• Vrouw met woordhonger

    Vrouw met woordhonger

    Je moest ergens heen, er was een afspraak , dan toch treuzel je. Hoezo? De man wachtte al in de auto. Je was uitgehongerd (ontbijt was erbij ingeschoten). Maar je hebt het over woordhonger, dat bestaat, net als huidhonger. Je was dus begonnen aan De Parelduiker, die je stukje bij beetje verorberde en de man wachtte. Je begon aan ‘Een schielijke oplichter? – Over de betekenis van Bertus Swaanswijks oorlogsbrieven, (de latere Lucebert) door Graa Boomsma. Lucebert die eens zulke mooie brieven wisselde met Frieda Koch, de vrouw van Bert Schierbeek. Maar in zijn jonge jaren geloofde (en liet dat weten in zijn brieven) in de Duitse bezetters. Boomsma vraagt zich af of het bijvoorbeeld werkelijk zo was dat de latere kunstenaar en dichter in de zomer van 1942 met vrienden een bijeenkomst van het Nationaalsocialistisch Studentenfront bezocht. En waarom schreef hij in een bief aan een vriendin zo neerbuigend over Joden, omdat de vriendin pro Duits was?  Er is sprake van ‘knielzuchtige momenten’, als zijnde onderdanig, met alle winden meewaaiend. Er is sprake van een labiel karakter. Boomsma onderzoekt de omgeving waarin Swaanswijk opgroeide, de vrienden, alles wat invloed heeft op een labiele jongeman. Hoe de beweegredenen van een 16/17-jarige jongeman te begrijpen? Lees het, en je ontdekt dat het niet zo eenduidig is, of toch weer wel.

    Toen moest je echt gaan, de man in de auto enzo. Snel bladerde je nog door, naar de rubriek ‘In gesprek met de vorigen’ waarin jonge schrijvers vertellen over welke schrijvers hen zijn voorgegaan, wie zij bewonderden, door wie zij het lezen lief kregen. Je leest als een hongerige veelvraat. Weten hoe schrijvers aan het schrijven raakten, wie ze op een spoor zette. Deze keer is het Luuk Imhann (Thomas Heerma van Voss, Julie Ignacio – hè, het is toch Julien? – Alma Mathijssen en Merijn de Boer gingen hem voor in deze rubriek) die over zijn voorgangers schrijft. ‘De wereld was al oud toen ik geboren werd, in de herfst van 1986, in het bed van mijn ouders in een klein dorp in het Westland. Ik wist natuurlijk niet hoe oud de wereld was en ik ontdekte alles voor het eerst.’, begint Imhann.

    En daar ga je, het tijdschrift mee de auto in. Er is haast (kans op te laat komen door vrouw met onbedwingbare woordhonger). Maar dat interesseert je niet. Imhanns leren aan literatuur wel. Hoe Vestdijk, Haasse, de grote drie, De avonden van Reve hem niet konden bekoren (gewoon toegeven), en dan eindelijk via Campert en Slauerhoff het te pakken krijgt. ‘Campert was mijn startschot.’ En later Slauerhoff, die hem verder hielp de vaderlandse literatuur te ontdekken. Hoe hij zich een weg zocht door de Nederlandse literatuur, die lijn van voorgaande schrijvers  ontdekte. Hij schrijft, ‘Zie je, je kunt schrijvers in twee categorieën opdelen: zij die zich bewust zijn van de schrijvers die hen voorgingen of zij die denken uniek te zijn, alsof de (literaire) geschiedenis begon met hun geboorte. En daar maakt hij een prachtige vergelijking met de zalm, die al millennia met duizenden de rivier opzwemmen. ‘Ze volgen hun blinde intuïtie om terecht te komen op een plek waar hun ouders al waren. Een reis naar de plek waar ze vandaan kwamen.’

    En lees dan ook ‘Stichter Luc Coorevits blikt terug op veertig jaar literair ondernemen’, een interview met Coorevits door Martine Cuyt. Samen met zijn vrouw Marianne Janssen stichtte Coorevits in 1984 ‘Behoud de Begeerte’, kunstencentrum voor literatuur. Vraag: ‘Waar en wanneer viel u voor literatuur op het podium?”
    Antwoord: ‘De coup de foudre was in 1983, Nacht van de Poëzie, Utrecht. Hugo Claus las zijn “Jan de Lichte” zo majestueus en bezwerend dat ik voorgoed in de ban kwam van schrijvers die uit eigen werk lezen.’ Prachtige verhalen uit veertig jaar aan schrijvers een podium bieden.
    Neem het in memoriam ‘Nergens bang voor geweest’ aan Lisette Lewin (1939-2024) door Vic van de Reijt nog even mee. Hoe Lewin ooit bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar kwam. Over haar oeuvre en haar overlijden in het Sarphatihuis, waar ze op een ‘verborgen’ kamertje lag, ‘met de stukgelezen exemplaren van Tsjechov en Carmiggelt naast haar bed’.
    En er is meer. De Parelduiker heeft altijd meer te bieden dan je denkt aan te kunnen. Voor een woordhongerige zijn dat beslist geen parels  voor de zwijnen. Lees De Parelduiker!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.

     

     

     

  • Oogst week 23 – 2021

    Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek

    ‘Niemand is waterdicht’, de regel van Bert Schierbeek, sierde in 2002 al eens het omslag van een boekje van Karin Evers over de jonge dichter en het literaire experiment. Nu is het ook de titel van ‘de’ grote biografie door Graa Boomsma. De titel ‘Keizer der Vijftigers’ komt alleen Lucebert toe, maar Schierbeek was er ook een voorman van. Hij was lang met Lucebert bevriend en Schierbeeks huis in Amsterdam was volgens Boomsma ‘een zoete inval’ voor de groep dichters. Lucebert noemde Schierbeek eens ‘de gewiekste waterrat met klompen aan en een goddelijke misthoorn in het achterhoofd’. Boomsma haalt deze waterrat in zijn Niemand is waterdicht uit de schaduw van Lucebert en andere Vijftigers.

    Tegelijk met de biografie wordt een opgefriste herdruk van Schierbeeks Het boek Ik uit 1951 uitgegeven.

    Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek
    Auteur: Graa Boomsma
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh

    Een biografie waarnaar al lang werd uitgekeken is Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh. Lieneke Frerichs werkte er 25 jaar aan. De Neerlandica schreef haar proefschrift over de ontstaansgeschiedenis van Nescio’s De uitvreter. Dat een biografie zo lang uitbleef had onder meer te maken met de terughoudendheid van de dochters Miep en Nel Grönloh als het ging om de openbaarmaking van het persoonlijke leven van hun vader.

    In verschillende interviews naar aanleiding van haar publicatie zei ze onder andere: ‘Dat hij zo worstelde met het bestaan, dat wist ik niet’ (de Volkskrant) en ‘Ik vond dat zo’n ontdekking: hoe Nescio eigenlijk altijd over zichzelf schreef. In later jaren doet hij een poging om zijn levensgeschiedenis te schrijven. Hij zet dat woord tussen aanhalingstekens en zegt dat zijn ware “ik” in zijn werk te vinden is.’ (NRC Handelsblad).

    Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh
    Auteur: Lineke Frerichs
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Het woord en het beeld

    Toen Jacq Vogelaar in 2006 zijn omvangrijke essay Over kampliteratuur publiceerde, was zijn grootste wens om een bibliotheek op te zetten waarin alle oorlogs- en kampliteratuur wereldwijd in het Nederlands zou worden opgenomen. Vogelaar (overleden in 2013) heeft zo’n bibliotheek niet meer mee mogen maken.

    Toch is er nu een bescheiden begin gemaakt met de verschijning van Het woord en het beeld, een essay van Henk Pröpper. Het is het eerste deel van ‘De literaire getuige. Verhalen van de Holocaust’, een reeks  waarin jaarlijks een essayistisch of literair werk verschijnt waarin de Holocaust centraal staat. Het boekje van 40 pagina’s gaat in op zowel het boek als de film Shoah en zoekt naar een antwoord op de vraag of de Holocaust wel in beeld en taal te vatten is.

    Het woord en het beeld
    Auteur: Henk Pröpper
    Uitgeverij: Tijdschrift Terras
  • De liefde

    De liefde

    Ach, de liefde, de zoete verwarrende liefde die kind noch kraai veelt. Het trof me zondag toen ik de nieuwe Parelduiker opensloeg. Buiten de geur van omgespitte aarde, in de keuken lagen twintig tuinbonen in een bakje water te ontkiemen. En daar was Frieda Koch, een mooie wat gesloten vrouw, strakke neus, golvend haar, een vrouw om verliefd op te worden. Terwijl ik over haar lees, foto’s bekijk, groeit een verlangen daar naast haar te lopen, haar van opzij gade te slaan. Het overkomt me wel eens, op afstand verliefd worden op een gebaar, een houding, een verhaal. Frieda is keramiste, ze heeft begeesterde handen, op het voorplat draait ze uit vochtige klei een vaas (die handen!). Ze is met Bert Schierbeek en hun twee kinderen als ze in 1950 verliefd wordt op Lucebert. Er vormt zich een ménage a trois, liefde in vrijheid. Wat niet lukte, het werd een gevecht, jaloezie van beide heren maakte het tot een ondoenlijke affaire. Als in 1951 de relatie op zijn einde loopt, gaat Frieda voor enkele weken naar Parijs.

    Ze schrijft Lucebert, ‘Als wij dus een ménage à trois zouden hebben, zou Bert aan mij absoluut niet mogen merken, dat ik meer om jou geef dan om hem en met dat geven om bedoel ik dan alles wat jij voor mij betekent. Ik zou die rol dan goed moeten vervullen (…)’. In het huis aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam waar ze allen wonen, heeft Frieda haar atelier. Ze overweegt Schierbeek te verlaten om bij Lucebert te zijn, maar blijft.

    Ik wil haar los van die mannen zien. Als ze in Parijs verblijft, zie ik haar aan een cafétafeltje brievenschrijven. Met Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy bezoekt ze de schilder Corneille in de rue Santeuil. Ik zie haar door de stad lopen, op een bankje in het park leest ze Nabokovs Laughter in the dark, koopt oude ansichtkaarten voor haar collectie thuis. En schrijft Lucebert, ‘In de liefde ben je zoals ik mij de liefde voorgesteld heb toen ik nog maar een klein meisje was. Daarom word ik nooit een mevrouw omdat ik deze dromen nooit vergeten heb (…)’.
    Ik zie een  vrouw die zich niet vast wil leggen. Ze schrijft, ‘(…) wel weet ik, dat ik toch nooit de poëzie van de minnaar op zal geven, wat de wereld ook zegt of doet, dat kan ik eenvoudig niet, omdat ik niet zo ben.’ Haar verzet tegen een burgerleven neemt me volledig voor haar in. Ach, de liefde, De Parelduiker, het vervoert me. 

    Over het bezoek aan Corneille schreef Frieda nog, ‘Hij is wel aardig en hij maakt mooie dingen. Bij zulke mensen merk ik dat Rudy toch wel een beetje een kleine snob is. Hij kocht een schilderij van Corneille en dong af op de prijs en hij kreeg het ook goedkoper. Daar hou ik helemaal niet van.’

    In de middag komt de zon door, op Spotify zingt Leonard Cohen ‘Dancing to the end of love / Lala lalalala lala / to the end of love…’, is het tijd voor een glas wijn.

     

     

    Graa Boomsma Boomsma werkt aan de biografie van Bert Schierbeek die op 9 juni 2021 zal verschijnen bij De Bezige Bij.
    De Parelduiker / Eindredactie Hein Aalders / Uitgever Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, wordt soms verliefd op een verhaal, een ver weg figuur.

     

  • Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    In deze tweede editie (2019) van De Parelduiker een bijdrage over de oorlogsjaren van Bert Schierbeek door Graa Boomsma, auteur, criticus, schrijfdocent en biograaf van Schierbeek. Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers en was schrijver van romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten. Zijn boek, Het boek Ik (1951), wordt wel beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek.

    Tot zijn verrassing vond Boomsma in het Literatuurmuseum de oorlogsdagboeken van Schierbeek die vanaf april 1942 de illegaliteit in ging. Boomsma meent dat het verhaal over de Vijftigers, ‘stuk voor stuk getekend door de Tweede Wereldoorlog’ nog steeds niet volledig verteld is. Hierbij ook denkend aan de literaire rel in 2017 die ontstond nadat Wim Hazeu (biograaf Lucebert) ontdekte dat Lucebert zich in 1943 vrijwillig voor de Arbeidsinzet in Duitsland meldde en zich in zijn brieven antisemitisch uitliet.

    In het jaar dat Schierbeek in het verzet ging, meldden twee jongens van zeventien en achttien jaar (de latere Hans Andreus en Lucebert) zich bij de Duitsers: ‘De hopeloos verdwaalde jongens meenden zich te moeten melden voor het Oostfront,’ schrijft Boomsma. In 1948 raken Schierbeek en Lucebert bevriend met elkaar. Schierbeek die wist dat Lucebert de kant van de bezetter had gekozen, zei daar later over: ‘Lucebert stond heel anders in de oorlog’. Wat een fijne nuancering was van een verkeerde keuze maken.

    Schrijver door de oorlog

    De titel van de te verwachten biografie, Niemand is waterdicht komt van  een uitspraak van Schierbeek in zijn dagboeken. Hij schrijft over het moment dat leden van zijn verzetsgroep worden opgepakt en hij moet onderduiken, omdat: ‘Niemand is waterdicht, als de duimschroeven worden aangedraaid kan de grootste held doorslaan.’ Boomsma schrijft dat Schierbeek zonder de oorlog waarschijnlijk geen schrijver zou zijn geworden. Het fusilleren van negentien verzetslieden uit zijn groep, was de directe aanleiding een roman te schrijven. In iets meer dan een half jaar schrijft Schierbeek een roman die in de herfst van dat jaar wordt uitgegeven: Terreur tegen terreur. ‘(…) een traditionele roman in de geest van André Malraux en Du Perron, [die] laat zien hoe goed Bert was ingevoerd in het Amsterdamse verzet en de geallieerde oorlog tegen Duitsland.’
    Het fijn geschreven stuk is rijkelijk geillustreerd met beeldmateriaal uit het leven van Schierbeek. Een biografie om naar uit te kijken.

    Portret Anton Bakels

    Een ander biografisch project is gewijd aan de anarchist en uitgever Anton Bakels door de in Canada woonachtige Bart De Cort. Anton Bakels (1989-1964) behoorde tot de groep Amsterdamse bohème en was uitgever. Hij kende vele kunstenaars en schrijvers waaronder Joseph Roth. Een man die met zijn conversatie het vermogen had ‘om een havenkroeg om te toveren tot een literair café.’ Volgens De Cort een man die gedoemd was uit de literaire geschiedenisboeken te blijven, deels dankzij zichzelf omdat hij nooit op de voorgrond trad, maar die een leven leidde dat interessant genoeg was om een biografisch portret aan te wijden.

    Essay vanuit Praag

    Van Chrétien Breukers een essay over Praag waar de schrijver sinds 2017 woonachtig is. Een essay over de Tsjechische cultuur, zichzelf, Kafka en de Tsjechische schrijver, en in Nederland vrijwel onbekende, Paul Leppin (1878-1945). Breukers’ kennismaking met Praag die hij voor hij er ging wonen ‘Met de moeder van mijn dochters […] al een keer of acht [had] bezocht’ voert door de literaire cultuur, langs Duitstalige schrijvers, en zijn eigen veroveringen en ontdekkingen van de stad. Uitkomend bij Paul Leppin, een ‘intercultureel’ schrijft Breukers. ‘Daarom heeft hij natuurlijk heel veel geleden: wie bij verschillende groepen hoort, is nergens thuis.’ Praag leren kennen aan de hand van het essay van Breukers is een interessante kennismaking met de stad en zijn Duitstalige schrijvers, en met de schrijver zelf.
    Verder in deze editie onder meer een teruggevonden verslag van Gerard van het Reve uit 1946 over het Tegelse Passiespel, bezorgd door Niels Bokhove. In de rubrieken  ‘Laagwater’ Wat las Juliana? door Marco Entrop en ‘De Laatste Pagina’ over Peter van Gestel, 1937-2019 door Paul Arnoldussen.
    Voor wie zich om de literatuur bekommert en het huidige literaire beeld gespiegeld wil zien aan het rijke literaire verleden doet er goed aan De Parelduiker te lezen.

     

  • Mooie ontledingen van Alberts werk die aansluiten op zijn levensverhaal

    Mooie ontledingen van Alberts werk die aansluiten op zijn levensverhaal

    A. Alberts (1911-1995) staat bekend als een schrijver die geen woord te veel op papier zette en terughoudend was met mededelingen over zichzelf, ook in interviews. Toch is zijn werk intiem en ontroerend voor wie ontvankelijk is voor wat hij (veelzeggend) verzwijgt. Graa Boomsma heeft in de biografie over Alberts het grote leed blootgelegd dat in een verhalenbundel als De eilanden en in een roman als De vergaderzaal schuilt. Twee traumatische ervaringen liggen volgens de biograaf aan de wortels van Alberts schrijverschap: de ervaringen in een Japans interneringskamp en de beëindiging van een liaison eind jaren dertig in Parijs met de Nederlandse Liesbeth Dobbelmann.

    Schrijven uit heimwee
    Dit stemde Alberts weemoedig en nostalgisch. Niets blijft, alles moet plaatsmaken voor een wereld waarin het oude en vertrouwde onherkenbaar wordt. Als wetenschapsjournalist en verhalend prozaïst prefereerde Alberts de historie, in het bijzonder de koloniale tijd in Nederlands-Indië. Hij haalde het verlorene terug. ‘Heimwee was de enige zekerheid waaruit Alberts putte,’ stelt Boomsma vast. ‘Heimwee is weemoed, rust, gelatenheid, stilte, onontkoombaarheid.’

    Alberts was van huis uit historicus, maar niet als zodanig opgeleid. Hij studeerde indologie en promoveerde kort voor de oorlog op het proefschrift Baud en Thorbecke 1847-1851 met Baud als gouverneur-generaal en minister van koloniën het middelpunt. Overigens wees Alberts in talloze artikelen in De Groene Amsterdammer en een boek als Een kolonie is ook maar een mens het optreden van de Nederlanders in de Oost af. Soekarno loofde hij ondanks de heersende aversie in het naoorlogse Nederland tegen diens vrijheidstreven. Het kwam het weekblad op een enorme uittocht van abonnees te staan!

    Afscheid van een tijdperk
    In de Indische maatschappij waar Alberts na zijn promotie als bestuursambtenaar terecht was gekomen, had hij aan den lijve ondervonden dat een eeuwenlang tijdperk ten einde liep. Dit was onvermijdelijk en rechtvaardig. Maar evenals de vele Nederlanders met een langere staat van dienst in Indonesië raakte Alberts na thuiskomst niet los van de tropenjaren waarin hij zich ‘een prins’ had gewaand maar ook onteerd en geschoffeerd was.

    Zijn smart kon hij moeilijk delen met vrienden en zeker niet met vreemden, behalve dan met de goede verstaanders van zijn boeken. Zijn werk werd herdrukt maar kreeg niet de geringste lof zoals de P.C. Hooftprijs. Openbare optredens – die de roem van hem vergde – gingen hem moeilijk af, vooral als er te persoonlijke vragen werden voorgelegd.

    Schrijven had hij fulltime willen doen, in groter afzondering dan op zijn kamer bij De Groene, ‘creatiever’ ook dan als medewerker van dit blad. Meer nog kwam zijn eigenlijke roeping in het gedrang in de beter betaalde ambtenarenfuncties van secretaris bij een Instituut voor internationale culturele betrekkingen en als referendaris bij een ministerie.
    Geen wonder dat Alberts in zijn niet-literaire schrijverij, in zijn teksten ‘uit noodzaak’, de artiest liet meespreken. Tot die geschriften behoren zowel het merendeel van de stukken voor De Groene als zijn allereerste boek, het proefschrift Baud en Thorbecke 1847-1851. In dit werk, toont Boomsma aan, onttrok Alberts ‘af en toe wetenschappelijke verantwoorde bronnen aan het zicht’. Zo beschouwd, constateert de biograaf heel juist, is die dissertatie een dubbeldebuut: van de schrijver Alberts en van de historicus Alberts.

    Aansluiting werk en leven
    In het dagelijks leven, tussen medejournalisten bij De Groene en collega-ambtenaren, en vooral na zijn pensionering stelde hij zich zo weinig mogelijk op de voorgrond. Ouder wordend moest hij het overmatig alcoholgebruik dat de scherpe randen van zijn bestaan had afgehaald vanwege gezondheidsproblemen vaarwel zeggen. In zijn landelijk gelegen huis in Blaricum leefde hij met zijn vrouw (hun huwelijk was kinderloos) bijna letterlijk ‘op de rand’. Hij schreef, dixit Boomsma, over ‘de mens als eiland die soms een ander, gelijkgestemd eiland tegenkomt en dan even blij en dus rijk is.’
    Waardoor is Alberts geworden zoals hij is? Deze vraag is cruciaal voor een biografie. Zonder een te uitputtende of te summiere onderbouwing geeft Boomsma een antwoord. Geslaagd is Leven op de rand ook door de ontledingen van Alberts’ werk die aansluiten bij het vertelde levensverhaal.

    Twijfelachtig is overigens of de afgebroken verkering met Liesbeth Dobbelmann net zo ingrijpend is geweest in het leven van Alberts als de Japanse internering. Lijnen vanuit de jeugd trekt Boomsma veel scherper door naar het latere leven, bij voorbeeld de destijds gewekte belangstelling voor geschiedenis en die voor bomen, bossen en eilanden, ook als literair motief.
    Zelden lijden de analyses onder wijdlopigheid of vergaande beknoptheid. Het navertellen van de inhoud van teksten echter geschiedt al te uitvoerig. Merkwaardige paradox in een boek over een met woorden zuinige auteur…
    Ook wijdt de biograaf uit over de historische of politieke achtergrond van waaruit Alberts heeft geschreven. Detail na detail wordt geëtaleerd en zelfs details bij details. Het zijn vermoeiende delen in Leven op de rand maar niet echt vervelend. Op het nippertje worden ze door Boomsma’s fraaie stijl gered.

     

     

  • De Multatuli’s van Amerika – Graa Boomsma

    Gesignaleerd door de redactie

    Wat in Amerika gebeurt, heeft grote gevolgen voor hier. Amerika blijft de bakermat van een dynamische en open samenleving, hoezeer de democratie er ook kreunt en kraakt. Daar kijkt niemand ervan op dat schrijvers maatschappelijke mankementen becommentariëren, verbeelden en zich erover opwinden – de literatuur leeft niet in een reservaat. Als de vrijheid gevaar loopt verloedert de taal, en andersom.

    Waarom de VS wél ‘multatulianen’ heeft
    Op basis van een indrukwekkende hoeveelheid kennis onderzoekt Graa Boomsma in De Multatuli’s van Amerika de kracht van The Great American Novel – vanaf Henry Thoreau, John Dos Passos en F. Scott Fitzgerald tot en met Philip Roth, Jonathan Franzen en Dave Eggers. Al die meer dan geëngageerde ‘multatulianen’ hebben iets te zeggen over het belang van democratie en de bedreigingen waaraan zij blootstaat. Ook dankzij hun virtuoze stijl leggen zij de scheefgroei van de samenleving bloot. Daar valt veel van te leren.

    Off the record
    Tot de boeken die we ‘eigenlijk’ nog moeten lezen, behoren zonder twijfel de Amerikaanse klassiekers. Aan dat schuldgevoel appelleert Graa Boomsma in deze even leerzame als verrassende spoedcursus. Belangrijker nog is de duiding van die boeken. Na lezing van De Multatuli’s van Amerika zul je Moby Dick niet snel meer als zomaar een roman zien. Dat is een politiek traktaat!

     

    De Multatuli’s van Amerika
    Democratisch denken in de Great American Novel

    Graa Boomsma
    224 bladzijden
    Prijs: 19,95
    Uitgever: Nw Amsterdam