• Zo kun je ook opgroeien

    Zo kun je ook opgroeien

    De geschiedenis van het moderne Griekenland is voor veel mensen in Nederland onbekende kost. Bij Griekenland denken wij al gauw aan zonnige stranden, de klassieke oudheid, Athene, de Acropolis en, oh ja, Jeroen Dijsselbloems framing van de Griekse mentaliteit met zijn uitspraak over drank, vrouwen en wanbetaling. Veel verder komen de meeste mensen niet. In zijn boek  Blauwe en rode ziel geeft de Griekse schrijver Periklis Sfyridis een ander, veel genuanceerder beeld van Griekenland. 

    Autobiografisch portret

    Sfyridis schetst een autobiografisch portret van zijn leven tijdens drie cruciale periodes in de Griekse geschiedenis van de twintigste eeuw. Hij vertelt over zijn jeugdjaren. Zijn eerste levensjaren brengt hij door in een opvangkrot voor vluchtelingen aan de rand van Thessaloniki. In 1941 vlucht hij voor de Duitsers naar de familie van zijn vader op het eiland Skyros, dat later dat jaar wordt bezet door de Italianen die er een schrikbewind uitoefenen. Eind mei 1942 keert de familie, door de honger gedreven, terug naar het door de Duitsers bezette Thessaloniki. Na het vertrek van de Duitsers eind 1944 breekt van 1945 tot eind 1949 de burgeroorlog uit tussen de door Engelsen en Amerikanen gesteunde regeringstroepen en de communisten. Zijn leven lang blijft Sfyridis wonen in Thessaloniki. Daar studeert hij tijdens de wederopbouw af als arts en maakt hij de kolonelsdictatuur van 1967-1974 mee. Sfyridis is een rasverteller en geeft aan de hand van tal van liefdevolle portretjes van familieleden een levendig beeld van de gecompliceerde geschiedenis van het moderne Griekenland. 

    Verzetsheld?

    Het boek begint met de terugkomst van zijn oom Iraklis uit het verzet in oktober 1944. Hij wordt als held ontvangen door de 12-jarige Periklis en zijn vrienden. Als Periklis hem vraagt of hij met zijn revolver mag spelen, geeft hij hem deze met de woorden: ‘Hiermee hebben we ze afgeslacht.’ Of hij daarmee doelde op de Duitsers of de Griekse collaborateurs van de anticommunistische Veiligheidsbataljons blijft onduidelijk. Aan het eind van het eerste deel over de bezettingsjaren komt Sfyridis terug op dit voorval. Hij vertelt dat zijn oom hem even later niet toestaat met de revolver te schieten omdat ‘dat geen zaken voor kinderen zijn’. Periklis moet daar een beetje om lachen en zegt dat hij allang geen kind meer is. Hij vertelt Iraklis over het bombardement van de Engelsen aan het eind van de oorlog, de doden en gewonden die daarbij zijn gevallen, over de afrekeningen van de linkse OPLA (de communistische geheime politie) met collaborateurs van de gehate Veiligheidsbataljons, over de meest gruwelijke moordpartijen die zich tijdens de oorlog in zijn buurt hebben afgespeeld. Iraklis zwijgt eventjes en zegt dan: ‘Weet je, zelf heb ik er nog geen kogel mee afgevuurd.’  Als hij kort daarna zijn uniform met de drie sterren definitief aan de wilgen hangt om zijn positie in de burgermaatschappij op het telegraafkantoor veilig te stellen, valt hij als held, in de ogen van de jongen en zijn vrienden, definitief van zijn sokkel. 

    Liefdevolle portretjes in een gepolariseerde wereld

    Door zijn verhaal over de bezettingsjaren zo in te bedden, geeft Sfyridis een liefdevolle, psychologische verdieping aan zijn familieleden. Liefde verdraagt zich immers slecht met heldendom. Bovendien veegt hij daarmee het simplistische beeld van tafel dat er in een oorlog alleen maar helden en verraders zijn, een kinderlijk beeld dat past bij zijn leeftijd in die jaren, maar waar hij later als volwassene, in deze roman, afstand van doet. 

    Naast de pragmatische, linkse Iraklis en zijn liberale vader heeft Periklis ook een communistische oom, Platon. Tijdens de burgeroorlog komt deze in grote problemen en wordt veroordeeld tot de doodstraf. Vooral dankzij Sfyridis’ moeder, zus van Platon, weet hij daaraan te ontkomen. Zoals verreweg de meeste Griekse vrouwen bemoeit zijn moeder zich niet met politiek, maar zij is trouw aan haar familie. Deze ideologische scheidslijnen, door Sfyridis in de titel van zijn boek aangegeven met de kleuren blauw en rood, verdelen na de oorlog de meeste Griekse families. De Koude Oorlog heeft diepe sporen achtergelaten in de Griekse samenleving na de oorlog. De regering diende natuurlijk, op aandringen van de Engelsen en Amerikanen, anticommunistisch te zijn. Zij steunde voor een aanzienlijk deel op de collaborateurs van de Veiligheidsbataljons, die verantwoordelijk waren voor tal van massamoorden tijdens de oorlog. Dit heeft gezorgd voor een endemisch wantrouwen van veel Grieken tegenover elke regering. (Stel je voor dat er in Nederland na de oorlog een regering onder leiding van de NSB zou zijn geweest, gesteund door de geallieerden!) De jaren van de burgeroorlog vormen zo een prelude op het kolonelsregime. 

    Overrompelend, noodzakelijk en verbijsterend

    Blauwe en rode ziel is in zeker opzicht een overrompelend boek over opgroeien in een gevaarlijke wereld, waarin honger en armoede altijd op de loer liggen, waarin het gevaar nooit ver weg is, waarin emoties hoog oplopen, waarin liefde en trouw voor familie en vrienden de enige bakens zijn waarop je kunt bouwen, waarin blauw en rood niet zomaar kleuren zijn, maar merktekens voor vriend of vijand. Mensen worden grotendeels gevormd door hun geschiedenis. Daarom is Blauwe en rode ziel ook een noodzakelijk boek. Het schetst een wereld waarvan de meeste mensen in Nederland geen weet hebben, maar waarover we wel vaak een oordeel hebben. En dan is het ook nog een verbijsterend boek, omdat het raakt aan gebeurtenissen, die grotendeels buiten de horizon van Periklis Sfyridis liggen, maar waarvan hij zich wel bewust is dat die hebben plaatsgevonden in zijn wereld. De uitroeiing van de Joodse gemeenschap van Thessaloniki, die zich afspeelde in een wijk van de stad waar hij nooit kwam en de Klein-Aziatische Catastrofe van 1922 (de verdrijving van alle Grieken uit Turkije), waardoor opa Diamandis verdreven werd uit zijn herenhuis in Constantinopel en als armoedzaaier in een opvangkrot voor vluchtelingen was beland in de periferie van Thessaloniki. 

    Hoewel het verhaal goed geschreven is, dicht op de huid, beeldend en met een liefdevolle kijk op de mensen, is het beslist zinvol dat vertaler en redacteur Hero Hokwerda in het nawoord de Griekse politiek en geschiedenis toelicht en in de tijd plaatst. Het is zeker aan te raden dit nawoord te lezen alvorens aan het eigenlijke verhaal te beginnen.

     

  • Heraklion, een in de tijd gestolde stad

    Heraklion, een in de tijd gestolde stad

    Megálo Kástro
    in naam: een onneembare vesting

    Met deze zin begint een van de scènes in mijn monoloog Er zijn. Toen ik er geboren werd, had Megálo Kástro – Grote Vesting – de muren die in die naam besloten liggen niet meer nodig. Arabieren, Byzantijnen, Venetianen en Turken hielden er in de loop van de geschiedenis huis. Daarna volgde een korte periode van autonomie, maar in het jaar dat ik in de Odis Monis Kardiotissis ter wereld kwam, hoorden stad (Heraklion) en eiland (Kreta) al weer vijftig jaar bij Griekenland.

    Heraklion. Ik ben er geboren, maar kreeg niet de kans er op te groeien. Ik verliet Kreta toen ik een paar maanden oud was en keerde er pas 38 jaar later terug. Zogenaamd als toerist. Met mijn korte broek en bergschoenen hield ik iedereen op afstand.
    De stad duldde mijn omtrekkende bewegingen en voelde hoe ik mij tot haar probeerde te verhouden.
    Ik liep rond, stelde me voor hoe het geweest zou zijn ‘als’, en hoorde er zo toch een beetje bij.
    Na acht dagen verliet ik mijn geboortegrond. In het holst van de nacht kwam ik thuis en eenmaal in slaap droomde ik dat ik een gier was. Een lammergier. Ik had er daar één zien zweven toen ik op de binnenplaats van een klein klooster het eiland in me zat op te nemen.

    Acht dagen is niet genoeg om het stratenplan, de geschiedenis en Heraklion te doorgronden. Acht dagen is net genoeg voor een eerste indruk. Ondanks dat waande ik me onmiddellijk weer daar toen Nikos Kazantzakis – net als ik in Heraklion geboren – me alle hoeken van Grote Vesting liet zien in zijn roman Kapitein Michalis. Terwijl zijn roman in een ver verleden speelt, verbeeldde ik me dat ik precies wist achter welke deuren plannen gesmeed werden en waar de een of de ander zich zat te verbijten. Ik had genoeg gammele panden gezien die in aanmerking kwamen.
    Dat Vita Sackville-West mij in Challenge een imaginair Heraklion voorschotelt, had ik tijdens het lezen ook meteen in de gaten. Haar Heraklion is veel te mondain. Maar wat wil je, ze nam niet de moeite om ter plekke poolshoogte te nemen. Zij verkoos de Mediterranee boven de Levant.

    Dat zij ter hoogte van Heraklion eilanden voor de kust situeert die zich willen losmaken van Kreta, is geografisch gezien onzin, maar het streven naar onafhankelijkheid is een terugkerend thema in de Kretenzische geschiedenis.
    Daar weet Nikos Kazantzakis alles van. In Kapitein Michalis veegt hij een aantal Kretenzische opstanden op één hoop. Het gaat hem niet om de historische loop der dingen. In zijn roman laat hij zien dat Kreta en Grote Vesting in de loop der eeuwen hebben geleden onder de diverse overheersers en dat behoorlijk zat zijn.

    Iedereen heeft recht op haar of zijn beeld van een stad. Het Heraklion dat ik koester, is in de tijd gestold. Dat zij een verleden, heden en toekomst heeft, zegt mij niet zo veel. Die drie dimensies van tijd vloeien voor mij naadloos in elkaar over, en ik loop er hoe dan ook altijd achter de feiten aan.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Kapitein Michalis (Vrijheid of dood)
    – Nikos Kazantzakis (vertaling: Hero Hokwerda)
    Challenge – Vita Sackville-West

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Parijs , Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.