Er zijn mensen die het verlangen hebben een plaats te bezoeken waarover zij lezen in een boek. Een reishonger die ik ook ken. Als jongeman las ik de roman Waterland van de toen nog vrij onbekende auteur Graham Swift. Hij plaatste zijn verhaal in de Fens, een gebied boven Cambridge dat ooit door de Nederlanders is drooggelegd. Het is er plat als een pannenkoek. Hij beschreef deze streek rondom de rivier de Ouse zo mooi dat ik dezelfde zomer nog de fiets pakte om het gebied te doorkruisen op zoek naar plaatsen die in het boek van betekenis waren. Ik zocht de stuw op waar het lijk van Freddy Parr tegen het ijzerwerk bonkte en schuurde. Ik ging ook op zoek naar de lucht van het water, zoals Swift die beschrijft, als kenmerkend voor de Fens: ‘Een koele, slijmerige maar eigenaardig doordringende en nostalgische lucht. Een lucht die half mens is en half vis.’ Ik herkende die geur uit mijn kindertijd in een dorp langs de Bergsche Maas.
In mijn enthousiasme ging ik ook op zoek naar de door mij veronderstelde verblijfplaats van de schrijver in de Fens. Ik had ergens gelezen dat hij in het gebied was gaan wonen om de couleur locale op te snuiven. Ik dacht dat ik wist waar dat geweest moest zijn. Aangekomen op de locatie wist niemand mij iets over Swift te vertellen.
Datzelfde overkwam mij toen ik op zoek ging naar huize Louwhoek, de boerderij in het Gelderse Exel, waar Jeroen Brouwers woonde tussen 1979 en 1991. Ik was in die tijd helemaal gefascineerd door zijn werk en wilde weten in welke biotoop hij zijn prachtige zinnen uit Exelse Testamenten construeerde. Nu wil het geval dat Exel nogal een groot buitengebied heeft waar hier en daar wat losse huizen staan. Huize Louwhoek kon ik niet vinden. Ik raadpleegde een oudere man die voor zijn huis op een bankje zat, voorover leunend op zijn stok: ‘Weet u wellicht waar de schrijver Jeroen Brouwers woont?’ Zijn antwoord was kort en ontluisterend: ‘Jeroen Brouwers, een skriever? Hier? Nooit van eheurd.’
Ooit gehoord van Fanghetto? Tot voor kort zei die naam mij ook niets. Ik kwam de naam van het dorpje tegen in De voorloper waarin Tom Rooduyn het ‘gedurfde leven’ van zijn vader Hans Roduin beschrijft. Dat leven eindigt dramatisch in het ruige gebied rondom dit Italiaanse bergdorpje waar zijn vader een woning had. Zoon Tom maakte Fanghetto voor mij aantrekkelijk door enkele prachtige beschrijvingen, waaronder: ‘Fanghetto lijkt in het strijklicht van de namiddagzon op de bergrug te zijn geboetseerd. Een steenarend zeilt op de zuidenwind bewegingloos boven de vallei. Net als we de hoogte van het dorp bereiken, verdwijnt de zon achter de bergen. Rook van houtvuur kringelt uit de schoorsteen.’ Ik wilde er meteen naartoe, maar heb mijn reis uitgesteld tot volgend voorjaar. Ben benieuwd of iemand daar Hans Roduin zich nog kan herinneren.
Michiel van Diggelen, schrijver van een biografie van Ab Visser (2013) en twee delen van een historische roman over Hendrik Peter Scholte (Uitgeverij IJzer). Samen met Richard Tanke schrijft hij aan een biografie van verzetsman en jodenredder Arnold Douwes. Als columnist schrijft hij maandelijks een column voor Literair Nederland.
Het draait in Hier zijn we, Swifts elfde roman, om drie personages: Jack, spreekstalmeester van een variété, Ronnie, illusionist, en diens assistente Evie. Om de beurt blikken zij terug op hun gezamenlijke verleden.
Het boek begint eind augustus, begin september als ze optreden in het Walpoletheater op de pier van Brighton. Het is 1959, wanneer de televisie opkomt en het variété terugloopt. Het theater zoals Swift het beschrijft, heeft z’n beste tijd gehad. Ronnie en Evie zijn een verloofd stel, Jack heeft wisselende contacten met meisjes van een jaar of achttien, maar vindt Evie ook wel erg leuk.
Herschikking van mensenlevens
Na deze introductie zwenkt de auteur terug in de tijd. Naar 1939, wanneer moeder Agnes afscheid neemt van haar achtjarige zoontje Ronnie Deane. Ze brengt hem op een veilige plaats onder op het platteland, weg van de vele heftige bombardementen waaraan Londen is blootgesteld. Haar man, Sid, zit op een boot op de oceaan. Ronnie had, zo jong als hij was, al ‘het gevoel dat nu hij weggevoerd werd (…) er ook in het algemeen een hardhandige herschikking van mensenlevens gaande was, zelfs zijn identiteit onzeker was geworden’. Een vroegwijze uitspraak voor een achtjarige, maar zulke gevoelens kennen we ook van Nederlandse onderduikkinderen in de Tweede Wereldoorlog. Hiermee snijdt Swift een centraal thema in zijn romans aan, en in deze in het bijzonder.
Ronnie komt terecht in een afgelegen huis dat Evergrene heet, bij een ouder, kinderloos echtpaar, Eric en Penelope Lawrence. ‘Hier (…) begon voor Ronnie zijn nieuwe (zijn echte?) leven’. Het is een leven waarin wordt gespeeld met werkelijkheid en schijn. Was de oorlog niet een soort bedrog? Zou mevrouw Lawrence niet wensen dat hij hun kind was? En wat voor ‘voorstellingen’ gaf meneer Lawrence wel niet?
De echtheid wordt verder vertroebeld, wanneer de Lawrences vertellen dat Ronnies vader op zee wordt vermist. Misschien sliep hij nu, tussen de vissen, denkt Ronnie, weer even kind.
Hocus pocus
Ronnie ontdekt dat meneer Lawrence een begaafd illusionist is. Haast op hetzelfde moment dat hij dit denkt, lopen er vier hagelwitte konijnen door de tuin, als waren ze uit een hoge hoed tevoorschijn gekomen. Maar dat dit zo was, weet Ronnie nog niet; hij houdt ze voor echte konijnen. De gebeurtenis luidt zijn toekomst als illusionist in.
In juni 1945 gaat de inmiddels bijna 15-jarige jongen terug naar Londen. Hij moet het leger in. Hij is weliswaar jong, maar er waren Amerikaanse soldaten die nog jonger waren. De weekenden brengt Ronnie door bij de Lawrences.
Als Eric overlijdt laat hij Ronnie zijn ‘spulletjes’ en een aardige som geld na. Daarvan kan hij een eigen variété beginnen, iemand (Evie) in dienst nemen en betalen.
In de tijd dat Ronnie afwezig is om afscheid te nemen van zijn biologische moeder, die overlijdt, gaat zijn verloofde Evie een verbintenis aan met Jack Robins. Of was het Jack Robinson, zijn eigenlijke en volgens hem te lange naam voor een variétéartiest? ‘Hij was Jack Robinson en hij was het niet. Hij was niet eens Jack Robbins.’
Wanneer Ronnie terugkomt, ziet hij aan Evie’s gezicht dat er wat is gebeurd. Hij past zijn laatste verdwijntruc toe en wordt nooit gevonden. Net zoals zijn vader.
Schijn en werkelijkheid
Het verhaal wordt in eenvoudige woorden en met kleine, terugkerende beelden (een witte zakdoek bijvoorbeeld) als een motief in een muziekstuk verteld, maar daaronder broeit het. Dit open laten van veel dingen, de mysterieuze sfeer, eenvoudige woorden en terugkerende beelden, zijn kenmerkend voor Swifts stijl. We kennen het bijvoorbeeld ook uit diens vorige roman, Moeders zondag (2016). Hier gaat het over een dienstmeisje, een vondeling die haar echte naam niet kent en met een niet al te vastomlijnde identiteit. Zij wordt schrijfster, zoals Ronnie illusionist. Beiden spelen met schijn en werkelijkheid, komen uit een arm milieu en maken een ontwikkeling door. Beiden worden ergens in huis genomen; Ronnie door de Lawrences, het dienstmeisje in een betrekking. Beide verhalen spelen in de moderne tijd, Moeders zondag in 1924, Hier zijn we in 1959.
In deze, door Irving Pardoen fraai vertaalde roman, zijn de soms wat sjabloonachtige metaforen uit Moeders zondag subtieler geworden. Een van de redenen om uit te zien naar Swifts twaalfde roman, in de hoop dat hij zichzelf wéér overtreft in zijn beknoptheid, en in zijn lichte en bedrieglijk eenvoudige stijl vol diepere lagen en betekenissen.
De 81-jarige auteur vanDe vlakte, Gerald Murnane, is op zijn zachtst gezegd een enigmatische figuur. Zo zou hij nooit een computer hebben aangeraakt – dat wil zeggen: hij zou er in ieder geval nooit een manuscript op hebben getypt –, en zou hij nog nooit een voet in een vliegtuig hebben gezet. Hoewel hij oorspronkelijk van katholiek-Ierse afkomst is, woont en verblijft hij al zijn hele leven in Australië. Zijn fictie staat haaks op die persoonlijke werkelijkheid. In zijn romans overstijgt hij juist gebieds- en landsgrenzen. Ondanks of dankzij Murnanes zonderlinge levenshouding werd hij eens ‘de grootste auteur in het Engelse taalgebied (waar de meeste mensen nog nooit van hebben gehoord)’ genoemd (inThe New York Times).De vlakteis een heruitgave, oorspronkelijk in het Engels verschenen in 1982, en bereikt nu voor het eerst een Nederlands lezerspubliek.
InDe vlaktestrijkt een jonge filmmaker neer in Australië, waarmee een wisselwerking tussen werkelijkheid en fictie in gang wordt gezet. De beginzinnen zijn veelzeggend:
‘Twintig jaar geleden, toen ik voor het eerst op de vlakte aankwam, hield ik mijn ogen open. Ik zocht naar iets in het landschap wat leek te wijzen op een diepere betekenis onder het oppervlak.’
Auteur: Gerald Murnane
Uitgeverij: Signatuur
Hier zijn we
Hier zijn we van de Britse schrijver Graham Swift gaat over drie jongeren die in een theater aan de pier van Brighton werken: Evie, Jack en Ronnie. Tegen de achtergrond van een voorspoedig, bruisend zomerseizoen komt de verhouding tussen de drie op scherp te staan. Die relatie tussen het algemene en het persoonlijke komt vaker terug in Swifts werk. Eerder schreef hij de historische novelle Moeders Zondag (Mothering Sunday), die in Nederland lovend werd ontvangen. Daarin speelt de nasleep van de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië een bepalende rol, maar wordt juist ook het particuliere perspectief van hoofdpersonage Jane Fairchild uitgediept in het tijdsbestek van één beslissende dag.
Graham Swift schreef negen romans en schreef daarnaast korte verhalen, gedichten en essays. Hij won de Booker Prize met Last Orders (vertaald als Laatste ronde).
Auteur: Graham Swift
Uitgeverij: De Arbeiderspers
De Parelduiker, Louis Paul Boon
In het nieuwste nummer van De Parelduiker staat Louis Paul Boon (1912-1979), ook wel de ‘Vlaamse Multatuli’ genoemd, centraal. Hij is wijd en zijd bekend dankzij zijn magnum opus De Kapellekensbaan (1953), waarop in 1956 het vervolg Zomer te Ter-Muren verscheen. Boon werd lange tijd getipt als belangrijke kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur. Hij was niet alleen schrijver, ook zijn productie beeldende kunst valt ontzagwekkend te noemen.
Geheel in lijn met het thema van de Boekenweek 2020, ‘Rebellen en dwarsdenkers’, wordt in De Parelduiker Boons rebelse imago binnenstebuiten gekeerd en aan een kritische herziening onderworpen, onder anderen door Boon-kenner Jos Muijres. Hoe kijken we met de kennis van nu naar Louis Paul Boon – wás hij inderdaad een rebel of dwarsdenker, of is dat vooral een rol die hem in retrospectief is toegekend?
Het speelde zich voor een deel af in de Cloud van TivoliVredenburg. Te bereiken met een roltrap zoals je je die ooit voorstelde bij het liedje Roltrap naar de maan van Klein Orkest. Het laatste stuk te voet, traptreden beklimmend met aan een kant een gapende diepte (je zult maar hoogtevrees hebben). Hét literatuurfestival van Utrecht, waar vertalers bevraagd worden naar het hoe en waarom van hun vertaling. Of hoe iemand erbij komt een Nederlands boek in het Catalaans of Estlands te vertalen, zoals Herman Kochs Het diner. Een festival waar schrijvers gevraagd worden naar het hoe en waarom door interviewers die zelf schrijven en/of recensent zijn. Waar films worden vertoond in Filmhuis ’t Hoogt; documentaires over de levens van literaire helden als Konstatin Paustovski en James Baldwin, de schrijver van Go Tell it on the Mountain die in I’m not your Negro, op indringende wijze tot leven word gebracht. Waar literaire prijzen worden uitgereikt, songteksten gekoppeld aan literair werk maar bovenal waar gesproken wordt over boeken en hun schrijvers die – buiten de Nederlandse schrijvers – werden ingevlogen vanuit Engeland, China, Duitsland, Noorwegen en Zweden.
Literaire groupies
Het was de tweede editie van het Internationale Literatuur Festival Utrecht (ILFU). De accommodatie beviel – buiten een enkel zaaltje – niet zo goed als de accommodaties in voorgaande jaren. Daarbij denkend aan de jaren toen het festival nog Ciy2Cities heette en het literaire volk door de straten van locatie naar locatie trok op de hielen gezeten door literaire groupies en leesclubfans. Dat was nog eens wat. De onverwachte ontmoetingen, het rouleren van publiek en schrijvers bleef nu merendeels achterwege. Bezoekers bleven in de stille ruimtes tussen twee zalen (of verdiepingen) hangen of verloor zich in de klanken van een bierfeest – dat niets van doen had met dat waar we voor gekomen waren – en waar je je snel doorheen baande op zoek naar de chemie van het festival.
Er was naar uitgekeken. Hans Bouman die de tweede avond inluidde met een interview met de Engelse schrijver Graham Swift. Een bedachtzaam man die met sonore stem zijn verhaal vertelt, zijn denkwijze. Over Moeders zondag, Mothering Sunday dat het in Engeland van oorsprong een christelijke feestdag was waarop gelovigen terugkeerden naar hun ‘moederkerk’, in de streek waar ze vandaan kwamen. En wat een schrijver zou willen met zijn boeken, over de ontmoeting met de lezer. Swift zegt dat het leven voor iedereen verwarrend is. Hij zegt zich net zo te voelen als zijn lezers, en het lijkt hem goed die verwarring te delen: ‘Auteur; betekent autoriteit. Ik wil geen autoriteit hebben over mijn lezer. Ik zit in hetzelfde schuitje als zij, in dezelfde zee van verwarring. Verhalen vertellen is een soort van navigeren door die zee van verwarring. Waarbij hij uitkomt op het begrip vertrouwen: Áls ik enige autoriteit als schrijver bezit, is dat op het gebied van vertrouwen.‘
Swift kreeg alle ruimte waarin hij bedachtzaam zijn relatie van schrijver met lezers en zijn uitgangspunt als schrijver uiteen zette; niet weerhouden door enige beschroomdheid. De vraag naar het begrip ‘vertrouwen in relatie tot zijn autoriteit als schrijver’ was interessant geweest. Wat kwam was de retorische vraag: U schrijft geen contemporary literatuur? ‘Te journalistisch’, pareerde Swift de vraag. En: ‘Er is geen roman die volledig hedendaags is omdat tijd voorbij gaat: wat je nu schrijft behoort alweer tot het verleden. De reden waarom mensen lezen is dat je het gevoel hebt dat – in welke tijd het ook speelt – je het in het hier en nu beleeft. Ze worden deel van de geschiedenis en alles wat er gebeurt, overkomt hen ook. Lees je het boek opnieuw, dan beleef je het weer.’ Een schrijver die de kunst van het vertellen beheerst in een grote zaal vol publiek met de mythologische naam Pandora. Blauwe spotlights weerspiegelen in de brillenglazen van het publiek en verder alles donker: Swift las ter afsluiting – duidelijk niet vrijwillig – maar op perfecte wijze de eerste bladzijden van zijn Moeders zondag voor. Geen chemie, mooi was het wel.
De kantoorroman
Arjan Peters in een kleinere zaal, Punt zes, met Paulien Cornelissen en de Duitse vertaler – van o.a. Het Bureau van Voskuil – Gerd Busse. Ook hier nieuwe literaire inzichten: heeft de kantoorroman de plaats van de streekroman ingenomen? Peters vraagt aan Cornelissen of louter het gegeven ‘kantoor’ een aanwijsbare invloed van Voskuil is. ‘Het is een aantrekkelijke fictiebiotoop’, volgens Cornelissen. ‘Vroeger zat je vast in je streek, in je buurt en had je de streekroman. Het is fijn te schrijven over een biotoop waar alles op elkaar zit. Neem toren C, The Office.’ Cornelissen las Voskuil toen ze twintig was, het was een eye opener voor haar. Ze hield niet van de boeken die op de leeslijst stonden, te saai en stom. Tot ze Het Bureau las. Het gesprek neemt geregeld een vrije vlucht, als Cornelissen het vragen stellen overneemt. Bevrijdend, soms hilarisch en Peters voedt het met opmerkingen als, ‘Nee, nee, ga je gang.’ Er komen dingen uit voort. Denk maar eens na over de vraag waarom Voskuil zijn alter ego Maarten, de achternaam ‘Koning’ gaf.
Gerd Busse kreeg in 1998 het eerste deel te leen van een vriend. Hij verbleef in een vertalershuis in Amsterdam, las het in bed en was verslaafd. Hij moest dit vertalen en zocht naarstig naar een uitgever. Het duurde 13 jaar voor hij die vond. Nu wordt Voskuil in Duitsland gelezen als een filosofisch werk en achtten ze hem Nobelprijs waardig.
Cornelissen vertelt waarom Voskuil haar zo bevalt: ‘Alles klopt; wie en hoe degene is in het boek.’ Ze zegt gevoelig te zijn voor dingen die niet kloppen. Als een vrouw bijvoorbeeld over haar slipje spreekt, is Cornelissen er al klaar mee. ‘Maar wat is het dan?’, vraagt Peters. ‘Nou’, zegt Cornelissen, ‘de meeste vrouwen hebben het over onderbroek.’ Ah’, zegt Arjan, ‘leerzame avond’. Zelfs door het geroezemoes en de luide muziek van het bierfeest – dat door de glazen wanden heen dringt (hoe kan dat?) – op de achtergrond, kan dit interview niet stuk. Na afloop signeren, waarbij aangeschoven wordt. Ze vraagt of ik Sandra Koenders ken. Dat ik haar aan Sandra Koenders doe denken. Ik zeg er geen match mee te hebben. Ze lacht en dacht, nou ja.
Enthousiasme
Er is een gesprek met twee schrijfsters waarbij de interviewster zo oprecht enthousiast is dat ze de schrijfsters bijna het interview uitpraat. Ze springt erin (uit enthousiasme) als moet ze alles uit de doeken doen, niets vergeten. Waarbij ze (door haar enthousiasme) de auteurs vergeet te verwelkomen en praat de eerste minuten alleen maar over de inhoud van Gif, van Samanta Schweblin. Wanneer deze het woord krijgt, groet ze eerst de zaal: ‘Dit is mijn eerste interview in het Engels, wat moet ik zeggen…?‘ De interviewster is gewoon van zichzelf zo leuk (echt, ze is leuk) en enthousiast (je moet om haar lachen, ze graaft en ploegt zich door de materie), maar je hoort geen schrijvers, ze doen hun best maar vallen weg. Dan verder, naar de volgende ronde, en komt opnieuw in zaal Pandora.
Carson McCullem en Suzanne Vega
Daar zit Vrouwkje Tuinman in een van haar immer vrolijke jurken, en tegenover haar Suzanne Vega van Luka, waarnaar vroeger geluisterd werd als werd er een literaire romance voorgelezen: My name is Luka//I live on the second floor / I live upstairs from you / Yes I think you’ve seen me before.
Vega’s uiterlijk doet beseffen dat je zelf ook niet meer de jongste bent. Tuinman is goed in een gesprek voeren en Vega een sympathieke partner daarin. De verbindende factor is schrijfster Carson McCullers (1917-1967). Vega, die sinds haar tienerjaren door haar gegrepen werd, schreef een muzikale eenakter over McCullem waarin ze zelf de hoofdrol vertolkte. De liedjes daaruit zijn uitgebracht op cd: Lover, Beloved. Ze zong het nummer Harper Lee (haar stem, haar stem!, maar er was iets met de geluidsinstallatie waardoor er teveel geslist en ge-tsstt werd) en speelde dat ze McCullem was, nam een sigaret in haar rechterhand. Je wilde blijven maar er was een laatste trein te halen naar het oosten.
De laatste dag
’s Middags in ’tHoogt voor I’m not your Negro, je wist waar je naar ging kijken, toen je keek wist je niet wat je zag. James Baldwin die steeds weer de vinger legde op de plek waar het schuurde, nog steeds schuurt. Een film die niet gemist mag worden. ’s Avonds in Cloud Nine – die roltrap naar de maan en de open smalle trappen – zes genomineerden voor het C.C. Crone stipendium. Drie wonnen er waaronder Gerda Blees, die een belofte wordt genoemd om haar verhalenbundel en nu voor een dichtbundel het stipendium kreeg. Een Utrecht-stads gebeuren. Met wethouder en Nacht van poëzie initieerder. Het was feestelijk en Michael Stoker interviewde de een na de andere genomineerde alsof hij ze in de wandelgangen tegenkwam, een hart onder riem stekend, bewondering uitsprekend, prikkelend en bemoedigend.
Klein en groot podium
Theo Hakkert in gesprek met Marja Pruis en Nelleke Noordervliet waar een handvol publiek op afkomt, alsof het niet in het programmaboekje vermeld stond. De schrijfsters, de interviewer en het gesprek verdienden een volle zaal. Hakkert stelde vragen over de wanhoop van de schrijver als er een oordeel wordt geveld over het gepubliceerde boek. En hoe een boek verdwijnt als het af is. En waar een biografie goed voor is.
Weer later Abdel Kader Benali en de Georgische schrijfster (wonend in Duitsland) Nino Haratischwili over haar 1300 pagina’s tellende boek Het achtste leven. Er werd niet veel losgemaakt over de drijfveren van de schrijfster, het kabbelde op een podium te groot voor twee, de ruimte donker en gesloten (waar is de uitgang?). Het werd niet boeiender dan dat Benali haar ondervroeg over de verschillende personages waarbij het gesproken Engels niet vanzelf ging. Aan het einde van het gesprek werd het lichtelijk precair, alsof de interviewer er het hele gesprek op gewacht had deze vraag te mogen stellen: ‘Je hebt een kind bij je toch?’ ‘Ja,’ zei de schrijfster. ‘Hoe oud is ze?’ ‘Vier maanden.’ ‘Och,’ zei Benali en je zag hem zichzelf inhouden. Hoe hij niet zei: ‘Ik heb ook een dochtertje.’ Je zag het geluk van hem afbarsten maar hij glimlachte, zwijgend en wetende. Geluk is een hardnekkige rivaal.
Toen moesten The Joni Mitchell Stories nog komen, met Mathilde Santing, Ingmar Heytze, Jordi Lammers en Nelleke Noordervliet. Daar was ook naar uitgezien, maar ach, die laatste treinen in de nacht, die wachtten niet. Zo kwam er een (onvoltooid) einde aan een veelomvattend festival in Utrecht, Stad van de Literatuur.
Foto’s: Michael Kooren
Foto Graham Swift: Liliane Waanders