• Man in rood jack

    Man in rood jack

    Eemshaven

    Hoe kan het dat ik van de provincie Groningen nog het rijtje ken en niet alleen de plaatsnamen maar ook de landkaart heb onthouden. De groene kleur van boven, geel daaronder en die vreemde punt rechts naar beneden, die eindigt bij Ter Apel. Rodeschool, hoog in het niemandsland aan het einde van een spoorlijn. Daar was het afgelopen.
    De provincie Groningen was de eerste landkaart die ik leerde, stampen was het. En doordat het de eerste was, heb ik die het meest herhaald, denk ik. Herhalen was dé voorwaarde voor onthouden.
    Sinds kort kan je nog noordelijker met de trein: van Groningen naar Eemshaven. Maar net op de dag dat ik dit wil uitproberen worden bussen ingezet. Ik neem de camper.
    Ik ben geen fan van fabrieken en steenkolencentrales maar ik wil naar de monding van de Eems. De boot naar Borkum vertrekt daar, niet dat ik al plannen heb in die richting maar ik hou van veerboothavens. Net als van vliegvelden. De wachtruimten, de tijd die vertraagd lijkt en de leegte die, ver weg nog, een verwachting in zich draagt. Haastige mensen met rolkoffers als contrast.

    En uur later zie ik het vervreemdende beeld van Eemshaven, zo’n plek waar je niets te zoeken hebt. Een mens komt hier niet voor zijn plezier. Alles wat gewoon is  – drie fietsers met bepakking – lijkt te worden opgeslokt door windturbines en enorme bergen waddenslib. De kolencentrale voor me en vrachtwagens in mijn achteruitkijkspiegel. Bij de eerste afslag kan ik naar rechts, bij Google op bezoek, maar ik vind houvast bij de wegwijzer naar Borkum. Er is maar één weg, lijkt het, die zich in lussen door dit gebied slingert.
    Ineens is daar de rails. Ik rijd er langs en zet bij het nieuwe stationnetje mijn camper neer. Op het gele stootblok staat de naam ‘Rawie’. Op het station van Groningen had ik de trein naar Eemshaven zien staan, Nienke van Hichtum stond erop. Ik herinner me hoe  prachtig Monic Hendrickx de rol van Nienke speelde in de gelijknamige film van Pieter Verhoeff.

     

     

    Naast het station is een trap naar boven met een hek ervoor. Ik trek eraan, onhandig, het klemt, ik ruk, als het zo tegenzit moet ik de Eemsmonding ongezien vaarwel zeggen. Een man met een fluoriscerend jack aan, helpt me. Da’s nieuwigheid, zegt hij. Na een paar treden sta ik boven op de dijk.
    Wat een enorme ruimte, wat een rust. Het waait nauwelijks, de golfslag lijkt getekend met gebogen lijnen als op een houtskoolschets.
    In de verte de kust van Ostfriesland waar ik al was. Af en toe vaart een boot uit. Op de punt van het havenhoofd staat een man in een rood jack. Even later loopt hij mijn kant uit. Zijn schouders wat naar voren, hij is gewend aan tegenwind. Op het moment dat we elkaar passeren groeten we met ‘moin’, net als aan de overkant.
    Als ik naar het water kijk zie ik de rust, als ik me omdraai naar het land heeft alles haast.
    Een boot vaart uit. De man in het rode jack staat stil en kijkt ernaar. Wanneer de boot het havenhoofd voorbij is, loopt hij weer door.
    We passeren elkaar voor de tweede keer.
    ‘Mooi schip,’ zegt hij.
    ‘Ja, ‘n mooi schip,’ zeg ik.
    Als ik weer op de dijk sta, zie ik hem lopen in de verte, en stilstaan als er een boot uit vaart. Hij kijkt. Ik kijk naar hem. Voor het eerst van mijn leven ben ik in Eemshaven. Waarschijnlijk staat hij hier elke dag.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde maar heen en weer springend.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Oogst week 7

    Vissen voor de keizer

    Didier Decoin (1945) is een Franse (scenario)schrijver die in 1977 de Prix Goncourt won voor zijn boek John l’Enfer.
    Van hem is nu bij Meulenhof Vissen voor de keizer verschenen, waar hij twaalf jaar aan werkte en dat in Frankrijk ontvangen is als een meesterwerk.
    ‘Als de visser Katsuro verdrinkt besluit zijn jonge weduwe, de timide en delicate Miyuki, de lange en gevaarlijke reis in zijn plaats te maken. Ze trekt over ­bergen en door dalen, langs gebieden waar de grond trilt van de aardbevingen en ze ontmoet verschillende kleur­rijke figuren die haar van haar pad dreigen te brengen. Van vele kanten loert het gevaar en Miyuki heeft al haar vindingrijkheid nodig – en een zeker geluk – om de gewichtige taak van haar geliefde echtgenoot te volbrengen.’

    ‘Een prachtig geconstrueerde roman (…) sierlijkheid in overvloed, een festival van smaken en geuren, sensuele macht, poëtisch, episch en het komt veel dichterbij dan veel hedendaagse verhalen.’ L’Express

    Vissen voor de keizer
    Auteur: Didier Decoin
    Uitgeverij: J.M. Meulenhoff

    Kleihuid

    Kleihuid is het debuut van Herien Wensink (1977), theaterredacteur bij De Volkskrant.

    Kleihuid speelt zich af in Vlaanderen in 1918. Een Britse officier en een soldaat delen een kamer tijdens hun revalidatieproces. De een heeft fysiek zware verwondingen, met de ander is ogenschijnlijk niets mis maar hij verzet zich tegen zijn verblijf en weigert over zijn frontervaringen te praten. In eerste instantie wordt hun contact getekend door afkeer, maar gaandeweg ontstaat een wederzijdse fascinatie. In de confronterende nabijheid van de ander moeten ze zich leren verzoenen met de schade die de oorlog geestelijk en lichamelijk heeft aangericht.

    Op haar website heeft Wensink reeds verschenen krantenartikelen uit NRC en Volkskrant opgenomen, die de achtergrond schetsen bij het ontstaan van Kleihuid.
    Herien Wensink studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en Algemene Cultuurwetenschappen in Amsterdam en specialiseerde zich in literatuur uit de Eerste Wereldoorlog.

    Kleihuid
    Auteur: Herien Wensink
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Schaduwkust

    In Schaduwkust staan vier generaties Sijpkens centraal en toont schrijfster Ineke Noordhoff hoe zij als boeren de Waddenzee verdrijven en het kustlandschap naar hun hand zetten. De Westpolder, in 1875 aangelegd, staat model voor de inpolderingen langs de Groningse Waddenzee.

    In het voorwoord schrijft Ineke Noordhoff: ‘Wanneer ik naar de dijk ga om te genieten van de Waddenzee bekruipt me onderweg vaak een ongemakkelijk gevoel. Alsof ik daar niet hoor te zijn. Het landschap straalt in eerste instantie een afhoudendheid uit die ik herken van de mensen die er wonen: Groningers kunnen ook afwachtend en afstandelijk zijn. Veel kustboeren hebben eeuwenlang hun bezit uitgebreid door verder in zee dijken te bouwen en land aan te winnen. Dat heeft de bewoners van de streek in de tijd van mijn overgrootvader welvaart en vooruitgang gebracht. In onze tijd heeft de samenleving andere behoeften. Het aangewonnen land waar onze voorouders trots aan ontleenden, vormt nu een barrière: het scheidt de kustdorpen van de Waddenzee. Wie de kuststreek wil openen, moet geduld hebben.’

    […]

    Ik ontleen er – net als mijn overgrootvader destijds – groot plezier aan om in het slikkige kustland te zijn en er te speuren naar verhalen. Steeds weer stuit ik op de wisselwerking tussen mens en natuur. Toen ik Klaas Sijpkens ontmoette, besefte ik hoe hij voortbouwt op het leven van zijn voorouders terwijl het lijkt alsof hij alles anders doet. Zijn overgrootvader Sijpko was gericht op het bedijken van kwelderland terwijl Klaas nu zijn inkomen haalt uit natuurbeheer op de buitendijkse kwelders en het toerisme daaromheen. Beiden leven ze in het kustlandschap van hetgeen de zee brengt, maar hun leven is totaal anders.’

    Ineke Noordhoff is journalist en hoofdredacteur van tijdschrift Noorderbreedte.

     

     

     

     

     

    Schaduwkust
    Auteur: Ineke Noordhoff
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Kindsoldaat

    Van koninklijke bloede of niet, voor de beoordeling van het nieuwe boek van Oscar van den Boogaard, Kindsoldaat, telt alleen de inhoud. Het boek heeft tot nu toe vooral vanwege de vermeende verwantschap met Prins Bernard veel aandacht gekregen, maar inhoudelijk moet het zich nog bewijzen.

    Het boek heeft de ondertitel ‘De ontrafeling van een familiegeschiedenis’ gekregen en gaat over twee voorname Nederlandse families op de grens met Duitsland. Tegen de achtergrond van oorlogen en grote maatschappelijke veranderingen houden zij vast aan de oude wereldorde. Familiekasteel Metternich heeft een Limburgse en een Pruisische poort. Eind 19de eeuw wordt daar de tweeling Nol en Max geboren, die hun jeugd doorbrengen met het buurmeisje Nora. Wanneer aan het begin van de Eerste Wereldoorlog de achttienjarige broers het kasteel ieder door een andere poort verlaten, komen ze aan weerszijden van de geschiedenis terecht.
    De gevolgen van hun keuzes zullen het lot van de volgende generaties bepalen.

    Kindsoldaat
    Auteur: Oscar van den Boogaard
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Literatuur uit de provincie

    Literatuur uit de provincie

    Wie gelooft dat er een kloof bestaat tussen de randstad en het overige deel van Nederland, ook wel ‘de provincie’ genoemd, zal zijn eigen gelijk bevestigd zien als het gaat over uitgevers: ze zijn vrijwel allemaal gevestigd in Amsterdam. Je hebt echter beslist geen zweeftrein nodig om vanuit de hoofdstad een plek als Groningen te bereiken. Na iets meer dan twee uur kan je al uitstappen op het fraaie hoofdstation, tegenover het nog altijd futuristisch ogende museum. Ergens op het einde van dat spoortraject speelt dit boek zich af. De plaats van handeling is een camping in Onnen, gelegen in een landelijke omgeving tussen het Zuidlaardermeer ten oosten en de Drentsche Aa ten westen. In het Gronings volkslied worden deze ‘ommelanden’ beschreven als de gouden rand rondom het ‘Pronkjewail’, de Stad.

    Op genoemde camping staat het langzaam wegroestende hoofdkwartier van het literaire tijdschrift De Karavaan. De vier personages die afwisselend worden opgevoerd in Ergens op het eind, verhouden zich allemaal anders tot de bewuste caravan, dit zieltogend epicentrum van literaire aspiratie. De officiële eigenaar Sipko Baars, tevens mede-oprichter van het tijdschrift, is er al geruime tijd niet geweest. Pas op het moment dat zijn compagnon de boel besluit te verkopen onderneemt hij de treinreis vanuit Amsterdam, wellicht voor het laatst. Kachelhandelaar Folkert Boon lijkt in veel opzichten zijn tegenpool: hij heeft een vaste staanplaats op de camping en is wars van stadse fratsen. De verlopen caravan van zijn buurman is hem een doorn in het oog. En dan hebben we nog Louis van Vuuren, een uitgebluste theatermaker die tevergeefs heeft gepoogd wat sociaal engagement in het literaire gezelschap te brengen, en Hylke Gorters, de natuurdichter wiens schrijfsels altijd per kerende post terugkomen omdat ze niet voldoen aan de basiseis van het tijdschrift, namelijk dat er een relatie moet zijn met reizen of caravans.

    Erik Nieuwenhuis laat zijn karakters in korte hoofdstukken individueel aan het woord komen, telkens vanuit een ik-perspectief. Achter de figuur van Sipko Baars kan waarschijnlijk de schaduw van de auteur zelf worden herkend, die geput heeft uit zijn ervaringen met het tijdschrift Schrijver & Caravan. Pas tegen het einde worden alle vier de personages onvermijdelijk samengebracht, een beproefd concept. De miskende dichter weet de finale ontmoeting treffend in één woord te vatten, maar ook nu wordt hij niet begrepen. Als lezer kan je bijna niet anders dan sympathie voelen voor deze man, die over zijn noeste arbeid zegt: ‘Alles wat ik vraag is een plek om mijn woorden in bewaring te kunnen geven. […] De zinnen van het gemene volk rollen als puin en erts de diepte in. Ik ben degene die de puinhopen onvermoeibaar met een lantarentje doorzoekt. Soms zit er een briljantje tussen.’

    Ergens op het einde is een vakkundig geschreven novelle. Het werkje kwam tot stand in het kader van het Belcampo Stipendium, een tweejaarlijkse schrijfopdracht met als doel het letterenbeleid in Groningen een impuls te geven. Literatuur voor, door en over de provincie. Besproken door een recensent die zich thuis voelt in het Noorden. Op een site waarvan het hoofdkwartier in Amsterdam zit, dat dan weer wel.