentes zijn in het Nederlands vertaald door Guido van de Wiel. In 2009 verscheen van hem ’t Manco (afgelopen maand herdrukt als paperback). De bespreking ervan op Literair Nederland vindt u hier.
    Op de palindroomdatum 22-02-2022 publiceerde hij bovendien zijn vertaling van Les Revenentes onder de titel De wedergekeerden. Dat lukte weinigen. Waar La Disparition in liefst negen andere talen is verschenen (in het Engels zelfs in drie versies) was dat tot voor kort met Les Revenentes slechts in twee talen het geval (Duits en Engels). En nu dus de derde. Je kunt je afvragen of dat iets zegt over de moeilijkheidsgraad van de tekst. Wellicht spreekt de inhoud het publiek minder aan dan die van La Disparition.
    Toch zijn ‘t Manco en De wedergekeerden ook qua thematiek elkaars tegenpolen, zo licht Van de Wiel in zijn voorwoord toe. Hij somt vervolgens tien karakteristieken op die dat illustreren. Ze worden nog eens uitgebreider uiteengezet in twee omvangrijke digitale bestanden waarin hij achtergronden beschrijft en vertaalkeuzes verantwoordt. Deze bestanden kunnen gratis worden gedownload.

    Homofonie

    De wedergekeerden draait om de jacht op juwelen in Exeter, die gepaard gaat met complotten en een gigantische orgie met een opzienbarende rol voor de bisschop. Dat alles verteld met enkel de letter E als klinker. Daarbij veroorloofde Perec – en dus de vertaler – zich enkele inbreuken op zijn zichzelf opgelegde contrainte (iets dat binnen OuLiPo op afspraak geoorloofd is en een clinamen wordt genoemd). Perec neemt bijvoorbeeld vaak zijn toevlucht tot de E bij het gebruik van woorden die een nagenoeg homofone schrijfwijze hebben, hij laat klinkers weg die toch niet worden gehoord of voegt ze juist auditief toe doordat ze impliciet in een medeklinkerklank te horen zijn. Dat is in de Nederlandse vertaling ook toegepast.
    Enkele voorbeelden mogen dat hier verduidelijken, om te beginnen met de titel. Het eigenlijke Franse woord voor teruggekeerden is les revenantes. Het bevat dus een a, maar die gaat vrijwel op in een e-klank. Het Nederlands biedt de vertaler met ‘de wedergekeerden’ juist een perfecte oplossing.

    Q

    Dat is ook het geval met quelques dat door Perec als qelqes wordt gespeld waarvoor we in het Nederlands ‘enkele’ beschikbaar hebben. Op dezelfde manier kan Perec dan weer Evêqe schrijven, waar de Nederlandse vertaler vastloopt met ‘Bisschop’. Het werd bij Van de Wiel ‘Kerkheer’.
    De u kan wegblijven uit ‘sneew’ omdat de klank dan behouden blijft, terwijl de u- klank juist kan worden toegevoegd door de letter q te gebruiken. Perec doet dat in een woord als réQpère en de vertaler in ‘ejeQleerde’
    Veelvuldig wordt in het Nederlands de i een e. Dat gebeurt vooral bij getallen. Het kan moeilijk anders omdat elk getal boven twaalf in het Nederlands een i heeft. Le sept septembre trente-sept wordt dan ‘de zevende september zevenenderteg’. Zelfs waar het er misschien de schijn van heeft dat Van de Wiel zich wel erg veel vrijheid veroorlooft als hij woorden gebruikt als ‘kedneppeng’ voor enlèvement (ontvoering), wijst hij er in zijn verantwoording op dat Perec dat trucje in vergelijkbare vorm toepast als hij seelwettes schrijft in plaats van silhouettes. De vertaler kan hooguit van enig gesmokkel worden beschuldigd als hij klinkerelisie toepast in voorzetsels als ‘op’ en ‘in’.  Maar meer dan een minimaal smetje mag dit niet heten als je zijn enorme totaalprestatie in acht neemt.

    Perec heeft gezegd dat de mooiste zin die hij ooit schreef deze was: Je cherche en même temps l’éternel et l’ephémère. Hij staat in hoofdstuk 13 van Les Revenentes. Van de Wiel vertaalt hem als: ‘’k Wens het permenente en evenzeer het efemere te beleven!’ Perec gebruikte de zin later als motto van hoofdstuk XCIX van Het leven een gebruiksaanwijzing. In de Nederlandse vertaling van die roman werd dat ‘Ik zoek zowel de eeuwigheid als het korte ogenblik’. Dat ging ten koste van de e-formulering. Het is dáárom zo’n prachtige zin omdat hij kernachtig weergeeft hoe gelaagd Perecs taalspellen zijn en hoe onder het vluchtige de diepte van het leven schuilgaat.

     

     

  • Perec kijkend en Perec dromend

    Perec kijkend en Perec dromend

    Na jaren van stilte is de Franse auteur Georges Perec (1936 – 1982) weer helemaal aanwezig in de boekenschappen. Steeds meer niet eerder vertaald werk van hem is in het Nederlands verkrijgbaar. In 2009 was daar, nadat het zes jaar stil was geweest, ineens het bravourestuk van Guido van de Wiel, die de E-loze roman La disparition van Perec in alleszins leesbaar Nederlands presenteerde (’t Manco). Wie in dat jaar één van zijn meest betekenisvolle boeken, W of de jeugdherinnering te pakken wilde krijgen moest er tweedehands woekerprijzen voor betalen. De uitverkochte vertaling van Privé-domein 173 bleek een collectors item te zijn geworden. Tot de Arbeiderspers in 2010 besloot tot een betaalbare heruitgave, via printing on demand. En ineens kwam een nieuwe stroom op gang. Eveneens in 2010 verscheen Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen en in 2014 De condottiere (dat overigens twee jaar eerder pas in Frankrijk was uitgekomen). En nu, in 2017, worden de Perec liefhebbers opnieuw verblijd. Met twee vertalingen zelfs. Kiki Coumans bezorgde Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs en Perec vertaler vanaf het begin Edu Borger, De duistere winkel. 124 dromen.

    Poging
    Ga zitten op een plek en probeer je bewust te zijn van het gewone in je omgeving. Menigeen heeft het misschien wel eens geprobeerd. Perec schreef daadwerkelijk op wat er dan te zien is. Niet eenmalig trouwens. In hetzelfde jaar als de nu verschenen Poging tot… deed hij iets dergelijks in Poging tot inventarisatie van het vloeibare en vaste voedsel dat ik in de loop van het jaar negentienhonderdvierenzeventig door het keelgat heb gejaagd en twee jaar daarna over de voorwerpen die op zijn werktafel lagen. Daarna zou hij het idee nog een paar keer uitvoeren onder andere door een beschrijving op basis van bezoeken aan alle plekken in Parijs waar hij had gewoond of waaraan hij herinneringen had.

    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs is waarschijnlijk het meest interessante van die projecten. Wie leven en werk van Perec niet zo goed kent, zal het wellicht verbazen dat een dergelijke onderneming kan boeien, maar deze Poging is een prachtig stuk literatuur. Soms poëtisch, soms humoristisch en soms persoonlijk. Hij zet je bovendien aan het denken over hoe we kijken en, jawel, welke vooringenomenheid we daarbij hebben.

    Perec ging drie dagen, op 18, 19 en 20 oktober 1974, naar de Place Saint-Sulpice zitten kijken. Dat deed hij vanaf wisselende plekken rond dat plein, bar-tabac Saint-Sulpice (3x), het café de la Mairie (3x) het café La Fontaine (2x) en  een bankje in de zon (1x). Hij zat er steeds ongeveer een uur en pauzeerde daarna. Op een tafeltje of op schoot vellen papier en in zijn hand een pen. Elke ‘zitting’ noteerde hij allereerst het weer; veranderde dat in de loop van het uur dan schreef hij dat op.

    De verschillende rapporten laten zien hoe je onbewust gericht kunt zijn op iets en dus bijna programmatisch kijkt. Zo heeft hij de eerste keer vooral oog voor letters, cijfers, symbolen, kleuren en trajecten van bussen die het plein kruisen. De tekst krijgt daardoor een mooie cadans omdat zijn verbale registraties steeds door nummers van de buslijnen in stukjes worden gedeeld.

    In de tweede zitting zijn zijn thema’s weer anders: groottes van groepjes en groepen mensen, gesprekken tussen hen, manieren van voortbewegen (te voet, per fiets enzovoort) en houdingen (dwalend, zoekend, resoluut, zoekend enzovoort). Hij vraagt zich nu bovendien af hoe volledig zijn waarneming wel is, bijvoorbeeld als hij merkt dat een bromfiets die er pas nog stond, ineens weg blijkt te zijn zonder dat hij dat gezien heeft.

    Anders kijken
    Er gaan in alle zittingen dingen opvallen, waarbij je je als lezer afvraagt of Perec een grapje met je uithaalt. Het aantal ‘appelgroene 2cv’s’ neemt zo’n grote vormen aan dat het komisch gaat werken. Zo verstopt hij meer speelsigheden in zijn verslagjes: in cijfergrapjes zoals ‘…waarvan de vijf bridgespelers er vier drieklaveren zaten te spelen…’ en in ritmische zinnen als ‘Er rijdt een 86 voorbij hij is leeg / Er rijdt een 70 voorbij hij is vol’ en even verder ‘Een vrij lege 70 rijdt voorbij / een bijna volle 63 rijdt voorbij’. Dat blijft zich tijdens deze sessie herhalen.

    Op de tweede en derde dag (een zaterdag en een zondag) gaan veranderingen ten opzichte van de dag ervoor een rol spelen: licht dat anders is, verschillen in bewegingen en drukte. Hij lijkt nu meer te mijmeren dan te kijken. En ook nu weer zijn er de luchtigheden en humor. ‘Een man loopt met zijn neus in de lucht voorbij, / gevolgd door een man die naar de grond kijkt’. Of: ‘…niemand ziet de / bussen ooit langsrijden, behalve als hij zelf op / een bus staat te wachten, of als hij iemand bij  / een bus gaat ophalen, of als hij door de RATP / wordt betaald om ze te tellen’. En: ‘Een klein meisje, omgeven door haar ouders (of / door haar kidnappers) huilt’.

    De notatie hierboven (met slashes van mij; AA) geeft weer hoe Perec zijn waarnemingen bovendien giet in blanke verzen. Misschien koos vertaalster Kiki Coumans daarom wel bewust voor wat strikt genomen een taalfout is (‘aantal’ is eigenlijk enkelvoud) om zo het metrum te kunnen bewaren in:

    De duiven verroeren zich nauwelijks. Toch
    is het moeilijk ze te tellen (200 misschien);
    een aantal zitten op de grond met ingetrokken
    pootjes. Het is tijd voor hun toilet

    Perecs verslag van kijken naar het gewone is boeiende en poëtische literatuur, die soms doet denken aan de compositie 4’33’’ van John Cage, die duidelijk maakte wat er allemaal te horen is als het stil is. Gefluister, gemor, weglopende mensen bij de première in 1952, maar daarna gewaardeerd omdat blijkt dat stilte nooit hetzelfde is. Zoals Perec merkte dat zijn zien nooit hetzelfde was.

    Dromen
    In 1978 schreef Perec in Le Figaro in een essay (opgenomen in Ik ben geboren  dat in 2003 in Nederlandse vertaling – door Rokus Hofstede –  verscheen) dat hij zich in zijn boeken door vier vraagstellingen laat leiden. De eerste is hoe we naar de wereld van alle dag kijken. Daarop probeerde hij antwoorden te vinden in beschrijvingen als het hiervoor besproken Poging tot…, maar ook in Ruimten rondom en De dingen. De tweede vraag is die naar zijn eigen biografie met als bekendste W of de jeugdherinnering. De derde is de speelse variant die uitgaat van zelfgekozen beperkingen (contraintes) om zo de mogelijkheden van taal te ontdekken; dit betreft zijn werk in Oulipo, vergelijkbaar met het Opperlands bij ons. De laatste vraag gaat om het romaneske, waarmee hij experimenteerde in zijn verreweg beroemdste boek Het leven een gebruiksaanwijzing. De grenzen tussen deze vier vraagstellingen zijn overigens nooit star.

    In de tweede categorie, de eigen biografie, past ook het onlangs verschenen De duistere winkel. 124 dromen. Het bevat een zo sec mogelijke beschrijving van dromen van Perec van mei 1968 tot augustus 1972.

    De af en toe depressieve schrijver is verschillende keren onder psychiatrische behandeling geweest en de registratie van zijn dromen zal daar een uitvloeisel van zijn. De droombeschrijvingen volgen op een periode van ongeveer vijf jaar waarin hij vaak verbleef in een kunstenaarscentrum in de Moulin d’Andé in Dampierre. Die molen en de kunstenaars die er verbleven, zoals Niki de Saint Phalle, duiken veelvuldig op.

    Er liggen opvallende tijdsprongen tussen de dromen. Veertig ervan zijn uit de periode mei 1968 tot december 1970 (ruim 2,5 jaar) en liefst achtentwintig (vaak ook langere) uit de eerste vier maanden van 1971. Er ligt een merkwaardige cesuur na december 1970 als hij ineens drie dromen van slechts een paar regels invoegt van een zeker J.L. (waarschijnlijk zijn vriend Jack Lederer).

    Verwijzingen
    Natuurlijk zijn veel dromen lastig te duiden. Wat ze voor de lezer interessant maakt is dat Perec er stilistisch en qua scherpzinnigheid erg in aanwezig is, hoewel hij zich niet begeeft in interpretaties van zijn nachtelijke beelden. Als geheel spiegelen ze zijn moeite om de tijd in Dampierre achter zich te laten, zijn relaties met zijn vrouw Paulette Petras en zijn vriendin Suzanne Lipinska, eigenaresse van de molen van Andé. Maar er zijn ook linken naar zijn boeken. Zo heeft hij een paar keer een angstdroom dat in zijn La Disparition (de roman zonder de letter E) toch E’s zijn ontdekt. Maar de meest bijzondere droom op dit punt is toch wel nummer 46 uit januari 1971. Het is maar een korte beschrijving, die door Perec zelf deels is gecursiveerd (wat wil zeggen dat hij het een ‘bijzonder opmerkelijk element’ vond). Hij begint met: Concentratiekamp in de sneeuw of Wintersport in het kamp. De notitie wijst duidelijk vooruit naar W of de jeugdherinnering, dat in 1975 zou verschijnen.

    In de dromen herkennen we verder de humor en spitsvondigheid van Perec, zoals in de verwijzingen naar de kruiswoordpuzzels die hij bedacht en in het bijzonder in woordspelingen als in droom 103. Hij goochelt daarin in één zin met de dubbele betekenissen van contenance (‘houding’ en ‘inhoud’) en demi (‘half’ en ‘biertje’). Edu Borger vertaalt de zin met: ‘om me een hele houding te geven neem ik een halve inhoud: een pilsje’. Het origineel is gewoon niet te vertalen, stelt Borger in een noot spijtig vast.

    Perec schreef de dromen, zoals gezegd, sec en zonder duidingen uit. Toch deed hij er meer mee. Aan het slot van het boek voegde hij namelijk onder de titel Bakens en Havens een uitgebreide index toe op trefwoorden. Daarin vinden we de (regelmatig terugkerende) zaken waaraan hij kennelijk betekenis hechtte, van ‘achteruit’ tot ‘baard’, van ‘deksel’ tot het getal ‘drie’ en van de kleur ‘rood’ tot ‘sokken’.

     

  • Vakantierubriek 2013 – Adri Altink

    Frankrijk

    Brieven, verloren tijd en taalkunst uit Frankrijk

    Mijn meest romantische herinnering aan Frankrijk is al oud. Ik bezocht het kasteel van Grignan in de Drôme. Naar beneden lopend passeerde ik een boekwinkeltje. Ik kocht er een pocket met een selectie van brieven van Mme de Sévigné aan haar dochter, die in de 17de eeuw op het kasteel woonde. Op een terrasje bij de zacht murmelende fontein in het dorpje, bekroond met een schrijvende Sévigné in brons, begon ik er in te lezen en ik was meteen verkocht. De (soms wel wat te sterke) moederliefde zal zelden intenser verwoord zijn, maar ook het Franse hofleven en de pijn van de afstand die moest worden overbrugd tussen Parijs en Grignan om contact te kunnen hebben met elkaar worden intens voelbaar. Lees niet te snel en proef de zinnen.

    Een paar jaar later verscheen de selectie Brieven in een Nederlandse vertaling van Ben Rekers in de serie Privé-domein van de Arbeiderspers.

    Een omweg leidde tot een verslaving die twee zomers lang zou duren. Het begon met Een avond in hotel Majestic van Richard Davenport-Hines over een ontmoeting tussen de groten uit de kunst op 18 mei 1922 in Parijs. Davenport vermeldt onder andere de anekdote dat Proust en Joyce tijdens de ontmoeting nauwelijks een woord met elkaar wisselden. Stel je voor: de twee grootste literatoren zitten aan tafel en hebben elkaar niets te zeggen!

    Het boek gaf me de duw om eindelijk Op zoek naar de verloren tijd van Proust aan te pakken. Sommige delen las ik in de vertaling van C.N. Lijsen, maar de meeste in die van Thérèse Cornips. Die laatste is het meest aan te bevelen, vind ik. Laat je meedrijven op de lange golvende zinnen en geniet van de scherpe observaties van Proust en zijn humor over gedrag en achterbakse bedoelingen van de mensen. En natuurlijk zijn weidse mijmeringen over de tijd.

    Ik raakte zo van de lectuur in de ban, dat ik nóg meer wilde weten. Wat dat betreft vond ik de biografie Proust van Ghislain de Diesbach wat zwaar op de hand en academisch. Míj nam hij eerder tégen Proust in dan andersom. Wie zich echt wil verdiepen in de structuur en achtergronden kan beter de tijd nemen voor het prachtige hoorcollege van Maarten van Buuren, verschenen op 7 cd’s bij Home Academy (2005).

    Nog nooit Proust gelezen? Begin dan eens met het amusante boekje van Alain de Botton Hoe Proust je leven kan veranderen.

    De schrijver die me het langst in mijn leesleven heeft vergezeld is Georges Perec. Door mijn interesse in de mogelijkheden van taal en cryptiek was ik hem zelfs op de middelbare school al tegen gekomen, maar een ‘vriendschap’ werd het toen nog niet. Dat gebeurde wel, en meteen onweerstaanbaar, toen ik zijn Het leven een gebruiksaanwijzing las. Wat een taalplezier en wat een verborgen lagen. Ik wilde meer, véél meer van hem. Intussen heb ik alles wat ooit van hem in vertaling verscheen gelezen en enkele kleinere uitgaven in het origineel. Daaronder het knappe ’t Manco, de vertaling door Guido van de Wiel van La Disparition, de roman waarin de letter E niet voorkomt. Dat boek is niet alleen een taalkunstje, maar ook een verbeelding van een groot thema in Perecs leven: het gemis van zijn vader en vooral zijn moeder. Voor wie meer wil weten over dat leven kan uitstekend terecht in de heerlijke biografie van David Bellos: Georges Perec. A Life in Words. Had Ghislain de Diesbach maar zó over Proust kunnen schrijven!

    Door Adri Altink